• Bacillus cereus associated food borne disease. quantitative aspects of exposure assessment and hazard characterization

      Wijnands LM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-26)
      Consumptie van voedsel besmet met de bacterie Bacillus cereus kan leiden tot ziekte. Omdat de symptomen (overgeven of diarree) vrij mild zijn, wordt nauwelijks een beroep gedaan op medische begeleiding. Dit leidt tot onderschatting van het aantal ziektegevallen. Om een betere schatting te kunnen maken van dit aantal, en om inzicht te krijgen in de factoren die de kans op ziekte bepalen, zijn de volgende aspecten onderzocht: het voorkomen van B. cereus in voedsel in Nederland, de overleving van B. cereus in nagebootst maagsap en de groeimogelijkheden in nagebootst darmsap, de wisselwerking met cellen die vergelijkbaar zijn met dunne-darmcellen, en de productie van gifstoffen, die verantwoordelijk zijn voor de uiteindelijke ziektesymptomen. De resultaten van deze onderzoeken zijn, samen met literatuurgegevens, gebruikt om de kans op ziekte door B. cereus te bepalen. In combinatie met een schatting van het aantal genuttigde maaltijden met B. cereus is het jaarlijkse aantal ziektegevallen in Nederland volgens verschillende scenario's geschat.
    • Bacillus cereus: characteristics, behaviour in the gastro-intestinal tract, and interaction with Caco-2 cells

      Wijnands LM; Dufrenne JB; Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-09)
      Door het eten van voedsel dat besmet is met de bacterie Bacillus cereus kan diarree ontstaan. Onderzoek naar de bacterie zelf en het ziekmakend proces hebben geleid tot meer kennis over het optreden van de ziekte. Allereerst zijn stammen van de bacterie op grond van specifieke karakteristieken ingedeeld. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van kunstmatig darmsap en lichaamstemperatuur om de groeimogelijkheden van de verschillende stammen Bacillus cereus goed te kunnen bepalen. Daarnaast bleek dat slechts een beperkt aantal stammen ziekte kunnen veroorzaken. Dit zijn voornamelijk stammen die goed groeien bij 37 graden Celsius en die zich goed kunnen aanpassen aan omstandigheden zoals die voorkomen in de dunne darm. Een essentiele stap in het ziekmakend proces blijkt de hechting van de Bacillus cereus aan de wand van de dunne darm te zijn. Dit proces is in het onderzoek nagebootst met Caco-2 cellen. Daarnaast kunnen de cellen van de dunne darm aanzetten tot ontkieming en vermenigvuldiging van Bacillus cereus sporen. Sporen zijn bacteriecellen die zich in een soort sluimerstand bevinden. In een wetenschappelijke publicatie zullen gegevens worden gepubliceerd ten aanzien van het voorkomen van Bacillus cereus bacterien in voedsel.
    • Bacillus cereus: characteristics, behaviour in the gastro-intestinal tract, and interaction with Caco-2 cells

      Wijnands LM; Dufrenne JB; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-09)
      The consumption of food contaminated with the bacterium Bacillus cereus may lead to diarrhoea. Investigation of characteristics of the bacterium and the pathogenesis increased knowledge regarding the onset of disease. Strains of Bacillus cereus were categorised according to specific characteristics. Besides artificial media to determine the growth characteristics of the strains, simulated intestinal fluid and human body temperature were used. Diarrhoeal disease is mainly caused by strains which grow well at 37 degrees Celsius and which adapt easily to small intestinal conditions. Adhesion of Bacillus cereus to the epithelium of the small intestine appears to be of vital importance for the onset of disease. Moreover, epithelial cells are able to induce germination of Bacillus cereus spores. These are forms of the bacterium able to withstand a variety of adverse conditions, such as dryness and heat. Data on the occurrence of Bacillus cereus in food commodities in The Netherlands will be published elsewhere.
    • Background Report for the IMAGE 2.0 Energy-Economy Model

      Toet AMC; Vries HJM de; Wijngaart RA van den; MTV (1994-10-31)
      This report provides background information about the structure, historical (1970-1990) data input and calibration of the Energy-Economy model of IMAGE 2.0. It also describes the assumptions of the Energy-Economy model for the scenario Conventional Wisdom. This is the base scenario for IMAGE 2.0. Finally, this report describes an uncertainty analysis of the model with Conventional Wisdom as the baseline. The Energy-Economy model computes total energy use, with a focus on final energy consumption in end-use sectors, based on economic activity levels and the energy conservation potential ("end-use approach"). The model has various input variables and model parameters. These are treated extensively in this report. It also describes how data were obtained for each individual input variable. The main sources for the energy related data are the Energy Balances 1971-1990 from the IEA ; the main sources for the data related to economic activity are the World Tables from the World Bank. The Conventional Wisdom scenario is partly based on some regional assumptions of the IS92a scenario of the IPCC ; a global population is assumed of 11.5 thousand million people in 2100 and an economic growth of 2.9 %/yr. (1990-2025) and 2.3 %/yr. (2025-2100). The uncertainty analysis was performed using the Monte Carlo sampling technique (a stochastic procedure based on Latin Hypercube sampling). It resulted in a mean value of the global CO2-emissions in the year 2050 of 16.7 Pg C with a coefficient of variation of 24%, under our assumptions of input uncertainty.
    • Bacterien in het grondwatervoerend pakket van de bodem. Een literatuuroverzicht gericht op de Nederlandse situatie

      van Beelen P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-11-30)
      In de waterverzadigde zone van de Nederlandse bodem heerst vaak een gebrek aan zuurstof en aan voedingsstoffen en een constante tempera- tuur van 10 graden C.. In zure bodems stopt de afbraak bij afwezigheid van zuurstof zodat plantenresten zich kunnen ophopen tot veenlagen. Door de lage concentratie van beschikbare voedingsresten zijn in de ondergrond slechts bacterien aanwezig en zeer weinig andere microorganismen. De afbraak van organische microverontreinigingen gaat meestal via cometabolisme waarbij door de lage concentratie geen adaptatie van microflora kan optreden. Deze afbraak zal dus uitgevoerd moeten worden door de aanwezige autochtone microflora.<br>
    • Bacteriofagen : Huidige kennis, onderzoek en toepassingen

      David S; Bijkerk P; Vlugt C van der; Beishuizen, B; LCI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      Bacteriophages (or phages) are viruses that can infect and kill bacteria. Phages were discovered early in the 20th century, in the same period as antibiotics. Phages have a different mode of action compared to antibiotics. In theory, this should allow them to be used to treat infections that are resistant to antibiotics. However, the current scientific evidence is insufficient to determine the value of phage treatment and to use phages safely and for different types of infections. This is the outcome of a literature study done by the RIVM on the current scientific evidence for treatment of human infections with bacteriophages. A phage is very specific for one type of bacterium, while antibiotics are effective against multiple species of bacteria. This prohibits the use of phages in treatment of acute infections: the causative bacterium has to be identified first before a matching phage or phages can be found. Because of these practical concerns, antibiotics were more successful and phages fell out of favor. The understanding of the precise mode of action of bacteriophages when treating infections, how they act in the human body, optimal dosage and length of treatment and the risks of use is still limited. Phages are not suitable for treatment of acute infections because of the time-consuming and complex. In theory phages should be useful in treating chronic infections, such as superficial skin infections. More controlled clinical research is needed to answer these questions. Aside from practical concerns, the current European legislative framework for pharmaceutical products is not suited to personalized biologicals, such as phages. Efforts are being made at the European level for a possible revision of legislation on biologicals. Legislation on the use of biologicals is less strict for different fields such as agriculture and food production, than it is for human use. Phages are already being used in these fields.
    • Bacteriological collaborative study III amongst the National Reference Laboratories for Salmonella

      Raes M; Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (1998-12-14)
      A third bacteriological collaborative study was organized by the Community Reference Laboratory for Salmonella. All National Reference Laboratories for Salmonella (NRL) participated. The main objective of this study was to evaluate the results of the detection of different contamination levels (10 and 100 cfp/capsule) of Salmonella Enteritidis and S. Typhimurium in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs. As method an adapted ISO 6579 (proposed reference method) and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces was used. Significant differences were found between and within the laboratories. None of the laboratories succeeded to isolate Salmonella from all capsules containing 10 colony forming particles. The number of positives found strongly differed between laboratories.With semi-solid media significantly more samples were found positive for Salmonella, especially for the samples containing S. Enteritidis compared to the reference method.
    • Bacteriological collaborative study III amongst the National Reference Laboratories for Salmonella

      Raes M; Voogt N; Veld PH in 't; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-12-14)
      Het communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een derde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd waaraan alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella deelnamen. Doel van het ringonderzoek was het vergelijken van de resultaten (tussen en binnen de verschillende laboratoria) van de isolatie van Salmonella Enteritidis en S. Typhimurium uit capsules met verschillende besmettingsniveaus (10 en 100 kve) in aanwezigheid van begeleidende flora. De gebruikte methode was de aangepaste ISO 6579 (referentie methode) en eventueel de methode die routinematig door een laboratorium werd gebruikt om Salmonella uit kippen faeces te isoleren. Er werden significante verschillen gevonden tussen en binnen de verschillende laboratoria. Geen van de laboratoria is erin geslaagd om Salmonella uit alle capsules te isoleren die 10 kolonie vormende eenheden bevatten. Het aantal positieven varieerde sterk van lab tot lab. Met semi-solid media werden significant meer positieve resultaten verkregen, in het bijzonder voor de capsules die Salmonella Enteritidis bevatten.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms

      Reas M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (2001-08-14)
      A fifth bacteriological collaborative study organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella had as participants the National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs-Salmonella) of the EU Member States. The objectives were: 1) To evaluate the results of the detection of different contamination levels of Salmonella Enteritidis (100 and 500 cfp) and Salmonella Typhimurium (10 and 100 cfp) in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs-Salmonella, and 2) To evaluate MSRV as selective enrichment medium compared to RV, used as the selective enrichment medium in the standard method. An adapted ISO 6579 (proposed reference) method was used in combination with MSRV and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces. Significantly more positive isolations were obtained with the STM100 capsules than with the STM10, SE100 and SE500 capsules. The number of positive isolations from the SE100 capsules was also significantly lower than the number of positive isolations from the STM10 and SE500 capsules. Significantly more positive isolations were obtained using MSRV compared to using RV. Significant differences were also found between laboratories. When compared with RV, the use of MSRV led to significantly more positive isolations from the naturally contaminated samples containing S. Enteritidis.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella)

      Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (1997-09-30)
      A second bacteriological collaborative study in which the National Reference Laboratories (NRLs) for Salmonella participated was organized by the Community Reference Laboratory for Salmonella. The main objective of this study was to evaluate differences in results between the NRLs of detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. As method the ISO 6579 method (proposed reference method) and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces were used. Eight of the seventeen laboratories isolated Salmonella from all 30 positive capsules using the full ISO 6579 method. The number of positive isolations was on average significantly lower with selenite/cystine compared to Rappaport-Vassiliadis as selective enrichment medium. The number of positive isolations found with the use of some alternative media may make it worthwhile to test other selective media in a future collaborative study.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Bacteriological collaborative study IV amongst the National Reference Laboratories for Salmonella, the use of MSRV as selective enrichment

      Raes M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (2000-04-20)
      A fourth bacteriological collaborative study was organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella. All National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs) participated. This study had two objectives: 1) Evaluation of the results of the detection of different contamination levels of Salmonella Enteritidis (100 and 1000 cfp) and Salmonella Typhimurium (10 and 100 cfp) in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs; and 2)Evaluation of MSRV as selective enrichment compared to the standard method using RV as selective enrichment. Methods used were an adapted ISO 6579 (proposed reference) method and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces. Significantly more positive isolations were obtained with the STM100 capsules compared to the STM10 and SE1000 capsules. These last two capsules showed the same detection level. The number of positive isolations from the SE100 capsules was significantly lower than the number of positive isolations from the STM10 and SE1000 capsules. Significantly more positive isolations were revealed when using MSRV than when using RV.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms

      Reas M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-14)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft het vijfde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met als deelnemers de Nationale Referentie Laboratoria for Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten. Het ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van de detectie van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 500 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs-Salmonella.; en 2) Evaluatie van MSRV als selectief ophopingsmedium in vergelijking met het standaard medium RV. De methode die gebruikt werd was een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) en eventueel de eigen media van de deelnemende laboratoria voor detectie van Salmonella in feces. Significant meer positieve resultaten werden verkregen met de STM100 capsules in vergelijking met de STM10, SE100 en SE500 capsules. Het niveau van detectie van de SE100 capsules was tevens significant lager dan de detectie van STM10 en SE500 capsules. Significant meer positieve isolaties werden verkregen met MSRV in vergelijking met RV. Ook tussen laboratoria werden significante verschillen gevonden. Het gebruik van MSRV leidde tot significant meer positieve resultaten bij de natuurlijk besmette monsters die S. Enteritidis bevatten in vergelijking met het gebruik van RV.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella)

      Voogt N; Veld PH in 't; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een tweede bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met deelname van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella. Het belangrijkste doel van dit onderzoek was verschillen tussen de NRLs in de resultaten van Salmonella detectie in aanwezigheid van storingsflora te evalueren. Hiervoor werden de ISO 6579 methode (voorgestelde referentiemethode) en, facultatief, de eigen methode van een laboratorium voor de Salmonella detectie in kippenfaeces gebruikt. Acht van de zeventien laboratoria isoleerden Salmonella uit alle 30 positieve capsules met het gebruik van de volledige ISO 6579 methode. Het aantal positieve isolaties met het gebruik van seleniet/cystine als selectief ophopingsmedium was gemiddeld significant lager vergeleken met het gebruik van Rappaport-Vassiliadis. Vanwege het aantal positieve isolaties dat gevonden werd met het gebruik van een aantal alternatieve media lijkt het zinvol in een volgend ringonderzoek andere selectieve media te testen.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Bacteriological collaborative study IV amongst the National Reference Laboratories for Salmonella, the use of MSRV as selective enrichment

      Raes M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-04-20)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een vierde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd betreffende de detectie van Salmonella. De deelnemers waren de Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella uit de lidstaten van de Europese Unie. Dit ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 1000 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs; en 2) Evaluatie van MSRV als selectieve ophoping vergeleken met de standaard methode welke RV als selectieve ophoping heeft. De gebruikte methoden waren een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) methode en, optioneel, de methode die door het laboratorium routinematig gebruikt wordt voor detectie van Salmonella in kippen feces. Significant meer positieve isolaties werden verkregen bij de STM100 capsules ten opzichte van de STM10 en SE1000 capsules. Deze laatste twee capsulesoorten behaalden onderling ongeveer eenzelfde detectieniveau. Het aantal positieve isolaties verkregen met de SE100 capsules was significant lager dan het aantal positieven verkregen met de STM10 en SE1000 capsules. Significant meer positieven werden gevonden met het gebruik van MSRV ten opzichte van RV.
    • Bacteriologisch en serologisch onderzoek van Helicobacter species bij laboratoriummuizen

      Root R; Admiraal J; Koedam MA; Thuis HCW; Veenema JL; LIS; LPI (1998-11-27)
      Helicobacter species are spiral shaped Gram negative bacteria that can be found in the gastrointestinal tract in humans and animals. Helicobacter hepaticus colonizes the ileum and cecum of various mouse strains and has in one mouse strain been associated with chronic active hepatitis and the development of neoplastic liver lesions. Culturing of freeze dried Helicobacter species appeared more difficult than primary isolation from animals. Using Gram stain, biochemical profiling and determination of cell wall lipids, isolates could be rather easily assigned to the genus Helicobacter, but speciation was more difficult. An ELISA was developed for measuring antibodies in mice to whole cell antigen of H. hepaticus. Antibodies raised against heterologous Helicobacter species and species of other bacterial genera did not clearly react with the antigen. The suitability of the ELISA was further evaluated in orally dosed and naturally infected BALB/c and N:NIH mice. N:NIH mice better seroconverted to H. hepaticus than BALB/c mice and the bacterium was recovered from orally infected and naturally infected animals of both mouse strains. N:NIH mice showed slight inflammation of the ileal villi. Finally, various mouse colonies were examined for Helicobacter infection by culture and serology. Gnotobiotic and SPF mice appeared uninfected but Helicobacter infection was diagnosed in 2 conventional transgenic mouse strains.
    • Bacteriologisch Onderzoek van slachtdieren

      Engel HWB; van Leusden FM; Erne EHW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-06-30)
      Door zes vleeskeuringsdiensten en het RIVM werd gezamenlijk onderzoek verricht naar het in de Vleeskeuringswet omschreven "Bacteriologisch Onderzoek" (BO) bij slachtdieren. Doel was na te gaan of er verschillen zouden zijn in de aantallen positieve resultaten van het BO tussen de diensten bij toepassing op dieren met vergelijkbare afwijkingen. Gebleken is dat er soms aanzienlijke verschillen (33%) en soms zeer geringe verschillen (< 3%) voorkwamen. Aangezien de kiemen die bij een positief onderzoek geisoleerd worden meestal behoren tot micro- organismen met een zeer geringe betekenis vanuit volksgezondheidsoogpunt (Corynebacterium pyogenes en haemolytische streptococcen, niet zijnde groep A of B) en kiemen die in dat kader wel betekenis hebben (Samonella, Streptococcus suis) gemist worden door de voorgeschreven wijze van onderzoek, dient overwogen te worden of de keuring aanpassing behoeft.<br>
    • Baseline gegevensverzameling in de Natuurlijke Beloop studie van het PIAMA-onderzoek

      Wijga A; Smit HA; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      The collection of baseline data is described here in the framework of the Natural History study of the PIAMA (Prevention and Incidence of Asthma and Mite Allergy) project, a birth cohort study on incidence and risk factors related to asthma and inhalation allergy. Recruitment for the Natural History study was completed in September 1997 when 3291 pregnant women had agreed to participate. Of those women 3289 had also completed the first questionnaire (the "pregnancy questionnaire"). Baseline data on the children were collected when they were three months old. "Three-month questionnaires" were sent to 3283 mothers and completed by 3173 (97%) of them. The report describes data collection procedures as well as a selection of the results obtained on child health, nutrition, passive smoking and housing conditions.<br>
    • BASF Nederland B.V

      Kohnen EAEM (1993-06-30)
      This document on BASF Holland has been published within the SPIN project. In this project information has been collected on industrial plants or industrial processes to afford support to governmental policy on emission reduction. This document contains information on the processes, sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology and standards and licences.
    • Basis Selectie Document (BSD) voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) over de periode 1940-2005 (concept)

      Rakke R; DIV/Archief (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-01)
      As laid down by Dutch national law the fundamental selection instrument ('Basis Selectie Document' BSD) is to be used in national and regional government archives to separate records that should be preserved from records for which destruction is warranted. This method is designed by the National Archives of the Netherlands (NA) to control the tidal wave of records the NA anticipated after promulgation. This report extends report 840701002/1998 up to 2005, a valuation for all terms of reference the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) and its predecessor, the National Institute of Public Health (RIV), were commissioned with from 1940 up to and including 1995. During the past decennium a main tasks of the RIVM namely "vaccine production and development" was established in a new institute: the Netherlands Vaccine Institute (NVI). The NVI appears as a separate actor in this BSD.
    • Basis Selectie Document voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIV(M) 1940-1995

      BDA/RIVM; BDA; Rijksarchiefdienst/Pivot (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      Het Basis Selectie Document (BSD) is het wettelijk voorgeschreven selectie-instrument voor overheidsarchieven. Het is recent ontwikkeld omdat door verkorting van de overbrengingstermijn van overheidsarchieven, zoals vastgelegd in de Archiefwet 1995, binnen een kort tijdsbestek een grote inhaalslag moet gaan plaatsvinden bij de bewerking van deze archieven. Niet de informatieve waarde van documenten maar de waardering van het overheidshandelen is bij deze nieuwe methode de bepalende factor bij de selectie van de documentaire neerslag. Dit BSD geeft aanwijzingen voor bewaren of vernietigen van die bescheiden die het resultaat zijn van handelingen van het voormalige Rijksinstituut voor Volksgezondheid (RIV) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) in de periode 1940-1995. De context waarin de handelingen hebben plaatsgevonden wordt weergegeven in het RIVM-rapport 840701001 (En morgen gezond weer op; een Institutioneel Onderzoek naar het taken-pakket en de handelingen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en Milieuhygiene 1940-1995). De documentaire neerslag die het resultaat is van handelingen die met bewaren zijn gewaardeerd, komt in aanmerking voor overbrenging naar de Rijksarchiefdienst en de overige archiefbescheiden kunnen op termijn worden vernietigd. De 87 handelingen die in het BSD zijn weergegeven beschrijven alle taken die in de aangegeven periode door het RIV en RIVM uitgeoefend zijn. Van iedere handeling is weergegeven: de actor of het onderdeel van de organisatie belast met de taak, de tijdsperiode, de beleidsfase, de waardering en de eventuele vernietigingstermijn. In dit rapport wordt eveneens toelichting gegeven op de criteria die gebruikt zijn bij de waardering van handelingen. In totaal zijn 38 van de 87 handelingen gewaardeerd met bewaren.