Differentiatie van toekomstige inspanningen in het kader van het klimaatverdrag - Enkele verkennende berekeningen ten behoeve van het NMP4

2.50
Hdl Handle:
http://hdl.handle.net/10029/9704
Title:
Differentiatie van toekomstige inspanningen in het kader van het klimaatverdrag - Enkele verkennende berekeningen ten behoeve van het NMP4
Authors:
Berk MM; Elzen MGJ den; Metz B
Other Titles:
Differentiation of future climate commitments - some explorative analyses in support of the fourth Dutch National Environmental policy Plan (NMP4)
Abstract:
This report documents analyses exploring the consequences of the climate policy goals pursued by the Dutch Government and the EU for the level of reduction of greenhouse gases required in developed countries, in particular for the EU / the Netherlands, on the medium to long-term. In the analyses a redistribution of the global emission space between developed and developing countries on the basis of a convergence of per capita (CO2) emissions by either 2030 or 2050 is assumed. This convergence approach is compared to an increasing participation approach, where the group of countries with quantified commitments is gradual extended. If a medium value (2.4) for the sensitivity of the climate system is assumed, the Dutch climate policy goals (less than 2 degrees C temperature increase, a maximum rate of temperature increase of 0.1 degree C per decade and 50 cm sea level rise) imply a immediate reduction of global greenhouse gas emissions after 2012 and a stabilisation of CO2 concentrations at a level of about 450 ppmv, with CO2 equivalent concentrations stabilising below about 550 ppmv before the end of the century. If the restriction on the rate of temperature change is ignored, global greenhouse gas emissions could initially further increase after the first commitment period. Depending on the global emission profiles and the year of convergence, total CO2 emission space would be reduced by 30-60% and 40-80% by 2030 compared to 1990 levels for Western Europe and the US respectively. Given the need for early participation of developing countries in global greenhouse emission control, a convergence regime seems more attractive than an increasing participation regime.; Een verkenning wordt gegeven van de consequenties van de normatieve uitgangspunten (klimaatdoelstellingen) in de Vervolgnota Klimaatverandering en in het EU beleid voor de benodigde reducties van broeikasgasemissies in de industrielanden, met name de EU landen waaronder Nederland, op de middellange tot lange termijn. Daarbij is uit gegaan van een herverdeling van de mondiale emissieruimte voor broeikasgassen tussen Noord en Zuid op basis van een convergentie van hoofdelijke (CO2) emissies in 2030 dan wel 2050. Deze convergentiebenadering is vergeleken met een geleidelijke uitbreiding van landen met kwantitatieve doelstellingen. In het geval van een gemiddelde klimaatgevoeligheid (2.4) vereisen de klimaatdoelstellingen in de Vervolgnota klimaatverandering (minder dan 2 graden C temperatuurstijging, een snelheid van temperatuurstijging van niet meer dan 0.1 graad C / jaar en maximaal . 50 cm zeespiegelstijging) een onmiddellijke start van de reductie van de mondiale broeikasgassen na 2012 en een stabilisatie van de CO2 concentraties op een niveau van ongeveer 450 ppmv en van CO2 equivalente concentraties op een niveau van ongeveer 550 ppmv rond het einde van deze eeuw. Indien de doelstelling voor beperking van de snelheid van temperatuurstijging wordt losgelaten, kunnen de mondiale CO2 emissies na uitvoering van het KP eerst nog verder stijgen. Afhankelijk van het gekozen emissieprofiel en convergentiejaar neemt de CO2 emissieruimte voor West-Europa en de VS met respectievelijk 30 - 60% en 40 -80% af ten opzichte van 1990. Gegeven de gewenste snelle deelname van ontwikkelingslanden aan wereldwijde beheersing van broeikasgassen, lijkt een regime met convergentie van hoofdelijke emissierechten aantrekkelijker dan een regime van toenemende participatie.
Affiliation:
MNV; CIM
Publisher:
Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM
Issue Date:
19-Apr-2002
URI:
http://hdl.handle.net/10029/9704
Additional Links:
http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/728001018.html
Language:
nl
Series/Report no.:
RIVM rapport 728001018
Appears in Collections:
RIVM reports - old archive

Full metadata record

DC FieldValue Language
dc.contributor.authorBerk MMen_US
dc.contributor.authorElzen MGJ denen_US
dc.contributor.authorMetz Ben_US
dc.date.accessioned2007-02-27T13:00:15Z-
dc.date.available2007-02-27T13:00:15Z-
dc.date.issued2002-04-19en_US
dc.identifier728001018en_US
dc.identifier.urihttp://hdl.handle.net/10029/9704-
dc.description.abstractThis report documents analyses exploring the consequences of the climate policy goals pursued by the Dutch Government and the EU for the level of reduction of greenhouse gases required in developed countries, in particular for the EU / the Netherlands, on the medium to long-term. In the analyses a redistribution of the global emission space between developed and developing countries on the basis of a convergence of per capita (CO2) emissions by either 2030 or 2050 is assumed. This convergence approach is compared to an increasing participation approach, where the group of countries with quantified commitments is gradual extended. If a medium value (2.4) for the sensitivity of the climate system is assumed, the Dutch climate policy goals (less than 2 degrees C temperature increase, a maximum rate of temperature increase of 0.1 degree C per decade and 50 cm sea level rise) imply a immediate reduction of global greenhouse gas emissions after 2012 and a stabilisation of CO2 concentrations at a level of about 450 ppmv, with CO2 equivalent concentrations stabilising below about 550 ppmv before the end of the century. If the restriction on the rate of temperature change is ignored, global greenhouse gas emissions could initially further increase after the first commitment period. Depending on the global emission profiles and the year of convergence, total CO2 emission space would be reduced by 30-60% and 40-80% by 2030 compared to 1990 levels for Western Europe and the US respectively. Given the need for early participation of developing countries in global greenhouse emission control, a convergence regime seems more attractive than an increasing participation regime.en
dc.description.abstractEen verkenning wordt gegeven van de consequenties van de normatieve uitgangspunten (klimaatdoelstellingen) in de Vervolgnota Klimaatverandering en in het EU beleid voor de benodigde reducties van broeikasgasemissies in de industrielanden, met name de EU landen waaronder Nederland, op de middellange tot lange termijn. Daarbij is uit gegaan van een herverdeling van de mondiale emissieruimte voor broeikasgassen tussen Noord en Zuid op basis van een convergentie van hoofdelijke (CO2) emissies in 2030 dan wel 2050. Deze convergentiebenadering is vergeleken met een geleidelijke uitbreiding van landen met kwantitatieve doelstellingen. In het geval van een gemiddelde klimaatgevoeligheid (2.4) vereisen de klimaatdoelstellingen in de Vervolgnota klimaatverandering (minder dan 2 graden C temperatuurstijging, een snelheid van temperatuurstijging van niet meer dan 0.1 graad C / jaar en maximaal . 50 cm zeespiegelstijging) een onmiddellijke start van de reductie van de mondiale broeikasgassen na 2012 en een stabilisatie van de CO2 concentraties op een niveau van ongeveer 450 ppmv en van CO2 equivalente concentraties op een niveau van ongeveer 550 ppmv rond het einde van deze eeuw. Indien de doelstelling voor beperking van de snelheid van temperatuurstijging wordt losgelaten, kunnen de mondiale CO2 emissies na uitvoering van het KP eerst nog verder stijgen. Afhankelijk van het gekozen emissieprofiel en convergentiejaar neemt de CO2 emissieruimte voor West-Europa en de VS met respectievelijk 30 - 60% en 40 -80% af ten opzichte van 1990. Gegeven de gewenste snelle deelname van ontwikkelingslanden aan wereldwijde beheersing van broeikasgassen, lijkt een regime met convergentie van hoofdelijke emissierechten aantrekkelijker dan een regime van toenemende participatie.nl
dc.format.extent896000 bytesen_US
dc.format.extent917213 bytes-
dc.format.mimetypeapplication/pdf-
dc.language.isonlen_US
dc.publisherRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMen_US
dc.relation.ispartofseriesRIVM rapport 728001018en_US
dc.relation.urlhttp://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/728001018.htmlen_US
dc.subject.otherclimateen
dc.subject.otherpolicyen
dc.subject.othertreatyen
dc.subject.othercostsen
dc.subject.otherplanningen
dc.subject.otherclimatic changesen
dc.subject.otherklimaatnl
dc.subject.otherbeleidnl
dc.subject.otherverdragennl
dc.subject.otherkostennl
dc.subject.otherplanningnl
dc.subject.otherklimaatveranderingnl
dc.subject.othernmp4nl
dc.titleDifferentiatie van toekomstige inspanningen in het kader van het klimaatverdrag - Enkele verkennende berekeningen ten behoeve van het NMP4en_US
dc.title.alternativeDifferentiation of future climate commitments - some explorative analyses in support of the fourth Dutch National Environmental policy Plan (NMP4)en_US
dc.contributor.departmentMNVen_US
dc.contributor.departmentCIMen_US
All Items in WARP are protected by copyright, with all rights reserved, unless otherwise indicated.