RIVM Publications Repository

On this website you will find articles and reports that are written by the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM).

We are constantly working to improve the Repository. Please contact our administrator if you have any further questions or remarks.

Select a community to browse its collections.

RIVM official reports
Articles and other publications by RIVM employees
Datafeed Community
  • Quantitative Risk Assessment of Avian Influenza Virus Infection via Water

    Schijven JF; Teunis PFM; de Roda Husman AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-01)
    Op grond van literatuurgegevens werden voor kippen en mensen dagelijkse infectierisico's door H5N1-vogelgriepvirus door consumptie van besmet drinkwater geschat voor Nederland. Een zeer infectieus virus en minder dan 4 log10 drinkwaterzuivering (redelijk inefficient) kunnen leiden tot een hoog infectierisico (meer dan 1%) voor pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen. Goed gezuiverd drinkwater (8 log10) leidt tot een verwaarloosbaar infectierisico voor individuele kippen en mensen. Aangenomen werd dat een enkele geinfecteerde eend H5N1-virus uitscheidde in oppervlaktewater, dat werd ingenomen voor drinkwaterproductie en leidde tot consumptie van besmet drinkwater door een kip of mens. Bij 8 log10 drinkwaterzuivering is het geschatte dagelijkse infectierisico voor een individuele kip laag, namelijk 10ˆ-15-10ˆ-10. Dit weerspiegelt de grote onzekerheden in virusuitscheiding en infectiviteit (10ˆ-5-1). Desondanks, kunnen de 2000 pluimveebedrijven met meer dan tienduizend kippen (74% van alle Nederlandse pluimveebedrijven) een hoog risico (meer dan 1%) lopen indien het virus zeer infectieus en de drinkwaterzuivering minder dan 4 log10 is. Uitgaande van een lage virusinfectiviteit (10ˆ-5) werd het gemiddelde dagelijkse infectierisico voor de mens door drinkwaterconsumptie geschat op 2 x 10ˆ-12, wat zeer laag is, en door oppervlaktewaterrecreatie op 10ˆ-8. Hoewel het H5N1-vogelgriepvirus voor mensen vermoedelijk minder infectieus is dan voor kippen, is efficiente drinkwaterzuivering ook voor de mens van groot belang. Efficiente en robuuste drinkwaterzuivering kan worden vastgesteld aan de hand van de in Nederland reeds wettelijk opgelegde risicoanalyse voor enterovirussen en in waterveiligheidsplannen.
  • Een vergelijking tussen (passieve) NO2 metingen en rekenresultaten in 2010

    Uiterwijk JW; Wesseling J; Nguyen L; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-02-27)
    Metingen van stikstofdioxide (NO2) concentraties met zogeheten Palmesbuisjes en formele referentiemethoden laten betrekkelijk kleine verschillen, van 10-15%, zien met resultaten van berekeningen met wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze metingen zijn uitgevoerd om een beeld te krijgen van de concentraties in gebieden waar geen continue metingen van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden verricht. Palmesbuisjes zijn kleine plastic buisjes met daarin een chemisch actieve stof die NO2 aan zich bindt, waarmee de NO2-concentratie worden bepaald. De aanvullende metingen hiermee vinden plaats op verschillende achtergrondlocaties in steden, langs enkele snelwegen, langs een drukke vaarweg en bij enkele tunnelmonden. Waar mogelijk zijn de metingen vergeleken met de resultaten van berekeningen met de in Nederland wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethoden. De in straten en langs snelwegen gemeten NO2-concentraties komen goed overeen met de resultaten van de rekenmethoden. Metingen langs een kanaal met veel scheepvaart laat slechts een kleine verhoging van de NO2-concentratie op de dijk zien. Bij tunnelmonden zijn sterk verhoogde NO2-concentraties gemeten.
  • Toxicity of Ambient Particulate Matter IV: Acute toxicity study in pulmonary hypertensive rats after exposure to model compounds for the secondary aerosol fraction of PM10 - ammonium bisulfate, ferrosulfate and nitrate

    Cassee FR; Boere AJF; Fokkens PHB; Dormans JAMA; van Bree L; Rombout PJA; LEO; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
    Ammoniumnitraat is de belangrijkste component van het secundair gevormde fijnstof in Nederland. Een tweede belangrijke fractie wordt, afhankelijk van de neutraliserende componenten, gevormd door bisulfaat of sulfaat. De acute inhalatoire effecten van deze aerosolen zijn onderzocht in gezonde ratten en ratten met pulmonaire hypertensie. In dit type onderzoek is het gebruik van diermodellen die een bepaalde humane cardiopulmonaire aandoening representeren essentieel, omdat epidemiologisch onderzoek juist deze groep mensen heeft aangeduid als een groep die gevoelig is voor expositie aan fijnstof. Voor de studies die in dit rapport worden beschreven is een model voor pulmonaire hypertensie (gepaard gaande met een inflammatie en een hypertrofie van het rechter ventrikel) toegepast. Dit ziektebeeld wordt chemisch geinduceerd met monocrotaline (MCT). Uitgaande van de wetenschap dat de effecten van fijnstof zeer acuut kunnen zijn, zijn in deze studies dieren 4 uur per dag gedurende drie dagen blootgesteld aan ultrafijn en fijn ammonium aerosolen. De studie met ammoniumbisulfaat is twee maal uitgevoerd, waarbij de massaconcentraties in de tweede studie hoger waren dan in de eerste. Ein dag na de laatste blootstelling werden de effecten vastgesteld middels longspoelvloeistof (BALF) analyse en histopathologie. De behandeling met MCT resulteerde in de verwachte pathologische symptomen: mediale hypertrofie van spieren van pulmonare slagaders en neomuscularisatie van kleine bloedvaten. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor het optreden van cytotoxiciteit (gemeten met de indicatoren lactaat dehydrogenase (LDH), eiwit- en albumine gehaltes in BALF) als gevolg van de blootstelling aan (ultra)fijn ammonium aerosol. Macrofagen lijken in alle met MCT behandelde groepen geactiveerd, bepaald middels de aktiviteit van N-acetylglucosaminidase (NAG), maar een effect van de test atmosfeer is niet opgetreden. Het celdifferentiatiebeeld laat geen consistent beeld zien ten aanzien van de MCT behandeling. Een effect van ammonium aerosolen kan mede door de latent aanwezige Haemophilus sp infectie, niet worden vastgesteld. Middels pathologisch onderzoek kon geen effect van de blootstelling aan aerosolen worden vastgesteld.eerde aerosol concentraties, die vergelijkbaar waren met concentraties in eerdere studies in astmatische muizen geen pulmonaire effecten in gezonde en pulmonair hypertensieve ratten optreden.<br>
  • Risico-bepaling op foetaal Down syndroom en neuraalbuisdefecten door middel van alpha-1-foetoproteine, ongeconjugeerd oestriol en humaan choriongonadotropine in maternaal serum. Rapportage over de periode maart 1991 t/m 1996

    Hagenaars AM; LIS (1998-05-31)
    Van 1991 t/m 1996 werden 14365 sera van zwangeren ingestuurd ten behoeve van de risicobepaling op Down syndroom en neuraalbuisdefecten via AFP, uE3 en hCG, de 'triple test'. Sinds invoering van de wet bevolkingsonderzoek (WBO) is het inzendpatroon sterk veranderd: er vond een decentralisatie plaats, meer inzenders zonden minder sera in. Dit heeft negatieve gevolgen voor kwaliteitscontrole en voor de voorlichting aan inzender en zwangere. De leeftijdsverdeling is anders dan bij de totale Nederlandse populatie zwangeren. Vooral zwangeren in de leeftijd van 34-37 jaar waren oververtegenwoordigd. Van de zwangeren had 1.5 % een verhoogd risico op NBD (> 2.50 MoM voor AFP), 11.3% een verhoogd risico voor Down syndroom, en 0.5% voor Trisomie 18. Zou men deze percentages omrekenen voor de leeftijdsverdeling van de toenmalige totale populatie Nederlandse zwangeren, dan worden deze respectievelijk 1.5%, 7.9% en waarschijnlijk 0.4%. Van de tot nu toe bekende Down Syndroom gevallen was in 29 van de 35 gevallen het risico op Down syndroom verhoogd. De verschillende chromosoomafwijkingen worden, afhankelijk van een eventuele associatie met andere (open) defecten, gevonden via een verhoogd risico op neuraalbuisdefecten, op Down Syndroom of op trisomie 18. De voorlopige resultaten zijn dus indrukwekkend, de sensitiviteit is 86.4% voor alle via de 3 risico-berekeningen gevonden afwijkingen, de specificiteit is 87.1%, de positief voorspellende waarde is 3.03%, en de negatief voorspellende waarde is 99.93%. Voor een definitieve conclusie met betrekking tot de statistische parameters is het wachten op meer post partum gegevens. Het binnenkrijgen en afwerken van de gegevens kan nog veel tijd in beslag nemen.
  • De biologische beschikbaarheid van het diureticum chloortalidon uit tabletten

    Olling; M.; Timmerman; A.; Rauws; A.G. (1985-11-30)
    De relatieve biobeschikbaarheid van drie generieke Chloortalidonpreparaten werd bij de hond bepaald met het merkpreparaat als referentie. AUC-waarden werden berekend over een periode van 72 uur op grond van plasma- en bloedspiegelbepalingen. De resultaten werden geevalueerd met behulp van het programma BIOTEST. Met AUC-waarden gebaseerd op erythrocytaire concentraties bleken alle preparaten bioequivalent. Met AUC-waarden gebaseerd op plasmaspiegels werden niet significante verschillen met het referentiepreparaat gevonden. Twee generieke preparaten verschilden onderling significant. Beide preparaten werden daarop in "steady state" met elkaar vergeleken. Hier werd een groter maar niet significant verschil gevonden. De gevonden verschillen hingen samen met opvallend grote variatie bij een van beide preparaten. Op grond hiervan werd dit van inferieure kwaliteit geacht te zijn.

View more