• Onderzoek zoönosen in de vleesveehouderij in 2017

      Cuperus, T; Opsteegh, M; Wit, B; Dierikx, C; Hengeveld, P; Dam, C; Uiterwijk, M; Roelfsema, J; van Hoek, A; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-30)
      Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken heten ook wel zoönosen. In 2017 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak enkele van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij runderen die gefokt worden voor hun vlees. Hiervoor zijn runderen op 196 bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 129 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij de deelnemers voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een groep antibiotica. Bij de onderzochte runderen komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Het vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op het vlees komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen rundvlees te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Vooral de bacterie Campylobacter kwam veel voor bij de runderen: op 86 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam deze bacterie bij 2 procent van de deelnemers voor. STEC en ESBL-producerende bacteriën kwamen minder vaak voor bij de runderen; namelijk op 25 procent (STEC) en 15 procent (ESBL) van de bedrijven. Eén van de deelnemers droeg de STEC-bacterie bij zich. ESBL-producerende bacteriën zijn bij 7 procent van de deelnemers gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij de Nederlandse bevolking. Op 4 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de runderen. Meestal waren dit typen salmonellabacteriën die bij mensen diarree kunnen veroorzaken. Salmonella is niet gevonden bij de veehouders en gezinsleden die meededen.
    • Risicogrenzen bodem voor het gebruik van PFAS-houdende grond en bagger voor akkerbouw en veeteelt

      Wintersen, AM; Römkens, PFAM; Rietstra, RPJJ; Zeilmaker, MJ; Bokkers, BGH; Swartjes, FA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-15)
      PFOS en PFOA zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen behoren tot de groep poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en zijn door mensen gemaakt. Deze stoffen zijn in veel producten toegepast. Daardoor, en door fabrieksemissies en incidenten, zijn PFAS in het milieu terechtgekomen en zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het oppervlaktewater. Bagger komt vrij als watergangen worden onderhouden om bijvoorbeeld de bevaarbaarheid en de waterafvoer zeker te stellen. Deze bagger wordt vaak op het aangrenzend perceel gelegd. Op deze manier kunnen PFAS op agrarisch land terecht komen. Het RIVM heeft de risicogrenzen bepaald voor PFAS in grond voor de landbouwvormen akkerbouw en veeteelt. Dit is gedaan omdat er (nog) geen landelijke normen bestaan voor PFAS in grond en bagger voor deze bodemfuncties. Een aantal decentrale overheden, waaronder de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer, hebben daarom zelf lokale normen voor grond vastgesteld. Hiervoor zijn risicogrenzen gebruikt die het RIVM eerder heeft bepaald voor niet-agrarische bodemfuncties. In opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland is onderzocht of deze risicogrenzen ook veilig genoeg zijn voor akkerbouw en veeteelt. Op basis van wat nu bekend is liggen concentraties PFAS in bagger meestal onder de risicogrenzen voor grond als deze op akkerbouwland wordt gebruikt. De risicogrenzen voor veeteelt zijn strenger dan die voor akkerbouw. De verwachting is dat de bagger op de meeste plaatsen ook zal voldoen aan de risicogrenzen voor veeteelt.
    • Kennisoverzicht vraagstukken diffuus lood in de bodem

      Brand, E; Touchant, K; van Holderbeke, M; Zeilmaker, MJ; van Keer, I; Geerts, L; Bierkens, J; Schouten, AJ; van Gestel, G; van Otte, PF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Recent gepubliceerd onderzoek bevestigt dat lood in de bodem ook bij lage blootstelling een risico kan zijn voor de gezondheid van jonge kinderen (lagere IQ). Bovendien blijkt dat bij hogere blootstellingsniveaus aan lood dit ook bij volwassenen gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Voorbeelden zijn nierfalen en hart- en vaatziekten. Het is daarom belangrijk om met maatregelen de blootstelling te verkleinen op plekken waar lood in de bodem zit. De wetenschappelijke literatuur bevestigt de uitgangspunten waarop het Nederlandse en Vlaamse bodembeleid voor lood is gebaseerd. Waar het niet mogelijk is om de bodem schoon te maken of af te graven, krijgen mensen adviezen over hoe zij de blootstelling kunnen verminderen. Bijvoorbeeld over hoe ze hun huis kunnen schoonmaken (vaker en met een dweil in plaats van statische doekjes). Aanbevolen wordt om verder te onderzoeken welke maatregelen hiervoor effectief zijn. Zo kan het toevoegen van compost aan de grond ervoor zorgen dat het lood aan de bodemdeeltjes 'vastzit' waardoor voorkomen wordt dat het lood in planten of het menselijk lichaam wordt opgenomen. Dit gebeurt echter alleen onder bepaalde omstandigheden, waardoor de effectiviteit per locatie verschilt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM en de Vlaamse onderzoeksorganisatie VITO naar de kennis over gezondheidsrisico's van diffuus lood in de bodem. De studie is uitgevoerd om de kennis up to date te houden en adequaat te kunnen adviseren over deze bodemverontreinigingen. Bij diffuus bodemlood gaat het om grotere gebieden met concentraties lood die door de jaren heen zijn ontstaan door menselijk handelen, bijvoorbeeld door industriële activiteiten of door land op te hogen met afvalstoffen. Door de grote hoeveelheid verontreinigingen en de kosten is het niet mogelijk om al deze vervuilde grond af te graven. Nederland en Vlaanderen zoeken daarom naar praktische en haalbare oplossingen.
    • Mineral Oils in food; a review of occurrence and sources

      Buijtenhuijs, D; van de Ven, BM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Minerale oliën kunnen in voedsel zitten doordat ze eraan zijn toegevoegd, of er als verontreiniging in zijn terechtgekomen. Door maatregelen en handhaving zijn de hoeveelheden in voedsel de laatste decennia afgenomen. Op basis van de gehaltes die tot nu toe bekend zijn, verwacht het RIVM in Nederland geen schadelijke gezondheidseffecten. Dit blijkt uit een evaluatie van beschikbare kennis over minerale oliën in voedsel en bronnen van waaruit minerale oliën in voedsel terecht kunnen komen. Minerale oliën worden in verschillende stappen van de productie, bereiding, distributie en opslag van voedsel gebruikt. Bijvoorbeeld als gewasbeschermingsmiddel, als smeerolie voor voedselverwerkende machines, als voedseladditief, of als toevoeging in plastic verpakkingsmateriaal. Per toepassing is de samenstelling van minerale oliën anders. Minerale oliën bestaan uit twee groepen stoffen: verzadigde koolwaterstoffen (MOSH) en aromatische koolwaterstoffen (MOAH). De mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van deze groepen verschillen. MOSH en MOAH in voedsel zijn voornamelijk afkomstig van gezuiverde oliën. MOAH uit onvoldoende gezuiverde oliën kunnen al bij een lage blootstelling kankerverwekkend zijn. Daarom mogen deze oliën in de voedselketen niet worden gebruikt. Zo mogen bijvoorbeeld cacao, rijst en noten niet worden geïmporteerd als deze in juten zakken zijn verpakt die met ongezuiverde oliën zijn behandeld. Ondanks de algemene daling van minerale oliën in voedsel, worden er soms nog hoge gehaltes gemeten. Om te achterhalen waar ze vandaan komen en welke levensmiddelen een belangrijk aandeel leveren in de blootstelling, heeft de Europese Commissie in 2017 lidstaten opgeroepen gehalten van minerale oliën in voedselproducten te meten. In Nederland wordt dit uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op basis van de verzamelde meetgegevens, en wat de belangrijkste bronnen lijken te zijn van waaruit de minerale oliën in de producten terechtkomen, kan worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn.
    • Vijftien jaar incidentanalyse : Oorzaken, gevolgen en andere kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen in de periode 2004-2018

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een installatie met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2018

      Pijnacker, R; Friesema, IHM; Mughini Gras, L; Lagerweij, GR; van Pelt, W; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden en overlijden door maag-darminfecties die zij via voedsel oplopen. Virussen, bacteriën of parasieten kunnen hier de oorzaak van zijn. Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year). Dit is een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of vroegtijdig overlijden. De onderzochte 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (in totaal ongeveer 40 procent). Dat kan namelijk ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), via dieren, en van mens op mens. Het verschilt per ziekteverwekker via welke van deze routes de meeste mensen ziek worden. Sommige ziekteverwekkers verspreiden zich vooral via voeding, zoals Salmonella. Voor andere ziekteverwekkers zijn andere routes belangrijker. Het rotavirus bijvoorbeeld wordt vooral van mens op mens overgedragen. Het totaal aantal DALY's als gevolg van deze 14 ziekteverwekker is in 2018 hetzelfde als in 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2018 geschat op 4.300 DALY's, en is daarmee bijna hetzelfde als in 2017 (4.200). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 426 miljoen euro, en zijn daarmee hoger dan in 2017 (397 miljoen). Deze cost of illness zijn de directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten als gevolg van besmet voedsel zijn ook iets hoger: 171 miljoen euro in 2018 ten opzichte van 163 miljoen euro in 2017. De verschillen in DALY's en kosten zijn vooral een gevolg van schommelingen in het aantal infecties van de onderzochte ziekteverwekkers.
    • Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote bedrijven 2018

      Manuel, HJ; Kooi, ES; Mud, M; Wolting, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM Samenvatting Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote chemische bedrijven in Nederland. In de analyse van 2018 waren dat er veertien. Bij twaalf incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, bij drie hiervan was er ook brand. Eén keer was er een explosie, gevolgd door een brand. In totaal raakten negen mensen gewond. Bij acht van hen was het letsel vermoedelijk tijdelijk. Eén persoon liep blijvend letsel door brandwonden op. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat productieprocessen en werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt of waren chemische processen niet goed onder controle. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bedrijven hadden de noodmaatregelen die zij achter de hand moeten hebben, vaak niet of niet goed ingevoerd. Een voorbeeld van zo'n maatregel is voorkomen dat een installatie in brand raakt via ontvlambare materialen in de omgeving. Zes incidenten hadden met een noodmaatregel kunnen worden voorkomen. Bij twee incidenten was de vaardigheid van het personeel om het werk veilig uit te voeren, niet op orde. Ook is aandacht nodig voor persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat daar bij vijf incidenten iets mee misging. Wanneer gevaarlijke stoffen vrijkomen, is het mogelijk om de schadelijke effecten te beperken. Bij acht incidenten is voorkomen dat de stoffen zich naar de omgeving verspreidden. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
    • Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Uitbreiding op RIVM Rapporten 2017-0063 en 2018-0075

      Roobol, LP; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden.
    • Actualisatie giftige voorbeeldstoffen transport gevaarlijke stoffen

      van de Ven, MF; Stam, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-03)
      Per 1 april 2015 is in Nederland een wet in werking getreden om gevaarlijke stoffen veilig te vervoeren. Dit zogeheten Basisnet is bedoeld om een evenwicht te creëren tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid voor de omgeving. De veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt berekend en in risico's uitgedrukt. Hiervoor zijn de stoffen in enkele categorieën samengevoegd en wordt per categorie één voorbeeldstof gebruikt voor de risicoanalyse. De huidige voorbeeldstoffen zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw bepaald. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de giftige voorbeeldstoffen nu niet meer representatief zijn. Ze worden niet of zelden vervoerd, of er zijn nieuwe inzichten over de giftigheid ervan. Ze zijn daarom ook moeilijk te verantwoorden aan de omgeving wanneer de werkwijze wordt uitgelegd. Het RIVM heeft verschillende mogelijkheden voor actualisatie uitgewerkt en beveelt nieuwe voorbeeldstoffen aan. Daarbij is rekening gehouden met nieuwe inzichten over de giftigheid van stoffen en hoeveel ze vervoerd worden. Bij de berekening van de risico's wordt een onderscheid gemaakt tussen gassen en vloeistoffen. Voor giftige gassen zijn de berekende risico's met de nieuwe voorbeeldstoffen lager. Voor twee stofcategorieën van giftige vloeistoffen zijn de berekende risico's lager en voor twee andere categorieën hoger. Bij de vloeistoffen met een hoger risico gaat het om klein aantal stoffen die in kleine hoeveelheden worden vervoerd. Hierdoor neemt het totale berekende risico van alle stoffen samen naar verwachting niet toe. Dit onderzoek is gebaseerd op het totaal aan stoffen dat in Nederland wordt vervoerd. Om de gevolgen voor de berekende risico's voor afzonderlijke trajecten te bepalen is gedetailleerder onderzoek nodig. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM analyseerde voor dit onderzoek recente transportaantallen van giftige stoffen, gegevens over de giftige effecten en voerde risicoberekeningen uit.
    • Staat van infectieziekten in Nederland, 2018

      de Gier, B; Schimmer, B; Mooij, SH; Raven, CFH; Leenstra, T; Hahné, SJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-02)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-07-2019 op pagina 42 en d.d. 10-09-2019 op pagina 43. De afgelopen jaren neemt het aantal mensen dat ziek is geworden van de meningokokken type W-bacterie toe. Deze stijging zette in 2018 door (103 patiënten in 2018, 80 in 2017). Vaccinatie tegen dit type meningokok is daarom sinds mei 2018 toegevoegd aan de vaccinatie voor kinderen van 14 maanden. Daarnaast wordt deze meningokokken ACWY-vaccinatie in 2019 aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren. Een deel van de jongeren uit 2004, is hier al in 2018 voor uitgenodigd. Het griepseizoen 2018-2019 verliep, met naar schatting 400.000 zieken, aanzienlijk milder dan de hevige epidemie van 2017-2018 (900.000 zieken). In juli en augustus 2018 zijn opvallend veel meldingen gedaan van kraamvrouwenkoorts door groep A streptokokken (27 patiënten). In die periode zagen huisartsen ook veel mensen met krentenbaard. Na onderzoek van het RIVM bleek dat de vrouwen die kraamvrouwenkoorts kregen relatief vaak in contact waren geweest met mensen met roodvonk, krentenbaard of keelontsteking; drie ziekten die de groep A streptokok kan veroorzaken. De infectieziekten waaraan in de afgelopen vijf jaar de meeste 'gezonde levensjaren' in Nederland verloren gingen, zijn griep, pneumokokkenziekte, en infecties met legionella, hiv en campylobacter. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten van het RIVM. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD-en een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en het buitenland. Het verdiepende thema gaat dit jaar over muggen en de ziekten die deze insecten kunnen overbrengen. In de media worden vaak muggensoorten, risico's en de factoren die hierop van invloed zijn, verward. Dit kan onnodige bezorgdheid veroorzaken. Daarom is een overzicht gemaakt van welke muggensoort welke ziekten kan overbrengen, en onder welke omstandigheden. Deze kennis is belangrijk om te kunnen bepalen of er een risico is voor de Nederlandse volksgezondheid. Het is nog onduidelijk wat de invloed van klimaatverandering (temperatuurstijging, meer regen en aanhoudende droogte) is op de risico's van mugoverdraagbare ziekten.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2017

      Lukács, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste regio gemiddelde nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zand regio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (LNV).
    • PAS Monitoringsrapportage stikstof 2018

      Marra, W; van Pul, A; Wichink Kruit, R; Lagerwerf, L; Berkhout, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-01)
      Het RIVM rapporteert over de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan in Nederlandse Natura 2000-gebieden. Dit is onderdeel van de monitoring van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De doelen van het PAS zijn: minder stikstof, sterkere natuur en economische ontwikkeling. De uitstoot van stikstof is de basis om te berekenen hoeveel ervan neerslaat op de bodem en de planten (stikstofdepositie). Uit deze monitoringsrapportage blijkt dat van 2014 tot en met 2017 de jaarlijkse uitstoot van stikstofoxiden met 13 kiloton is gedaald (4 procent). Stikstofoxide is de vorm van stikstof die vooral van verkeer en industrie afkomt. De jaarlijkse uitstoot van ammoniak, waarvan landbouw de belangrijkste bron is, is met 4 kiloton gestegen (3 procent). Het RIVM maakt voor het PAS ook prognoses van de hoeveelheid stikstof die in 2020 en 2030 op de bodem van Natura 2000-gebieden neerslaat. In de huidige prognose daalt de depositie. Hierbij is ervan uitgegaan dat de uitstoot van stikstofoxiden stijgt, en van ammoniak daalt. Als de ontwikkelingen in de gerapporteerde uitstoot tot 2017 echter doorzetten, is de hoeveelheid stikstofoxiden in de prognoses te hoog ingeschat en die van ammoniak te laag. Vanwege deze ontwikkelingen is het onzeker of de verwachte depositiedaling overal gaat worden gehaald. De afgelopen jaren is een verschil te zien tussen de uitstoot en de gemeten concentratie van ammoniak in de lucht. Dit komt grotendeels doordat er minder vervuilende stoffen in de lucht zitten. Ammoniak verbindt zich daardoor minder met deze stoffen en blijft langer in de lucht achter. Door dit inzicht is het verschil beter te begrijpen, maar het is geen reden om depositiecijfers aan te passen. Verder wordt de feitelijke uitstoot uit de landbouw nader onderzocht. Dit kan nauwkeurigere gegevens over de uitstoot en prognoses opleveren. Het aantal nieuwe aanvragen voor economische activiteiten die binnen het PAS kunnen plaatsvinden, neemt af. Dat komt doordat op diverse plekken de beschikbare ruimte voor economische ontwikkeling al is benut. Deze rapportage is opgesteld voordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak heeft gedaan over het PAS.
    • Metingen en berekeningen van ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol

      Voogt, M; Zandveld, P; Wesseling, J; Janssen, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Het RIVM heeft het rekenmodel verbeterd waarmee de jaargemiddelde concentratie ultrafijn stof van vliegverkeer rond Schiphol wordt bepaald. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De nieuwe berekeningen zijn vergeleken met metingen gedurende een half jaar op tien locaties rond Schiphol. Het is voor het eerst dat dit in Nederland op deze schaal is gedaan. Het rekenmodel is op twee punten aangepast. Taxiënde vliegtuigen zijn als bron toegevoegd. Daarnaast zijn extra gegevens over de uitstoot van ultrafijn stof van vliegverkeer uit de wetenschappelijke literatuur gebruikt. Vervolgens zijn de rekenresultaten afgestemd op de meetwaarden. Het aangepaste rekenmodel blijkt op deze manier goed in staat te zijn om gemiddelde concentraties over een langere tijd te bepalen. Locaties met lagere en hogere concentraties worden goed van elkaar onderscheiden. Daarmee zijn we erin geslaagd om het rekenmodel geschikt te maken voor onderzoek naar effecten op de gezondheid als mensen langdurig aan ultrafijn stof van vliegverkeer van Schiphol blootstaan. Volgens de berekeningen is de jaargemiddelde blootstelling van omwonenden aan ultrafijn stof van vliegverkeer op Schiphol in 2017 en 2018 het hoogst op woonlocaties vlak bij de luchthaven en neemt deze af naarmate ze verder weg wonen. Wel zijn er van jaar tot jaar kleine verschillen die onder andere veroorzaakt worden door variatie in weersomstandigheden en baangebruik. Een volgend onderdeel van het onderzoeksprogramma is onderzoek naar de gezondheidseffecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. Hiervoor is informatie nodig over de mate waarin mensen die in de omgeving van Schiphol wonen aan ultrafijn stof worden blootgesteld. Om de blootstelling te kunnen bepalen, is inzicht in de concentratie ultrafijn stof in de lucht nodig. Het rekenmodel maakt het mogelijk om die informatie te verkrijgen. Metingen kennen beperkingen: het is onmogelijk om op alle locaties waar mensen wonen de concentratie van ultrafijn stof te meten. Ook zijn de metingen erg afhankelijk van de weersomstandigheden en het baangebruik. Het rekenmodel vertaalt metingen naar alle overige locaties en andere (langere) perioden.
    • NethMap 2019: Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands / MARAN 2019: Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2018

      de Greeff, SC; Mouton, JW; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Wereldwijd neemt het aantal bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica toe. In Nederland blijft dat aantal over het algemeen stabiel en is het minder hoog dan in veel andere landen. Toch blijft er reden voor zorg en alertheid. Bij sommige bacteriesoorten neemt de resistentie tegen sommige antibiotica wel langzaam toe. Vooral bij Klebsiella pneumoniae, een veel voorkomende darmbacterie, werken de laatste 5 jaar meerdere antibiotica steeds vaker minder goed. Deze bacteriën kunnen onschuldige infecties zoals een blaasontsteking veroorzaken en zijn door de resistentie moeilijker te behandelen. Ook moeten dan vaker soorten antibiotica worden gebruikt die alleen als laatste redmiddel worden gebruikt. Om resistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven in het afgelopen jaar even veel antibioticakuren voor als de jaren daarvoor. In ziekenhuizen blijft het totale antibioticagebruik wel stijgen. Voor dieren is in 2018 is ongeveer evenveel antibiotica voorgeschreven als in 2017. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is het gebruik met ruim 63 procent verminderd. Voor dieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die belangrijk zijn om infecties bij de mens te behandelen. Het aantal resistente bacteriën bij dieren is ongeveer gelijk gebleven. Wel is het aantal ESBL-producerende darmbacteriën verder afgenomen bij bijna alle diersoorten die voor de voedselproductie worden gebruikt. Alleen bij vleeskalveren blijft het aantal stijgen. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2019. Hierin presenteren diverse organisaties gezamenlijk de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, zowel voor mensen als voor dieren. In Nederland zijn de afgelopen jaren extra maatregelen genomen om antibioticaresistentie te bestrijden. Deze maatregelen reiken verder dan de gezondheidszorg omdat resistente bacteriën ook bij dieren, in voeding en in het milieu voorkomen (One Health). Onder andere zijn 'regionale zorgnetwerken' opgezet om de samenwerking tussen verschillende zorgprofessionals te stimuleren en de kans dat resistente bacteriën worden overgedragen zo klein mogelijk te houden. Part 1: NethMap 2019 pg 1 - 166 Part 2: MARAN 2019 pg 1 - 82
    • Onderzoek naar de gezondheidseffecten van kortdurende blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol

      Janssen, NAH; Lammer, M; Maitland-van de Zee, AH; van de Zee, S; Keuken, R; Blom, M; van den Bulk, P; van Dinther, D; Hoek, G; Kamstra, K; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Mensen die in de buurt van Schiphol wonen staan regelmatig bloot aan verhoogde concentraties ultrafijn stof. Ultrafijn stof is het aantal zeer kleine deeltjes in de lucht (kleiner dan 0,1 micrometer). De blootstelling aan ultrafijn stof rond Schiphol kan kortdurend effect hebben op de gezondheid, blijkt uit onderzoek van het RIVM. Op zulke dagen hebben kinderen meer last van luchtwegklachten, zoals kortademigheid en piepende ademhaling. Ook gebruiken kinderen dan meer medicijnen. De effecten treden vooral op bij kinderen die al klachten aan de luchtwegen hebben en hiervoor al medicijnen gebruiken. Bij kinderen en gezonde volwassenen zijn kortdurende verminderingen in de longfunctie gemeten en bij de gezonde volwassen is ook kortdurende vermindering van de hartfunctie gemeten bij tijdelijk hogere blootstelling. Gemiddeld genomen zijn deze veranderingen klein en hoeven ze niet tot directe gezondheidsklachten te leiden. Voor individuen die hiervoor gevoelig zijn, bijvoorbeeld omdat ze astma of hartaandoeningen hebben, kunnen deze veranderingen groter zijn. De effecten treden zowel op bij ultrafijn stof afkomstig van vliegverkeer als bij ultrafijn stof van andere bronnen, zoals wegverkeer. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de gezondheidseffecten van het vliegverkeer anders zijn dan die van het wegverkeer. De conclusies zijn gebaseerd op drie deelstudies: een studie met 191 basisschoolkinderen in woonkernen vlakbij Schiphol, een studie met 21 gezonde volwassenen direct naast Schiphol en een laboratoriumstudie met longcellen. De resultaten van dit onderzoek geven nog geen inzicht in mogelijke lange termijn gezondheidseffecten van ultrafijnstof. Dit komt aan bod in het deelonderzoek naar de effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijn stof van vliegverkeer. De resultaten hiervan worden in 2021 verwacht.
    • Milieuverkenning Overijssel: Luchtkwaliteit, geluidbelasting en gezondheid

      de Ruiter, HR; van Wijnen, HJ; de Vries, WJ; Swart, WJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Het gezondheidsrisico van luchtvervuiling en het geluidniveau waar inwoners van de provincie Overijssel aan worden blootgesteld, is gemiddeld genomen lager dan het gemiddelde in Nederland. Dat komt omdat de luchtkwaliteit in de provincie beter is en de geluidbelasting lager dan het Nederlandse gemiddelde. Fijn stof zorgt voor het grootste gezondheidsrisico in de provincie. Als het voorgenomen beleid voor luchtkwaliteit wordt uitgevoerd, zal de luchtkwaliteit in de provincie naar verwachting in de toekomst verbeteren. Dit is in lijn met de ontwikkelingen in de rest van Nederland. Het is niet bekend hoe de geluidbelasting zich ontwikkelt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar de milieukwaliteit in relatie tot gezondheid in de provincie Overijssel. Door de milieukwaliteit in de provincie en het bijbehorende gezondheidsrisico inzichtelijk te maken, wordt duidelijk in welke gebieden mensen wonen met een hoger gezondheidsrisico als gevolg van luchtverontreiniging en geluidbelasting. Dit is belangrijk omdat milieugerelateerde gezondheidsrisico's ook onder de huidige wettelijke grenswaarden voor luchtverontreiniging en geluid optreden. Verder is het van belang om ook naar andere milieufactoren te blijven kijken die gezondheidswinst opleveren, zoals een gezonde leefomgeving. Bronnen in de provincie, zoals provinciaal verkeer en lokale industrie, dragen ongeveer 10 procent bij aan de fijnstofconcentratie. Aan de concentraties roet- en stikstofdioxide, onder andere afkomstig van houtstook en verkeer, dragen de bronnen in de provincie ongeveer een kwart bij. Buitenlandse bronnen, waaronder landbouw en industrie, leveren de grootste bijdrage aan de luchtverontreiniging in Overijssel. De belangrijkste bron van geluidbelasting is het gemeentelijk wegverkeer. Voor de verkenning is berekend wat de concentraties van fijnstof (PM10 en PM2.5), stikstofdioxide en roet in 2016 en 2030 zijn. Ook is de huidige geluidbelasting in de provincie in kaart gebracht. Op basis van de concentratie van PM10 en stikstofdioxide, en de geluidbelasting is het milieugezondheidsrisico berekend.
    • Influenza vaccination in the Netherlands : Background information for the Health Council of the Netherlands

      Schurink-van 't Klooster, TM; van Gageldonk-Lafeber, AB; Wallinga, J; Meijer, A; van Boven, M; Sanders, EAM; van Vliet, JA; de Melker, HE; van der Hoek, W; Backer, JA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-27)
      Van alle infectieziekten veroorzaakt griep de meeste ziekenhuisopnames en sterfgevallen. De belangrijkste manier om dit te voorkomen, is door mensen tegen dit virus te vaccineren. Ook zorgt vaccinatie ervoor dat infecties milder verlopen. De Gezondheidsraad bereidt momenteel een nieuw advies voor over de doelgroepen van de vaccinatie en de veiligheid en effectiviteit van nieuwe vaccins. Hierbij wordt ook gekeken of griepvaccinatie voor zwangere vrouwen en kinderen een goed idee is. Als ondersteuning van dit advies geeft het RIVM een overzicht van beschikbare wetenschappelijke informatie over griepvaccinatie. Onderwerpen zijn onder andere de effectiviteit, acceptatie, impact, veiligheid en kosteneffectiviteit ervan. Op dit moment wordt in Nederland twee groepen mensen geadviseerd zich tegen de griep te laten vaccineren: alle mensen van 60 jaar en ouder, en mensen die (chronische) aandoeningen hebben en daardoor een hoger risico om complicaties te krijgen of te overlijden door de griep. Vaccinatie tijdens de zwangerschap kan zowel de moeder beschermen als het kind tot zes maanden na de geboorte. Bij kinderen kan de vaccinatie een dubbel effect hebben: zij zijn zelf beschermd tegen de griep en de vaccinatie kan de kans verkleinen dat mensen in hun omgeving de griep krijgen. Er bestaan veel verschillende vaccins tegen de griep. De vaccins die nu in Nederland worden gebruikt, beschermen matig. Ze voorkomen een derde tot de helft van de infecties. Ook geldt: hoe ouder mensen zijn op het moment dat ze zich laten vaccineren, hoe minder het vaccin hen beschermt. Recente onderzoeken laten zien dat nieuwe vaccins oudere proefpersonen beter beschermen. Deze vaccins worden nog niet gebruikt in Nederland. Vanaf 2019-2020 zal een vaccin tegen vier typen griepvirus worden gebruikt in plaats van het huidige vaccin tegen drie typen.
    • Strategisch Programma RIVM Jaaroverzicht 2016 : Speerpuntnotities - publicaties

      Kretzschmar, MEE; Lebret, E; van Oers, JAM; Polder, JJ; Sanders, EAM; Timmermans, DRM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-26)
      Het RIVM brengt jaarlijks verslag uit van het Strategisch Programma RIVM (SPR). Het verslag is bedoeld om de eigenaar van het RIVM (VWS), de Commissie van Toezicht en geïnteresseerden binnen en buiten het instituut te informeren over het eigen onderzoek. Het SPR is bedoeld om het RIVM te voorzien van de expertise en kwaliteit om nu en in de toekomst de taken van de opdrachtgevers adequaat uit te kunnen voeren. Daarvoor worden drie typen projecten uitgevoerd: onderzoek, innovatie en expertise-ontwikkeling. Het SPR is van start gegaan met 83 projecten, die zijn ondergebracht in zes speerpunten en vier zogeheten crosscutting themes. De projecten worden in een cyclus van vier jaar uitgevoerd. In dit overzichtsrapport zijn een paar voorbeelden van projecten uitgelicht. In 2016 zijn voor alle projecten de eerste producten opgeleverd, zoals data verwerven, analyses uitvoeren en manuscripten schrijven. Ook is deelgenomen aan relevante nationale en internationale symposia en congressen. Enkele aansprekende voorbeelden van innovatie zijn: de Fruitbuit, een app waarmee gebruikers makkelijker hun dagelijkse hoeveelheid fruit kunnen bestellen; de Tekentrektrainer, een apparaat van kunsthuid waarmee zorgverleners kunnen oefenen om teken te verwijderen; en het project 2GetThere dat erop gericht is om een eerder binnen SPR ontwikkelde methode voor ammoniakmetingen op de markt te brengen. In 2016 is ruim aandacht besteed aan internationale projecten. De deelname van het RIVM aan dit soort projecten draagt bij aan de kwaliteit van het onderzoek en zorgt ervoor dat de SPR-projecten aangesloten zijn bij Europese (onderzoeks)prioriteiten. In 2016 zijn 12 projecten die in internationaal verband worden uitgevoerd, gedeeltelijk gefinancierd uit het SPR.
    • Puntprevalentieonderzoek naar antibioticaresistentie in verpleeghuizen

      van Kleef, E; Wielders, L; Bijkerk, P; Beishuizen, B; Schouls, L; van der Lubben, M; de Greeff, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-26)
      In 2018 is in Nederland een landelijk onderzoek gestart naar dragerschap van antibioticaresistente bacteriën onder verpleeghuisbewoners. Als geheel staat de verpleeghuissector er goed voor. Door dit onderzoek is er een completer beeld van antibioticaresistentie in Nederland. Voor dit onderzoek zijn 4420 bewoners in 159 verpleeghuizen onderzocht. Er is naar twee soorten resistente darmbacteriën onderzoek gedaan (ESBL en CPE). Er werd geen CPE aangetroffen. Dat is gunstig, want er zijn nauwelijks antibiotica die infecties met deze bacterie kunnen behandelen. Het aandeel bewoners van verpleeghuizen dat een ESBL-bacterie bij zich droeg komt gemiddeld genomen overeen met het percentage in de Nederlandse bevolking. ESBL's zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica zoals penicillines kunnen afbreken waardoor de antibiotica niet meer werken. Bij een derde van de deelnemende verpleeghuizen, kwamen meer ESBL-bacteriën onder bewoners voor dan gemiddeld in Nederland. Bij hen is extra onderzoek gedaan om te bepalen of er sprake was van verspreiding onder de bewoners. Ook kregen ze advies over maatregelen om ervoor te zorgen dat de bacteriën zich niet verder verspreiden. Het onderzoek is onderdeel van de landelijke aanpak van antibioticaresistentie door de Nederlandse overheid. Het doel is om verdere resistentie te voorkomen en de gevolgen ervan zo veel mogelijk te beperken. Tot dit onderzoek werd uitgevoerd was er nog weinig zicht op de situatie in verpleeghuizen. De landelijke aanpak is opgezet omdat bacteriën wereldwijd steeds vaker ongevoelig worden voor antibiotica. Het RIVM coördineerde de studie, die is uitgevoerd door Regionale Zorgnetwerken Antibioticaresistentie (RZN), medisch microbiologische laboratoria, en verpleeghuizen. De RZN zijn opgezet om antibioticaresistentie regionaal te voorkomen en te bestrijden.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2018

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-06-24
      In het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) krijgen kinderen vaccinaties tegen besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar de belangrijkste gebeurtenissen op het gebied van het RVP en de ontwikkeling van de vaccinatiegraad. Belangrijke gebeurtenissen In 2018 hadden niet meer mensen dan normaal gesproken een ziekte waartegen via het RVP wordt ingeënt. Wel zette de stijging van het aantal mensen met meningokokkenziekte W door (103 patiënten in 2018 ten opzichte van 80 in 2017). Vanwege deze stijging is de vaccinatie tegen meningokokken C voor baby's in 2018 uitgebreid met meerdere typen. Deze meningokokken ACWY-vaccinatie wordt in 2019 ook aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren (inhaalcampagne). Uit voorzorg is in 2018 een deel van de jongeren die in 2004 zijn geboren hier al voor uitgenodigd. In 2018 is besloten om de vaccinatie tegen kinkhoest voor zwangere vrouwen op te nemen in het RVP. Deze vaccinatie wordt waarschijnlijk eind 2019 ingevoerd. Hiermee kunnen zwangere vrouwen hun baby tegen kinkhoest beschermen. Voor baby's van gevaccineerde moeders wordt het vaccinatieschema aangepast (later beginnen en één inenting minder). Vaccinatiegraad Er is een einde gekomen aan de daling in het aandeel kinderen dat de vaccinaties uit het RVP krijgt. De landelijke vaccinatiegraad is hiermee nog niet terug op het oude niveau, maar is voor de meeste vaccinaties ongeveer gelijk gebleven aan het jaar ervoor. Voorlopige cijfers voor jongere kinderen laten zelfs een lichte stijging zien. De landelijke vaccinatiegraad van HPV (baarmoederhalskanker) is met 45,5 procent gelijk gebleven aan het jaar ervoor, en lijkt voor jongere meisjes ook toe te nemen. De voorlopige landelijke vaccinatiegraad van de nieuwe meningokokken ACWY-vaccinatie is hoog (87 procent). De staatssecretaris van VWS wil 16- of 17-jarigen de kans geven om gemiste RVP-vaccinaties alsnog te halen. Hiervoor komt ongeveer een tiende van de jongens in aanmerking. Dit geldt voor ongeveer de helft van de meisjes, vooral vanwege de HPV-vaccinatie.