Recent Submissions

  • Duurzaam borgen van Welzijn op Recept. Lessen uit de literatuur en actieonderzoek

    Kemper, P; Bos, C; Preuhs, K; Vader, S; van der Klauw, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-25)
    De overheid wil meer verbinding leggen tussen het medisch en het sociaal domein. Een voorbeeld daarvan is Welzijn op Recept. Hierbij verwijst de huisarts mensen met lichte psychosociale klachten, zoals eenzaamheid, naar een welzijnscoach in het sociale domein. Deze coach zoekt samen met de cliënt naar een activiteit om het welbevinden te vergroten. Voorbeelden zijn verschillend, variërend van een buurtcentrum bezoeken tot vrijwilligerswerk doen. Het blijkt alleen lastig om het contact tussen de huisarts en de welzijnscoach een vast onderdeel te laten zijn van het lokale zorg- en ondersteuningsaanbod. RIVM en TNO hebben daarom onderzocht wat nodig is om dit beter te realiseren. Het RIVM en TNO adviseren een kernteam op te zetten, waarin alle betrokken partijen zitten. Dat zijn zowel de huisarts en de welzijnscoach, als een vertegenwoordiger uit het management van het gezondheidscentrum of de huisartspraktijk, en de gemeente voor een breed draagvlak. In dit team moet eerst duidelijk worden wat Welzijn op Recept is, voor wie, en wie welke rollen en taken heeft. Daarnaast is blijvende financiering belangrijk en moet de professional genoeg tijd hebben om de patiënt goed te kunnen helpen. Goede samenwerking tussen de betrokken partijen is daarvoor essentieel, net als genoeg aanbod van activiteiten. Om Welzijn op Recept een vaste plek te laten krijgen, is het belangrijk dat zowel de patiënt als professionals de interventie kennen. Ook moet de patiënt bereid zijn om aan activiteiten deel te nemen. Verder is het belangrijk dat de welzijnscoach zichtbaar is in de praktijk, om zo een vertrouwd gezicht te zijn en met wie het makkelijk contact maken is. Daarnaast is het belangrijk dat de huisarts en de welzijnscoach met elkaar in contact blijven, zodat duidelijk is hoe het met de cliënt gaat. Hierdoor krijgt de patiënt vertrouwen in de aanpak. Tot slot is het belangrijk inzicht te krijgen in de effecten van deze interventie en de aanpak onder de aandacht te blijven brengen.
  • Radionucliden in het Nederlandse rioolwater. Een pilotstudie

    Szeto, Y; Rosenbaum, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-25)
    In Nederland mogen ondernemers onder bepaalde voorwaarden radioactieve stoffen lozen op het openbare riool. Dat zijn vooral ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Via patiënten komen de gebruikte radionucliden in het toilet terecht en dus in de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Maar ook onderzoeksinstellingen en industrie lozen deze stoffen. Radioactieve stoffen die in het afvalwater van bedrijven of industrie zitten, zijn op te sporen in de watermonsters van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's). Dat blijkt uit deze pilot van het RIVM. Dit was tot nu toe niet onderzocht in Nederland. De pilot geeft een eerste indruk welke radionucliden in het rioolwater aantoonbaar zijn. In deze metingen zijn jodium-131 en lutetium-177 gevonden. Deze radionucliden komen van ziekenhuizen met een afdeling nucleaire geneeskunde. Deze informatie geeft handvatten voor meer onderzoek. Bijvoorbeeld of RWZI-medewerkers onbedoeld aan radionucliden blootstaan. En of daarvoor beschermende maatregelen nodig zijn. Verder zou een meetnet kunnen worden opgezet door structureel bij alle RWZI's in Nederland radionucliden in rioolwater te meten. Met dit soort informatie kunnen onverwachte lozingen of een ongeval met straling worden opgespoord. Voor de pilot is het systeem gebruikt dat tijdens de corona-epidemie in Nederland is opgezet om via de rioolwaterzuiveringsinstallaties te volgen hoeveel mensen er besmet zijn met het virus. Op basis van dit beperkte onderzoek is niet bekend in welke hoeveelheden radionucliden in Nederland in het riool te vinden zijn. Het is nuttig om rioolwater op radioactieve stoffen te onderzoeken, omdat de nucleaire geneeskunde groeit en verandert. Dit komt onder andere door technologische ontwikkelingen. Ook zijn andere radionucliden in opkomst voor nieuwe medische behandelingen. Een voorbeeld is de inwendige bestraling van prostaatkanker met lutetium-177. Jodium-131 wordt al lange tijd gebruikt om aandoeningen van de schildklier te behandelen.
  • Beschouwing toekomst bevolkingsonderzoeken en pre- en neonatale screenings. Onderdeel van de Ontwikkelagenda

    van Abeelen, AFM; Honig, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-24)
    Het ministerie van VWS en het RIVM werken samen aan een strategie om te zorgen dat de bevolkingsonderzoeken naar kanker en pre- en neonatale screenings voorbereid zijn op de toekomst. Dit heet de Ontwikkelagenda: een routekaart met projecten, gekoppeld aan ambities van VWS. Het doel van de Ontwikkelagenda is om effectief en proactief in te spelen op innovaties en ontwikkelingen in de toekomst. Het RIVM geeft in deze Beschouwing inzichten en aanbevelingen voor de toekomst; als voorbereiding op de Ontwikkelagenda. Uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bevolkingsonderzoeken en screenings hoog blijft. Daarnaast is het belangrijk dat alle betrokken partijen zo goed mogelijk samenwerken om snel en effectief in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen. Het is daarom belangrijk actief zicht te hebben en te houden op ontwikkelingen. Dan kan de organisatie van de bevolkingsonderzoeken en screenings goed inspelen op bedreigingen, zoals personeelstekorten en cyberaanvallen. Tegelijkertijd is het belangrijk kansen te benutten, zoals technologische ontwikkelingen en screenings op maat aanbieden. Technologische ontwikkelingen maken het mogelijk om aandoeningen in een vroeg stadium op te sporen en zo de kans om te genezen te vergroten. Als voorbeeld van screening op maat worden personen die een grotere kans hebben kanker te krijgen vaker uitgenodigd. Bij screening op maat zijn de (gezondheids-)voordelen groter en de nadelen kleiner. Ook is het kostenefficiënter. Een heldere visie op preventie is belangrijk om doordachte keuzes te maken voor de toekomst van de bevolkingsonderzoeken en screenings. Ook is het belangrijk vernieuwingen snel te kunnen invoeren. Verder is meer en gerichter onderzoek nodig waarbij onderzoek en de haalbaarheid in de praktijk zo veel mogelijk op elkaar aansluiten.
  • Tools for the implementation of integrated water and sanitation safety planning in small systems

    Van den Berg, H; Rickert, B; Huber, L; Lock-Wah-hoon, J; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-23)
    Wereldwijd halen veel kleine dorpen en gemeenschappen hun drinkwater uit verschillende waterbronnen. Het is niet zeker dat het drinkwater dan schoon is. Verder zijn hier sanitaire voorzieningen die vaak minder goed worden beheerd, waardoor ziekteverwekkers in drinkwaterbronnen of de omgeving kunnen terechtkomen. Dat kan ook in Nederland of Europa het geval zijn. Mensen kunnen ziek worden als zij bijvoorbeeld via drinkwater, of gewassen in contact komen met deze ziekteverwekkers Goed en veilig beheer is dan ook belangrijk om de kans via water ziek te worden zo klein mogelijk te maken. Daarom hebben het RIVM en de Duitse organisatie UBA in 2021 een werkwijze ontwikkeld die veilig beheer van kleinschalig drinkwater en sanitaire voorzieningen combineert. Deze werkwijze, integrated Water and Sanitation Safety Planning (iWSSP) geheten, brengt besmettingsroutes van drinkwater in kaart. Zo kunnen maatregelen worden genomen om besmettingen te voorkomen. Deze aanpak draagt bij aan zowel schoon drinkwater als veilige sanitaire voorzieningen. In dit rapport geven het RIVM en UBA handvatten voor mensen die werken met kleine systemen en de werkwijze voor hun gemeenschap willen invoeren. De gecombineerde werkwijze is vooral gewenst wanneer dorpen of gemeenschappen weinig geld of kennis hebben. De aanpak kan wereldwijd worden gebruikt. Voor de iWSSP zijn de aanpakken samengevoegd die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor beide systemen apart heeft ontwikkeld. iWSSP bestaat uit zes stappen om de mogelijke risico's van drinkwater en sanitaire voorzieningen te herkennen en te beperken. De zes stappen van iWSSP worden kort uitgelegd. Verder geeft het rapport ondersteunen praktische tips en kant-en-klare documenten de invoering van de aanpak in kleine drinkwater- en sanitaire systemen. Alle zes stappen moeten worden doorlopen om iWSSP in kleine systemen in te voeren.
  • Vijf jaar integrale bekostiging van de geboortezorg: effecten op zorggebruik, gezondheidsuitkomsten en zorguitgaven

    Struijs, JN; Klootwijk, A; Huang, X; Klein, PP; Scheefhals, ZTM; de Vries, EF; Beijer, M; Wong, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-22)
    Het RIVM onderzoekt het effect van integrale bekostiging van de geboortezorg op zorggebruik, de gezondheidsuitkomsten en zorguitgaven. De bedoeling van deze vorm van bekostiging is het verbeteren van de kwaliteit van de geboortezorg door de samenwerking tussen verschillende zorgverleners te versterken. Hiervoor zijn in diverse regio’s zogeheten integrale geboortezorgorganisaties (igo’s) opgezet. In de igo’s is de zorg zo georganiseerd dat alle aangesloten zorgaanbieders, zoals verloskundigen, gynaecologen en kraamzorg, meer met elkaar afstemmen en samenwerken. De igo krijgt nu een bedrag voor het hele traject van de zwangerschap en geboorte en verdeelt daarna het geld over de verschillende zorgverleners. Vóór die tijd werden alle zorgverleners apart betaald. Tussen 2017 en 2022 blijken de verschillen in het zorggebruik tussen de igo’s klein te zijn. Ook stegen de kosten van de geboortzorg iets minder voor deze periode. Verder blijkt dat de gezondheidseffecten niet zijn veranderd, als gekeken wordt naar de resultaten bij alle igo’s samen. Het gaat daarbij onder andere om het aantal vroeggeboortes, kinderen met een laag geboortegewicht of vrouwen met een ernstige bloeding na de bevalling. Wel verschillen deze uitkomsten sterk per igo. Zo zijn bij sommige igo’s minder kinderen geboren met een laag geboortegewicht en bij anderen juist meer. De verschillen in effecten tussen de igo’s komen onder andere doordat igo’s zelf kiezen welke interventies en veranderingen ze invoeren om de zorg te verbeteren. Dit maakt het moeilijk om het effect van integrale bekostiging op verschillende gezondheidseffecten van alle igo’s samen te meten. Daarnaast geven de igo’s zelf aan dat zij niet goed weten welke effectieve interventies er zijn en wanneer die nuttig zijn. Daarom adviseert het RIVM de igo’s te helpen de lokale problemen beter in beeld te krijgen en hen beter te informeren welke effectieve interventies daarvoor bestaan. In 2017 begon in opdracht van het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) integrale bekostiging als een experiment. Sinds 1 januari 2023 is het onderdeel geworden van de reguliere bekostiging. Er bestaan daardoor nu twee bekostigingsmodellen voor de geboortezorg; regio’s kiezen zelf welke zij gebruiken.
  • Monitor Kansrijke Start 2023

    van Meijeren-van Lunteren, AW; Molenaar, JM; Boesveld, IC; Hoffman, BJ; Brouwer-Prusak, AJ; Hendrikx, RJP; Klein, PPF; Struijs, JN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-17)
    De meeste kinderen in Nederland worden gezond geboren en groeien gezond op in een veilige en beschermde omgeving. Maar niet alle kinderen. Het ministerie van VWS is in september 2018 het actieprogramma 'Kansrijke Start' begonnen om meer kinderen een goede start te geven. Gemeenten en zorgverleners kunnen hiermee initiatieven opzetten om ouders vóór, tijdens, en na de zwangerschap te ondersteunen. Het RIVM volgt sinds 2019 in hoeverre gemeenten zulke initiatieven hebben opgezet en hoe de gezondheid van jonge kinderen zich ontwikkelt. De monitor Kansrijke Start van 2023 laat zien dat steeds meer gemeenten aandacht besteden aan een goede start van een kind. In 2023 had 62 procent van de gemeenten een 'lokale coalitie', ongeveer 15 procent meer dan in 2022. In lokale coalities werken professionals uit alle betrokken 'domeinen' samen, zoals uit de geboortezorg, jeugdgezondheidszorg en gemeenten. Deze partijen werken steeds beter samen, waardoor ze snel naar elkaar kunnen doorverwijzen. Dit is belangrijk om problemen vroeg te signaleren en (aanstaande) ouders te kunnen ondersteunen. Ook heeft meer dan de helft van de gemeenten een plan van aanpak Kansrijke Start gemaakt. Verder bieden ze steeds meer initiatieven aan, zoals Nu Niet Zwanger, VoorZorg en CenteringZwangerschap. Dit keer was er in de monitor extra aandacht voor (aanstaande) ouders en kinderen die onder moeilijke omstandigheden leven, zoals armoede. Het vermoeden dat deze kinderen een minder goede start hebben dan kinderen die niet in armoede opgroeien, is nu met cijfers onderbouwd. Gezinnen in een kwetsbare situatie maken bijvoorbeeld minder vaak gebruik van kraamzorg. Ook worden kinderen in kwetsbare situaties vaker te vroeg geboren of hebben ze een laag geboortegewicht. Het is nog niet duidelijk of de gezondheid van kinderen door Kansrijke Start verbetert. Gezondheid hangt van veel zaken af en het kost tijd voordat maatregelen effect hebben.
  • Methods for calculating the emissions of transport in the Netherlands

    Geilenkirchen, G; Bolech, M; Hulskotte, J; Dellaert, S; Ligterink, N; van Eijk, E; Geertjes, K; Kosterman, M; 't Hoen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de sector transport uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM actualiseert en beschrijft elk jaar de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn te vinden op www.emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn. Zoals het verdrag van Parijs, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties goedkeuren.
  • Advieswaarden PFAS in zwemwater

    Geraets, L; Bokkers, BGH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Het RIVM heeft nieuwe advieswaarden voor per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen)) in zwemwater bepaald. Deze waarden zijn bepaald op basis van de effecten van deze stoffen op de gezondheid (gezondheidskundige advieswaarden). De nieuwe advieswaarden zijn berekend voor PFAS in water van zwembaden en in oppervlaktewater van bijvoorbeeld recreatieplassen. Overheden die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van zwemwater, kunnen deze advieswaarden gebruiken om de kwaliteit ervan te beoordelen. Voor zwembaden stelt het RIVM een gezondheidskundige advieswaarde voor PFAS voor van 71 nanogram PEQ per liter (PEQ staat voor PFOA(perfluoroctaanzuur)-equivalenten; de som van meerdere soorten PFAS, uitgedrukt in PFOA-eenheden). Per liter oppervlaktewater is dat 280 nanogram PEQ. Deze advieswaarde is anders omdat mensen minder vaak in oppervlaktewater zwemmen dan in zwembaden. Aanleiding voor de update is de nieuwe gezondheidskundige grenswaarde voor deze stoffen die de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid EFSA(Europese Voedselveiligheidsautoriteit) in 2020 heeft bepaald. Deze nieuwe grenswaarde is lager, en dus strenger. Dit betekent dat de stoffen al bij een lagere blootstelling schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft daarna een methode ontwikkeld om de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA te vertalen naar een bredere groep PFAS. PFAS komen namelijk bijna nooit als enkele stof voor, maar meestal in mengsels met verschillende soorten PFAS. Deze methode is nu gebruikt voor zwemwater. PFAS zijn chemische stoffen die door mensen gemaakt zijn en van nature niet voorkomen in het milieu. Als ze eenmaal in het milieu zitten, blijven ze daar vanwege hun eigenschappen (forever chemicals). Een van de mogelijkheden om aan deze stoffen bloot te staan, is door te zwemmen in vervuild zwemwater. Het RIVM heeft de advieswaarden bepaald in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW(Infrastructuur en Waterstaat)).
  • Methodology for the calculation of emissions from agriculture

    van der Zee, TC; Bleeker, A; van Bruggen, C; Bussink, W; van Dooren, HJC; Groenestein, CM; Huijsmans, JFM; Kros, H; Lagerwerf, LA; Oltmer, K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. De methoden die voor verschillende stoffen worden gebruikt zijn beschreven, plus de wijzigingen die in het model zijn doorgevoerd. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
  • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

    visschedijk, A; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Jansen, BI; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal welke verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sector moeten worden gerapporteerd. De Emissieregistratie berekent op basis van internationale richtlijnen voor de relevante stoffen hoeveel ervan in de lucht vrijkomt. Het RIVM heeft de methoden die de Nederlandse Emissieregistratie gebruikt, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage vormt ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
  • Methodology for the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste

    Honig, E; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen door de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA) worden uitgestoten naar de lucht. Het gaat om alle stoffen die in de Emissieregistratie voorkomen en voor deze sectoren moeten worden gerapporteerd. Denk aan broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die grootschalige luchtverontreiniging veroorzaken. Het RIVM heeft de methoden waarmee de uitstoot wordt berekend, geactualiseerd en beschreven. De methoden worden elk jaar bijgesteld volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De emissiegegevens zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. De gegevens worden gebruikt voor de rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het verdrag van Parijs, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). De rapportage is ook de basis voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
  • Informative Inventory Report 2024. Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990–2022

    Wever, D; Bolech, M; Coenen, PWHG; Dellaert, SNC; Dröge, R; Geilenkirchen, G; Honig, E; van Huet, B; Kosterman, M; van Mill, SEH; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Deze Informative Inventory Report rapportage (IIR) beschrijft de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in 2022 ten opzichte van 2021. Verder geeft het aan in hoeverre Nederland de Europese verplichtingen heeft gehaald om de uitstoot te laten dalen ten opzichte van 2005, het zogeheten basisjaar. Uit deze inventarisatie blijkt dat in 2022, net als in 2020 en 2021, alle doelen (EU NEC-Directive) zijn gehaald. In 2022 is 121,2 kiloton ammoniak uitgestoten, 2,3 kiloton minder dan in 2021. Daarmee is de uitstoot 22 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 13 procent minder). Dit komt vooral doordat er in de landbouw minder dieren (rund- en pluimvee en varkens) zijn gehouden en het voer van melkvee minder eiwit bevatte. De uitstoot van fijnstof PM2.5 is verder gedaald tot 14,3 kiloton in 2022, een daling van 50 procent ten opzichte van het basisjaar (het NEC-doel is 37 procent minder). De uitstoot van stikstofoxiden is in 2022 met 11,0 kiloton afgenomen en is 59 procent minder dan in het basisjaar (het NEC-doel is 45 procent minder). De daling komt doordat auto’s steeds schoner worden. Wel zijn door vliegverkeer meer stikstofoxiden uitgestoten, 1,2 kiloton dan in 2021. Personenauto’s reden 5 procent meer kilometers dan in 2021, wat nog steeds 6 procent minder is dan voor de coronapandemie. De uitstoot van zwaveloxiden is in 2022 1,3 kiloton lager dan in 2021. Dat komt vooral omdat de industrie er minder van uitstoot. Raffinaderijen hebben wel meer procesgassen gestookt waardoor zij meer zwaveloxiden uitstootten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot ervan met 71 procent gedaald (het NEC-doel is 28 procent minder). De uitstoot van vluchtige organische stoffen is in 2022 met 2,4 kiloton gedaald ten opzichte van 2021. Deze uitstoot is in alle sectoren gedaald, met uitzondering van de sector Handel, Diensten en Overheid. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot met 24 procent gedaald (het NEC-doel is 8 procent minder). De Nederlandse overheid gebruikt de analyses in haar nationale beleid en om internationaal over de ontwikkeling van de uitstoot te rapporteren. Het RIVM stelt dit rapport elk jaar met verschillende partnerinstituten op voor het ministerie voor Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
  • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2022. National Inventory Report 2024

    van der Net, L; Staats, N; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJMM; Baas, K; van Baren, SA; Dröge, R; Geertjes, K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    In 2022 zijn in Nederland in totaal 7,6 procent minder broeikasgassen naar de lucht uitgestoten dan in 2021. Deze daling komt vooral doordat industrie, huishoudens en landbouw minder aardgas hebben verbruikt vanwege de hogere aardgasprijzen. In 2022 steeg ook het aandeel ‘onuitputtelijke’ energiebronnen, zoals zonne- en windenergie. In totaal is dit 15 procent van het energieverbruik in Nederland. In 2021 was dit 13 procent. De totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen wordt uitgedrukt in CO2(carbon dioxide)-equivalenten en bedroeg in 2022 158,4 miljard kilogram. De uitstoot wordt vergeleken met het basisjaar 1990. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 30,5 procent. In 1990 was de uitstoot 228,1 miljard kilogram CO2-equivalenten. Hiermee is het zogeheten Urgenda-doel (een minimale afname van 25 procent ten opzichte van 1990) ruim gehaald. De uitstoot van het broeikasgas CO2 is 21,6 procent lager dan die in het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 55,8 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies in 2022 die het RIVM elk jaar op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK(Economische Zaken en Klimaat)) maakt. Hiermee voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2024 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Akkoord van Parijs en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2022 zijn in het najaar van 2023 gepubliceerd. In de inventarisatie staan ook analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2022. Ook bevat het een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), net als de onzekerheid in de berekening van deze uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.
  • Monitor Onbedoelde Zwangerschappen Cijferoverzicht 2023

    Roordink, EM; Brouwer-Prusak, AJ; Snijder, BEP; Jansen-van der Vliet, M; Everaars, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-15)
    Wanneer vrouwen onbedoeld zwanger worden, kan dat een ingrijpende en emotionele gebeurtenis zijn. Het komt niet alleen bij tieners voor, maar ook op andere leeftijden. Het ministerie van VWS(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) wil met integraal beleid helpen om onbedoelde zwangerschappen te voorkómen en ervoor zorgen dat vrouwen die onbedoeld zwanger zijn en hun partner/verwekker beter begeleid worden. Ook wil VWS meer aandacht voor personen in een kwetsbare situatie, zoals mensen met psychische problemen, een laag inkomen of een verslaving. Voor hen is de kans groter dat een onbedoelde zwangerschap grote gevolgen heeft, bovenop bestaande zorgen. Met de monitor Onbedoelde Zwangerschappen verzamelt het RIVM hiervoor cijfers. Dit is het cijferoverzicht 2023, waarin we de meest recente cijfers presenteren (veelal uit 2022). Voor het eerst zijn nu cijfers bekend over onbedoelde zwangerschappen. In de eerdere cijferoverzichten 2020, 2021 en 2022 werden als alternatief cijfers over ongeplande zwangerschappen gepresenteerd. Een onbedoelde zwangerschap is ontstaan zonder dat dit de wens of planning was. Toch kan zij (in de loop van de zwangerschap) wel gewenst zijn. Net als in het cijferoverzicht 2022 hadden op basis van huisartsenregistraties 3,3 op de 1.000 vrouwen in 2022 een ongewenste zwangerschap. Het aantal tienermoeders is ongeveer hetzelfde als een jaar eerder (1385). Het aantal abortussen nam iets toe: in 2022 waren er 9,9 zwangerschapsafbrekingen per 1.000 vrouwen. In 2021 waren dat er 8,7. De reden daarvan is niet bekend. Er is iets meer hulp gezocht bij de keuze om de zwangerschap al dan niet voort te zetten (keuzehulp). In 2022 zijn 1052 keuzehulptrajecten gevoerd, in 2021 waren dat er 918. In 82 procent van de gemeenten werken hulpverleners met het programma Nu Niet Zwanger. Met dit programma helpen zij mensen bewuster na te denken over hun kinderwens en het gebruik van anticonceptie.
  • E-healthmonitor 2023. Stand van zaken digitale zorg

    Keij, B; Versluis, A; Alblas, EE; Keuper, JJ; van Tuyl, LHD; van der Vaart, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-11)
    De zorg staat onder druk door de vergrijzing, personeelstekorten en de hoge kosten. Digitale zorg kan eraan bijdragen dat iedereen zorg kan blijven krijgen waarvan de kwaliteit op peil blijft. Sinds 2013 wordt elk jaar gemeten hoe het in Nederland gaat met deze ‘zorg op afstand’. Zorgverleners zijn in 2023 niet veel meer digitale zorg gaan gebruiken dan het jaar daarvoor. Een paar digitale middelen worden wel meer gebruikt. Voorbeelden zijn apparaten waarmee verpleegkundigen op afstand kunnen aangeven welk medicijn een patiënt op welk moment moet innemen. Of waarmee ze in de gaten kunnen houden of iemand thuis in gevaar is. Doordat deze apparaten een deel van het werk van verpleegkundigen overnemen, hebben zij meer tijd voor andere zorgtaken. Sommige digitale middelen waren in 2022 al bij bijna alle zorgverleners in gebruik, zodat het gebruik in 2023 hetzelfde bleef. Denk aan het patiëntportaal waarin patiënten uitslagen van onderzoek kunnen zien, en een e-mail naar de dokter kunnen sturen, het e-consult. De meeste zorgverleners zijn positief over digitale zorg, maar denken ook dat het niet alle problemen in de zorg kan oplossen. Digitale zorg kan volgens hen een klein beetje helpen om de zorg niet te duur te maken, de werkdruk te verminderen en het werkplezier te verbeteren. Verpleegkundigen zijn iets positiever geworden over de mogelijkheden om de zorg voor patiënten met digitale zorg te verbeteren, bijvoorbeeld doordat patiënten hiermee meer zorg op maat krijgen. Vergeleken met 2021 zijn iets meer patiënten digitale middelen, zoals het patiëntportaal, gaan gebruiken. Mensen met een praktische opleiding en ouderen maken nog steeds minder gebruik van digitale middelen. Verder valt op dat patiënten niet al het digitale zorgaanbod ook gebruiken, zoals het e-consult. De meningen van zorggebruikers over digitale zorg zijn verdeeld: ongeveer de helft van hen wil het meer gaan gebruiken, de andere helft is juist terughoudend. Het aantal zorggebruikers dat heel negatief is over digitale zorg is sinds 2021 gelijk gebleven. Voor de toekomst is het nodig digitale zorg meer een onderdeel te maken van de zorg als geheel. Als onderdeel van het dagelijkse werk van zorgverleners, kan het taken vervangen zonder dat het extra werk oplevert. Ook moeten zowel zorgverleners als patiënten ervaren dat het hen helpt. Verder is het belangrijk dat patiënten makkelijk digitale zorg kunnen gebruiken.
  • Behoeften en ervaringen van mensen met digitale zelfzorgprogramma’s. Verdiepend onderzoek naar digitale zelfhulp onder twee doelgroepen

    Keij, B; van der Vaart, R; van Deursen, L; Alblas, EE; van Tuyl, LHD; Aardoom, JJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-11)
    Sinds 2013 wordt elk jaar gemeten hoe het gaat met digitale zorg in Nederland. Ook wordt een onderdeel ervan uitgebreider onderzocht. In 2023 is gekeken naar hoe specifieke groepen mensen digitale zelfhulp kunnen gebruiken en ervaren. Het gaat om mensen met een grotere kans op diabetes type 2 (prediabetici) en mensen die de behandeling van kanker hebben afgerond. Uit dit onderzoek blijkt dat mensen graag zelf aan de slag gaan voor hun gezondheid. Beide groepen zijn ook positief over de toevoeging van digitale zelfhulp aan de zorg. Wel is voor hen een aantal zaken belangrijk bij het gebruik van digitale programma’s om leefstijl (eten, bewegen, stress en slapen) te veranderen of in de zorg na kanker. Zo moet het gebruik van digitale zelfhulp, bijvoorbeeld adviezen in een app, in verbinding staan met de sociale omgeving van die persoon, zoals familie of buren. Of is het belangrijk dat de programma’s gratis zijn of worden vergoed. Beide groepen willen dat hun zorgverlener hen helpt bij een keuze te maken uit digitale programma’s. Voor prediabetici zijn er zoveel leefstijlprogramma’s dat mensen niet meer weten wat te kiezen. Overlevenden van kanker weten juist niet dat er digitale programma’s voor nazorg bestaan en waar ze die kunnen vinden. Het is belangrijk dat zorgverleners daaraan meer aandacht besteden. Wanneer mensen de juiste digitale programma’s hebben gevonden, willen sommigen graag dat een ondersteuner hen helpt bij het gebruik ervan. Bij prediabetici kunnen dat bijvoorbeeld huisartsen, diëtisten en GLI (Gecombineerde Leefstijl Interventie)-coaches zijn. Bij de zorg na kanker kunnen dat oncologen, verpleegkundigen en de praktijkondersteuner van huisartsen-Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) zijn. Het is belangrijk dat ondersteuners de ruimte hebben om deze hulp te kunnen geven. Het E-healthmonitor-onderzoek wordt gedaan op verzoek van het ministerie van VWS. RIVM doet dit onderzoek sinds 2020 met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL, LUMC). Zorgaanbieders, makers van digitale programma’s, beleidsmakers en patiënten kunnen dit onderzoek gebruiken om de digitale zorg te verbeteren.
  • Effecten van waterstofexplosies

    van der Linden, M; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-04)
    Gevaarlijke stoffen, zoals waterstof, kunnen branden of ontploffen. Voor de veiligheid van omwonenden kunnen gemeenten eisen stellen aan nieuwbouw als er in de buurt bedrijven liggen die met gevaarlijke stoffen werken. Dat geldt ook voor transportroutes van dit soort stoffen. Het RIVM beschrijft welke effecten te verwachten zijn bij een explosie van tanks waar waterstof in zit. De effecten zijn beschreven bij tanks van verschillende groottes. Op basis daarvan is berekend tot welke afstanden de opslag van waterstof en het transport ervan veilig zijn. Gemeenten en omgevingsdiensten hebben deze informatie nodig om veiligheidsmaatregelen te kunnen bedenken en kiezen. Zij beoordelen of extra veiligheidsmaatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld door gebouwen sterker te maken of er een andere plek voor te kiezen. Ook kunnen gebouwen worden afgeschermd van branden of ontploffingen (explosies) door wallen of muren aan te leggen. Voor een goed advies is het nodig om te weten waartegen een maatregel moet beschermen. Het onderzoek beschrijft daarom wat explosies zijn, hoe een explosie van waterstof verloopt en welke schade explosies kunnen veroorzaken. De effecten zijn berekend met een internationaal model dat ook in Nederland wordt gebruikt. De rekenresultaten komen grofweg overeen met ervaringen met ongevallen met waterstof en veldproeven in de praktijk. In vergelijking met explosies van LNG(Liquefied Natural Gas) (aardgas) en LPG(Liquefied Petroleum Gas) (propaan) zijn de effecten van een waterstofexplosie zijn per kilo waterstof krachtiger. Toch is een ontploffing van een LNG of LPG-opslagtank krachtiger dan een explosie van een even grote tank waterstof. Dat komt omdat waterstof moeilijker is samen te persen. Daarom zit er in opslagtanks die even groot zijn minder kilo waterstof dan kilo LNG of LPG. Dit onderzoek is gedaan omdat het gebruik van waterstof relatief nieuw is en belangrijk is om de overgang van fossiele naar duurzame brandstof mogelijk te maken. Het RIVM heeft de inzichten uit dit onderzoek gebruikt voor een brochure over de effectiviteit van explosiebarrières zoals muren en wallen.
  • Luchtkwaliteit en COVID-19. Een onderzoek naar de mogelijke relaties tussen luchtverontreiniging en de incidentie en ernst van COVID-19 in Nederland

    Mughini-Gras, L; Zorn, J; Jacobs, J; Klinkenberg, D; Velders, G; van der Giessen, J; Gerlofs-Nijland, M; Simões, M; Smit, L; Vermeulen, R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-03)
    Luchtverontreiniging is schadelijk voor de gezondheid. Het RIVM heeft onderzocht of blootstelling aan luchtvervuiling door fijnstof en stikstofdioxide invloed heeft op de kans om besmet te raken met het coronavirus en op de kans om daar ernstig ziek van te worden. Onder ernstig ziek verstaan we dat iemand in het ziekenhuis moet worden opgenomen of aan de ziekte overlijdt. Mensen die aan hoge concentraties luchtverontreiniging blootstonden, blijken een grotere kans te hebben om besmet te raken. Ook was hierdoor de kans groter dat mensen door corona in het ziekenhuis moesten worden opgenomen omdat ze erg ziek werden. Ten slotte was de kans dat ze aan corona stierven groter. Deze effecten zijn te zien kort (een tot twee weken) na een periode van meer luchtverontreiniging. Dat is ook zo wanneer mensen jaren wonen op een plek met meer luchtverontreiniging. Deze resultaten bevestigen eerdere conclusies uit internationaal onderzoek. Ook blijkt dat bij een langdurige blootstelling aan luchtverontreiniging de kans op een corona-infectie hetzelfde is als die op andere luchtwegaandoeningen. Denk aan andere luchtweginfecties met klachten die lijken op corona. Dat luchtverontreiniging in het algemeen een grotere kans geeft op luchtwegaandoeningen was al bekend. In het onderzoek is gekeken naar drie belangrijke bronnen van fijnstof in Nederland: landbouw, wegverkeer en industrie. Deze bronnen hebben invloed op de luchtkwaliteit. Ook verschilt per bron de samenstelling van fijnstof, en daarmee de schadelijkheid. Fijnstof van de veehouderij draagt bij aan zowel de kans op besmetting als de ernst van de ziekte. Fijnstof van wegverkeer lijkt meer invloed te hebben op de ernst van de ziekte en minder op de kans om met het virus besmet te raken. Fijnstof van industrie lijkt niet bij te dragen. De resultaten van het onderzoek ondersteunen het beleid van de Nederlandse overheid om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het RIVM heeft dit onderzoek gedaan met de Universiteit Utrecht, Wageningen Bioveterinary Research en GGD GHOR Nederland. De aanleiding was dat er in het begin van de corona-epidemie in Nederland meer besmettingen, ziekenhuisopnames en sterfte waren in gebieden met een relatief slechtere luchtkwaliteit. Wetenschappelijke artikelen: Effects of long-term exposure to outdoor air pollution on COVID-19 incidence: A population-based cohort study accounting for SARS-CoV-2 exposure levels in the Netherlands (https://doi.org/10.1016/j.envres.2024.118812) Short-term exposure to ambient air pollution and mortality and hospital admission in the Netherlands (https://doi.org/10.21203/rs.3.rs-4181429/v1) Outdoor air pollution as a risk factor for testing positive for SARS-CoV-2: a nationwide test-negative case-control study in the Netherlands (https://doi.org/10.21203/rs.3.rs-4171621/v1)
  • Effectiviteit en aandachtspunten van legionellabeheerstechnieken toegepast in leidingwaterinstallaties

    Bartels, A; de Winter, M; Van den Berg, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-03)
    In leidingwaterinstallaties kunnen legionellabacteriën zitten. Mensen kunnen een longontsteking krijgen als ze deze bacteriën inademen, vooral boven de 60 jaar en rokers. In Nederland worden daarom verschillende technieken gebruikt om mensen zo min mogelijk aan deze bacteriën bloot te stellen. Het RIVM heeft op een rij gezet welke technieken dat zijn, hoe effectief ze zijn in de praktijk en welke aandachtspunten ze hebben. Dit is een vervolg op onderzoek uit 2012. Het onderzoek bevestigt de conclusies uit 2012 dat de effectiviteit van de techniek per locatie kan verschillen. Alle technieken werken in principe, maar of dat in de praktijk zo is hangt van verschillende omstandigheden af. Bijvoorbeeld van de manier waarop de leidingwaterinstallatie is aangelegd en wordt onderhouden. Ook moet de techniek zelf goed worden gebruikt en onderhouden. Voorbeelden van technieken in Nederland zijn: automatische spoelsystemen (thermisch beheer), membraanfilters en UV-lampen (fysisch beheer) en koper/zilver-ionisatie (elektrochemisch beheer). Nieuw ten opzichte van 2012 is dat in Nederland chloor aan het leidingwater mag worden toegevoegd (chemisch beheer). Het voordeel van chloor is dat het Legionella in de hele leidingwaterinstallatie kan doden. Regelmatig spoelen is belangrijk om voldoende chloor in alle leidingen te hebben. Nadeel is dat legionellabacteriën er resistent tegen kunnen worden als het lang wordt gebruikt. De techniek werkt dan minder goed. Ook kunnen bij het gebruik van chloor schadelijke stoffen in het water ontstaan. Vanwege de nadelen van het gebruik van biociden adviseert het RIVM om in de regelgeving duidelijker aan te geven onder welke voorwaarden chemisch en elektrochemisch beheer mag worden gebruikt. Het RIVM adviseert om deze technieken alleen in prioritaire locaties toe te staan, zoals sauna's en ziekenhuizen. Ook zouden adviseurs die de beheersplannen maken duidelijker moeten aangeven waarom het aantal legionellabacteriën niet op een andere manier kan worden beperkt. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan dan beter toetsen of de (elektro)chemische techniek terecht mag worden gebruikt.
  • Analyse ontwikkeling stikstofemissie en -depositie

    van der Maas, CWM; de Jongh, LA; Bleeker, A; Hazelhorst, SB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2024-04-03)
    Greenpeace Nederland eist een beter stikstofbeleid en heeft daarvoor in juli 2023 de Nederlandse staat gedagvaard(externe link)Als voorbereiding op deze rechtszaak heeft het RIVM de belangrijkste kennis over stikstof overzichtelijk op een rij gezet. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV(Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)) heeft het RIVM daarom gevraagd. Die kennis gaat onder andere over hoeveel stikstof in Nederland wordt uitgestoten: nu, in het verleden en in de toekomst. Hetzelfde geldt voor de hoeveelheid stikstof die hierdoor op de natuur terechtkomt (depositie). Ook beschrijft het RIVM door welke maatregelen die Nederland en de omliggende landen sinds 1990 hebben genomen, de uitstoot en depositie lager zijn geworden. De depositie in Nederland is hierdoor sterk gedaald. De reductie is nog onvoldoende om de depositie voor het gewenste oppervlak van de Natura2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Het RIVM heeft voor het overzicht met name gebruikgemaakt van de laatste onderzoeken en data die het heeft gepubliceerd. De verwachte stikstofdepositie voor de toekomst is berekend met maatregelen die tot 1 mei 2022 zijn uitgewerkt. De effecten van stikstofmaatregelen die daarna zijn ingevoerd, zoals het afbouwen van de derogatieregeling en de maatregelen voor piekbelasters, zijn nu nog niet bekend. Daarom zijn ze niet in deze berekeningen meegenomen. Nieuw in dit overzicht zijn berekeningen van de mate waarin ‘zeer urgente’ en ‘urgente’ habitattypen met stikstof worden belast. Dat zijn stukken land en water in Natura2000-gebieden waar veel stikstof op terechtkomt én die heel gevoelig zijn voor stikstof. Hiervoor is berekend hoeveel minder stikstof er moet worden uitgestoten om ervoor te zorgen dat de natuur niet te veel wordt belast (kritische depositiewaarde). Deze waarden zijn sinds 2023 vanwege de nieuwste internationale inzichten strenger geworden.

View more