Recent Submissions

  • Veilig werken en de nacht. Een verkenning van feiten, oorzaken en kansen

    van Kampen, J; Sol, V; Jansen, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-17)
    In Nederland werken ongeveer 1,3 miljoen mensen soms of regelmatig ’s nachts. Het is bewezen dat werknemers die een groot deel van hun leven in de nacht werken een grotere kans hebben om slaapproblemen, diabetes en hart- en vaatziekten te krijgen dan mensen die alleen overdag werken. Er is nog weinig bekend over de invloed van werken in de nacht op de veiligheid op de werkvloer. In de internationale wetenschappelijke literatuur zijn er aanwijzingen dat de kans op een ernstig ongeval in de nacht iets groter is dan overdag. Dat lijkt vooral door vermoeidheid te komen. Het RIVM heeft verkennend uitgezocht of dat ook voor Nederland geldt. Het aantal ernstige arbeidsongevallen ’s nachts is in Nederland lager dan overdag: ongeveer 5,5 procent van de ernstige arbeidsongevallen is gebeurd tussen 23:00 en 07:00 uur. Er blijkt niet genoeg informatie te zijn over het werk dat mensen ’s nachts doen om conclusies over de kans op een ongeval te trekken. Wel weten we dat een van de drie ernstige ongevallen die ’s nachts plaatsvinden in drie sectoren voorkomen. Het gaat om de sectoren ‘Vervaardigen van voedingsmiddelen’, ‘Vervoer over land’ en ‘Opslag en dienstverlening voor vervoer’. In deze sectoren wordt relatief veel ’s nachts gewerkt. Ook is het type ongeval anders dan overdag. Zo komen in verhouding ’s nachts meer ongevallen met machines voor en overdag meer ongevallen met ladders. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het soort werk dat ’s nachts wordt gedaan. Bedrijven nemen allerlei maatregelen zodat werknemers ’s nachts veilig kunnen werken. Zo zijn er wettelijke afspraken over de maximale werktijden en minimale rusttijden. Sommige organisaties nemen extra maatregelen. Ze proberen bijvoorbeeld werkschema’s gezonder en veiliger te maken of de risico’s van het werk op een andere manier te beperken. Het RIVM gaat onderzoeken welke maatregelen bedrijven hiervoor nemen. Ook om te kijken hoe mensen gezond én veilig in de nacht kunnen werken.
  • Impactanalyse Actualisatie AERIUS Calculator en Monitor 2021

    Marra, WA; Hazelhorst, SB; Jonkers, S; Schram, JM; Stolwijk, GJC; Nguyen, TNP; Aalbers, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-13)
    Het RIVM beheert het rekeninstrument AERIUS dat berekent en monitort hoeveel stikstof er in Nederland op de bodem neerkomt. Overheden en initiatiefnemers van projecten berekenen met AERIUS Calculator de uitstoot van stikstof en de neerslag ervan op Natura 2000-gebieden. AERIUS Monitor geeft overheden inzicht in de actuele en verwachte stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden en de overbelasting door stikstof. Calculator en Monitor ondersteunen de vergunningverlening en beleidsvorming. Deze berekeningen en monitoringsinformatie moeten accuraat zijn, zodat beleidsmakers en vergunningverleners de actuele, juiste inzichten hebben om beslissingen te kunnen nemen. Daarom worden elk jaar de nieuwste inzichten en actuele gegevens over de natuur en stikstofbronnen in AERIUS verwerkt. Deze actuele gegevens kunnen verschillen van de vorige versie van Calculator en Monitor en kunnen daardoor tot andere uitkomsten leiden. Om te kijken wat de aanpassingen betekenen heeft het RIVM deze impactanalyse gemaakt. Hiervoor zijn de belangrijkste verschillen en het effect daarvan in beeld gebracht. In de versie 2021 zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren geactualiseerd. AERIUS Calculator gebruikt deze emissiefactoren om de stikstofuitstoot van een project te bepalen. Daarnaast rekent Calculator 2021 de depositie tot een afstand van maximaal 25 km van de bron, volgend op de laatste regelgeving. Door deze aanpassingen levert een berekening een andere uitkomst. Het RIVM produceert jaarlijks nieuwe depositiekaarten die nu beschikbaar zijn in AERIUS Monitor. Verder zijn de grenzen van de stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden geactualiseerd (de zogeheten habitatkaart). Door deze aanpassing veranderen de locaties waar AERIUS Calculator mee rekent (de relevante hexagonen). Daarnaast zorgen deze wijzingen dat het berekende oppervlakte niet-overbelast stikstofgevoelige natuur wijzigt.
  • EURL-Salmonella Proficiency Test Food 2021. Detection of Salmonella in liquid whole egg

    Diddens, RE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-12)
    In 2021 organiseerde het Europese Unie Referentie Laboratorium voor Salmonella (EURL-Salmonella) een ringonderzoek voor de Salmonellabacterie in vloeibaar ei. Alle deelnemende Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella (NRL’s-Salmonella) hebben een goede score behaald voor het EURL-Salmonella ringonderzoek Voedsel 2021. Sinds 1992 zijn de NRL’s voor Salmonella van de Europese lidstaten verplicht om elk jaar hun kwaliteit te laten toetsen met zogeheten ringonderzoeken. Met een van de ringonderzoeken wordt gecontroleerd of de NRL’s de Salmonella-bacterie in voedsel kunnen aantonen; dit keer in vloeibaar ei. De laboratoria hebben een verplichte, internationale erkende analysemethode gebruikt om Salmonella in monsters vloeibaar ei aan te tonen. Elk laboratorium kreeg een pakket toegestuurd met monsters die besmet waren met twee verschillende concentraties Salmonella Enteritidis of zonder Salmonella. De monsters zijn op het laboratorium van het EURL-Salmonella kunstmatig besmet met Salmonella. In totaal deden 33 NRL’s-Salmonella mee aan dit ringonderzoek: 28 NRL’s van 27 lidstaten van de Europese Unie en 5 NRL’s van andere Europese landen. Het EURL-Salmonella is gevestigd bij het Nederlandse Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
  • Ambulancezorg Rijtijdenmodel - actualisatie 2021

    Kommer, GJ; de Vries, L; Etemad-Ghameshlou, Z; Ferreira, J; Mohnen, SM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2022-01-11)
    Het RIVM heeft het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg geactualiseerd. Dit gebeurt elke vier jaar. Dit model schat de rijtijd die een ambulance gemiddeld nodig heeft om met spoed naar een locatie te rijden. Hiervoor gebruiken we feitelijk gemeten snelheden van ambulances van juli 2019 tot en met juni 2020. Voor de meeste wegtypen (denk aan snel- en hoofdwegen en voetgangersgebieden) zijn de gemiddelde gemeten snelheden lager dan in de vorige meetperiode (2015-2016). Gemiddeld gezien is de rijtijd van ambulances in heel Nederland met 0,8 minuten langer geworden, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Daarom geeft het nieuwe rijtijdenmodel voor veel trajecten langere rijtijden dan het oude rijtijdenmodel uit 2016. Onderzoek naar de oorzaak van de lagere snelheden viel buiten de vraagstelling. Wel is van twee bijzondere gebeurtenissen vanaf maart 2020 onderzocht wat de invloed is op de gemiddelde snelheden van ambulances: de gedeeltelijke lockdown in verband met de corona-pandemie en de begrenzing van de maximum snelheid op snelwegen overdag tot 100 km per uur. Er werd voor beide gebeurtenissen geen effect gevonden. Bij elke actualisatie wordt gekeken of de met het model geschatte rijtijden nog beter kunnen aansluiten bij de werkelijke rijtijden. Dit keer is gekeken of een andere regio-indeling voor ambulances en minder tijdsblokken (alleen binnen of buiten de spitsuren) beter zijn. Deze varianten blijken de werkelijke rijtijden net zo goed te voorspellen als het model uit 2016. Het RIVM heeft daarom besloten het model niet te veranderen en alleen de gemiddelde snelheden te actualiseren. Het RIVM gebruikt het rijtijdenmodel voor de spoedeisende ambulancezorg voor verschillende bereikbaarheidsanalyses in de spoedeisende zorg.
  • Gendergelijkheidsplan

    Y van Rede (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-22)
    Het RIVM neemt deel aan Horizon Europe, het onderzoeks- en innovatieprogramma van de Europese Unie. Dit programma stelt eisen aan gendergelijkheid in onderzoek en innovatie. Het verplicht organisaties om vanaf 2022 een gendergelijkheidsplan te hebben om voor een subsidie in aanmerking te komen. Het RIVM heeft zo’n plan opgesteld. Daarin laat het RIVM zien dat het werkt aan een gelijke verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen. Het doet meer dan dat door diversiteit breed te omschrijven. Het gaat voor het RIVM om alle aspecten waardoor medewerkers met elkaar kunnen verschillen. Een gendergelijkheidsplan heeft vier verplichte elementen, waaraan het RIVM voldoet. Als eerste moet het moet een openbaar document zijn, waaruit blijkt dat de organisatie zich inspant voor gendergelijkheid. Het RIVM zal het plan online plaatsen. Als tweede moet blijken welke middelen worden ingezet om de doelen op te zetten, te implementeren en te monitoren. Hiervoor is een projectgroep Diversiteit & Inclusie en een groep ambassadeurs gevormd die zich inzet om het onderwerp beter bespreekbaar en kenbaar te maken. De projectgroep werkt aan een strategisch meerjarenplan Diversiteit & Inclusie voor de periode 2022-2025. Als derde moet de dataverzameling en monitoring zijn beschreven. Met die informatie wordt gendergelijkheid gemeten en zo nodig bijgestuurd. Er is hiervoor onder andere een nulmeting gedaan over inclusiviteit onder medewerkers in 2021. De resultaten worden gebruikt om dit te verbeteren. Ten slotte moet het RIVM laten zien hoe het investeert om gendergelijkheid te ontwikkelen en onder de aandacht te brengen. Het biedt hiervoor trainingen en opleidingen aan die te maken hebben met diversiteit en inclusie.
  • A literature study on the toxicokinetics of structural analogues of the mycotoxin deoxynivalenol

    AD van den Brand; MJB Mengelers (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
    Mensen kunnen via graanproducten, zoals brood en koekjes, stoffen binnenkrijgen die gemaakt zijn door schimmels. Deze stoffen noemen we mycotoxinen. Als de concentratie mycotoxinen te hoog is, kan dat schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit kan bijvoorbeeld diarree of overgeven veroorzaken. Het RIVM heeft eerder een model gemaakt dat kan berekenen hoeveel van één soort mycotoxine (deoxynivalenol) we via voedsel binnenkrijgen en vervolgens uitplassen. Dit model is bijzonder omdat er alleen metingen in urine voor nodig zijn. In urine kun je mycotoxinen aantonen die in graanproducten niet altijd meetbaar zijn. Op dit moment worden de hoeveelheden mycotoxinen die mensen binnenkrijgen geschat met informatie over gemeten gehaltes in graanproducten, in combinatie met hoeveel ervan wordt gegeten. Het RIVM wil het model nog verder ontwikkelen om het bruikbaar te maken voor andere mycotoxinen in voedsel. Het RIVM heeft daarom in de wetenschappelijke literatuur gezocht voor welke mycotoxinen dat mogelijk is. Dat blijkt voor twee soortgelijke mycotoxinen te kunnen: T2 toxine en HT2 toxine. Ook voor deze mycotoxinen kan het RIVM de relatie berekenen tussen de hoeveelheid die we ervan binnenkrijgen op basis van wat er via urine wordt uitgescheiden. Voor dit onderzoek is informatie verzameld hoe verschillende mycotoxinen zich in dieren ‘gedragen’. Bijvoorbeeld hoe snel zij in het lichaam worden afgebroken en in de urine terechtkomen. Deze kennis bestaat niet over het gedrag van deze mycotoxinen in mensen. Dit onderzoek is gedaan in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De NVWA controleert met steekproeven de concentratie mycotoxinen in granen en andere voedselproducten. Het model kan meer inzicht geven in de concentratie waar mensen aan blootstaan.
  • Referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg 2021

    GJ Kommer; P Engelfriet; E over; J de Sousa Jorge Ferreira; SM Mohnen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
    Het RIVM berekent elk jaar hoeveel ambulances in Nederland in het jaar daarop nodig zijn. In 2022 zijn dat er op werkdagen overdag 652, 10 meer dan in 2021. Op werkdagen in de avond zijn 13 auto’s meer nodig, op werkdagen in de nacht 2 minder dan in 2021. Het ‘referentiekader spreiding en beschikbaarheid ambulancezorg’ berekent het aantal ambulances waarmee de ambulancezorg in Nederland kan worden uitgevoerd. Dit model is gebaseerd op een aantal uitgangspunten voor de Nederlandse ambulancezorg. Voorbeelden zijn de tijd na een melding waarbinnen een ambulance ter plaatse moet zijn en de spreiding van de standplaatsen over het land. De berekening wordt normaal gesproken gemaakt op basis van het aantal ambulanceritten en de duur ervan in het jaar ervoor. Dit keer zijn de gegevens gebruikt van de jaren 2015 tot en met 2019. De gegevens over 2020 zijn niet gebruikt omdat het aantal ritten in dat jaar lager was dan verwacht door de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2. Ook duurde een rit in 2020 gemiddeld langer dan verwacht. Het RIVM heeft op drie verschillende manieren het feitelijk aantal ritten van 2020 gecorrigeerd en ??n methode als de beste aangewezen. Het ministerie van VWS, de Ambulancezorg Nederland (AZN) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) hebben dit advies overgenomen. Het RIVM heeft deze methode vervolgens gebruikt in het referentiekader-2021. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) gebruikt de uitkomsten van het referentiekader in haar rekenmodel om de regionale budgetten te bepalen.
  • Innovating the integration of ecological and human health Risk Assessment: Connecting concepts and cases (IRAC) - Identification phase, parallels and integration

    de Knecht, J; Marinkovic, M; Dang, Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
    Er bestaan aparte methoden om risico’s van stoffen voor mensen en voor het milieu te beoordelen. Hoewel beide methoden risico’s beoordelen, gebruiken ze andere testmethoden en verschillen de doelen (denk aan effecten op organen bij mensen versus effecten op groepen dieren in het milieu). Toch kan de kwaliteit van een risicoanalyse van een stof beter worden als de resultaten van beide typen risicobeoordelingen worden samengevoegd. Dan kunnen de methoden nog beter aangeven voor welke stoffen de overheid met voorrang beleid moet maken. Ook zijn er mogelijk ook minder dierproeven nodig. Het RIVM heeft daarom de verschillen en overeenkomsten van de risicobeoordelingen voor mens en milieu in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat ze vergelijkbare gegevens en modellen gebruiken om te voorspellen hoeveel van een stof in het milieu terechtkomt en aan welke hoeveelheid stoffen mens en dier worden blootgesteld. De hoeveelheden die in verschillende diersoorten terechtkomen zijn echter niet gelijk. Als we diersoorten met elkaar willen vergelijken, is het noodzakelijk om de gehaltes te kennen die in het dier of de mens zitten. Om deze gehalten in een proefdier te bepalen, kunnen modellen worden gebruikt die nabootsen hoe het proefdier stoffen opneemt, verdeelt, verteert en uitscheidt. Lange tijd was er in de wetenschap weinig bekend over de manier waarop stoffen schadelijke effecten veroorzaken in proefdieren en of dat bij verschillende diersoorten op dezelfde manier gebeurt (werkingsmechanisme). De kennis hierover neemt de laatste jaren sterk toe. Wanneer de werking voldoende overeenkomt, kunnen testresultaten van de ene naar de andere soort worden doorvertaald. De resultaten zouden dan kunnen worden gecombineerd met modellen die aangeven hoe een dier op een interne dosis van een stof reageert. Dit kan ook helpen de resultaten van andere (reageerbuis) testmethoden te vertalen naar de reactie in cellen en in het hele organisme.
  • Radioactiviteitsmetingen aan ‘negatieve ionen’-consumentenproducten

    PN Brandhoff (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-16)
    Van producten met ‘negatieve ionen’, zoals sieraden en slaapmaskers, zeggen verkopers dat ze de gezondheid verbeteren. Maar deze producten kunnen radioactieve stoffen bevatten die zogeheten ioniserende straling uitzenden. Deze straling kan weefsel en DNA beschadigen, wat schadelijk is voor de gezondheid. De drager van de sieraden staat aan deze straling bloot. In de Verenigde Staten mogen deze producten daarom inmiddels niet meer worden verkocht. Op verzoek van de ANVS heeft het RIVM onderzoek gedaan aan 10 negatieve ionen-producten. De aanleiding was een signaal van een inwoner van Nederland dat negatieve ionen-producten radioactieve stoffen kunnen bevatten. Het RIVM heeft uitgezocht of dit echt zo was, en aan welke stralingsdosis de huid blootstaat als iemand het product draagt. Alle 10 producten bevatten meer radioactiviteit dan volgens de wet is toegestaan. De drager van de producten staat hierdoor via de huid bloot aan een extra dosis straling. Ook kan niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de huid rood wordt op de plek waar het product wordt gedragen. In de wet staat dat er geen radioactiviteit in consumentenproducten mag zitten, tenzij daarvoor een rechtvaardiging is afgegeven. Dat is niet het geval voor deze producten. Rechtvaardiging betekent dat blootstelling aan ioniserende straling alleen is toegestaan als de voordelen opwegen tegen de mogelijke gezondheidsschade.
  • Monitoringsrapportage NSL 2021. Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

    de Smet, PAM; Visser, S; Geijer, MG; Valster, NL; Huitema, MS; Wesseling, JP; Groot Wassink, H; Sanders, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
    In het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) werken de overheden sinds 2009 samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De monitor is onder andere bedoeld om te kijken of Nederland de Europese grenswaarden haalt en of extra maatregelen nodig zijn om ze toch zo snel mogelijk te halen. Het RIVM rapporteert elk jaar over stikstofdioxiden en fijnstof in de lucht. Uit de monitoringsrapportage 2021 blijkt dat de luchtkwaliteit in 2020 verder is verbeterd. Voor het eerst voldoet Nederland voor wegverkeer aan de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide. Dat komt omdat de concentraties stikstofdioxide bij de verkeerswegen in 2020 in heel Nederland onder deze grenswaarden liggen. Voor fijnstof is dat net niet zo. In Velsen ligt in 2020 een klein stuk weg van 100 meter niet onder de grenswaarde; dat is wel het geval langs wegen in de rest van Nederland. Op enkele woonlocaties in gebieden met intensieve veehouderijen worden de grenswaarden van fijnstof ook nog overschreden. De lage concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof komen onder andere door de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 in 2020. Er was daardoor binnen en buiten Nederland minder verkeer en economische activiteit, en dus minder uitstoot. Dit effect is waarschijnlijk tijdelijk. Het is niet duidelijk of dat helemaal verdwijnt als de maatregelen worden opgeheven. De verwachting is wel dat de luchtkwaliteit de komende jaren verder verbetert doordat verkeer, industrie en veehouderijen minder stikstofdioxide en fijnstof uitstoten. Zo worden nieuwe auto’s steeds schoner of zijn ze elektrisch. Ook komen er steeds meer ‘lage-emissie zones’ in steden. Hier mogen bijvoorbeeld nog maar een beperkt aantal brandstofauto’s rijden of alleen elektrische auto’s. Schone lucht is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook bij concentraties onder de Europese grenswaarden is luchtverontreiniging nog schadelijk. Daarom heeft de overheid het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld om de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 nog verder te verbeteren. De rijksoverheid, provincies en diverse gemeenten hebben daar afspraken over gemaakt. Nederland voldoet voor stikstofdioxide in 2020 aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2005. Voor fijnstof is dat niet zo. In september 2021 maakte de WHO nieuwe, lagere advieswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof bekend. In grote delen van Nederland liggen de concentraties hier boven. Het is aan de overheid om te bepalen of en hoe Nederland hieraan wil voldoen.
  • The environmental impact of EUR 85 billion in annual procurement by all Dutch governments. A study that helps to prioritise in sustainable public procurement (SPP)

    Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
    In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
  • Herziene versie: De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden

    Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
    Dit rapport is een herziene versie van RIVM-rapport 2021-0087. In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 12 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 12 procent van de totale impact van Nederlandse consumptieve bestedingen: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Naast de klimaatimpact is naar twee andere thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken en het gebruik van grondstoffen. De inkoop van de overheid omvat zo’n 13 procent van het minerale grondstoffenverbruik en 5 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf veel kan bijdragen om de energietransitie en circulaire economie te realiseren, én het verlies aan biodiversiteit terug te dringen. Bij dit onderzoek is gekeken naar milieu-impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport en de verwerking van afval. De milieu-impacts verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
  • Effect van verschillende ventilatie-hoeveelheden op aerogene transmissie van SARS-CoV-2. Risicoschatting op basis van het AirCoV2-model

    Bartels AA; Schijven J; Delmaar JE; Duizer E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15)
    Het RIVM heeft berekend wat het effect is van verschillende hoeveelheden ventilatie van binnenruimten op 'aerogene transmissie' van het coronavirus SARS-CoV-2. Aerogene transmissie betekent besmettingen met het virus via kleine druppels (aerosolen) die over een grotere afstand dan anderhalve meter en over langere tijd kunnen blijven zweven in de lucht. Ventileren helpt om aerogene transmissie te beperken. Bij ventileren wordt continu verse buitenlucht aan een ruimte toegevoerd waardoor de lucht in een binnenruimte wordt ververst. Vanwege een goed binnenklimaat moeten alle gebouwen in Nederland, waaronder woningen, aan de minimale ventilatie-eisen van het Bouwbesluit voldoen. Het blijkt dat ventilatie volgens de minimale eisen van het Bouwbesluit 2012 voor bestaande gebouwen de kans op aerogene transmissie flink verkleint in vergelijking met niet-ventileren. Nog meer ventileren maakt de kans nog kleiner, maar het effect daarvan is minder groot. Ventilatie neemt het risico op aerogene transmissie nooit helemaal weg. Ook bij heel veel ventilatie, waarbij de binnenlucht bijvoorbeeld elke 2 minuten helemaal wordt ververst, blijft een kans bestaan dat het virus op deze manier wordt overgedragen. Het RIVM heeft voor bepaalde publieke binnenruimtes berekend welk effect ventilatie naar verwachting heeft op het aantal mensen dat ziek wordt. Voorbeelden zijn een nachtclub, een kleine en een grote concertzaal, een klaslokaal, een kantoorruimte en een supermarkt. Ventilatie verkleint het verwachte aantal zieken het meest in de nachtclub en beide concertzalen. Het onderzoek geeft handvatten om beleidskeuzes te maken. Het is niet mogelijk om op basis van de resultaten aan te geven welk risico acceptabel is en wat een optimale hoeveelheid ventilatie is. Hiervoor zijn andere afwegingen nodig tussen aanvaardbare risico’s en eisen aan comfort, de kosten van aanschaf en onderhoud, en energiegebruik. Het is een beleidskeuze om te bepalen welk risico na deze afwegingen acceptabel wordt gevonden. Het gaat in dit onderzoek alleen om het risico op besmetting via aerogene transmissie. Het gaat niet om andere manieren waarop mensen besmet kunnen raken, zoals besmetting binnen anderhalve meter afstand (directe transmissie).
  • Methode voor het bepalen van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Ondersteuning. Schone Lucht Akkoord (SLA)

    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-15
    De Nederlandse overheid wil de luchtkwaliteit verbeteren en heeft hiervoor in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) gesloten met gemeenten en provincies. In sommige delen van Nederland staan mensen bloot aan hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen (fijnstof en stikstofdioxide). De Gezondheidsraad adviseerde in 2018 extra maatregelen te nemen om de luchtkwaliteit te verbeteren in deze 'hoogblootgestelde gebieden'. Om daarover te kunnen beslissen, moet eerst duidelijk worden waar deze gebieden precies liggen. Het RIVM heeft een methode ontwikkeld om te kunnen bepalen welke gebieden hoogblootgesteld zijn in Nederland. De onderzoekers hebben hiervoor vier criteria ontwikkeld. Deze zijn in overleg met het rijk, provincies, gemeenten (de SLA-partners) en de werkgroep Lucht van de GGD bepaald. De SLA-partners moeten kiezen hoe ze deze criteria invullen. Inmiddels zijn de keuzes voor drie criteria gemaakt: jaartal waarmee de luchtconcentraties worden vergeleken, grootte van het gebied, en de effecten waarnaar wordt gekeken. Het vierde criterium schrijft voor dat beleidsmatige keuzes moeten worden gemaakt over wat haalbaar en gewenst is om de gezondheid door een schonere lucht te verbeteren. Het blijkt niet mogelijk om dat criterium op basis van objectieve, inhoudelijke overwegingen in te vullen. Er kan daardoor nu nog geen overzicht worden gemaakt van hoogblootgestelde gebieden in Nederland. Hier is meer onderzoek voor nodig. De SLA-partners willen daarom eerst proberen de luchtkwaliteit in mogelijke hoogblootgestelde gebieden te verbeteren door zich daar samen voor in te spannen. De partners willen dit in een aantal pilots verder uitzoeken. Het liefst in gebieden in Nederland waar de luchtvervuiling meer invloed op de levensduur van mensen heeft dan in andere gebieden. Dat zijn bijvoorbeeld gebieden met veel industrie of intensieve veehouderij, in steden met veel verkeer, en bij havens. Met deze kennis kan ook de methode worden verfijnd. Het RIVM heeft de methode in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) gemaakt.
  • Staat van infectieziekten in Nederland, 2020

    Klous, G; Hout, D van; Lagerweij, G; Hoek, AJ van; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-13)
    Elk jaar geeft het RIVM een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en, als het voor Nederland relevant is, in het buitenland. Deze Staat van Infectieziekten geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD’en inzicht in de ontwikkelingen. Het jaar 2020 gaat de geschiedenis in als het eerste jaar van de uitbraak van het SARS-CoV-2 virus (coronavirus). De Nederlandse regering trof maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Het lijkt erop dat andere infectieziekten hierdoor ook minder voorkwamen. Er was bijvoorbeeld geen griepepidemie in de winter van 2020-2021. Ook waren er aanzienlijk minder mensen met andere luchtweg- en maagdarminfecties. De daling lijkt ook te gelden voor de infectieziekten waartegen in het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd. Naast het SARS-CoV-2 virus zijn in 2020 voor het eerst patiënten geregistreerd met westnijlkoorts die de infectie in Nederland hebben opgelopen. De Staat van Infectieziekten geeft aan hoeveel ‘gezonde levensjaren’ verloren zijn gegaan door infectieziekten. Dit wordt uitgedrukt in disability-adjusted life years (DALY’s); ook wel de ziektelast genoemd. In 2020 gingen in Nederland de meeste gezonde levensjaren verloren aan COVID-19 (169.400 DALY’s), legionella (6.300 DALY’s) en ernstige pneumokokkenziekte (6.200 DALY’s. Deze top-3 is vanwege COVID-19 anders dan eerdere jaren. In 2019 waren dat: ernstige pneumokokkenziekte (9.500 DALY’s), griep (8.100 DALY’s) en legionella (8.100 DALY’s). Het themahoofdstuk geeft een overzicht van de coronamaatregelen. Ook wordt het aantal mensen met vastgestelde infectieziekten in 2020 vergeleken met 2019. Het blijkt per infectieziekte te verschillen in hoeverre de coronamaatregelen invloed hebben gehad op de mate waarin ze voorkomen. Hiervoor worden verschillende verklaringen gegeven. Voorbeelden zijn de invloed van het type maatregel op verschillende infectieziekten, zoals afstand houden, handen wassen, en minder reizen. Daarnaast is het waarschijnlijk dat bij minder mensen een diagnose is gesteld door de grote druk op de reguliere zorg.
  • Advies over nut en noodzaak van een pollenmeetnetwerk

    Houweling, D; van der Helm, J; Versteeg-de Jong, A; Wesseling, J; Boomsma, C; van Wijk, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-13)
    Stuifmeel (pollen) in de lucht kan hooikoorts veroorzaken. Ernstige klachten kunnen het leven van patiënten erg belemmeren. Twee pollenexperts hebben namens een groot aantal betrokken organisaties het ministerie van VWS gevraagd de voorlichting voor mensen met hooikoorts te verbeteren. Een onderdeel daarvan is een pollenmeetnetwerk. Het aantal en soort pollen in de lucht verschilt namelijk per plek en moment, per seizoen en per weerstype. Op dit moment tellen twee ziekenhuizen, in Leiden en Helmond, handmatig de pollen die de week ervoor in die omgeving in de lucht zaten. Het RIVM adviseert het ministerie van VWS om op deze twee locaties automatische pollentellers neer te zetten. Automatisch pollentellen is minder bewerkelijk en geeft meteen informatie over de pollen die er op dat moment zijn. Bij handmatige tellingen is deze informatie pas achteraf beschikbaar. Ook kunnen automatische tellingen beter voorspellen hoeveel van welke pollen er de komende dagen in de lucht zijn. Het RIVM adviseert ook de informatie voor hooikoortspatiënten te verbeteren. Zowel over de pollen zelf als over allergietesten, medicijnen en maatregelen om de klachten te verminderen. Met eenduidige informatie kunnen patiënten hun gedrag en medicijngebruik aanpassen aan de pollen in de lucht en zo mogelijk minder last van hooikoorts hebben. Verder adviseert het RIVM te verkennen hoeveel locaties met pollenmeetapparaten in Nederland minimaal nodig zijn voor een optimaal netwerk. Tot slot is het belangrijk in kaart te brengen hoeveel mensen ziek zijn of zich minder goed voelen door hooikoorts en wat dat de samenleving kost.
  • Landsdekkend beeld van PFAS in Nederlands grondwater

    Wintersen, A; Claessens, J; Wit, M; van Helvoort, K; Wolters, M; Stoffelsen, B; van Wijnen, H; van Breemen, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-13)
    PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen) is een groep stoffen die door mensen zijn gemaakt. Bij de productie en het gebruik van producten waar PFAS in zitten kunnen deze stoffen in het milieu terechtkomen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat PFAS overal in Nederland in het grondwater kunnen zitten. Het gaat meestal om lage concentraties. De hoogste concentraties PFAS zijn gevonden in het grondwater dat net onder het bodemoppervlak zit, direct onder het maaiveld. Maar ook in dieper en ouder grondwater zijn PFAS gemeten. Het gaat dan vooral om PFAS die niet snel aan deeltjes in de bodem vast gaan zitten. Daardoor kunnen zij gemakkelijk met het grondwater meestromen en zich verspreiden. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek al dat PFAS overal in de bodem zitten. De metingen voor het onderzoek naar grondwater zijn voor een deel op dezelfde locaties gedaan als het bodemonderzoek. Het RIVM heeft daardoor kunnen onderzoeken of er een verband is tussen concentraties in de bodem en in het grondwater. Dat verband is niet gevonden. Het RIVM vermoedt dat bij de lage concentraties in het grondwater verschillende factoren invloed hebben op de verhouding tussen PFAS in bodem en grondwater. Bijvoorbeeld de hoeveelheid regen en de stroomsnelheid van het grondwater. In andere onderzoeken is dit verband wel aangetoond. Volgens het RIVM gaat het dan om plekken waar lokaal hoge concentraties PFAS in het grondwater zaten, bijvoorbeeld nadat een brand met blusschuim is geblust. Blusschuim bevat PFAS.
  • Innovating the integration of ecological and human health Risk Assessment: Connecting concepts and cases (IRAC) - Identification phase, parallels and integration

    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-10
    Er bestaan aparte methoden om risico’s van stoffen voor mensen en voor het milieu te beoordelen. Hoewel beide methoden risico’s beoordelen, gebruiken ze andere testmethoden en verschillen de doelen (denk aan effecten op organen bij mensen versus effecten op groepen dieren in het milieu). Toch kan de kwaliteit van een risicoanalyse van een stof beter worden als de resultaten van beide typen risicobeoordelingen worden samengevoegd. Dan kunnen de methoden nog beter aangeven voor welke stoffen de overheid met voorrang beleid moet maken. Ook zijn er mogelijk ook minder dierproeven nodig. Het RIVM heeft daarom de verschillen en overeenkomsten van de risicobeoordelingen voor mens en milieu in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat ze vergelijkbare gegevens en modellen gebruiken om te voorspellen hoeveel van een stof in het milieu terechtkomt en aan welke hoeveelheid stoffen mens en dier worden blootgesteld. De hoeveelheden die in verschillende diersoorten terechtkomen zijn echter niet gelijk. Als we diersoorten met elkaar willen vergelijken, is het noodzakelijk om de gehaltes te kennen die in het dier of de mens zitten. Om deze gehalten in een proefdier te bepalen, kunnen modellen worden gebruikt die nabootsen hoe het proefdier stoffen opneemt, verdeelt, verteert en uitscheidt. Lange tijd was er in de wetenschap weinig bekend over de manier waarop stoffen schadelijke effecten veroorzaken in proefdieren en of dat bij verschillende diersoorten op dezelfde manier gebeurt (werkingsmechanisme). De kennis hierover neemt de laatste jaren sterk toe. Wanneer de werking voldoende overeenkomt, kunnen testresultaten van de ene naar de andere soort worden doorvertaald. De resultaten zouden dan kunnen worden gecombineerd met modellen die aangeven hoe een dier op een interne dosis van een stof reageert. Dit kan ook helpen de resultaten van andere (reageerbuis) testmethoden te vertalen naar de reactie in cellen en in het hele organisme.
  • Inventarisatie radonblootstelling specifieke beroepsgroepen

    L Boudewijns; M van der Schaaf (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-10)
    In bijna alle gebouwen in Nederland zit radon in de lucht. Vergeleken met de meeste andere landen is de concentratie radon in Nederland laag, ook op werkplekken. Bij sommige beroepen kunnen werknemers op de werkplek blootstaan aan een concentratie radon die hoger is dan op de meeste werkplekken. Dat kan hoger zijn dan het ‘referentieniveau’ voor radon, al is de kans klein. Het RIVM heeft onderzocht in welke beroepsgroepen in Nederland werknemers mogelijk blootstaan aan hogere concentraties radon; vooral daar waar de concentratie hoger kan zijn dan het referentieniveau. De kans hierop is in het algemeen klein, maar blijkt hoger op werkplekken onder de grond, en op werkplekken waar met grondwater wordt gewerkt. Hier werken bijvoorbeeld archeologen en aardwetenschappers, medewerkers van drinkwaterzuiveringsinstallaties en van viskwekerijen. Andere werknemers die mogelijk blootstaan aan hogere concentraties radon zijn mensen die werken in een glastuinbouwkas waar het gewas met CO2 wordt bemest. Voor mensen die werken met bouwmaterialen waaruit radon vrijkomt, zoals gips, beton en marmer, lijkt het onwaarschijnlijk dat zij blootstaan aan radonconcentraties hoger dan het referentieniveau. Verschillende factoren bepalen het risico voor de gezondheid van een werknemer die aan een hogere concentratie radon blootstaat. Naast de radonconcentratie hangt het ervan af hoe lang een werknemer op zo'n werkplek is en of de ruimte wordt geventileerd. Dit noemen we de blootstelling. De precieze blootstelling van werknemers in deze beroepsgroepen is nog niet bekend. Het RIVM doet hier verder onderzoek naar. Radon is een radioactief edelgas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Van daaruit kan het vrijkomen in afgesloten ruimten. Radon verandert uit zichzelf in andere radioactieve stoffen. Deze stoffen kunnen gaan vastzitten aan stofdeeltjes in de lucht. Als mensen deze stofdeeltjes inademen, blijven ze achter in de longen. Dit vergroot de kans om longkanker te krijgen. Dit literatuuronderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).
  • WaterSNIP Meetcampagne Nitraatsensoren. Een vergelijking van acht verschillende sensoren die hoogfrequent nitraat meten in oppervlaktewater

    Tenner, EV; Hooijboer, AEJ; Rozemeijer, JC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-12-09)
    Nitraatsensoren maken het mogelijk om heel vaak de concentratie nitraat in oppervlaktewater te bepalen. Op dit moment wordt de concentratie maximaal één keer per maand gemeten. Door heel veel metingen te doen kan de gemiddelde nitraatconcentratie in oppervlaktewater veel preciezer worden bepaald. Met sensoren kan ook worden bepaald hoe de nitraatconcentratie door de tijd heen verandert. Dat geeft informatie over de manier waarop nitraat rond landbouwbedrijven naar het slootwater wegspoelt. Om de sensoren zo goed mogelijk te kunnen gebruiken, moeten ze regelmatig worden gecontroleerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin acht verschillende sensoren zijn getest en vergeleken. Met deze sensoren is in Eijsden twee maanden lang de nitraatconcentratie van het water in de Maas bepaald. Het is voor het eerst dat met zoveel verschillende sensoren tegelijk is gemeten. De sensoren zijn getest vanuit WaterSNIP (het Water Sensoren Nutriënten Innovatieprogramma van het RIVM). Hierin onderzoekt het RIVM of sensoren beter kunnen meten hoeveel meststoffen uit de landbouw wegspoelen naar grond- en oppervlaktewater. In het WaterSNIP werkt het RIVM samen met andere onderzoeksinstituten, waterschappen en leveranciers van sensoren in een zogenoemde Deelnemersgroep. Het doel van deze samenwerking is kennis delen, proefprojecten opzetten en uiteindelijk één meetmethode met sensoren ontwikkelen. Hierdoor kunnen de metingen van het RIVM en van bijvoorbeeld de waterschappen in de toekomst op elkaar aansluiten en de resultaten beter worden vergeleken. Om goed in beeld te krijgen hoe meststoffen wegspoelen, is het nodig ook andere stoffen dan nitraat te meten. Een daarvan is ammonium, waarvan de norm in oppervlaktewater vaak wordt overschreden. Eind 2021 gaat het RIVM samen met de Deelnemersgroep onderzoeken welke sensoren geschikt zijn om ammonium in oppervlaktewater te meten.

View more