• Dag- en nacht bewegingsactiviteit in de rat tijdens morfine- afhankelijkheid en morfine-onthouding

      van der Laan JW; Loeber JG; de Groot G; Sekhuis VM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-09-30)
      In het kader van het onderzoek naar de effecten van behandeling van morfine onthoudingsverschijnselen bij de rat is recent de methode van toediening van morfine via het voer gei"ntroduceerd en dat model is nu diepgaander onderzocht. Het verloop van de onthoudingsfase is onderzocht aan de hand van de bewegingsactiviteit van de ratten. De bewegings- activiteit van de rat vertoont een dagelijks ritme 's nachts hoog en overdag laag, dat door morfine aanvankelijk enigszins verstoord wordt, maar later treedt tolerantie op. Tijdens de onthoudingsfase treedt een sterke verlaging op 's nachts die niet samenvalt met de daling van de voedselinname. Toediening van clonidine tijdens de onthoudingsfase heeft geen invloed op het activiteits- patroon van morfine afhankelijke ratten, en evenmin op de voedselinname. Clonidine heeft echter ook geen invloed op het symptoom gewichtsverlies dat samen lijkt te hangen met de overactiviteit van het symphatische zenuwstelsel. Verder onderzoek is nodig om de werking van clonidine nader te bestuderen.<br>
    • Dagelijkse opneming van enige essentiele en niet-essentiele spoorelementen, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen, bemonsterd in 1984/1985

      Ellen G; Loon JW van; Tolsma K (1988-01-31)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar de dagelijkse opneming via voedsel en drank van de essentiele elementen koper, mangaan en zink en van de niet-essentiele elementen aluminium, cadmium, kwik en lood. Voor het onderzoek stonden 110 duplicaten van 24-uurs voeding ter beschikking, verzameld door proefpersonen uit de regio Utrecht. Aan het onderzoek namen 52 vrouwen en 58 mannen deel, in leeftijd varierend van 18 tot 74 jaar. De gemeten dagelijke opneming van koper liep uiteen van 0,5-3,3 mg/etmaal, gemiddeld 1,2 mg ; van mangaan van 1,2-9,4 mg/etmaal, gemiddeld 3,3 mg ; van zink van 2,6-17,8 mg/etmaal, gemiddeld 8,4 mg. Voor koper en zink zijn de gemiddelde waarde slechts de helft van de desbetreffende aanbevelingen in de USA en West-Duitsland. De gemeten dagelijke opneming van aluminium liep uiteen van 0,6-12,9 mg/etmaal, gemiddeld 3,1 mg ; van cadmium van 3-55 mug/etmaal, gemiddeld 10 mug; van kwik <1 - 12 mug/etmaal, gemiddeld 2 mug ; van lood van 7-214 mug/etmaal, gemiddeld 34 mug. De gemiddelde opneming was voor cadmium, kwik en lood resp. 16 ; 5 en 8% van de door de WHO/FAO maximaal toelaatbaar geachte dagelijkse opneming. Vergeleken met een voorgaand onderzoek in 1976/1978 is de loodopneming aanzienlijk gedaald.
    • Dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen, bemonsterd in 1984/1985

      Ellen G; Egmond E; Sahertian ET (1988-01-31)
      Duplicaten van 24-uurs voedingen van 110 personen, bemonsterd in oktober 1984/maart 1985 werden geanalyseerd op gehalte aan nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen. De gemeten gemiddelde nitraatopneming bedroeg 52 mg NO-3/etmaal, bereik 2-500 mg/etmaal. Nitriet was aantoonbaar, d.w.z. >0,1 mg NO2/duplicaatvoeding, in 16 van de 110 monsters ; de hoeveelheid in deze 16 liep uiteen van 0,1-0,7 mg NO2. Bij drie van de 110 deelnemers lag de nitraat opneming boven de ADI van 220 mg NO3/etmaal. Voor nitriet was de hoogste waarde minder dan 10% van de ADI van 8 mg NO2/etmaal. Slechts twee van de 110 monsters bevatten een aantoonbare hoeveelheid vluchtige N-nitrosaminen, nl. 2,9 mug NPIP en 1,5 mug NDMA resp. De dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen is aanzienlijk lager dan gemeten in een soortgelijk onderzoek in 1976/1978.
    • DAMES: een bestand voor de macro-emissies van het Nederlandse elektriciteitsaanbod in 1995, 1998, 2010, 2020 en 20300

      Gijsen A; Spakman J; LAE (2001-05-31)
      Dit rapport beschrijft de datafile DAMES (DAtabestand Macro-emissies Elektriciteitssector). Dames biedt een integraal overzicht van het Nederlandse elektriciteitsaanbod en de daarmee gepaard gaande emissies van CO2, NOx and SO2. DAMES voegt de resultaten samen van verschillende bronnen: (1) voortgangsreportages van de produktie en emissies van elektriciteitscentrales, (2) een elektriciteitsaanbod model voor toekomstige jaren en (3) een database met actuele en toekomstige emissiefactoren. In DAMES is het elektriciteitsaanbod verdeeld naar centrale produktie (elektriciteit geproduceerd door bedrijven die elektriciteitsopwekking als kernactiviteit hebben), decentrale produktie (elektriciteit geproduceerd door bedrijven die elektriciteit als bijprodukt produceren) en importsaldo. Binnen deze drie 'subsectoren' zijn in DAMES de elektriciteitsproduktie en de emissies op het niveau van installatie-typen berekend. Voor warmte-kracht installaties zijn in DAMES de emissies verdeeld naar het aandeel dat elektriciteitsproduktie heeft in de totale energieproduktie (elektriciteit + warmte) van deze installaties. DAMES berekent geaggregeerde emissies per kWh, een indicator die vaak wordt gebruikt voor berekeningen van effectiviteit van maatregelen. Tevens heeft DAMES als meerwaarde dat het een integraal overzicht geeft in het effect op de emissies van de brandstofmix, WKK, import en het aandeel van duurzame energiebronnen. DAMES is toegepast op de gerealiseerde jaren 1995/1998 en op de toekomstige jaren 2010, 2020 en 2030. Voor de toekomstige jaren zijn prognoses gebruikt van twee scenario's van het CPB (Centraal Plan Bureau). Deze scenario's zijn het Global Competition (GC) en het European Coordination (EC) scenario's.
    • DAMES: een bestand voor de macro-emissies van het Nederlandse elektriciteitsaanbod in 1995, 1998, 2010, 2020 en 20300

      Gijsen A; Spakman J; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      This report describes the datafile DAMES (in Dutch: Databestand Macro-emissies Elektriciteitssector). DAMES offers an overall view of the Netherlands' electricity supply and it's attendant emissions of CO2, NOx and SO2. It incorporates results from different sources: (1) monitoring reports on production and emissions from central power plants, (2) an electricity supply model for future years and (3) a database with actual and future emission factors. In DAMES, the electricity supply has been divided into contributions from: central production (electricity produced by companies producing electricity as core business), decentral production (electricity produced by companies producing electricity as by-product) and the import balance. Within these three 'subsectors', DAMES calculates production and emissions on the level of installation types. For combined heat and power production (CHP-installations), DAMES allocates a distinct fraction of the total emissions to the produced electricity. DAMES calculates aggregated emissions per kWh, an indicator that is often used in calculations on effectiveness measures. Furthermore, DAMES has an advantage over previous used instruments that it gives an integral overview of the effect of the fuel-mix, CHP, imports and the part of sustainable energy sources. DAMES has been applied on the years 1995/1998 and the future years 2010, 2020 and 2030. For the future years, prognoses have been used from two different scenarios of the CPB (Central Planning Bureau). These scenarios are called Global Competition and European Coordination.
    • Daphnia magna: reproduction tests with eight different media

      Roghair CJ; Wolters-Balk MAH; Mathhijssen-Spiekman EAM (1990-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dare to Compare! : Benchmarking Dutch health with the European Community Health Indicators (ECHI)

      Harbers MM; van der Wilk EA; Kramers PGN; Kuunders MMAP; Verschuuren M; Eliyahu H; Achterberg PW; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-11-27)
      Na een periode van stagnatie in de jaren negentig stijgt sinds 2000 de levensverwachting van Nederlandse vrouwen weer. De gemiddelde leeftijd van 82 jaar gaat nu gelijk op met het gemiddelde van de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU). Net als in andere EU-landen leven Nederlandse vrouwen langer dan mannen. Maar in vergelijking met andere landen zijn ;ederlandse vrouwen wat minder gezond dan de Nederlandse mannen. Zo behoort Nederland tot de landen waar verhoudingsgewijs veel vrouwen sterven aan kanker of aan ziekten van de ademhalingswegen, zoals COPD. Steeds meer Nederlandse vrouwen sterven aan longkanker, onder andere door het hoge percentage rokende vrouwen in Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat de gezondheid in Nederland met die van de andere EU-landen vergelijkt. Het onderzoek is mede ingegeven door de ambitie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2006 om de Nederlandse volksgezondheid terug te brengen in de top vijf van Europa. De vergelijking laat verder zien dat Nederland tot de beste Europese landen behoort voor sterfte door hart- en vaatziekten en ongevallen. De levensverwachting van Nederlandse mannen is vergelijkbaar met de levensverwachting van de 15 meer welvarende 'oude' EU-landen. Die is hoger dan de gemiddelde levensverwachting van de nieuwe lidstaten van de huidige 27 EU-leden. Nederlandse mannen worden gemiddeld 78 jaar. Het is de eerste keer dat de Nederlandse volksgezondheid internationaal is vergeleken op basis van de ECHI-shortlist. Dat is een set van meer dan tachtig Europese gezondheidsindicatoren over onder andere ziekte, leefstijl en preventie. Het rapport geeft ook specifiek aandacht aan de gezondheid van jongeren en ouderen. Daarnaast bevat het een analyse van de beschikbaarheid, vergelijkbaarheid en kwaliteit van gegevens die nodig zijn voor internationale vergelijkingen.
    • Darmmacrofagen in het konijn. Inventarisatie in situ en isolatie

      Moberts; R.M.P.*; Buys; J. (1984-05-16)
      Karakterisatie van cellen in de follikels van de plaques van Peyer en de lamina propria van de darm in het konijn met behulp van enzymhistochemie maakt een positieve identificatie van macrofagen in situ mogelijk. De aanwezige macrofagen zijn positief voor zure fosfatase en ATP-ase positiviteit voor niet specifieke esterasen hangt af van het gebruikte substraat en laat verschillen zien tussen enerzijds colon en anderzijds dunne darm en plaques van Peyer. Het percentage zure fosfatase positieve macrofagen varieert van 2.5 % (kiemcentra plaques van Peyer) tot 12.7 % (colon) van het totaal aantal kernhoudende cellen. De in de literatuur beschreven isolatiemethoden voor lamina propria macrofagen bleken niet geschikt voor de gebruikte konijnen. Daarom werd een nieuwe methode ontwikkeld, waarvan de essentie is dat uitsluitend de lamina propria in contact gebracht wordt met een enzyme-oplossing, die zorgt voor een dissociatie van het weefsel.
    • Data Assimilation in Dynamic Environmental Pollution Modeling

      Zhang XF; van Eijkeren JCH; Heemink AW; CWM; TUD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Data-assimilatie methoden zijn bruikbare instrumenten ten behoeve van monitoring en diagnostiek van de milieukwaliteit. Bij deze methoden wordt informatie verkregen uit een milieukwaliteitsmeetnet geincorporeerd met een kwaliteitsmodel. Op deze manier wordt de in de algemene praktijk voorkomende schaarsheid aan metingen aangevuld door middel van modeluitkomsten (model-interpolatie). Anderzijds wordt voorkomen dat modeluitkomsten en metingen twee totaal verschillende diagnoses opleveren (model-calibratie). Dit rapport behandelt de mogelijke toepasbaarheid van twee zulke data-assimilatie methoden. Beide methoden worden met elkaar vergeleken. De eerste, een optimum interpolatietechniek bekend onder de naam Kriging, is eenvoudig en levert acceptabele nauwkeurigheid. Echter, ten opzichte van de andere techniek zijn meer metingen vereist. Bovendien gaat deze methode uit van aannamen met betrekking tot isotropie der data en de zogenaamde intrinsieke hypothese. De aanname met betrekking tot isotropie kan, maar dan ten koste van nog meer metingen, afgezwakt worden. De intrinsieke hypothese is essentieel. Aan beide aannamen wordt in de praktijk meestal matig of slecht voldaan. De aanname in de tweede methode, Kalman filter-techniek, met betrekking tot de data zijn realistischer. Het blijkt dat deze methode ook met veel minder metingen nog goed toepasbaar is. Daar tegenover staat dat het Kalman filter rekentechnisch (CPU-tijd en data-opslag) zware eisen stelt. Volgens Chandrasekhar kan men deze methode, onder zekere veronderstellingen met betrekking tot de modelstructuur, modificeren zodat hij, onder behoud van de typische filter eigenschap, rekentechnisch veel minder veeleisend is. Aan deze veronderstellingen wordt in de onderhavige problematiek voldaan.<br>
    • Data Assimilation in Groundwater Quality Models Using Kriging. Part I

      Zhang XF; van Eijkeren JCH; Heemink AW; TUD; CWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      As part of a research program directed towards the development of data assimiliation procedures for environmental models, in this report kriging techniques to integrate models and monitoring networks are studied. Simulated data are obtained from a random concentration field Z(x,t) which is generated as a sum of a deterministic component mu (x,t) giving the main trend of Z (x,t) and a stochastic component e (x) giving the natural variation of Z (x,t) around mu (x,t) with zero mean, constant variance and high spatial correlation. The deterministic part mu (x,t) with known mu (x,0) is formed as a superposition of a constant background concentration field and a rotating cone interpreted as the representation of a local pollution. To integrate models and data simple kriging and universal kriging techniques are implemented and compared. In each experiment the number of observations N is varied, as well as the spatial observation pattern which may be regular or irregular. Every case is subdivided into the situations that the spatial correlation structure, i.e. the semivariogram, is known or not. The method for fitting a semivariogram model is also investigated. In particular, some drawbacks existing in a popularly used cost criterion of weighted least squares method for fitting a semivariogram model are pointed out, and a new cost criterion is proposed. The simulation study illustrates the advantages of the proposed new cost criterion. Further, for a specified underlying realization of a stochastic process, different semivariogram models are employed for kriging. Since the real concentration is known in all these cases, the data assimilation methods are quantitatively compared with the real concentration field. In the next research phases emphasis will be on the elaboration of data assimilation procedures, the testing of their applicability in practice under various conditions, and if necessary and feasible the incorporation of more physics-based information into procedures.<br>
    • Data Issues of Global Environmental Reporting: Experiences form GEO-2000

      Woerden J van (eds); MNV; SB5; LWD; LLO (2000-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Data Issues of Global Environmental Reporting: Experiences form GEO-2000

      Woerden J van; MNV; SB5; LWD; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-28)
      The report highlights major problems encountered when trying to derive policy-relevant environmental information from underlying core data sets. Major data gaps and shortcomings are identified for reporting on global environment problems and sustainable development. Issues of data integration, processing and mapping are described and exemplified by various assessment examples, such as land degradation, climate change and water stress.
    • Data Management in support of Integrated Environmental Assessment and Modelling at RIVM (Including the 1995 Catalogue of International Data Sets)

      Woerden JW van; Diederiks J; Klein Goldewijk K; CIM (1995-10-31)
      Dit rapport beschrijft hoe mondiale en regionale gegevens beheerd worden binnen het RIVM, in relatie tot UNEP's Global Environmental Outlook en andere internationale milieurapportages en 'global change'-studies. Het merendeel van deze gegevens wordt gebruikt als basisbestanden voor onderzoek en modellering ten behoeve van milieuverkenningen, terwijl een beperkt deel bestaat uit resultaten van dergelijk onderzoek. De basisgegevens worden eveneens gebruikt om milieu-indicatoren voor integrale rapportages te ontwikkelen en te definieren. Het beheer van internationale gegevens maakt binnen het RIVM deel uit van de informatie-infrastructuur en de daarbinnen ontwikkelde gegevenslogistieke tools voor meta-gegevens, data kwaliteitscontrole en rapportpublicatie. In aanvulling op het beschrijven van een selectie van meta-gegevens van internationale bestanden als de 1995 data catalogus, is getracht de data-logistieke activiteiten te plaatsen in een bredere context van data management, door een verbinding te leggen met de behoeften aan data en de ontwikkeling van de informatie-infrastructuur
    • A data model for an exposure assessment database for consumer products

      Veen MP van; LBO (1996-04-30)
      Om in staat te zijn standaardwaarden te gebruiken in de blootstellingsanalyse van consumentenproducten, categoriseerde Van Veen consumentenproducten in een beperkt aantal categorien en werd een overzicht van de geschikbare gegevens gemaakt. Via een database zullen gegevens beschikbaar gemaakt worden voor gebruikers en computerapplicaties. Het rapport beschrijft de structuur en de gegevens van zo'n database, gebruikmakend van een gegevensmodel. Dit gegevensmodel zal gebruikt worden om een relationele database op te zetten, die de standaardwaarden en -scenario's voor de blootstellingsanalyse bevat. De centrale entiteit in het gegevensmodel is het product. Het product is verbonden met de contact-, blootstellings- en opnamescenarios, zowel op een directe manier, om specifieke data op te slaan, als indirect via de productcategorie, om standaardwaarden op te slaan. Het product is ook verbonden met entiteiten die informatie over het product bevatten, zoals de samenstelling, de producent en literatuurreferenties.
    • Data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu - Haalbaarheidsstudie en plan van aanpak

      Staatsen BAM; Mulder YM; van Overveld AJP; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-31)
      Een web-based data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu draagt bij aan de ontsluiting en harmonisatie van lokale en nationale gegevens en zal daarmee de formulering en evaluatie van milieubeleid vergemakkelijken. In dit rapport zijn op basis van de ervaringen met vergelijkbare initiatieven en de wensen van de doelgroepen (alle overheden, GGD'en, milieudiensten en de burger) een programma van eisen en een voorstel voor de ontwikkeling van een dergelijk platform beschreven. Het data-uitwisselingsplatform moet de mogelijkheid bieden om landelijke, regionale en lokale milieu- en gezondheidsgegevens uit te wisselen, te vergelijken en te analyseren. Het voorstel is om te beginnen met een pilot waarbij met reeds beschikbare applicaties een selectie van gegevens ontsloten wordt, zodat betrokken overheden deze snel kunnen gebruiken voor hun eigen toepassingen. Naar aanleiding van de ervaringen in de pilot wordt een ontwerprapport voor het vervolg opgesteld. Op basis hiervan kan besloten worden tot de daadwerkelijke bouw van een maatwerkapplicatie.
    • Databank voor zeldzame aandoeningen. Is een "weesbase" haalbaar?

      de Vries C; Hegger I; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-16)
      Er is in Nederland geen databank die een complete verzameling van Nederlandse prevalentiegegevens voor zeldzame aandoeningen levert. Door het RIVM is onderzocht of het ontwikkelen van een complete databank met betrouwbare prevalentiegegevens voor zeldzame aandoeningen in Nederland haalbaar is. Uit dit onderzoek blijkt dat het ontwikkelen en in stand houden van een databank zeldzame aandoeningen mogelijk is indien dit duidelijk gecoordineerd wordt en een financiele tegemoetkoming tot stand gebracht wordt voor de lange termijn.
    • Database biocidengebruik in verschillende bedrijftypes : Inventarisatie van toegelaten en niet-toegelaten middelen

      Scheepmaker JWA; de Jong FMW; van der Grinten E; Alkadhimi M; SEC ; LER ; EMI; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-25)
      De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de biocidenregelgeving. Op verzoek van de ILT heeft het RIVM een systeem ontwikkeld dat per bedrijfstype aangeeft over welke biociden het kan beschikken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen middelen die wettelijk zijn toegelaten, middelen die niet zijn toegelaten, en middelen die wel zijn toegelaten maar verkeerd worden gebruikt. Deze laatste twee typen worden hierna samengevat onder de term Niet Toegestane middelen (NT-middelen). De gegevens zijn ondergebracht in een database. De biociden zijn aan bedrijfstypen gekoppeld op basis van de beoogde toepassing van de biociden. Bij de bedrijfstypen is aangegeven hoeveel NT-middelen zij mogelijk gebruiken ten opzichte van het totale pakket aan biociden. Op basis hiervan kan de ILT een idee krijgen bij welke bedrijfstypen de kans het grootst is dat ze NTmiddelen gebruiken. Dit is slechts een indicatie, omdat in deze fase van het onderzoek het feitelijke gebruik niet bekend was. Vervolgens kan de inspectie daar het toezicht op richten. De database bevat biociden die in Nederland, België en het Verenigd Koninkrijk zijn toegelaten. Biociden die in het buitenland zijn toegelaten maar in Nederland niet, zijn aangemerkt als NT-middelen. Tevens zijn biociden toegevoegd die in Nederland voorlopig zijn toegelaten, biociden waarvan de toelating is ingetrokken, en biociden die op internet zijn aangetroffen hoewel ze niet zijn toegelaten.
    • A database of methane concentrations as measured in the Netherlands and Europe

      Janssen LHJM; Wal JT van der; Hollander JC; Vermeulen A; Vosbeek MEJP; LLO (1997-02-28)
      Om meer inzicht te verkrijgen in de emissies en bronnen en putten van methaan op kleine schaal is het project 'Bronnen, ruimtelijke opschaling en validatie van Methaan emissies in Nederland en West-Europa' gestart in de 2e fase van het Nationaal Onderzoeksprogramma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering (NOP-2). Het doel van dit project is om een gevalideerde database van CH4 emissies te realiseren op een schaal van 5x5 km en 25x25 km voor Nederland en Europa respectievelijk voor de belangrijkste broncategorieen. Validatie van de CH4 emissies gebeurt door resultaten van berekeningen met atmosfeermodellen te vergelijken met metingen van CH4 in de buitenlucht. Een product van dit project is een gegevensbestand van methaanconcentraties zoals gemeten in Nederland en Europa. In dit rapport worden de gegevens van methaanmetingen zoals ze zijn uitgevoerd op 4 locaties in Nederland en op 3 locaties in noord-west Europa gedurende de periode 1990-1994 bijeengebracht. Behalve gegevens over CH4-concentraties in de buitenlucht, zijn ook meteorologische gegevens, zoals gemeten door het KNMI in de buurt van de Nederlandse CH4-meetstations, in de database bijeengebracht. De bronnen van de gegevens, het gegevensformaat, de procedures voor gegevensbewerking en de gegevensbestanden die zijn gemaakt om de data op een systematische manier op te kunnen slaan worden beschreven. Verder worden tijdreeksen van de metingen over de periode 1990-1994 gepresenteerd.
    • A database of methane concentrations as measured in the Netherlands and Europe

      Janssen LHJM; Wal JT van der; Hollander JC; Vermeulen A; Vosbeek MEJP; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      In order to increase our knowledge of methane emissions on a small scale the project 'Sources, regional scaling and validation of CH4 emissions from the Netherlands and Northwest Europe' is carried out in the framework of Phase 2 of the National Research Program on Global Air Pollution and Climate Change (NRP-2). This project aims at the development of a validated CH4 emission database on a scale of 5x5 km and 25x25 km for the Netherlands and Europe respectively for the main source categories. CH4 emissions are validated in this project by comparing results of atmospheric models which use this emission database as an input, with measured CH4 concentrations. In this report the data of methane measurements at 4 locations in the Netherlands and 3 locations in Northwest Europe over the period 1990-1994 are gathered and reported. Besides data on CH4 concentrations also meteorological data as measured by KNMI near the measuring sites in the Netherlands are included in the database. The sources of the data, their formats, the procedures to process the data, the databases which are constructed to include the data in a systematic way and time series of the CH4 measurements over the period 1990-1994 are described in this report.
    • Dataopslag, monitoring en evaluatie van dierproeven, proefdieren en 3V-alternatieven voor proefdiergebruik in Nederland

      van Zijverden M; Noorlander CW; Deleu S; NKA; V&Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2013-05-01)