Recent Submissions

  • Meerwaarde van mobiele luchtreinigers in verminderen van transmissie van SARS-CoV-2 – een literatuurstudie

    Vermeulen, LC; Bartels, AA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-22)
    Het ministerie van VWS (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport )vraagt zich af of verplaatsbare luchtreinigers helpen om de overdracht van het coronavirus SARS (severe acute respiratory syndrome)- CoV (coronavirus)-2 te verkleinen. Het RIVM heeft naar antwoorden gezocht in wetenschappelijke publicaties. Gekeken is of deze apparaten meerwaarde hebben als ze in geventileerde publieke ruimtes zoals scholen en winkels worden gebruikt. Met meerwaarde wordt bedoeld dat de luchtreinigers er voor zorgen dat minder mensen ziek worden dan als er alleen geventileerd wordt. Ook mogen luchtreinigers geen negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Er blijkt te weinig wetenschappelijk onderzoek te zijn gedaan om te kunnen stellen dat luchtreinigers in publieke ruimtes ervoor zorgen dat minder mensen COVID-19 krijgen. Er zijn geen artikelen gevonden waarin dit vraagstuk voor corona of andere virussen is uitgezocht. Enkele studies tonen dat mobiele luchtreinigers bacteriën en schimmels uit de lucht verwijderen, maar het is niet duidelijk of daardoor minder mensen ziek worden. Zo bleek in 2016 het ziekteverzuim in schoollokalen met en zonder luchtreiniger hetzelfde te zijn, terwijl de luchtreiniger het aantal bacteriën in de lucht had verminderd. Verder blijkt dat mobiele luchtreinigers alleen veilig en goed werken als ze regelmatig worden onderhouden. Als dat niet gebeurt, neemt de werking af en kunnen micro-organismen op filters groeien die in de ruimte kunnen worden verspreid. Ook kan sommige apparatuur schadelijke stoffen in de ruimte brengen, zoals ozon. Meer onderzoek is nodig om te bepalen wat voor effect deze stoffen op de lange termijn op de gezondheid hebben. Vanwege bovenstaande redenen is er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing om te adviseren mobiele luchtreinigers in alle publieke ruimtes te plaatsen. Meer onderzoek is nodig. Ondertussen kan worden overwogen om ze uit voorzorg tijdelijk als aanvullende maatregel in bepaalde ruimtes te plaatsen in een periode waarin veel mensen corona hebben. Het gaat dan om ruimtes waar kwetsbare mensen langere tijd verblijven, zoals in verpleeghuizen. Of in ruimtes waar de kans dat het virus via de lucht wordt overgedragen groter is, zoals in drukke cafés. De keuze voor een veilig apparaat en goed onderhoud is dan wel belangrijk. Internationaal zijn experts het erover eens dat mensen op korte afstand (binnen 1,5 meter) de meeste kans hebben om met het coronavirus besmet te raken via (kleine) druppels in de lucht. Het virus kan ook over langere afstand en tijd door de lucht worden verspreid, vooral in slecht geventileerde ruimtes waar veel mensen langere tijd verblijven. Ook heeft de soort activiteiten invloed op de verspreiding, bijvoorbeeld of iemand die besmettelijk is veel schreeuwt of zingt.
  • User needs for satellite data regarding emissions

    W Hendricx; H Volten (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-14)
    Satellieten worden onder andere gebruikt om te meten hoeveel broeikasgassen en vervuilende stoffen er worden uitgestoten in de lucht. Verschillende organisaties, zoals het RIVM, overheden en onderzoekers, gebruiken deze data. Satellieten worden steeds beter en kunnen steeds preciezer meten. Vanwege deze ontwikkelingen is het voor Nederland belangrijk om goed voorbereid te zijn op het gebruik van data van satellieten in de toekomst. Daarom heeft het Netherlands Space Office (NSO) het RIVM gevraagd in kaart te brengen welke behoeften gebruikers of toekomstige gebruikers van de data over de uitstoot van broeikasgassen of luchtvervuilende stoffen hebben. De NSO kan deze uitkomsten gebruiken om strategische beslissingen te nemen over satellieten van de toekomst. Voor het onderzoek zijn 24 (mogelijke) gebruikers van satellietdata geïnterviewd. De opvallendste uitkomst hieruit is dat zij vooral tegen praktische problemen aanlopen. Ze kunnen bijvoorbeeld de data niet goed vinden of ze weten niet hoe ze data kunnen gebruiken. Of ze hebben geen geld om met de data aan de slag te gaan. Er is geld en kennis nodig om de data gebruiksvriendelijk en makkelijker toegankelijk te maken en ze betekenis te geven. Een belangrijke stap naar een oplossing hiervoor is dat organisaties meer gaan samenwerken om bijvoorbeeld kennis uit te wisselen. De geïnterviewden stellen dit zelf als oplossing voor. Een mogelijkheid hiervoor is een meer open community te organiseren in Nederland, maar het liefst ook internationaal. Naast de praktische behoeften zijn er technische wensen en eisen, en wetenschappelijke behoeften en interesses. Zo hebben (mogelijke) gebruikers de behoefte aan preciezere metingen van kleine oppervlakten zodat van steeds kleinere bronnen kan worden achterhaald welke stoffen die uitstoten. Naar verwachting kan de combinatie van satellietmetingen met andere databronnen, zoals uitgebreidere metingen op de grond, veel nieuwe inzichten geven. De satellietinstrumenten kunnen bestaande databronnen niet vervangen, maar er wel een belangrijke aanvulling op zijn.
  • Annual report Surveillance of COVID-19, influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2021/2022

    DFM Reukers; L van Asten; PS Brandsema; F Dijkstra; JMT Hendriksen; M Hooiveld; F Jongenotter; MMA de Lange; AC Teirlinck; G Willekens; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-13)
    Het RIVM brengt elk jaar in kaart hoeveel mensen in Nederland griep en andere luchtweginfecties hebben gehad. Sinds 2020 doen we dat ook voor het aantal mensen in Nederland dat het coronavirus hadden. Coronavirus Tijdens de zomer van 2021, van juli tot en met september, hadden heel weinig mensen een positieve coronatest. In het najaar en de winter nam het aantal weer toe, door de opkomst van de delta- en omikronvariant. Tussen mei 2021 en mei 2022 zijn 6.448.170 mensen positief getest op corona. Van hen zijn 44.990 mensen opgenomen in het ziekenhuis, en 5756 op de intensive care. Van 3482 mensen is bekend dat ze zijn overleden aan COVID-19. Griepepidemie De griepepidemie in het griepseizoen 2021/2022 begon later dan eerdere seizoenen en duurde 13 weken. Ongeveer 127.378 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Dit waren er minder dan normaal: veel mensen met deze klachten lieten zich testen op het coronavirus en gingen niet naar de huisarts. Naar schatting hebben tussen oktober 2021 en mei 2022 ongeveer 795.000 mensen griep gehad. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A(H3N2) griepvirus. RS-virus Sinds het voorjaar van 2021 melden ziekenhuizen hoge aantallen infecties met het RS-virus, vooral in de zomer van dat jaar. Deze infecties komen vooral bij kinderen onder de vier jaar voor. De meesten hebben milde klachten, maar de infectie kan soms zo ernstig verlopen dat ze in het ziekenhuis moeten worden opgenomen. Na de zomer van 2021 daalde het aantal infecties, maar bleef het nog wel zo hoog dat het de omvang van een epidemie heeft. Deze epidemie duurt al meer dan een jaar. In totaal meldden de ziekenhuizen 4504 infecties met het RS-virus tussen mei 2021 en mei 2022. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan dan zo nodig actie nemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella (658) is in 2021 sterk gestegen. Het aantal meldingen van tuberculose was in 2021 hoger (680) dan in 2020, maar nog wel lager dan de jaren daarvoor. Het aantal meldingen van psittacose (papegaaienziekte, 55) was in 2021 aanzienlijk lager dan vorige jaren. Het aantal meldingen van Q-koorts (6) was vergelijkbaar met 2020, maar lager dan de jaren daarvoor. Deze ziekten, met uitzondering van tuberculose, uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Omdat de oorzaak daarvan vaak niet wordt onderzocht, zullen meer mensen deze ziekten hebben gehad dan is gemeld.
  • Risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater. Doorvertaling van de gezondheidskundige grenswaarde van EFSA naar concentraties in water

    Smit, CE; Verbruggen, EMJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-08)
    Het RIVM heeft nieuwe risicogrenzen bepaald voor perfluoralkyl-stoffen (PFAS) in oppervlaktewater. Dit is nodig omdat de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) in 2020 een gezondheidskundige grenswaarde voor PFAS heeft bepaald. De gezondheidskundige grenswaarde werkt door in de beoordeling van de waterkwaliteit. Deze beoordeling houdt namelijk rekening met de hoeveelheid PFAS die mensen kunnen binnenkrijgen via het eten van vis. De nieuwe risicogrenzen geven aan hoeveel PFAS in het water mogen zitten zodat mensen daar hun leven lang veilig vis uit kunnen eten. Voor de drie PFAS waarvoor in Nederland al normen voor oppervlaktewater bestaan, zijn de nieuwe risicogrenzen: 0,3 nanogram per liter voor PFOA, 7 picogram per liter voor PFOS en 10 nanogram per liter voor HFPO-DA (GenX). Deze nieuwe risicogrenzen zijn veel lager dan de bestaande waterkwaliteitsnormen voor deze PFAS. Dat komt omdat de stoffen volgens EFSA giftiger zijn dan eerder bekend was. Hierdoor is er bij lagere concentraties een kans op schadelijke gevolgen. Er zijn nog veel meer PFAS dan PFOA, PFOS en GenX. Het RIVM heeft daarom een rekenmethode ontwikkeld waarmee de risico’s van meerdere PFAS tegelijk kunnen worden berekend. PFAS komen namelijk bijna nooit als losse stof voor, maar meestal in mengsels met verschillende PFAS. De verwachting is dat alle PFAS op een vergelijkbare manier werken en bijdragen aan de totale giftigheid van het mengsel. Daarom moeten zoveel mogelijk PFAS worden meegenomen bij de toetsing van lozingen en oppervlaktewatermonsters. De nieuwe risicogrenzen zijn advieswaarden. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat kan mede op basis van dit onderzoek besluiten of de waterkwaliteitsnormen voor PFAS worden aangepast.
  • Risk assessment of (herbal preparations containing) Salvia divinorum

    Zwartsen, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-07)
    In the Netherlands, (online) smart shops sell dried leaves and extracts of the herb Salvia divinorum. Products containing Salvia divinorum are used for their mind-altering and stimulant properties. RIVM has assessed whether products containing Salvia divinorum are harmful to human health. This assessment has found that people using these products can suffer from hallucinations, restlessness, confusion, increased heart rate, increased blood pressure and psychosis. These health effects can even occur at the recommended quantity. RIVM advises consumers not to use (herbal preparations containing) Salvia divinorum. The institute also advises the Ministry of Health, Welfare and Sport to consider restricting or banning the sale of (herbal preparations containing) Salvia divinorum. Products containing Salvia divinorum offered for sale consist of (dried) leaves or herbal extracts. Most people smoke or vape these products. You can also chew the leaves or extract tea from them. The effects are caused by the active ingredient salvinorin A. It is not known how many people use these products.
  • Onderzoek Beleving Woonomgeving (OBW). Hinder en slaapverstoring, de 2021-cijfers

    van Poll, R; Simon, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) wil weten hoe bewoners hun woonomgeving beleven. Het laat dat sinds 1977 onderzoeken; sinds 2003 gebeurt dat door het RIVM. Het onderzoek brengt onder meer in kaart hoe bewoners geluid, trillingen, geur en veiligheid in de woonomgeving ervaren. In 2021 lijken de mate van hinder en slaapverstoring terug te keren naar de niveaus van 2019, voor de coronapandemie. Van sommige bronnen daalde na een stijging in 2020 de hinder en slaapverstoring in 2021 weer iets. In 2021 hadden mensen nog steeds vooral ernstige hinder van bronnen vlak bij hun woning, zoals wegverkeer, buren en bouw- en sloopactiviteiten. Van andere bronnen zoals vliegverkeer die ernstige hinder veroorzaken, ondervonden ze in 2021 weer meer last dan in 2020. De belangrijkste geluidbronnen voor hinder en slaapverstoring blijven ‘wegverkeer’ en ‘buren’. In 2021 was de categorie ‘Wegverkeer’ (op wegen tot 50 kilometer per uur) de belangrijkste bron van hinder. In 2019 was dat de categorie ‘Buren’. ‘Wegverkeer’ en ‘Buren’ blijven ook de belangrijkste bronnen van hinder en slaapverstoring door trillingen. Wat geurhinder betreft, zijn in 2021 net als in 2020 ‘buren’ de belangrijkste bron. In 2019 waren ‘open haarden’ en ‘allesbranders’ de belangrijkste bronnen van geurhinder. De belangrijkste bron van bezorgdheid is ‘wonen bij een risicovol bedrijf of industrie’. De bezorgdheid hierover is wel lager dan ‘wonen in een drukke straat’ in 2020. Dat was in 2020 de belangrijkste bron van bezorgdheid. Wat de effecten van omgevingsfactoren betreft, zijn mensen net als in 2020 het meest bezorgd over effecten op hun gezondheid door de luchtkwaliteit rond huizen. Mensen hebben in 2021 ongeveer dezelfde verwachtingen (vooruit, achteruit, hetzelfde) over de buurtontwikkeling of over geluid in hun omgeving als in de jaren ervoor. In 2021 namen bijna 1.990 inwoners van Nederland van zestien jaar en ouder aan dit onderzoek deel. Dit aantal is lager dan de jaren ervoor, maar nog steeds voldoende om representatief te zijn. Het RIVM en het CBS deden het onderzoek. Het RIVM baseert zijn resultaten op de uitkomsten van een vragenlijstonderzoek (Onderzoek Beleving Woonomgeving OBW).
  • ABR rioolwater surveillance 2020 – 2021. Antibioticaresistente bacterien bij de bevolking gemeten in rioolwater

    Blaak, H; Kemper, MA; Hendrickx, APA; van Santen-Verheul, MG; Leung, KY; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het RIVM heeft in 2020 en 2021 in rioolwater twee soorten bacteriën gemeten die resistent zijn tegen antibiotica. Het gaat om CPE (carbapenemase-producerende Enterobacterales) en colistine-resistente E.coli (MCR-EC). De resultaten zijn vergeleken met rioolwatermetingen uit 2016. Op deze manier wordt duidelijk of het aantal mensen in Nederland die deze bacteriën bij zich draagt verandert. Het RIVM meet deze bacteriën omdat ze een bedreiging zijn voor de volksgezondheid. Ze veroorzaken namelijk ziekten die moeilijk te behandelen zijn met antibiotica. De bacteriën zijn vooral gevaarlijk voor mensen met een kwetsbare gezondheid. De meeste gezonde mensen worden niet ziek van de bacterie. Door regelmatig het rioolwater te meten wordt duidelijk of de overheid genoeg doet om de verspreiding onder de bevolking te beperken. Allebei de soorten bacteriën zijn in heel Nederland gevonden. De aantallen CPE in rioolwater zijn ongeveer hetzelfde als in 2016. De aantallen colistine-resistente E. coli-bacteriën konden met dit onderzoek niet precies worden gegeven. Het lijkt er daarmee op dat de coronamaatregelen, zoals handen wassen en minder reizen, de verspreiding van deze bacteriën niet hebben verminderd. Dit vermoeden kan niet hard worden gemaakt omdat er geen metingen zijn gedaan vlak voordat de corona-epidemie begon. Om inzicht te krijgen hoe de aantallen zich verder ontwikkelen is het belangrijk in rioolwater te blijven meten. Metingen in rioolwater vullen de bestaande onderzoeken bij mensen naar de verspreiding van resistente bacteriën, goed aan. Voor dit onderzoek zijn de concentraties in het rioolwater van 76 zuiveringsinstallaties onderzocht. Deze installaties lagen verspreid over heel Nederland, in stedelijke en landelijke gebieden. De onderzochte bacteriën zitten in ontlasting van mensen en dus in het rioolwater. Ze komen ook via reizigers uit bijvoorbeeld Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidoost-Azië in Nederland terecht.
  • Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen

    Buitenhuis, E; van Velzen, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    De Nederlandse overheid biedt tijdens de zwangerschap en kort na de geboorte vijf screeningen aan. Het doel van deze screeningen is gezondheidswinst op groepsniveau realiseren, dan wel aanstaande ouders informeren over de gezondheid van hun kind en opties bieden om te handelen. Tijdens de zwangerschap zijn er drie screeningen voor het ongeboren kind: op het syndroom van down, edwards en patau, op infectieziekten en erytrocytenimmunisatie, en op lichamelijke afwijkingen. De screeningen vlak na de geboorte betreffen het gehoor en de hielprik. Om ervoor te zorgen dat de screeningen goed worden uitgevoerd, is het Beleidskader Pre- en Neonatale Screeningen opgesteld. Dit document geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor deze screeningen. Het ministerie van VWS heeft deze wettelijke kaders vastgesteld. Het beleidskader wordt regelmatig getoetst en is nu aangepast aan de actualiteit. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) van het RIVM heeft sinds 2006 de landelijke regie over de vijf screeningen. Dit beleidskader is een instrument om de regie te voeren. De uitvoering van het beleidskader ligt bij de uitvoeringsorganisaties. Het beleidskader beschrijft ook hoe partijen samenwerken die betrokken zijn bij de voorbereiding van, de besluitvorming over en de uitvoering van de vijf screeningen. Voor een goede kwaliteit van de screening is het namelijk belangrijk dat alle logistieke en inhoudelijke processen goed op elkaar aansluiten. Vooral de ‘overgang’ van een uitslag van een screening naar een diagnose en behandeling moet goed zijn geregeld. Partijen binnen de screening en de zorg zijn hiervoor samen verantwoordelijk. Daarnaast staan de kaders beschreven die relevant zijn om de draaiboeken van de screeningen uit te werken. Deze draaiboeken zijn vooral gericht op de wijze waarop de screeningen regionaal worden uitgevoerd.
  • Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker

    de Leede, DJ; van Velzen, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    Het Beleidskader Bevolkingsonderzoeken naar Kanker (BBK) geeft een overzicht van de wettelijke en beleidsmatige kaders voor de drie bevolkingsonderzoeken naar kanker in Nederland: borst-, baarmoederhals- en darmkanker. Daarnaast beschrijft het de samenwerking en onderlinge verhoudingen van partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van deze bevolkingsonderzoeken. Het RIVM heeft het Beleidskader opgesteld, waarna het ministerie van VWS het heeft vastgesteld. Het RIVM toetst het document regelmatig en past het zo nodig aan aan de actualiteit. Het RIVM ziet er als landelijke regisseur op toe dat de bevolkingsonderzoeken voor de deelnemers een hoge kwaliteit hebben, en goed bereikbaar en betaalbaar zijn. Op die manier ontstaat een optimaal ‘aanbod’ voor de deelnemers aan de bevolkingsonderzoeken. Het beleidskader is een instrument om de regie te voeren. Het vormt ook de basis voor de zogeheten uitvoeringskaders. Daarin is per bevolkingsonderzoek de precieze wijze waarop en door wie de bevolkingsonderzoeken worden uitgevoerd, uitgewerkt. De bevolkingsonderzoeken bestaan uit een reeks van opeenvolgende handelingen, die door verschillende partijen worden uitgevoerd en gecoördineerd. Het gaat om de uitnodiging voor het onderzoek, het onderzoek zelf, de beoordeling van de uitslag, de communicatie, en de eventuele doorverwijzing. Deze handelingen moeten goed op elkaar aansluiten en efficiënt gestructureerd zijn. Dat is de basis voor een goede kwaliteit van het bevolkingsonderzoek.
  • EURL-Salmonella Proficiency Test Primary Production Stage, 2021. Detection of Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks

    Pol-Hofstad, I; Mooijman, K (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-06)
    In the annual EURL-Salmonella Proficiency Test performed in 2021, the National Reference Laboratories (NRLs) of the European (EU) Member States were able to detect Salmonella in chicken faeces adhering to boot socks. All laboratories were able to detect Salmonella in high and low concentrations in the contaminated boot sock samples. All but one laboratory achieved good results. This one laboratory had accidentally swapped control samples, resulting in a moderate performance score. This was the outcome of the Proficiency Test for the detection of Salmonella in samples from the primary production stage, organised by the coordinating European Union Reference Laboratory for Salmonella (EURL-Salmonella) in September 2021. Since 1992, all NRLs in EU Member States are obliged to participate in the annual quality control proficiency tests for Salmonella. Each Member State has to appoint an NRL with responsibility for analysing Salmonella in samples taken from the animal primary production stage. In total, 35 NRLs participated in this study: 27 NRLs originating from all 27 EU Member States, seven NRLs based in other countries in Europe and one NRL based in a non-European country. The EURL-Salmonella is based at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). An important task of the EURLSalmonella is to monitor and improve the performance of the NRLs in Europe.
  • Risicobeoordeling van PFAS in moestuingewassen uit moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden

    Boon, PE; te Biesebeek, JD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-05)
    Het RIVM heeft eerder berekend hoeveel poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) mensen kunnen binnenkrijgen als zij zelf geteelde groenten en fruit eten. Het ging om gewassen uit moestuinen vlakbij bedrijven in Helmond en Dordrecht die PFAS uitstoten of dat in het verleden hebben gedaan. Het RIVM heeft het onderzoek nu uitgebreid naar negen groepen moestuinen in de gemeenten Dordrecht, Papendrecht, Sliedrecht en Molenlanden die binnen een straal van 15 kilometer van het chemiebedrijf DuPont/Chemours in Dordrecht liggen. Als eerste blijkt dat mensen te veel PFAS binnenkrijgen via gewassen uit de groep moestuinen die binnen 1 kilometer ten noordoosten van het chemiebedrijf liggen. Het RIVM adviseert om deze gewassen niet te eten omdat effecten op de gezondheid niet kunnen worden uitgesloten. Als tweede blijkt dat mensen niet te veel PFAS binnenkrijgen via de gewassen uit een groep moestuinen die tussen 5 en 10 kilometer ten zuidwesten van het bedrijf ligt en ook niet uit een groep moestuinen die zo’n 15 kilometer ten noordoosten ligt. Zij kunnen hun zelf geteelde gewassen gewoon blijven eten. De derde conclusie gaat over zes groepen moestuinen die op zo’n 1 tot 10 kilometer ten noordwesten, noordoosten of oosten van het bedrijf liggen of op zo’n 2,5 kilometer ten zuidwesten. Deze moestuinhouders krijgen ook niet te veel PFAS binnen, maar wel meer dan via gewassen uit moestuinen die niet dicht bij een PFAS-bron liggen. Deze moestuinhouders kunnen hun zelf geteelde gewassen blijven eten, maar hen wordt aangeraden deze groenten en fruit af te wisselen met producten uit de winkel. Producten uit de winkel bevatten namelijk minder PFAS. Deze afwisseling is belangrijk omdat mensen in Nederland via andere voedselproducten en drinkwater al meer PFAS binnenkrijgen dan de zogeheten gezondheidskundige grenswaarde. DuPont/Chemours heeft twee soorten PFAS uitgestoten: tot 2012 perfluoroctaanzuur (PFOA) en vanaf 2012 GenX. Deze twee PFAS zijn via de lucht op de bodem en in het water terechtgekomen. Via de grond en het water kwamen ze daarna in de gewassen uit de moestuinen. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de adviesbureaus Tritium Advies B.V. en Arcadis Nederland B.V. en met het onderzoeksinstituut Wageningen Food Safety Research van Wageningen University & Research.
  • Recycling of materials. Needs and considerations in the assessment of safety and sustainability

    JPA Lijzen; PAM Hogervorst; R de Jonge; PDBM Bekhuis; LM de Boer; E Dekker; E Folkertsma; MA van Kuppevelt (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-09-01)
    De overheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarbij praten we niet meer over afval, maar over materiaalstromen. Om deze materialen hierin te kunnen blijven gebruiken, is het nodig dat ze veilig worden gerecycled. En dan zo dat ze het milieu minder belasten dan wanneer materialen uit nieuwe grondstoffen worden gemaakt. Het RIVM ontwikkelde in 2018 een methode die beoordeelt in hoeverre initiatieven om materiaalstromen te recyclen leiden tot veilige en duurzame verwerkingsmethoden en producten. Het RIVM wil deze methode verder ontwikkelen en beter laten aansluiten bij de wensen van gebruikers. Om dat te kunnen doen heeft het betrokkenen, zoals vergunningverleners en materiaalverwerkers, gevraagd wat zij nodig hebben om de veiligheid van een materiaalstroom en de verandering van de milieubelasting te kunnen beoordelen. Ook zijn twee situaties uit de praktijk uitgewerkt in samenwerking met materiaalverwerkers en is met hen besproken hoe het raamwerk kan worden verbeterd. En er is een onderdeel toegevoegd om straling in gerecyclede materialen te beoordelen. Vergunningverleners en materiaalverwerkers willen vooral met een beoordelingsmethode werken die de wettelijke criteria voor veiligheid bevat, aangevuld met een risicobeoordeling voor recycling van materiaalstromen. Als er nieuwe materialen en producten van worden gemaakt, kunnen namelijk vragen over blootstelling aan chemische stoffen, pathogenen en straling ontstaan waar de regels van nu niet voor zijn gemaakt. Als tweede hebben de betrokkenen behoefte aan een database met informatie over de samenstelling van materiaalstromen en over criteria om de veiligheid te toetsen. Ten slotte willen vergunningverleners kennis delen om van elkaars ervaringen te leren. Daarom beveelt het RIVM aan een nationaal platform te organiseren. Naast de hierboven genoemde algemene suggesties ziet het RIVM ook mogelijkheden voor verbetering van de RIVM beoordelingsmethode. Ten eerste blijkt het belangrijk om te bepalen welk deel van de materiaalketen precies in de beoordeling wordt meegenomen en welke producten daarvan worden gemaakt. De tweede verbetering is de uitkomsten over veiligheid en duurzaamheid af te wegen om tot één eindoordeel te komen.
  • Strategisch Programma RIVM Jaarrapportage 2021

    F Cassee; K Proper; N Spanbroek; M Mesman; A Tholen; F den Hartog; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-08-15)
    Het Strategisch Programma (SPR) is het RIVM-programma voor strategisch onderzoek, wetenschappelijke vernieuwing en kennisontwikkeling. Hiermee kijken we vooruit naar onderwerpen die extra aandacht verdienen, omdat ze in de toekomst van invloed kunnen zijn op onze volksgezondheid en leefomgeving. Met deze jaarrapportage brengt het RIVM verslag uit van de resultaten van SPR in 2021. De rapportage is bedoeld om de eigenaar (het ministerie van VWS), de Commissie van Toezicht van het RIVM en geïnteresseerden binnen en buiten het RIVM te informeren over de inhoud en de voortgang van de projecten in het programma. In 2021, het derde jaar van het programma 2019-2022, liepen er een groot aantal projecten tegelijk. Er zijn 39 nieuwe projecten gestart. De thema’s Perceptie en Gedrag en Methoden voor Verzameling en Analyse van Data, die tot nu toe de andere SPR-thema’s ondersteunden, startten in 2021 met verschillende ‘eigen’ projecten. Tegelijk zijn in 2021 de tweejarige projecten uit de eerste fase van het programma afgerond. Zij zijn verlengd als gevolg van de coronapandemie. Eind 2021 bereikten 20 projecten de eindfase. Twee thema’s die twee jaar duurden zijn eind 2021 hun laatste fase in gegaan: Integraal Voedselbeleid en Safety & Security. De slotsymposia hierover vinden plaats in 2022. Binnen alle thema’s worden in 2022 de resultaten onder de aandacht gebracht, bijvoorbeeld door wetenschappelijke artikelen te publiceren. Nieuwe projecten die in 2021 in het programma zijn gestart, zijn vaak projecten waar promovendi de komende jaren aan werken. De wetenschappelijke publicaties naar aanleiding daarvan worden verwacht in de jaren tot en met 2026.
  • Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2020

    R van Duijnen; PW Blokland; D Fraters; GJ Doornewaard; CHG Daatselaar (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-07-29)
    Dutch grassland farms that meet certain conditions may use more animal manure on their farmland than the general limit value prescribed by the European Nitrates Directive. This partial exemption is referred to as ‘derogation’. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) and Wageningen Economic Research monitor the effects of this derogation on the water quality on 300 farms in the derogation monitoring network. This study concludes that derogation has had no negative effects on water quality since 2006, the year the derogation came into effect. However, nitrate concentrations increased in the past years, especially in the Sand region. This increase is probably due to the nationwide drought in 2018 and regional droughts in 2019 and 2020, and the effects of these droughts in the years after. Drought can lead to higher nitrate concentrations in groundwater in several ways, including through a decrease in the breakdown of nitrogen (denitrification). Farm management On average, derogation farms used 236 kilograms of nitrogen from animal manure per hectare in 2020. The amount of nitrogen from manure of grazing animals that may be used on farmland varies from 230 to 250 kilograms per hectare, depending on the soil type and region. In recent years, improvements in farm management and changes in legislation have led to a more efficient use of nitrogen for crop production. This resulted in a decrease in the nitrogen surplus on the soil surface balance in the period from 2006 until 2017. This means that in those years less surplus nitrogen remained behind in the soil and therefore less nitrate leached into the lower soil layers and ultimately into the groundwater. The soil nitrogen surplus increased strongly in 2018 due to drought. In 2020 the soil nitrogen surplus was higher than in 2019, but lower than the average of all studied years. Groundwater quality In the south and the east of the Sand region, the average nitrate concentration in the upper metre of the groundwater was 67 milligram per litre in 2021. This exceeds the EU limit value of 50 milligrams per litre. Since 2017, the nitrate concentration has increased strongly and doubled in this part of the Sand region. As a result, it has become more difficult to achieve an average concentration below the EU limit value. The average concentration in the north of the Sand region remained lower than the EU limit value, but increased to 37 milligram per litre in 2021. In the Loess region, the average concentration decreased slightly to 57 milligram per litre in 2020, but is still above the EU limit value. In the Clay region, nitrate concentrations consistently remained below the limit value. During the studied period, concentrations increased in the Clay region, but in 2021 they were lower than in 2020. In the Peat region, the lowest concentrations were measured, with an average concentration of 14 milligram per litre in 2021. The monitoring was commissioned by the Ministry of Agriculture, Nature and Food Quality.
  • Systematische studie naar de verschillende opvattingen rondom bekostigingshervorming in de geboortezorg

    de Vries, E; Scheefhals, Z; van Exel, J; Struijs, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022-07-14)
    In Nederland zijn de afgelopen jaren maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg te verbeteren. Er stierven relatief veel baby’s tijdens of vlak na de geboorte vergeleken met andere westerse landen. Het ministerie van VWS onderzoekt onder andere of een andere manier waarop de zorgaanbieders worden betaald, de zogeheten integrale bekostiging, de kwaliteit van de geboortezorg kan verbeteren. De zorg wordt hierbij zodanig georganiseerd dat zorgaanbieders meer gaan samenwerken. Dit om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en dubbele zorg vanuit de verschillende vakgebieden te voorkomen. Al lange tijd is er discussie onder de betrokken vakgebieden of het wenselijk is dat integrale bekostiging wordt ingevoerd, naast de al bestaande manier van betalen. Om de verschillende opvattingen in kaart te brengen heeft het RIVM de opvattingen van de betrokken partijen over de bekostiging op een rij gezet. VWS kan de resultaten gebruiken om de alternatieve bekostiging verder vorm te geven met betrokken partijen. De betrokken vakgebieden zijn het eens dat een andere vorm van bekostiging nodig is. Bij de bestaande bekostiging wordt elke zorgaanbieder, zoals verloskundigen, gynaecologen, en kraamzorg, apart betaald, en dat belemmert samenwerking. Maar de meningen verschillen over hoe de bekostiging precies moet worden vormgegeven en onder welke voorwaarden. Het onderzoek maakt duidelijk dat de beroepsgroepen niet zo lijnrecht tegenover elkaar staan als in de media soms het geval lijkt. Wel moet er aandacht zijn voor het gevoel van ongelijkwaardigheid dat leeft bij verloskundigen. Ook is er vaak spraakverwarring over begrippen zoals doelmatigheid en bekostigingshervorming. Het is belangrijk dat iedereen hetzelfde bedoelt met deze begrippen om verder te komen in de discussie over nieuwe bekostiging in de geboortezorg. Het kost tijd om te zien of integrale bekostiging de gezondheid van moeder en kind verbetert. Het RIVM zal daarom de effecten de komende jaren blijven volgen.
  • Verkoop Schijf van Vijf-producten in supermarkten en de out-of-home sector in beeld. Advies over het opzetten van een monitor

    Martens, EAP; Klostermann, VLC; Stafleu, A; Blokstra, A; Milder, IEJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022-07-08)
    Gezonde voeding verkleint de kans op chronische ziekten. Daarom beveelt de overheid aan om vooral producten uit de Schijf van Vijf te eten. Maar Nederlanders eten en drinken minder van deze producten dan wordt aanbevolen, en juist veel producten die erbuiten vallen, zoals snacks en frisdranken. In het Nationaal Preventieakkoord heeft de overheid met supermarkten, de horeca en catering afgesproken dat zij elk jaar meer producten uit de Schijf van Vijf verkopen. Het ministerie van VWS wil weten of dit inderdaad gebeurt en of ook er minder producten worden verkocht die buiten de Schijf van Vijf vallen. VWS heeft het RIVM en het Voedingscentrum gevraagd of het mogelijk is om de verkoop van Schijf van Vijf-producten in supermarkten in kaart te brengen en te volgen (monitoren). Het RIVM en het Voedingscentrum geven aan welke organisaties informatie hebben of producten in supermarkten binnen de Schijf van Vijf vallen en hoeveel daarvan zijn verkocht. Ook wordt geadviseerd hoe de informatie uit deze verschillende bronnen zo goed mogelijk aan elkaar kan worden gekoppeld. In de zogeheten Levensmiddelendatabank staan verschillende gegevens over de producten die in supermarkten worden verkocht, onder andere of ze binnen de Schijf van Vijf vallen. De streepjescodes van producten kunnen worden gekoppeld aan verkoopcijfers. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is een van de partijen die inzicht hebben in hoeveel er van bepaalde producten in Nederlandse supermarkten is verkocht. Verder onderzoek naar de koppeling van de gegevens is nodig om de methode te verfijnen. Het advies richt zich nu nog alleen op de verkoop van producten uit de Schijf van Vijf in de supermarkten. Mogelijkheden worden gegeven om de methode uit te breiden naar de horeca en catering. Later moet nog uitgewerkt worden hoe de opeenvolgende rondes van de monitor kunnen worden opgezet en hoe deze kan aansluiten op bestaande monitors, zoals de Voedselconsumptiepeiling (VCP) en de Monitor productverbetering. Zo kunnen de monitors elkaar aanvullen en laten zien of het voedselaanbod en het voedingspatroon in de loop van de tijd daadwerkelijk verbeteren.
  • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2020

    van Duijnen, R; Blokland, PW; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022-07-07)
    In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven die van derogatie gebruik maken. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006, het jaar waarin de derogatie inging. Wel stegen de nitraatconcentraties de afgelopen jaren. Dat komt waarschijnlijk door de droogte in 2018 in heel Nederland en regionaal in 2019 en 2020, en het effect hiervan in de jaren erna. Vooral in de Zandregio steeg de nitraatconcentratie. Droogte kan er op verschillende manieren voor zorgen dat de nitraatconcentratie in het grondwater stijgt, onder andere doordat er dan minder stikstof wordt afgebroken. Bedrijfsvoering In 2020 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 236 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit mest van graasdieren gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering en door aanpassingen in wetgeving wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er minder stikstof in de bodem overblijft dat als nitraat met regenwater wegzakt naar diepere lagen in de bodem, en uiteindelijk het grondwater bereikt. Het stikstofbodemoverschot steeg in 2018 sterk door de droogte. In 2020 was het stikstofbodemoverschot hoger dan in 2019, maar lager dan het gemiddelde van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit In het zuiden en oosten van de Zandregio was de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenste meter van het grondwater in 2021 67 milligram per liter. Dat is boven de norm van 50 milligram per liter. Sinds 2017 steeg de nitraatconcentratie fors in dit deel van de Zandregio en is deze verdubbeld. Hierdoor is het moeilijker om gemiddeld onder de norm te komen. In het noorden van de Zandregio bleef de concentratie onder de norm, maar steeg deze naar 37 milligram per liter in 2021. In de Lössregio daalde de concentratie licht naar 57 milligram per liter in 2020, maar deze is nog wel hoger dan de norm. In de Kleiregio blijven de concentraties steeds onder de norm. Over de hele onderzochte periode stijgen de nitraatconcentraties in de Kleiregio, maar in 2021 was deze lager dan in 2020. In de Veenregio worden de laagste concentraties gemeten, 14 milligram per liter in 2021. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
  • Ondersteuning bij thuisisolatie en quarantaine: onderzoek tijdens de pilot Grootschalig testen in de gemeenten Bunschoten en Dronten begin 2021

    Sanders, J; Zomer, C; Hoekstra, R; de Ron, J; Blanken, T; Hart, L; Visser, O; Borsboom, D; de Bruin, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022-07-07)
    De rijksoverheid heeft verschillende maatregelen genomen om de verspreiding van het coronavirus SARS-CoV-2 tegen te gaan. Het was onder andere belangrijk dat mensen thuisbleven als zij corona-achtige klachten hadden. Als mensen in contact waren geweest met een besmet persoon, werd hen geadviseerd in quarantaine te gaan. En als zij zelf corona hadden, moesten ze thuis in isolatie. Uit eerder landelijk onderzoek van de Corona Gedragsunit van het RIVM bleek dat een op de drie deelnemers niet altijd thuisbleven als zij in isolatie hoorden te zijn. Het RIVM onderzocht daarom in het voorjaar 2021 in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten wat mensen zou helpen om zich beter aan de maatregelen te houden. Deelnemers zijn hiervoor in contact gebracht met een lokale hulporganisatie die hen bij de isolatie ondersteunde. Onderzocht is of het uitmaakt hoe zij met deze ondersteuning in contact zijn gekomen (actief of passief) en welke ondersteuning hen is aangeboden. Ongeveer de helft van de deelnemers maakte graag gebruik van isolatie-ondersteuning. Deelnemers kwamen vaker in contact met de hulporganisaties als deze organisaties hen – met hun toestemming – daarover belden (actief). Als mensen alleen op het bestaan van de ondersteuning werden gewezen (passief), maakten ze nauwelijks gebruik daarvan. De organisaties boden de hulp in twee vormen aan: een telefonisch ondersteuningsgesprek met een thuisblijfplanner, en een thuisblijftas. In deze tas zat bijvoorbeeld praktische informatie over online-activiteiten, een bon voor een gratis thuisbezorgd ontbijt en een folder met tips. Drie op de vier mensen in isolatie wilden graag deze thuisblijftas ontvangen. Een op de vier deelnemers gaf aan een ondersteuningsgesprek te willen met een hulporganisatie. Tijdens dit gesprek werd besproken welke situaties het lastig maakten om thuis te blijven en welke oplossingen daarvoor mogelijk waren. Bijvoorbeeld hoe mensen kunnen organiseren dat er boodschappen thuis worden bezorgd en de hond wordt uitgelaten. Uiteindelijk deden aan dit onderzoek te weinig mensen mee om te kunnen bewijzen dat zij zich door de ondersteuning beter aan de maatregel hielden. De Corona Gedragsunit van het RIVM voerde dit onderzoek samen met de Universiteit van Amsterdam en betrokken gemeenten en ggd’en uit.
  • Schadelijke stoffen bij branden met zonnepanelen

    NW van Veen; MG Mennen; PMJ Bos; TWJA Engering; A Gerssen; JJP Lasaroms (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-07-07)
    Om meer duurzame energie op te wekken, worden in Nederland steeds meer zonnepanelen geplaatst. Ze liggen bijvoorbeeld op bedrijfspanden en agrarische gebouwen. Als zo’n gebouw in brand vliegt, branden de zonnepanelen mee. Het is bekend dat roet en scherpe deeltjes van de zonnecellen (zonnecelscherven) dan in de omgeving terecht kunnen komen. Het RIVM heeft daarom met experimenten onderzocht wat het effect van een brand met zonnepanelen is op de gezondheid van mens en dier . Wanneer een zonnepaneel verbrandt, komen ongeveer dezelfde gevaarlijke stoffen vrij als bij een gemiddelde brand met elektronica en kunststoffen. Bij een gebouwbrand zijn de zonnepanelen op een dak maar een klein onderdeel van de totale brand. Daarom zal de rook van een brandend gebouw met zonnepanelen in de praktijk niet gevaarlijker zijn dan die bij een gewone brand. De kleine hoeveelheden metalen die in de zonnepanelen zijn verwerkt, komen voor een deel terecht in de rook en in het roet dat op de bodem in de omgeving neerslaat. Dat kunnen verschillende metalen zijn, waarvan lood het meest schadelijk is voor de gezondheid. Daarnaast zijn polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) gevonden. PAK komen vrij als kunststoffen verbranden, en kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Al deze stoffen zijn ook in kleine hoeveelheden op de scherven van zonnecellen gevonden. Als mensen of dieren in contact komen met rookstof of de zonnecelscherven zelf, kunnen zij deze stoffen binnenkrijgen. Aangezien dit bijna nooit voorkomt en het om kleine hoeveelheden gaat, is de kans op gezondheidsschade heel erg klein. Zonnecelscherven zijn erg dun en licht. Daardoor breken ze makkelijk en kunnen ze door een rookwolk over grote afstanden worden meegenomen. Dit gebeurt alleen als er een grote rookpluim is. In de praktijk speelt dit alleen bij branden in grote gebouwen. Ook de weersomstandigheden, zoals de windsterkte en -richting zijn van invloed op hoe scherven zich verspreiden. Wanneer de scherven in een weiland terechtkomen, kunnen grazende dieren ze inslikken. Dat kan schadelijk zijn voor hun maag- en darmstelsel. Afhankelijk van de locatie (weiland of speeltuin) en de hoeveelheid scherven, kan het nodig zijn ze uit voorzorg op te ruimen. Het RIVM adviseert vanwege dit voorzorgsprincipe om hier landelijk beleid voor te maken.
  • Advies algemene ontheffing verrijking van levensmiddelen met zink

    J Verkaik-Kloosterman (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-07-07)
    Het is in Nederland niet toegestaan om zink aan levensmiddelen toe te voegen. Dat is verboden omdat de hoeveelheid zink die mensen nodig hebben dicht bij de hoeveelheid ligt die als veilig maximum wordt gezien. De Europese Food and Safety Authority (EFSA) heeft bepaald hoeveel zink mensen maximaal via voeding mogen binnenkrijgen. Onder deze hoeveelheid zijn er zeker geen schadelijke effecten voor de gezondheid. Daarboven zou dat misschien kunnen. Dat hangt onder andere af van de hoeveelheid die mensen binnenkrijgen en of dat korte of langere tijd duurt. Het RIVM heeft in 2018 onderzocht of een algemene ontheffing op het verbod mogelijk was. Anders gezegd: of het mogelijk is om toe te staan dat producenten zink mogen toevoegen aan voedingsmiddelen die door de hele Nederlandse bevolking kunnen worden gegeten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Een deel van de Nederlandse bevolking, zowel kinderen als volwassenen, krijgen meer zink binnen via voeding en eventuele supplementen dan het maximum dat EFSA hieraan stelt. Dit komt het vaakst voor bij kinderen. Het is daarom gerechtvaardigd om het verbod te laten bestaan. Het onderzoek is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd. Het ministerie neemt het besluit of zij verrijking van voedingsmiddelen met zink in het algemeen zal toestaan, of eventueel onder bepaalde voorwaarden. Zink zit van nature in heel veel voedingsmiddelen. Doordat zink en koper op een zelfde manier worden opgenomen in het lichaam, zijn ze elkaars ‘concurrent’. Daarom kan door een te veel aan zink in het lichaam een tekort aan koper ontstaan. Dit zou de werking van bijvoorbeeld het immuunsysteem kunnen verminderen. Bijschrift In 2018 is het advies van het RIVM over de algemene ontheffing van het verbod op verrijking van voedingsmiddelen met zink gedeeld met het ministerie van VWS. Tegelijkertijd is er een specifiek advies gegeven over een ontheffingsverzoek dat een fabrikant had aangevraagd. Dit specifieke advies bevat bedrijfsgevoelige informatie. Er is toen voor gekozen om zowel het algemene advies als het specifieke advies over het ontheffingsverzoek van een fabrikant niet op de website te plaatsen. Achteraf gezien was dat niet nodig geweest voor het advies over de mogelijkheden voor een algemene ontheffing. Daarom wordt deze publicatie alsnog openbaar gemaakt.

View more