Recent Submissions

  • Armoede, chronische stress en gezondheid in de gemeente Den Haag : Een verkenning op basis van group model building

    Luijben, G; den Hertog, F; van der Lucht, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-13)
    Mensen die in armoede leven hebben vaak te maken met chronische stress en ziekte. Ook zijn ze vaak minder gelukkig en minder goed in staat om beslissingen te nemen. Deze vier factoren hebben direct invloed op hun gezondheid. De gemeente Den Haag wil de vicieuze cirkel doorbreken tussen een verslechterende gezondheid en toenemende, aan armoede gerelateerde, chronische stress. Hiervoor heeft het RIVM met betrokken partijen in beeld gebracht welke factoren van belang zijn voor de gezondheid van mensen die in armoede leven. Deze factoren hangen met elkaar samen en kunnen elkaar bovendien versterken of tegenwerken. Door deze mechanismen te doorgronden wordt zichtbaar welke maatregelen hun gezondheid kunnen verbeteren. Een samenhangende, integrale aanpak met aandacht voor deze mechanismen wordt dan ook aanbevolen. Maatregelen die slechts op één factor zijn gericht hebben weinig tot geen effect. 'Indirecte' factoren die invloed op hebben op de gezondheid zijn de sociaaleconomische status, financiële stabiliteit, vaardigheden, toegankelijkheid van de zorg, het gebruik van de zorg, de kwaliteit van de sociale en de fysieke leefomgeving en voldoende sociale contacten. Als deze factoren beter worden, zullen de vier factoren die direct invloed hebben op de gezondheid, verbeteren en zal de gezondheid erop vooruitgaan. In het diagram staan de factoren en hun onderlinge relatie in beeld gebracht. Beleidsmaatregelen die bijvoorbeeld zowel de financiële stabiliteit als de vaardigheden van mensen in armoede verbeteren, zullen de chronische stress verminderen en daarmee een positief effect hebben op de gezondheid. En aangezien door een verbetering van de vaardigheden ook de leefstijl verbetert, neemt de kans dat ze ziek worden af. Een verandering in de factoren die in het 'causaal diagram' dichter bij de vier kernpunten staan, heeft sneller effect dan een verandering in een factor die verder weg staat. Het belang van de factoren die verder weg staan is er echter niet minder om, denk aan het positieve effect van een groene, gezonde leefomgeving. Het kost alleen meer tijd voordat het effect ervan merkbaar is. De gemeente Den Haag wil de 'gezonde levensverwachting' van mensen in armoede verbeteren en heeft dit doel opgenomen in het gezondheidsbeleid. De resultaten van dit onderzoek zullen input zijn voor dit beleid. De gebruikte methode is ook geschikt voor andere gemeenten, zolang direct betrokkenen het diagram gezamenlijk ontwikkelen.
  • Schermgebruik, blauw licht en slaap

    van Kerkhof, LWM; van der Maaden, T; van der Meijden, W; van Elk, M; van Nierop, LE; Dollé, MET; Stenvers, DJ; Bisschop, P; van Someren, E; Kalsbeek, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-06)
    Veel Nederlanders gebruiken lichtgevende schermen in de avond: het gebruik is het hoogst onder adolescenten (13-18 jaar) en volwassenen. Vaak neemt het gebruik in de avond ook aanzienlijke tijd in beslag (meer dan twee uur). Dit onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat frequent of langdurig schermgebruik in de avond samenhangt met verstoorde slaap. Bewustwording van het gebruik is dan ook belangrijk, voornamelijk wanneer een computer, smartphone of tablet in het uur voor het slapen gaan wordt gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in samenwerking met het Amsterdam Medisch Centrum, het Nederlands Herseninstituut en Lifelines. Hierin is voor het eerst in Nederland het schermgebruik van kinderen en adolescenten (8-18 jaar) in de avond uitgebreid in kaart gebracht in samenhang met slaap. Het blijkt dat de groep die dagelijks of langdurig gebruikmaakt van een of meerdere schermen (computer, smartphone en/of tablet) tot 40 minuten korter slaapt dan de groep die dit niet, of korter, doet. De kortere slaapduur komt voornamelijk doordat deze kinderen en adolescenten later gaan slapen. Van de kinderen (8-13 jaar) gebruikt 22% dagelijks een scherm in de avond. Onder adolescenten (13-18 jaar) is dit 83%. Adolescenten die dagelijks een scherm gebruiken in het uur voor het slapen, hebben meer slaapklachten, zoals later in slaap vallen, korter slapen en 's nachts wakker worden. Ook vermelden zij meer symptomen van slaaptekort overdag, zoals moeite om wakker te blijven. Deze klachten verminderden bij adolescenten die als experiment een week lang geen scherm gebruikten of tijdens het schermgebruik een oranje bril droegen die het blauwe licht blokkeert. In de afgelopen jaren zijn steeds meer lichtgevende schermen ontwikkeld: niet alleen tv's maar ook computers, laptops, tablets en smartphones. De recent ontwikkelde schermen zenden meer blauw licht uit dan de traditionele bronnen, omdat zij gebruikmaken van led-technologie. Bekend is dat blauw licht invloed heeft op onze biologische klok, en daarmee de slaap kan verstoren. Door een structureel slaaptekort kunnen mensen zich slechter concentreren en minder goed presteren. Ook kunnen gezondheidsproblemen ontstaan. Vervolgonderzoek is nodig om te bepalen of beschikbare (ingebouwde) blauwlichtfilters op apparaten de effecten op slaap kunnen verminderen.
  • Bionanotechnologie - een verkenning

    Oomen, AG; van der Vlugt, CJB; van Broekhuizen, FA; van Kesteren, PCE; van Rijn, CPE; Westra, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-06)
    DNA en RNA (dragers van erfelijke informatie) en eiwitten (vervullen veel functies) komen van nature voor in planten, mensen en dieren. Ze kunnen ook worden gebruikt voor 'slimme' technologische toepassingen op zeer kleine schaal, bijvoorbeeld voor medisch en industrieel gebruik of voor consumentenproducten. Het RIVM onderzocht wat de stand van deze bionanotechnologie is, welke toepassingen in het verschiet liggen, in welke mate de producten van deze technologie al rijp zijn om op de markt te worden gebracht, wat bekend is over mogelijke risico's voor mens en milieu, en in hoeverre het huidige scala aan wetgeving hiervoor voldoende houvast biedt. Veel toepassingen zijn nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, maar de technologie ontwikkelt zich snel. Het RIVM vindt dit type ontwikkelingen interessant en nuttig, bijvoorbeeld omdat ze een medicijn heel gericht naar een bepaalde plek in het lichaam kunnen brengen. Wel is het van belang om in een vroeg stadium van de ontwikkeling van een nieuw product expliciete aandacht te hebben voor veiligheid en duurzaamheid. Zo'n Safe-by-Design aanpak maakt het mogelijk om tijdig ongewenste effecten te signaleren en te voorkomen. Momenteel ligt de nadruk op de technologische kant van de ontwikkelingen en is de aandacht voor de mogelijk nadelige effecten zeer beperkt. Een eerste screening van mogelijke nadelige effecten laat zien dat bio-nanostructuren, of onderdelen daarvan, immuunreacties en andere nadelige effecten kunnen oproepen. Uit een eerste screening van de relevante wetgeving over stoffen (REACH) en producten (zoals cosmetica en biociden) blijkt dat de gesignaleerde effecten niet automatisch worden 'opgepakt' via de vereiste informatie over veilig gebruik. Daarbij komt dat de hoeveelheid bionanostructuren in toepassingen naar verwachting klein zal zijn. Als er kleine hoeveelheden van een stof op de markt worden gebracht, dan vraagt de wetgeving maar om beperkte informatie. Methoden zoals die nu worden gebruikt om stoffen op schadelijkheid te testen, zijn naar verwachting onvoldoende geschikt.
  • Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2016

    Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-21)
    In 2016 the Netherlands met its annual European obligation to measure radioactivity in the environment and in food. All Member States of the European Union are required to perform these measurements each year under the terms of the Euratom Treaty of 1957. The Netherlands complied with the recommendations, as established in 2000, to perform these measurements in a uniform manner. The results on radioactivity in the environment are reported to the European Commission by the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) on behalf of the competent authority in the Netherlands. The measurements represent the background values for radioactivity that are present under normal circumstances. They can be used as reference values, for instance, during a nuclear emergency. Radioactivity in air, food, milk, grass and feed Radioactivity levels in the air were normal, i.e. within the range of previous years. Radioactivity levels in food and milk were well below the export and consumption limits set by European legislation. Radioactivity levels in grass and feed were normal, i.e. within the range of previous years. Radioactivity in surface water, seawater and drinking water Radioactivity levels in surface water and seawater were within the range of previous years. Radioactivity levels in untreated water for drinking water production were well below the screening levels above which further investigation should be carried out, with the exception of 19 samples of untreated water (5% of the total number of samples), which were slightly elevated. These measured radioactivity levels do not pose a threat to public health. Further investigation revealed that radioactivity levels in associated finished drinking water were well below the screening levels.
  • De impact van overstromingen op de drinkwatervoorziening : Overstromingen op basis van de Deltaprogramma scenario's 2015

    van Leerdam, RC; Dik, HHJ; van der Aa, NGFM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-20)
    Het RIVM heeft geanalyseerd wat de impact op de drinkwatervoorziening is wanneer delen van het zogeheten hoofdwatersysteem (Noordzee, IJsselmeergebied, grote rivieren) in Nederland overstromen. De drinkwaterbedrijven in een overstroomd gebied zullen dan hun productie van drinkwater staken. Dit kan ook bewoners van niet-overstroomde gebieden raken wanneer het desbetreffende drinkwaterproductiebedrijf aan hen levert. Drinkwaterbedrijven in gebieden die niet zijn getroffen zullen tijdelijk extra drinkwater produceren. Dit gebeurt vooral in de gebieden waar geëvacueerden worden opgevangen, omdat hierdoor een extra vraag naar drinkwater ontstaat. Er zou regionaal een knelpunt kunnen ontstaan wanneer veel geëvacueerden in hetzelfde gebied worden opgevangen. De extra drinkwaterproductie kan worden gecombineerd met een oproep om zuinig met drinkwater om te gaan. Overstromingen kunnen veel mensen treffen: circa 3,5 miljoen als het kust- of het rivierengebied volledig overstroomt en 1,7 miljoen als het zogeheten overgangsgebied volledig overstroomt. De impactanalyse is gemaakt aan de hand van de overstromingsscenario's van Rijkswaterstaat voor het kustgebied (noordwester storm), het rivierengebied (hevige regenval) en het overgangsgebied. Het Overgangsscenario is een combinatie van het Kust- en het Rivierenscenario onder minder extreme omstandigheden. Rivieren overstromen in dit scenario doordat de kustwering wordt gesloten, waardoor delen van Zuid-Holland, West-Brabant en Utrecht onder water komen te staan. De analyses brengen de maximale impact op de drinkwatervoorziening in beeld omdat ze ervan uitgaan dat de desbetreffende gebieden volledig overstromen. De kans op deze scenario's is klein, 1 keer in een miljoen jaar. Er bestaan ook realistischere scenario's die, afhankelijk van locatie en oorzaak, een kans hebben om zich eens per duizend tot eens per honderdduizend jaar voor te doen. Veiligheidsregio's en drinkwaterbedrijven zullen deze kleinschaliger overstromingsscenario's gebruiken om tot regionale impactanalyses te komen.
  • Verkenning van de milieuaspecten van de activiteiten die onder het Staatstoezicht op de Mijnen vallen

    Kelfkens, G; van der Ree, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-15)
    De activiteiten van bedrijven waar het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezicht op houdt, kunnen effect hebben op milieu en natuur en gevolgen hebben voor mensen in de omgeving. Het RIVM heeft in een verkenning geïnventariseerd om welke effecten het gaat. De verkenning richt zich vooral op de reguliere werkzaamheden; incidenten komen minder aan bod. Het SodM heeft om de inventarisatie gevraagd omdat het de bescherming van het milieu en de zorg voor natuurlijke hulpbronnen intensiever bij het toezicht wil betrekken. Het desbetreffende bedrijf, de vergunningverlener en de toezichthouder hebben, ieder vanuit hun eigen rol, de verantwoordelijkheid de negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De SodM-sectoren zijn de olie- en gaswinning (in zee en op land), geothermie, zoutwinning, ondergrondse opslag (aardgas, CO2), windenergie op zee, netbeheer van gasleidingen en de nazorg van de kolenwinning in Limburg. Hiervoor is geïnventariseerd welke stoffen in de lucht, grond- en oppervlaktewater, bodem en de (diepe) ondergrond kunnen terechtkomen. De inventarisatie signaleert ook twintig lacunes in kennis over de milieueffecten die deels van belang zijn voor de energietransitie. Om de klimaatdoelen van Parijs (2015) te realiseren wordt veel verwacht van geothermie, windturbines, ondergrondse opslag van CO2 en wordt de olie- en gaswinning afgebouwd. Van windturbines is nog onvoldoende bekend wat de effecten van alle geplande Nederlandse windparken op zee bij elkaar op het milieu zijn. Ook zijn de gevolgen van ondergrondse opslag van CO2 in lege gasvelden onder de Noordzee onvoldoende onderzocht. Bij geothermie, de ontmanteling van de olieplatforms op zee en de ondergrondse opslag van CO2 is het van belang het toezicht zodanig te organiseren dat de activiteiten geen onbedoelde schade aan milieu en gezondheid veroorzaken. De geconstateerde kennislacunes leveren input voor een meerjarig milieuprogramma om kennis en toezicht te ontwikkelen, waar het SodM momenteel aan werkt. Voor een aantal is nader onderzoek nodig, voor andere is al onderzoek in gang gezet. Dat onderzoek kan aanleiding zijn om de praktijk, de wet- en regelgeving of het beleid aan te passen.
  • Gebruik van diesel in zoutwinning in Nederland in relatie tot REACH

    de Kort, MJ; Bakker, J; Nederveen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-15)
    In Nederland wordt bij de zoutwinning op land gebruik gemaakt van diesel. Een dun laagje diesel dient als afdeklaag (oliedak) op de ondergrondse cavernes waaruit het zout wordt gewonnen, zodat ze niet instorten. In de registratiedossiers in het kader van de Europese stoffenwetgeving REACH staat echter niet vermeld dat diesel als oliedak kan worden gebruikt. Hierdoor is onvoldoende duidelijk in hoeverre het gebruik risico's oplevert en welke risicobeheersmaatregelen nodig zijn. Ook wordt niet voldaan aan de eisen vanuit REACH om voor elk geregistreerd gebruik een blootstellingsscenario beschikbaar te hebben. De leveranciers van diesel die in Nederland in de zoutwinning wordt gebruikt, ontraden het gebruik ervan voor andere doeleinden dan die zij geregistreerd hebben Dit wil overigens niet zeggen dat de zoutwinnende bedrijven geen maatregelen hebben getroffen om risico's voor mens en milieu tegen te gaan. RIVM beveelt het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) aan onderzoek te (laten) doen naar de risico's van het niet-vermelde gebruik van diesel bij de zoutwinning. Het SodM heeft een vergunning verleend aan de drie bedrijven die deze vorm van zoutwinning uitvoeren in Nederland. Daarin is opgenomen dat de vergunninghouders moeten voldoen aan hun verplichtingen vanuit REACH. Zo moet de fabrikant of importeur van een stof in het registratiedossier vermelden waarvoor de stof wordt gebruikt. Ook moet worden beoordeeld of de blootstelling van mens en milieu aan de stof veilig is, en worden aangegeven welke maatregelen nodig zijn voor een veilig gebruik. Als het gebruik niet bekend is bij de producent of importeur, moet de gebruiker zelf zo'n beoordeling van de chemische veiligheid opstellen en de bijbehorende maatregelen naleven. Een van de drie zoutwinnende bedrijven in Nederland heeft hiervan een melding ingediend bij de Europese autoriteit voor chemische stoffen ECHA (European Chemicals Agency). De andere twee bedrijven hebben dit niet gedaan.
  • Towards integrated climate resilient water and sanitation safety planning : Summary report of the pan European Symposium on Water and Sanitation Safety Planning and Extreme Weather Events, April 6-7, 2017, Bilthoven, Netherlands

    Friederichs, L; van den Berg, HHJL; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-14)
    Climate change induces exterme weather events which lead to droughts and floods. These climate change effects have an impact on the management of water and waste water systems and make their management more complicated. This has been one of the main finding of the symposium RIVM organized in April 2017 in relation to the Protocol on Water and Health (1999) (PoWH) of which the Netherlands is a signatory since 2007. The Ministry of Infrastructure and Water management (IenW) has taken the lead in one of the work areas of the PoWH in 2016; Safe and Efficient Management of Water Supply and Sanitation Systems of with climate change is an important aspect. In the capacity as WHO Collaborating Centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water, RIVM supports the Ministry and will continue to do so for the 2019-2021 programme of work. IenW and RIVM both link the work under the PoWH to achieving the UN Sustainable Development Goals for 2030, and the goals related to health (SDG 3), water (SDG 6) and climate change (SDG 13) specifically. Recurring themes of the symposium have been Water and Sanitation Safety Plans, which have been developed by the WHO to assess and address the hazards (microbiological, chemical, physical) and risks for drinking water production and waste water systems, including the risk of climate change. The geographical focus of the symposium has been on case examples from the pan-European region, in line with the regional character of the PoWH which is administered by the joint UNECE and WHO Regional Office for Europe secretariat.
  • Creating safe and sustainable material loops in a circular economy : Proposal for a tiered modular framework to assess options for material recycling

    Quik, JTK; Lijzen, JPA; Spijker, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-12)
    RIVM has laid the foundations of a framework to assess whether raw materials from waste can be used safely and sustainably. In this integral approach, the risk assessment of a substance is compared with the benefits of its reuse for the environment, e.g. how much CO2 emissions are reduced. By making both explicit, it becomes clear what is needed to adequately limit the risks to man and the environment and what that effort will contribute towards sustainable development. On the basis of this information, both industry and policy makers can make an assessment of the use of recovered raw materials. Other values, such as economic costs and social acceptance, have not yet been taken into account. The framework integrates legally established rules, existing risk limits and new methods into one coherent, tiered system. In this way, it supports the Dutch government's basic principle of dealing efficiently with raw materials and reducing the burden on the environment. Safety for man and the environment is a precondition for the transition to the circular economy; an economy which maximizes the reuse of materials from waste streams wherever possible. Material that is recycled may present risks to the environment if it contains substances of very high concern (ZZS), drug residues, pesticides or pathogens. Legislation and policy frameworks protect against some of the risks but are not comprehensive enough to prevent the risks currently presented by recycled material. For example, while the regulations prohibit the use of substances in new products, such as fire retardants, there is no legislation available for products which were made before the prohibition was enforced. In addition, regulations may be missing, such as those for controlling drug residues. The framework has been tested with three cases: recovering phosphate from waste water, recycling polystyrene foam and using rubber granulate from old car tires. RIVM would like to discuss the practical application of the framework, and its further development, with the government and industry. By expanding the framework with other safety and sustainability themes, it will become more widely applicable.
  • 4th EURL-Salmonella interlaboratory comparison study Animal Feed 2018 : Detection of Salmonella in chicken feed

    Kuijpers, AFA; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-02-06)
    In February 2018, the EURL-Salmonella organised the 4th interlaboratory comparison study on detection of Salmonella in animal feed samples. Due to problems with the chicken feed samples, it was not possible to evaluate the NRLs' performance in this study. Participation is obligatory for the National Reference Laboratories (NRLs) responsible for analysis of Salmonella in animal feed samples in the 28 EU Member States. In total, 35 NRLs participated in this study. The EURL-Salmonella is part of the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). The laboratories used an internationally accepted method to detect the presence of Salmonella in chicken feed samples. Each laboratory received a package with chicken feed samples contaminated with two different concentrations of Salmonella Mbandaka or no Salmonella. As in earlier studies, the chicken feed samples were artificially contaminated with a diluted culture of Salmonella at the EURL-Salmonella laboratory. The number of positive samples found in this interlaboratory comparison study was unexpectedly low. The most probable cause was the presence of unknown inhibitory substances present in the batch of chicken feed affecting the growth of Salmonella.
  • Apps under the medical devices legislation

    van Drongelen, A; de Bruijn, A; Roszek, B; Vonk, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-02-01)
    Increasing numbers of people are using digital tools (including apps) to check their health or lifestyle, or for assistance with a disease. There is a wide range of such tools on offer, ranging from tips for stopping smoking or a tool for measuring heart rate, to help with mental health problems. The majority of health and lifestyle apps are free of charge. The Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport would like to know what products are available and whether these products are placed on the market according to the applicable legislation for medical devices. RIVM has therefore carried out an exploratory study to see what is on offer in the Netherlands, investigated whether the apps qualify as medical devices and if so, whether they have the CE mark. This mark shows whether a product has been placed on the market as a medical device. A medical device is a tool, device or equipment (including software) that a manufacturer has developed in order to make a diagnosis or to prevent or treat diseases or problems. Whether a product is a medical device is based on rules. The manufacturer is in the first instance responsible for the quality and safety of the medical devices, the Health and Youth Care Inspectorate (IGJ) handles the market surveillance. Based on limited available information, 21 per cent of the 271 apps examined turned out to be a medical device. The requisite CE mark was not identified on over half of those. Despite the rules, there is still room for interpretation when establishing whether an app is a medical device. The new legislation for medical devices, which will become mandatory in 2020, has consequences for the risk classification of health apps. Software, and therefore also apps, will be classified in risk classes based on other rules. Many of the apps that are considered medical devices will be classified in higher risk classes under the new regulations. A more stringent market authorization procedure will then apply and additional approval by an external party (known as a 'notified body') will be required. Manufacturers may continue to carry out the market authorization procedure themselves for apps that are low risk.
  • Nadelige gezondheidseffecten en ziekten veroorzaakt door chroom-6 : Indeling in categorieën van causaliteit in relatie tot chroom-6-blootstelling

    Hessel, EVS; Staal, YCM; Piersma, AH; Ezendam, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
    Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
  • Achtergrondinformatie over chroom-6: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam

    Heringa, MB; Janssen, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
    Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)"
  • Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM. Gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden : Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen

    Unknown author (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
    Tussen 2004 en 2012 hebben ongeveer achthonderd mensen die op dat moment geen werk hadden, deelgenomen aan het re-integratieproject tROM van de gemeente Tilburg. Zij waren wettelijk verplicht op deze manier werkervaring op te doen om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. De deelnemers aan het tROM-project voerden restauratiewerkzaamheden uit aan museumtreinen in een werkplaats van NedTrain in Tilburg. Daar werden oude verflagen van de treinen verwijderd. In 2015 kwamen er signalen dat er in de verflagen chroom-6 had gezeten, een schadelijke stof. Op verzoek van de gemeente Tilburg heeft het RIVM vervolgens onderzoek gedaan naar deze problematiek. De resultaten staan in dit rapport. Het beschrijft de arbeidsomstandigheden, de blootstelling aan chroom-6 en de gezondheidsrisico's voor deelnemers, begeleiders en andere betrokkenen bij het tROM-project. Blootstelling aan chroom-6 en mogelijke gezondheidsrisico's Uit het onderzoek blijkt inderdaad dat de oude verflagen van de museumtreinen chroom-6 bevatten. Deelnemers aan het tROM-project en hun trajectbegeleiders van de gemeente Tilburg zijn op de tROM-locatie via het schuurstof blootgesteld aan chroom-6. Ook mensen die níet aan de treinen werkten maar wel in dezelfde hal aanwezig waren, kunnen, zij het in mindere mate, zijn blootgesteld aan chroom-6. De blootstelling is ontstaan doordat de beschermende maatregelen op de werkvloer niet consequent zijn uitgevoerd hoewel zij formeel van kracht waren. Ook de persoonlijke beschermingsmiddelen schoten tekort. Ze werden wel uitgereikt, maar waren vaak van inferieure kwaliteit of in onvoldoende mate aanwezig. De blootstelling aan chroom-6 kan bij de betrokkenen schadelijke gezondheidseffecten hebben gehad. Het risico op gezondheidseffecten is afhankelijk van de aard, de intensiteit, de frequentie en de duur van de blootstelling. Daarover is voor het tROM-project geen gedetailleerde informatie beschikbaar. Het is daardoor niet mogelijk om voor de aanwezigen op de tROMwerkplaats precies te bepalen hoe groot de kans op gezondheidseffecten is geweest. Daardoor is ook niet te zeggen of en hoeveel mensen er daadwerkelijk ziek zijn geworden (of eventueel nog kunnen worden) door blootstelling aan chroom-6 op de tROM-locatie. Verschillende deelnemers aan het tROM-project en betrokken (oud-)medewerkers van de gemeente Tilburg hebben gezondheidsklachten. Ziekten die door chroom-6 kunnen worden veroorzaakt, kunnen echter ook ándere oorzaken hebben. Het is dus onbekend hoeveel van de gezondheidsklachten van tROM-betrokkenen zijn toe te schrijven aan chroom-6. Verantwoordelijkheden van de gemeente Tilburg en andere partijen De gemeente Tilburg was verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden op de tROM-werkplaats. In de praktijk werd deze verantwoordelijkheid neergelegd bij het management van het tROM-project. Bij dit management was tijdens het tROM-project niets bekend over de mogelijke aanwezigheid van chroom-6 op de treinen. Ook de deelnemers aan het tROM-project, hun trajectbegeleiders en andere betrokkenen vanuit de gemeente Tilburg hadden hiervan geen weet. Anders lag dit bij NS/NedTrain, dat formeel bij het tROM-project was betrokken en ondersteuning, begeleiding en materialen leverde. NS/NedTrain was er bij de start van het tROM-project in 2004 van op de hoogte dat de NS tot begin jaren negentig verf voor zijn treinen had gebruikt waarin het schadelijke chroom-6 zat. In een Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) die een extern bureau in 2005 voor het tROM-project heeft opgesteld, is de aanwezigheid van schuurstof in de werkplaats aangemerkt als een verbeterpunt. Dat er chroom-6 in het stof zou kunnen zitten, werd daarbij echter niet als risicofactor onderkend. Na de RI&E zijn beschermingsmaatregelen ingevoerd, maar deze waren niet voldoende om de blootstelling aan stof bij het schuren adequaat te verminderen. Van een systematisch arbozorgsysteem was binnen het tROM-project geen sprake. De voorlichting en instructie aan tROM-deelnemers over de omgang met gevaarlijke stoffen was onvoldoende. Er was ook geen arbeidsgezondheidskundige begeleiding van de deelnemers en er werd geen lichamelijk medisch onderzoek aangeboden. De meeste tROM-deelnemers zijn niet op vrijwillige basis ingeschakeld bij de werkzaamheden aan de treinen. Ook de vrijheid om te kiezen welke werkzaamheden zij zouden verrichten, was gering. Uit de wet- en regelgeving blijkt dat mensen die zijn blootgesteld aan chroom-6 op de tROM-locatie én gezondheidsschade hebben geleden die in voldoende mate kan worden toegeschreven aan chroom-6, in aanmerking komen voor een schadevergoeding. De gemeente Tilburg, NedTrain en mogelijk anderen, waaronder uitleners van arbeidskrachten, kunnen aansprakelijk worden gesteld.
  • Een onderzoek naar regelgeving, arbeidsomstandigheden, informatievoorziening en bejegening bij het tROM-project in Tilburg : Onderzoek in het kader van het chroom-6 onderzoek Tilburg

    van Poll, R; Timmermans, T; van der Laan, G; Witters, K; Schulpen, S; Harmen, J; Fernhout, F; van Engelen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
    Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)".
  • Risicobeoordeling van blootstelling aan chroom-6 binnen het re-integratieproject tROM

    ter Burg, W; Parlmen, NGM; Geraets, L; Bos, PMJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-31)
    Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van tien rapporten over het onderzoek naar chroom-6 bij tROM Tilburg. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de tien rapporten is te vinden op de website van het RIVM: 'Chroom-6 bij het re-integratieproject tROM: gezondheidsrisico's en verantwoordelijkheden - Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen (RIVM Rapport 2018-0164)'.
  • Transcatheter aortic heart valves in Europe . A market surveillance study

    Roszek, B; Lamme, EK; van Drongelen, AW; Oostlander, A; Geertsma, RE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
    Malfunctioning heart valves can be replaced by a prosthesis. In recent years, new techniques have been developed with less impact on patients, for example the use of a catheter to insert the prosthesis. The first of these 'transcatheter aortic valve implantation devices' (TAVI) became available in Europe in 2007. Since that time, more than 300,000 TAVIs have been implanted, and new generations of the devices have been developed. As part of their market surveillance tasks, the Health and Youth Care Inspectorate (IGJ) commissioned RIVM to assess the technical documentation of five TAVI devices. None of the files contained items that were assessed as 'insufficient', and one file contained only 'good' or 'almost good' items. The other four files contained one to two items assessed as 'moderate'. In the file items "clinical evaluation" and "post-market surveillance data" some shortcomings were found with the implication that product safety and the safe use of the devices are insufficiently guaranteed with regard to these issues. Shortcomings in the file do not necessarily mean that the device is of insufficient quality. By maintaining complete and accurate files, manufacturers underpin the safety of their products for patients. Manufacturers are required to investigate carefully any shortcomings in their files, and to resolve these in order to comply with the regulations. Manufacturers have indicated that they are currently working to improve their files in order to comply with the new regulations on medical devices published in 2017.
  • Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen

    de Wit, GA; van Gils, PF; Over, EAB; Suijkerbuijk, AWM; Lokkerbol, J; Smit, F; Spit, WJ; Evers, SMAA; de Kinderen, RJA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
    Als alle kosten en baten van alcohol worden opgeteld, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 4,2 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. De baten van alcoholgebruik zijn bijvoorbeeld de accijnsinkomsten voor de overheid. Als we ook private kosten meenemen in de berekening, zoals de kosten van voortijdige sterfte en verlies aan kwaliteit van leven, dan waren de kosten in 2013 4,2 tot 6,1 miljard euro. In deze kostenschattingen is het welzijn dat mensen bij het drinken van alcohol kunnen ervaren niet meegenomen, omdat het moeilijk is om dit in maat en getal uit te drukken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en drie andere organisaties. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen. Ook wordt de arbeidsproductiviteit hoger, zijn er minder verkeersongevallen en is minder inzet van politie en justitie nodig. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 4,5 en 10,7 miljard euro op. Bij een accijnsverhoging van 200 procent is dat 12,2 tot 35,8 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 1,8 tot 4,3 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 4,6 tot 10,7 miljard euro als 25 procent van de verkooppunten sluit. Een mediaban levert de samenleving circa 3,5 tot 7,8 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit is een herziene versie van een onderzoek uit 2016. Nieuwe inzichten en nieuwe cijfers waren de aanleiding voor deze herziening. Voor beide rapporten is een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uitgevoerd waarbij de drie genoemde beleidsmaatregelen zijn doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
  • Long-term complications of transvaginal mesh implants. A literature review

    de Vries, C; Roszek, B; Oostlander, A; van Baal, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
    Since 2002 synthetic mesh implants are used to treat patients with pelvic organ prolapse. Because of serious complaints, measures were taken in the Netherlands in 2011-2012. Since then mesh products are only implanted if alternative treatments such as physiotherapy, a vaginal ring and an operation using the body's own tissue were not effective to treat pelvic organ prolapse. In addition, mesh implantation may only take place in a limited number of specialized centers by well-trained recognized specialists. This is because mesh implantation requires experience and precision. International scientific literature was examined by National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) to determine complications that can occur one year or longer after mesh implantation. Complications that were observed in literature were: pain, mesh exposure and erosion, incontinence and pain during intercourse. In addition, a prolapse can recur, for example in another area then where the mesh was implanted. The complication rates varied widely in the literature. Additionally, data on the duration and severity of a complication was limited. This variation and the limited data can partially be attributed to the lack of an unambiguous, international inventory of complications. There is a lot of attention for mesh implants in the international media. Complaints reported to the Dutch Health and Youth Care Inspectorate between 2009 and 2012 demonstrated the occurrence of serious complications. For these reasons, RIVM is calling for a standardized guideline with universal definitions to facilitate the reporting of the complications of mesh implants for pelvic organ prolapse. In the meantime, newly developed mesh implants entered the market, that are expected to have less complications. In this literature study, identified complications were primarily associated with products that are no longer available on the Dutch market.
  • The combined EURL-Salmonella interlaboratory comparison study for Food and Primary production (2017) . Detection of Salmonella in hygiene swabs

    Pol-Hofstad, IE; Mooijman, KA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-18)
    In October 2017, a combined EURL-Salmonella interlaboratory comparison study on the detection of Salmonella in food samples and animal primary production stage was organised. In this study, hygiene swabs were chosen to be the matrix. All the laboratories involved were able to detect Salmonella in all the contaminated hygiene swab samples; they were all successful in analysing both the blank control sample and the positive control sample correctly. One laboratory made a mistake reporting the positive control negative for Salmonella and was, therefore, scored as having a 'moderate performance'. Blank hygiene swab samples, not contaminated with Salmonella, were correctly analysed as negative by almost all the laboratories. One laboratory found Salmonella present in two of the six blank samples and this was scored as a 'poor performance'. In a follow-up study this laboratory obtained good results for all samples. Participation was obligatory for all EU Member State National Reference Laboratories (NRLs) responsible for the detection of Salmonella in food samples, and voluntary for NRLs responsible for the detection of Salmonella in primary production stage samples. These latter laboratories had already participated in the compulsory EURL study for the detection of Salmonella in primary production samples which was organised in March 2017. A total of 56 NRLs participated in this study: 33 NRLs for Salmonella in Food matrices and 23 NRLs for Salmonella in Primary Production Stage matrices (PPS). The participants came from all 28 EU Member States (MS), four of the NRLs were based in third European countries and one was based in a non-European country. The EURL-Salmonella is situated at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). An important task of the EURL-Salmonella is to monitor and to improve the performance of the National Reference Laboratories in Europe.

View more