<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" version="2.0">
  <channel>
    <title>WARP Community: Official Reports written by the RIVM</title>
    <link>http://hdl.handle.net/10029/2963</link>
    <description>Official Reports written by the RIVM</description>
    <pubDate>Fri, 24 May 2013 04:13:09 GMT</pubDate>
    <dc:date>2013-05-24T04:13:09Z</dc:date>
    <item>
      <title>Heavy metals and benzo(a)pyrene in ambient air in the Netherlands. A preliminary assessment in the framework of the 4th European Daughter Directive</title>
      <link>http://hdl.handle.net/10029/261961</link>
      <description>Title: Heavy metals and benzo(a)pyrene in ambient air in the Netherlands. A preliminary assessment in the framework of the 4th European Daughter Directive
Authors: Manders AMM; Hoogerbrugge R
Abstract: De zware metalen arseen, cadmium, nikkel en kwik komen in de Nederlandse buitenlucht in zo&amp;apos;n lage concentratie voor dat er maar een meetstation nodig is om aan de Europese eisen te voldoen.  Wel zijn minstens drie meetstations nodig om het gehalte benzo(a)pyreen te meten.&amp;lt;br&amp;gt;Dit concludeert het RIVM in dit rapport, dat de gemeten waarden vergelijkt met de verplichtingen uit de Europese richtlijn.  Op basis van deze analyse bepaalt het ministerie van VROM hoeveel meetstations het inzet om aan de Europese verplichtingen te voldoen.&amp;lt;br&amp;gt;Arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen zijn kankerverwekkend en kwik is giftig.  Daarom heeft de Europese Unie streefwaarden en meetverplichtingen voor deze stoffen vastgesteld.  De meetverplichtingen beginnen in 2007.  Het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) van het RIVM heeft de stoffen gemeten tussen 2000 en 2005.&amp;lt;br&amp;gt;Uit de metingen blijkt dat de concentraties zware metalen zo laag zijn dat ze beneden de onderste beoordelingsdrempels vallen.  Hiervoor geldt een minimale meetverplichting.  Dit betekent dat Nederland toe kan met een meetstation.  Het RIVM stelt Kollumerwaard voor als meetlocatie omdat dit aansluit bij het Europese meetprogramma EMEP/Osparcom.&amp;lt;br&amp;gt;Van benzo(a)pyreen liggen de concentraties wel onder de streefwaarde maar niet overal onder de onderste beoordelingsdrempel.  Overschrijding gebeurt in drukke straten, zoals gemeten aan het Bentinckplein in Rotterdam, en rondom het terrein van Corus in IJmuiden.  Dit betekent dat Nederland voor het meten van benzo(a)pyreen minstens drie meetstations nodig heeft.  RIVM adviseert als meetlocaties Corus, Bentinckplein en Noord-Nederland.  Drie extra meetlocaties zijn wenselijk, namelijk in het midden en zuiden van het land, en in Rotterdam op enige afstand van een drukke straat.&amp;lt;br&amp;gt;; The concentrations of the heavy metals arsenic, cadmium, nickel and mercury in ambient air in the Netherlands are so low that only one sampling point is required to meet the European directive.  For benzo(a)pyrene at least three sampling points are needed.&amp;lt;br&amp;gt;This is the conclusion of RIVM in this report, in which observed values are compared with thresholds from the European directive.  Based on this analysis, the Ministry of Housing, Spatial planning and the Environment decides how many sampling points will be used to meet the European requirements.&amp;lt;br&amp;gt;Arsenic, cadmium, nickel and benzo(a)pyrene are carcinogenic and mercury is poisonous.  Therefore, the European Union has formulated target values and obligations for monitoring for these substances.  Monitoring must start in 2007.  The Dutch Air Quality Monitoring Network (LML) of RIVM has monitored the substances between 2000 and 2005.&amp;lt;br&amp;gt;The observations indicate that the concentrations of heavy metals are so low that they are below the lower assessment thresholds.  This implies that a minimal number of sampling points is needed.  For the Netherlands one point is sufficient.  RIVM suggests the location Kollumerwaard since it fits in with the European monitoring programme EMEP/Osparcom.&amp;lt;br&amp;gt;For benzo(a)pyrene concentrations are below the target value but not everywhere below the lower assessment threshold.  The threshold is exceeded along busy roads, as observed at Rotterdam Bentinckplein, and around the terrain of Corus in IJmuiden.  This implies that at least three sampling points are needed to monitor benzo(a)pyrene in the Netherlands.  RIVM suggest the locations Corus, Bentinckplein and the north of the Netherlands.  Three additional locations are advisable: in the middle and south of the Netherlands and in Rotterdam at some distance from a busy road.&amp;lt;br&amp;gt;</description>
      <pubDate>Fri, 20 Jul 2007 00:00:00 GMT</pubDate>
      <guid isPermaLink="false">http://hdl.handle.net/10029/261961</guid>
      <dc:date>2007-07-20T00:00:00Z</dc:date>
    </item>
    <item>
      <title>EU Interlaboratory comparison study animal feed I (2008). Bacteriological detection of Salmonella in chicken feed</title>
      <link>http://hdl.handle.net/10029/261948</link>
      <description>Title: EU Interlaboratory comparison study animal feed I (2008). Bacteriological detection of Salmonella in chicken feed
Authors: Kuipers AFA; Veenman C; van de Kassteele J; Mooijman KA
Abstract: In 2008 waren van de 30 Nationale Referentie Laboratoria (NRL&amp;apos;s) in de Europese Unie er 29 in staat hoge en lage concentraties van de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen.  Zij behaalden direct het gewenste niveau.  Een laboratorium kon ook tijdens de herkansing niet voldoende presteren.  De oorzaken van hun fouten worden nog nader uitgezocht.  Dit blijkt uit het eerste ringonderzoek dat het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor dierenvoeders heeft georganiseerd.  Het onderzoek is in oktober 2008 gehouden, de herkansing was in maart 2009.  Alle NRL&amp;apos;s verantwoordelijk voor Salmonelladetectie van de Europese lidstaten zijn verplicht om aan dit onderzoek deel te nemen.  Het CRL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).&amp;lt;br&amp;gt;Tijdens de studie zijn drie analysemethodes gebruikt om de Salmonellabacterie in kippenvoer aan te tonen.  Twee daarvan zijn internationaal gestandardiseerde methoden voor Salmonelladetectie in dierenvoeders.  Hiervan bleek er een niet de meest effectieve methode te zijn omdat slechts in 92 procent van de monsters Salmonella werd aangetroffen.  De derde, de internationaal voorgeschreven methode om Salmonella in dierlijke mest aan te tonen, is niet verplicht maar is op verzoek van het CRL uitgevoerd.  Deze methode behaalde het beste resultaat met 99 procent positieven.&amp;lt;br&amp;gt;De laboratoria moeten de test volgens voorschrift uitvoeren.  Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met kippenvoer en 35 gelatinecapsules met melkpoeder dat verschillende besmettingsniveaus Salmonella bevatte.  De laboratoria moesten vervolgens het kippenvoer en de capsules samenvoegen en onderzoeken of er Salmonella in aanwezig was.&amp;lt;br&amp;gt;; In 2008, from the 30 National Reference Laboratories (NRLs) in the European Union, 29 were able to detect high and low levels of Salmonella in chicken feed.  They achieved the desired outcome at once.  One laboratory was unable to produce satisfactory results neither in the follow-up test.  The reasons for their failures are currently being investigated.  These results were shown in the first interlaboratory comparison study on animal feed, organized by the Community Reference Laboratory (CRL) for Salmonella.  The comparison study was conducted in October 2008, with the follow up in March 2009.  The NRLs responsible for Salmonella detection from all European Member States are obliged to participate in this study.  The CRL for Salmonella is part of the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM).&amp;lt;br&amp;gt;During the study, three methods for detecting Salmonella in chicken feed were used.  Two methods are standardised at international level for the detection of Salmonella in animal feed.  One of those two methods was least effective as only 92 percent of the samples were found to be positive.  The third, internationally prescribed method for the detection of Salmonella in veterinary samples was not obligatory but requested by the CRL.  This method gave the best results with 99 percent being positive.&amp;lt;br&amp;gt;To perform the test, the laboratories had to follow the given instructions.  Each laboratory received a package containing chicken feed and 35 gelatin capsules containing Salmonella spp.  at different levels.  The laboratories were instructed to spike the chicken feed with the capsules and test the samples for the presence of Salmonella.&amp;lt;br&amp;gt;</description>
      <pubDate>Thu, 02 Jul 2009 00:00:00 GMT</pubDate>
      <guid isPermaLink="false">http://hdl.handle.net/10029/261948</guid>
      <dc:date>2009-07-02T00:00:00Z</dc:date>
    </item>
    <item>
      <title>Disease burden in the Netherlands due to infections with Shiga-toxin producing Escherichia coli O157</title>
      <link>http://hdl.handle.net/10029/261945</link>
      <description>Title: Disease burden in the Netherlands due to infections with Shiga-toxin producing Escherichia coli O157
Authors: Havelaar AH; van Duynhoven YTHP; Nauta MJ; Bouwknegt M; Heuvelink AE; de Wit GA; Nieuwenhuizen MGM; van de Kar NCAJ
Abstract: Infectie met Shiga-toxine producerende Escherichia coli serotype O157 (STEC O157) leidt meestal tot een episode van acute gastro-enteritis (GE).  De symptomen varieren van relatief milde, waterige diarree tot een ernstige vorm van bloederige diarree die bekend is als hemorragische colitis.  In kinderen, en sporadisch in volwassenen, kan het Shiga-toxine aanleiding geven tot het Hemolytisch Uremisch syndroom (HUS).  Sommige HUS patienten ontwikkelen chronisch nierfalen, leidend tot uiteindelijk terminale nierinsufficientie (End Stage Renal Disease - ESRD), hetzij direct ofwel tot 20 jaar of meer na de HUS episode.  ESRD patienten zijn afhankelijk van niervervangende therapie (dialyse of niertransplantatie).  Zowel GE, HUS als ESRD kunnen leiden tot voortijdige sterfte.  Dit rapport beschrijft de epidemiologie van met STEC O157 geassocieerde ziekte in Nederland, gebaseerd op onderzoek in de periode 1990-2000.  De beschikbare informatie wordt geintegreerd in een volksgezondheidsmaat, de Disability Adjusted Life Year (DALY).  DALYs zijn de som van het aantal verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte, en het aantal jaren dat met ziekte wordt doorgebracht, gewogen met een factor tussen 0 en 1 voor de ernst van die ziekte.  De incidentie van met STEC O157 geassocieerde GE wordt geschat op 1250 gevallen per jaar (mediaan), waarvan ongeveer 180 patienten hun huisarts bezoeken.  Van 40 patienten wordt uit een voor laboratoriumonderzoek ingezonden fecesmonster STEC O157 geisoleerd.  Het aantal sterfgevallen is erg onzeker, de meest waarschijnlijke waarde is 2 sterfgevallen per 3 jaar, met name onder ouderen.  De incidentie van HUS veroorzaakt door STEC O157 in Nederland is ongeveer 22 gevallen per jaar, waarvan 15 kinderen onder 15 jaar.  Daarvan leiden gemiddeld 2.5  gevallen per jaar tot ESRD.  Naar schatting overlijden 2 patienten per jaar ten gevolge van HUS, en 1 patient per 2 jaar aan de gevolgen van ESRD.  Weegfactoren voor de ernst van GE, HUS en ESRD werden afgeleid uit eerder gepubliceerde studies.  De duur van ziekte en levensverwachting van fatale gevallen werden uit verschillende epidemiologische onderzoekingen afgeleid.  Het beloop van patienten met ESRD werd gebaseerd op de registratie van de Stichting Renine.Combinatie  van bovengenoemde informatie leidt tot een schatting van de ziektelast door STEC O157 in de Nederlandse bevolking.  Onzekerheid en variabiliteit in de epidemiologische informatie zijn expliciet bij de analyse betrokken door middel van Monte Carlo simulatie en gevoeligheidsanalyse.  De geschatte gemiddelde ziektelast bedraagt ca.  116 (90% betrouwbaarheidsinterval 85-160) DALY per jaar.  De belangrijkste bijdragen worden geleverd door sterfte ten gevolge van HUS (58 DALY), sterfte ten gevolge van ESRD (21 DALY), en morbiditeit door dialyse ten gevolge van ESRD (21 DALY).  (Bloederige) diarree (7 DALY) levert eveneens bijdragen aan de ziekte last.  Vergelijking met de resultaten van een eerder onderzoek geeft aan dat de ziektelast van thermofiele Campylobacter spp.  in absolute zin groter is dan die van STEC O157 (1400 vs.  116 DALY per jaar) maar per geval van primaire gastroenteritis minder ernstig.  De invloed van onzekere aannames in de berekeningen werd geevalueerd met behulp van scenario analyse.  In alle scenario&amp;apos;s was de berekende ziektelast binnen het bovengenoemde betrouwbaarheidsinterval.&amp;lt;br&amp;gt;; Infection with Shiga-toxin producing Escherichia coli serotype O157 (STEC O157) may lead to a gastro-enteritis (GE) episode.  Symptoms can vary from relatively mild watery diarrhoea to a severe form of bloody diarrhoea known as haemorrhagic colitis.  In children, and sporadically in adults, the Shiga-toxin may cause the Haemolytic Uraemic syndrome (HUS).  Some HUS patients may develop End Stage Renal Disease (ESRD), either directly after the HUS episode or as many as 20 years later.  ESRD patients are dependent on renal replacement therapy (dialysis, kidney transplantation) while GE, HUS and ESRD can all lead to premature mortality.  Here, the epidemiology of illness associated with STEC O157 in the Netherlands is described on the basis of surveys carried out between 1990 and 2000.  All available information is integrated in one public health measure, the Disability Adjusted Life Year (DALY).  The mean disease burden associated with STEC O157 in the Dutch population has been estimated through simulation at 116 DALY per year (85 - 160 DALY per year using a 90% confidence interval).  The disease burden is also highly variable.  Mortality due to HUS (58 DALY), mortality due to ESRD (21 DALY) and dialysis due to ESRD (21 DALY) constitute the main determinants of disease burden.  Scenario analysis was used to evaluate the influence of uncertain assumptions in the above calculations.  In all scenarios, the estimated disease burden was within the above-mentioned confidence interval.&amp;lt;br&amp;gt;</description>
      <pubDate>Thu, 27 Feb 2003 00:00:00 GMT</pubDate>
      <guid isPermaLink="false">http://hdl.handle.net/10029/261945</guid>
      <dc:date>2003-02-27T00:00:00Z</dc:date>
    </item>
    <item>
      <title>Transport by groundwater of radionuclides released after flooding of a repository in a salt dome. (Period 1-5-1984 to 31-10-1984)</title>
      <link>http://hdl.handle.net/10029/261957</link>
      <description>Title: Transport by groundwater of radionuclides released after flooding of a repository in a salt dome. (Period 1-5-1984 to 31-10-1984)
Authors: Leijnse A; Praagman N; Sauter F</description>
      <pubDate>Fri, 30 Nov 1984 00:00:00 GMT</pubDate>
      <guid isPermaLink="false">http://hdl.handle.net/10029/261957</guid>
      <dc:date>1984-11-30T00:00:00Z</dc:date>
    </item>
  </channel>
</rss>

