• e-Medication met behulp van apps : Gebruik en gebruikerservaringen

      van Kerkhof LWM; van de Laar K; Schooneveldt B; Hegger I; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-15)
      De afgelopen jaren zijn er veel apps voor het gebruik van medicijnen beschikbaar gekomen, voor zowel professionals als burgers. In hoeverre deze apps worden gewaardeerd, hangt vooral af van het gebruiksgemak. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder gebruikers van apps die voor diabetici en anesthesiologen zijn ontwikkeld. Beide groepen gebruikers ervaren veel voordelen en weinig nadelen bij het gebruik. Het grootste voordeel is dat informatie snel en up-to-date beschikbaar is. Gezondheidswinst en verbeterde zelfredzaamheid (voor mensen met diabetes) zijn andere voordelen. De mate waarin de apps worden gebruikt door de onderzochte doelgroepen, loopt sterk uiteen. De ondervraagden geven aan gezondheidsapps niet te gebruiken als ze tijdrovend of niet handig in het gebruik zijn of onbetrouwbaar lijken. Gebruikers maken zich niet zozeer zorgen over zaken als privacy van hun gegevens en de kwaliteit van de app. Voor professionals als doelgroep onderzocht het RIVM het gebruik van apps onder anesthesiologen tijdens hun werk. Ze worden veel gebruikt, vooral om doseringen te berekenen, een keus te maken in de anesthetica en om te checken of het gekozen middel matcht met andere medicijnen die de patiënt gebruikt. Voor burgers als doelgroep is bekeken hoe diabetici apps gebruiken die hen ondersteunen bij het reguleren van hun bloedglucoseniveaus. De intensiteit van het gebruik was heel anders: dit type apps wordt slechts door ongeveer een derde van de ondervraagde mensen met diabetes gebruikt. Degenen die aangeven geen apps te gebruiken, weten vaak niet dat dergelijke apps bestaan, maar zijn er in principe wel in geïnteresseerd. Een goede instructie over het gebruik en een garantie op betrouwbaarheid zijn voorwaarden om ze te gaan gebruiken. Degenen die de apps wel gebruiken, zijn erg positief over het nut ervan.
    • Early warning systems to detect new and emerging risks in Europe

      Palmen NGM; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-05-24)
      Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dat mensen op de werkvloer minder aan kankerverwekkende stoffen blootstaan. Hiervoor is het belangrijk dat stoffen en processen die kanker kunnen veroorzaken snel worden opgespoord. Op Europees niveau is ook interesse voor deze zogeheten early warning systems, maar landen gebruiken hiervoor verschillende systemen. Het RIVM heeft in 51 Europese landen geïnventariseerd welke dat zijn om nieuwe en toenemende risico's op te sporen. Zeven landen hebben, soms met een ander land, een 'signaleringssysteem' ontworpen. Hiermee kunnen artsen gezondheidseffecten, waaronder kanker, melden als ze vermoeden dat die effecten worden veroorzaakt door stoffen of arbeidsprocessen waarvan het kankerverwekkende effect nog niet bekend is. Naar aanleiding van een melding onderzoekt vervolgens een expertgroep of er daadwerkelijk sprake is van een oorzakelijk verband tussen de blootstelling en de gemelde gezondheidseffecten. Tien andere landen gebruiken een systeem dat niet speciaal is ontworpen om onbekende risico's te signaleren, maar daar desgewenst wel voor kan worden ingezet. Naast de signaleringssystemen zijn er een aantal databases beschikbaar die informatie bevatten over de blootstelling aan gevaarlijke stoffen of processen en gezondheidseffecten. Deze databases kunnen worden gebruikt om mogelijk schadelijke stoffen op te sporen. Ook hier vervullen expertgroepen een elementaire rol om de signalen te evalueren. Experts vinden het essentieel dat elk land expertisecentra heeft waar werknemers terecht kunnen die mogelijk ziek zijn geworden door hun werk en die onderzoeken of er een verband is tussen de blootstelling en het gemelde gezondheidseffect. Deze casussen dienen te worden verzameld en geëvalueerd; volgens de meeste landen die aan dit onderzoek hebben meegedaan bij voorkeur in internationaal verband. Ook hebben zij hiervoor mogelijkheden aangereikt. Onder andere is voorgesteld om het bestaande netwerk van specialisten op het gebied van arbeidsgelateerde gezondheidseffecten (MODERNET) of andere internationale comités die hierover adviseren, te gebruiken. Als uit de evaluaties blijkt dat er werkelijke sprake is van een nieuw of toenemend risico, is actie nodig om het risico te beperken. Deze studie reikt hiervoor mogelijkheden aan.
    • EARSS Annual report 2005, On-going surveillance of S. pneumoniae, S. aureus, E. faecalis, E. faecium, E. coli, K. pneumoniae and P. aeruginosa

      CIE (EARSS Management Teammembers of the Advisory Boardand national representatives of EARSS, 2006-10-01)
      The European Antimicrobial Resistance Surveillance System (EARSS) is an international initiative funded by the Director General for Health and Consumer Protection (DG SANCO) of the European Commission and the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sports. It maintains a comprehensive surveillance and information system that links national networks by providing comparable and validated data on the prevalence and spread of major invasive bacteria with clinically and epidemiologically relevant antimicrobial resistance in Europe. EARSS collects routinely generated antimicrobial susceptibility (AST) data, provides spatial trend analyses and makes timely feedback available via an interactive website at www.rivm.nl/earss. Routine data for major indicator pathogens (Streptococcus pneumoniae, Staphylococcus aureus, Enterococcus faecalis, Enterococcus faecium, Escherichia coli, Klebsiella pneumonia and Pseudomonas aeruginosa) are regularly submitted by over 900 laboratories serving around 1400 hospitals in 32 European countries. By the end of 2005 two new countries joined the EARSS initiative, Lithuania and Turkey. Based on a previous laboratory/hospital questionnaire, the overall hospital catchment population of the EARSS network is estimated to include over 100 million inhabitants in the European region, with national coverage rates that ranged between 20-100% for individual countries. In 2005, information on the laboratory demands for external quality assessment (EQA) was collected by questionnaire. Several countries do not have formal agreements on national or international quality assessment schemes in place. Among the international providers of EQA the British UK-NEQAS scheme was most frequently named by countries. Alternatively, different national schemes are in place, either alone or in combination with one of the international programs. Importantly, the majority of laboratories that participate in EARSS utilise some type of EQA, demonstrating their commitment to diagnostic accuracy. In Europe the proportion of antibiotic resistant S. pneumoniae keeps changing with decreasing penicillin-resistance in some highly endemic countries and with continuous loss of susceptibility against penicillin and erythromycin in others. The main resistance phenotypes in pneumococci are confined to few serogroups, all of which are included in the currently promoted conjugate vaccines. This suggests that vaccination, especially in young children, may represent an effective additional means of controlling antibiotic resistance in pneumococcal disease in Europe. The increase of MRSA is consistent throughout Europe and includes countries with high, medium and low baseline MRSA endemicity. At the same time it appears that the MRSA pandemic is not an irreversible secular trend as two European countries (Slovenia and France) succeeded in constantly reducing the proportion of MRSA among S. aureus blood stream infections over the past five or six years. The speed with which fluoroquinolones loose their activity against E. coli is next to no other compound pathogen combination in the EARSS database. Combined resistance is a frequent occurrence, with co-resistance to three antimicrobial classes including third generation cephalosporins already among the four most common resistance patterns encountered in invasive E. coli in Europe, and undeniably these resistance traits are on the increase as well. In K. pneumoniae a high prevalence of resistant strains to third generation cephalosporins, fluoroquinolones and aminoglycosides becomes evident in Eastern and Southeastern Europe. Combined resistance is the dominant threat imposed by invasive P. aeruginosa. Our data suggest that the same geographical gradient exists for all gramnegative pathogens and shows that lower resistance prevails in the Northwest with increasing resistance towards the Southeast of Europe. It appears that the overall threat imposed on European communities by the increasing loss of antimicrobial effectiveness continues unabated with the same speed as has been previously described by our network. This is shown most convincingly among the pathogens that are frequently transmitted in health care settings (MRSA and VRE) and for antimicrobial compounds that are available for oral administration and hence preferred in ambulatory care (aminopenicillins, macrolides, and fluoroquinolones). The growing availability of third-line antimicrobial drugs as oral formulations is in this context a matter of concern and underscores the need of locally or nationally advised prescribing practices for both ambulatory and hospital-based care.
    • EARSS Annual report 2005, On-going surveillance of S. pneumoniae, S. aureus, E. faecalis, E. faecium, E. coli, K. pneumoniae and P. aeruginosa

      EARSS Management Team, members of the Advisory Board, and national representatives of EARSS; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-01)
      The European Antimicrobial Resistance Surveillance System (EARSS) is an international initiative funded by the Director General for Health and Consumer Protection (DG SANCO) of the European Commission and the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sports. It maintains a comprehensive surveillance and information system that links national networks by providing comparable and validated data on the prevalence and spread of major invasive bacteria with clinically and epidemiologically relevant antimicrobial resistance in Europe. EARSS collects routinely generated antimicrobial susceptibility (AST) data, provides spatial trend analyses and makes timely feedback available via an interactive website at www.rivm.nl/earss. Routine data for major indicator pathogens (Streptococcus pneumoniae, Staphylococcus aureus, Enterococcus faecalis, Enterococcus faecium, Escherichia coli, Klebsiella pneumonia and Pseudomonas aeruginosa) are regularly submitted by over 900 laboratories serving around 1400 hospitals in 32 European countries. By the end of 2005 two new countries joined the EARSS initiative, Lithuania and Turkey. Based on a previous laboratory/hospital questionnaire, the overall hospital catchment population of the EARSS network is estimated to include over 100 million inhabitants in the European region, with national coverage rates that ranged between 20-100% for individual countries. In 2005, information on the laboratory demands for external quality assessment (EQA) was collected by questionnaire. Several countries do not have formal agreements on national or international quality assessment schemes in place. Among the international providers of EQA the British UK-NEQAS scheme was most frequently named by countries. Alternatively, different national schemes are in place, either alone or in combination with one of the international programs. Importantly, the majority of laboratories that participate in EARSS utilise some type of EQA, demonstrating their commitment to diagnostic accuracy. In Europe the proportion of antibiotic resistant S. pneumoniae keeps changing with decreasing penicillin-resistance in some highly endemic countries and with continuous loss of susceptibility against penicillin and erythromycin in others. The main resistance phenotypes in pneumococci are confined to few serogroups, all of which are included in the currently promoted conjugate vaccines. This suggests that vaccination, especially in young children, may represent an effective additional means of controlling antibiotic resistance in pneumococcal disease in Europe. The increase of MRSA is consistent throughout Europe and includes countries with high, medium and low baseline MRSA endemicity. At the same time it appears that the MRSA pandemic is not an irreversible secular trend as two European countries (Slovenia and France) succeeded in constantly reducing the proportion of MRSA among S. aureus blood stream infections over the past five or six years. The speed with which fluoroquinolones loose their activity against E. coli is next to no other compound pathogen combination in the EARSS database. Combined resistance is a frequent occurrence, with co-resistance to three antimicrobial classes including third generation cephalosporins already among the four most common resistance patterns encountered in invasive E. coli in Europe, and undeniably these resistance traits are on the increase as well. In K. pneumoniae a high prevalence of resistant strains to third generation cephalosporins, fluoroquinolones and aminoglycosides becomes evident in Eastern and Southeastern Europe. Combined resistance is the dominant threat imposed by invasive P. aeruginosa. Our data suggest that the same geographical gradient exists for all gramnegative pathogens and shows that lower resistance prevails in the Northwest with increasing resistance towards the Southeast of Europe. It appears that the overall threat imposed on European communities by the increasing loss of antimicrobial effectiveness continues unabated with the same speed as has been previously described by our network. This is shown most convincingly among the pathogens that are frequently transmitted in health care settings (MRSA and VRE) and for antimicrobial compounds that are available for oral administration and hence preferred in ambulatory care (aminopenicillins, macrolides, and fluoroquinolones). The growing availability of third-line antimicrobial drugs as oral formulations is in this context a matter of concern and underscores the need of locally or nationally advised prescribing practices for both ambulatory and hospital-based care.
    • EARSS: European Antimicrobial Resistance Surveillance System; data from the Netherlands (1999).Incidence and resistance rates for Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus

      Goettsch WG; Neeling AJ de; CIE; LIO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-30)
      In a porspective prevalence and incidence survey in The Netherlands in 1999 antimicrobial susceptibility data on invasive Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus infections were collected sithin the framework of European Antomicrobial Resistance Surveillance System (EARSS). The EARSS project covered approximately 40% of the Dutch population (extramural) and 40% of the total number of patient-days (intramural). Penicillin resistance in S. pneumoniae was minimal; only 9 of 767 (1,2%) isolates were non-susceptible. Resistance to oxacillin in S. aureus was low, only (0,3%) isolates were MRSA (mecA positive). The incidence of invasive S. pneumoniae was 117 cases/1.000.000 person-years; the incidence of invasive penicillin non-susceptible S. pneumoniae was 1 case/1.000.000 person-years. The incidence of invasive S. aureus infections was 0.25 cases/1000 patient-days; the incidence of invasive MRSA infections was 0.0006 cases/1000 patient-days. It may be concluded that resistance to antibiotics in these two pathogens, when compared to other European countries, is still very low.
    • EARSS: European Antimicrobial Resistance Surveillance System; data from the Netherlands (1999).Incidence and resistance rates for Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus

      Goettsch WG; de Neeling AJ; CIE; LIO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-30)
      Gevoeligheid voor antimicrobiele middelen in Streptococcus pneumoniae en Staphylococcus aureus werd bepaald in 1999 in Nederland binnen het raamwerk van het European antomicrobial Resistance Surveillance System (EARSS). Het EARSS project had in Nederland een dekkingsgraad van 40% van de Nederlandse populatie (extramuraal) en 40% van het totale aantal patientdagen (intramuraal). Resistentiie tegen penicilline in S. pneumoniae was minimaal; slechts 9 van 767 (1,2%) isolatn waren niet gevoelig. Resistentie tegen oxacilline in S. aureus was ook laag; slechts 4 ((0,3%) isolaten waren MRSA. de incidentie van invasieve S. pneumoniae was 117 gevallen/1.000.000 persoonsjaren, de incidentie van invasieve penicilline niet gevoelige S. pneumoniae was 1 geval/1.000.000 persoonsjaren. De incidentie van invasieve S. aureus infecties was 0,25 gevallen/1000 patientdagen; de incidentie van invasieve MRSA infecties was 0,0006 gevallen/1000 patientdagen. hetis duidelijkj dat resistentie tegen antibiotica bij deze twee pathogenen in vergelijkijng tot andere Europese landen nog steeds erg laag is.<br>
    • EC-collaborative study on the determination of aflatoxin B1 in animal feeding stuffs

      Egmond HP van; Heisterkamp SH; Paulsch WE (1989-08-31)
      Een gemeenschappelijk onderzoek werd georganiseerd om een methode te testen, die binnen de EEG kandidaat staat als officiele methode voor het bepalen van aflatoxine B1 in samengestelde diervoeders. Aan het onderzoek namen 25 laboratoria uit 11 EG-landen deel. Met de methode, gebaseerd op extractie met chloroform en zuivering over SEP-pak Florisil en C18 patronen, konden zowel hogedrukvloeistofchromatografie (HPLC) als dunnelaagchromatografie (DLC) worden toegepast bij de eindbepaling. Het onderzoek werd in twee gedeelten uitgevoerd: Een voorstudie, waarbij twee oefenmonsters werden onderzocht en de eigenlijke studie, waarbij 6 onbekende monsters werden onderzocht met gehalten aan aflatoxine B1: <2, 8 en 14 mug/kg. Statistische analyse werd uitgevoerd volgens ISO 5725. Het onderzoek wees uit dat de methode aan de verwachtingen voldeed. Binnen-laboratorium en tussen-laboratorium spreiding waren 11% resp. 18% bij contaminatie niveau's van 8 en 14 mug/kg. De methode is aanbevolen om in de officiele EG-regelgeving te worden opgenomen.
    • Eco-efficiency in industrial production

      Raesfeld A von; Bakker F de; Groen A; NOP (Universiteit Twente (UTw), 2001-12-02)
      Abstract niet beschikbaar
    • Het ecohydrologisch voorspellingsmodel DEMNAT-2; conceptuele modelbeschrijving

      Witte JPM; Groen CLG; Nienhuis JG; LWD; LUW; CML (Landbouwuniversiteit Wageningen LUWCentrum voor Milieukunde Leiden CMLRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM, 1992-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Het ecohydrologisch voorspellingsmodel DEMNAT-2; interpretatie van de rekenresultaten

      Groen CLG; Meijden R; Nienhuis JG; Pakes U; Witte JPM; CML; RHHB; LBG; RIZA; LUW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM; Centrum voor Milieukunde Leiden CML; Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA, 1992-12-31)
      Eind 1990 besloten RIVM en RIZA gezamenlijk de ontwikkeling van een nieuwe versie van het Dosis-EffectModel NAtuur Terrestrisch (DEMNAT) ter hand te nemen. DEMNAT is een landelijk toepasbaar voorspellingsmodel voor de effecten van ingrepen in de waterhuishouding op de vegetatie. Voor een scenario-analyse met DEMNAT wordt alle informatie over vegetatie (ecotoopgroepen), bodem en grondwater (ecoseries) en hydrologische doses bijeengebracht. Er vindt een geografische schematisatie plaats naar ecoplots. Dat zijn ruimtelijke eenheden die homogeen zijn voor hydrologische eenheid, ecoserie en ecotoopgroep. De berekeningen vinden vervolgens plaats per ecoplot. De effecten kunnen per ecotoopgroep worden uitgedrukt als verandering van volledigheid. De effecten kunnen ook worden uitgedrukt als een verandering in natuurwaarde. Dit geeft de mogelijkheid om de veranderingen per afzonderlijke ecotoopgroep te combineren, rekening houdend met het relatieve belang uit oogpunt van natuurbehoud, dat aan de verschillende ecotoopgroepen wordt toegekend. Met DEMNAT kunnen berekeningen worden uitgevoerd voor vier typen ingrepen in de waterhuishouding, namelijk verandering van de Gemiddelde VoorjaarsGrondwaterstand (GVG), verandering in de hoeveelheid kwel, verandering in oppervlaktewaterpeil en verandering in het percentage systeemvreemd oppervlaktewater. Met DEMNAT kunnen zowel schade als herstel als gevolg van ingrepen in de waterhuishouding worden berekend. Voor schade en herstel worden afzonderlijke dosis-effectfuncties gebruikt. De reden daarvoor is dat voor veel combinaties van ecotoopgroepen, ecoseries en hydrologische veranderingen aanwijzingen bestaan dat herstel minder snel of minder volledig optreedt dan schade. Voor het Beleidsplan Drink-en Industriewatervoorziening en bijbehorend MER zijn 8 basisscenario's doorgerekend met DEMNAT. In een scenario wordt uitgegaan van een verandering in gewonnen hoeveelheid grondwater voor een bepaalde toepassing (o.a. drinkwatervoorziening) op een bepaalde wijze (o.a. freatische winning). Aangezien er vrij veel grondwater wordt gewonnen rond verschillende stuwwallen, zijn vooral langs de randen van stuwwallen aanzienlijke effecten gelocaliseerd.Ecotoopgroepen waarvoor in de meeste scenario's relatief grote veranderingen optreden, zijn degene op voedselarme, zwak zure bodem (ecotoopgroepen K22, H22, K42, H42, A12). Relatief kleine veranderingen treden op voor het grotendeels buiten het modelgebied gelegen K23 (kruidvegetaties op natte voedselarme basische bodem), en voor de meest algemene in beschouwing genomen ecotoopgroep A18 (aquatische vegetaties in zeer voedselrijk water). Uit de resultaten blijkt ook dat ten opzichte van de referentiesituatie verschillende scenario's een duidelijke bijdrage leveren aan het herstel van grondwatergebonden ecosystemen. Toch blijft herstel van de natuurwaarden zelfs bij een volledige beeindiging van de beschouwde grondwaterwinningen, nog beperkt tot minder dan een kwart van het verschil tussen de actuele situatie en de referentie. Andere ingrepen in de waterhuishouding zijn daarvoor van groot belang.
    • Het ecohydrologisch voorspellingsmodel DEMNAT-2; technische modelbeschrijving

      Nienhuis JG; Gan JBS; Lieste R; LBG (1992-12-31)
      Om inzicht te krijgen in de ecologische gevolgen van waterbeheer en -beleid worden vaak ecohydrologische voorspellings-modellen gebruikt. DEMNAT (Dosis Effect Model Natuur Terrestrisch) is hier een voorbeeld van. De tweede versie van dit model (DEMNAT-2) is ontwikkeld door het RIVM en het RIZA om inzicht te geven in de ecologische effecten van scenario's die betrekking hebben op de toekomstige drink- en industriewaterwinning in Nederland. Speciaal ontwikkelde rekenprogramma's en een Geografisch Informatie Systeem (GIS) zijn gebruikt om de veranderingen van vochtige en natte ecosystemen te berekenen. Twee hydrologische modellen, het Landelijk Grondwater Model (LGM) en de Demand Generator (DEMGEN), produceren bestanden met hydrologische veranderingen. Deze veranderingen worden, samen met vegetatie en bodemgegevens, door DEMNAT-2 gebruikt voor het uitvoeren van berekeningen. Het model DEMNAT-2 bestaat uit drie FORTRAN rekenprogramma's: PREDEM (geschikt voor de voorbereiding van invoergegevens), EFFDEM (de effect module) en POSDEM (geschikt voor de nabewerking van rekenresultaten). De ontwikkeling en het gebruik van deze programma's worden toegelicht. Doel van dit rapport is de opbouw van de rekenprogramma's en het gegevenstransport tussen de rekenprogramma's toe te lichten. Dit rapport kan worden gebruikt als handleiding bij de rekenprogramma's, als het in samenhang wordt gebruikt met andere rapporten die in het kader van het onderzoek "Effecten grondwaterwinning ten behoeve van het Beleidsplan Drink- en Industriewatervoorziening en bijbehorend Milieu Effect Rapport" zijn uitgebracht.
    • Ecological effects of pesticide use in the Netherlands: Modeled and observed effects in the field ditch

      Zwart D de; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      This study dealing with risks to the aquatic ecosystem imposed by the application of pesticides in the Netherlands made use of a novel method to calculate aquatic exposure to a large variety of pesticides (261 in total), which is worked out in detail here. Since the entire calculation is founded on GIS-based maps of agricultural land use (51 crops in open culture), it is possible to generate country-wide maps of the results. Through the application of Sensitivity Distributions for aquatic species (SSD), in combination with rules for mixture toxicity calculation, the modeled exposure is transformed to a risk estimate for the species assemblage in the aquatic ecosystem. The risk is expressed as the proportion of species likely to be suffering any effect from the exposure. In the summary of the risk maps, the majority of predicted effects is observed to be caused by the pesticide application practice in growing potato crops: 95% of the predicted risk is caused by only 7 of the 261 pesticide ingredients. The maximum local risk of pesticide use is estimated to affect about 50% of species. For the purpose of validation, local toxic risk estimates were compared to observed species composition in field ditches using simple statistical methods (regression analysis). However, the number of field observations was not sufficient enough to generate quantitative results. The unexplained variability in the biotic field data collected by a range of non-aligned monitoring networks does not allow highly significant conclusions. Nevertheless, there is a weak indication that the predicted risks are associated to biodiversity changes in field-exposed communities.
    • Ecological effects of pesticide use in the Netherlands: Modeled and observed effects in the field ditch

      de Zwart D; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Dit rapport behandeld een nieuwe methode voor het berekenen van het ecologische risico in kavelsloten dat wordt veroorzaakt door het gebruik van een groot aantal bestrijdingsmiddelen (261) in Nederland voor het jaar 1998. De gehele berekening is terug te voeren op een GIS-kaart van het agrarisch landgebruik, waarbij 51 verschillende teelten worden onderscheiden. Hierdoor is het mogelijk om de resultaten in kaartbeelden weer te geven. Door de toepassing van soortengevoeligheidsverdelingen (SSD) en rekenregels voor combinatietoxiciteit, wordt de berekende blootstelling omgerekend naar een risicoschatting voor de aquatische levensgemeenschap die aanwezig hoort te zijn in kavelsloten. Dit risico wordt weergegeven als de fractie van de soorten die wordt geacht enig effect van de blootstelling te ondervinden. In de samenvatting van de risicokaarten wordt aangetoond dat het merendeel van het voorspelde risico wordt veroorzaakt door het gangbare bestrijdingsmiddelengebruik in de aardappelteelt. Slechts 7 van de 261 bestrijdingsmiddelen zijn verantwoordelijk te stellen voor 95% van het voorspelde risico. Voor alle bestrijdingsmiddelen tezamen is 50% het maximum risico dat is berekend voor enige plek in Nederland. Met behulp van simpele statistische regressie technieken is het berekende risico vergeleken met de door waterkwaliteitsbeheerders gemeten soortensamenstelling in het veld. Deze analyse levert een zwakke indicatie dat de voorspelde aantasting van het ecosysteem ook werkelijk waarneembaar is in het veld. Het geringe aantal beschikbare biologische waarnemingen in klavelsloten tezamen met een grote variabiliteit in de meetgegevens is er echter voor verantwoordelijk dat er geen significante relatie tussen modelvoorspelling en waarnemingen is aan te tonen.
    • The ecological footprint of Benin, Bhutan, Costa Rica and the Netherlands

      Vuuren DP van; Smeets EMW; Kruijf HAM de; MNV (1999-07-09)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ecological rehabilitation of the river Rhine: a proposal for a Netherlands research programme

      Admiraal W; Ruijter van Steveninck ED de; Wit JAW de; Cazemier WG (1988-05-24)
      Dit rapport vormt het gezamenlijke onderzoeksproject van RIVM, Rijkswaterstaat (DBW/RIZA) en RIVO om te komen tot herstel van het ecosysteem van de Rijn. Uitgangspunt vormen de doelstellingen zoals geformuleerd in het "Aktie Plan Rijn" (IKSR). Drie hoofdlijnen van onderzoek worden onderscheiden ; 1. ontwikkeling en installatie bio-alarm systemen, 2. verwerking basis kennis, 3. effect studies.
    • Ecological risk assessment of contaminated land - Decision support for site specific investigations

      Jensen J; Mesman M; Bierkens J; Loibner A; Rutgers M; Bogolte T; Celis R; Dirven-van Breemen EM; Erlacher E; Ehlers C; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNational Environmental Research Institute (NERI)SilkeborgDenmarkFlemish Institute for Technological Research (VITO)Centre of Expertise Integrated Environmental SolutionsMolBelgiumUniversity of Natural Resources and Applied Life SciencesViennaDepartment for Agrobiotechnology(IFA-Tulln)Institute for Environmental BiotechnologyTullnAustriaInstitute for Natural Resources and Agrobiology of Seville (CSIC)SevillaSpainNorwegian Institute for Agricultural and Environmental ResearchSoil and Environment Division4sNorwayWRc plcNational Centre for Environmental Toxicology (NCET)SwindonUnited KingdomUtrecht UniversityInstitute for Risk Assessment Sciences (IRAS)UtrechtThe Netherlands, 2006-05-31)
      Dit boek is het product van het door de EU-gefinancierde onderzoeksproject LIBERATION. Dit project had als doel het ontwikkelen van een beslissingsondersteunend systeem (BOS) voor het duurzaam omgaan met verontreinigde bodem, met speciale aandacht voor organische stoffen. Het doel van het boek is om ondersteuning te bieden aan risicobeoordelaars en bodembeheerders bij hun besluitvorming over verontreinigde bodems. Het BOS is gebaseerd op een gelaagde aanpak en is onderverdeeld in drie stappen: - Stap 1. Beschrijving van de locatie en het bodemgebruik. - Stap 2. Bepalen van de ecologische aspecten. - Stap 3. Locatiespecifieke beoordeling (de Triade): Laag 1. Eenvoudige verkenning Laag 2. Uitgebreide verkenning Laag 3. Gedetailleerde beoordeling Laag 4. Volledige beoordeling. Elke van de lagen is gebaseerd op meervoudige bewijsvoering waarbij drie sporen van bewijs, namelijk Chemie, Toxicologie en Ecologie, worden gecombineerd. Het boek bevat bruikbare lijsten van technieken en gereedschappen die bruikbaar zijn voor de diverse sporen en lagen. Het boek heeft op een systematische wijze methodes om biobeschikbaarheid van verontreinigde bodem te bepalen, opgenomen in de ecologische risicobeoordeling. Hoewel de meeste methoden nog relatief nieuw zijn en daarnaast ook nog niet volledig gevalideerd en het nog een grote uitdaging is om alle onderliggende processen te begrijpen. Is er desondanks de hoop dat dit boek oproept tot discussie, verdere ontwikkeling van gereedschappen en bovenal stimuleert om meer praktische ervaring op te doen met locatiespecifieke ecologische risicobeoordeling.
    • Ecological risk assessment of contaminated land - Decision support for site specific investigations

      Jensen J; Mesman M; Bierkens J; Loibner A; Rutgers, Michiel; Bogolte T; Celis R; Dirven-van Breemen EM; Erlacher E; Ehlers C; et al. (RIVM, 2006-05-31)
      This book documents the outcome of the EU-funded research project 'LIBERATION', aimed at the development of a decision support system (DSS) for sustainable management of contaminated land with special focus on organic contaminants. The book is geared to providing guidance to risk assessors and stakeholders of contaminated land in their decision-making process. The DSS, which follows a stepwise approach, is divided into three different stages: - Stage I: Site characterisation and description of land use; - Stage II: Determination of ecological aspects and - Stage III: Site-specific assessment (The Triad) consisting of four tiers: 1. Simple screening; 2. Refined screening; 3. Detailed assessment and 4. Final assessment. Each of the tiers is based on a weight of evidence approach combining three lines of evidence (LoEs), Chemistry, Toxicology and Ecology. The book also contains useful lists of techniques and tools dedicated to each tier within the three LoEs. In this book it is shown how measures of bioavailability are systematically incorporated into a framework for ecological risk assessment of contaminated soil. However, most techniques for assessing bioavailability are relatively novel and hence not yet fully validated; the challenge to fully understand the underlying processes controlling bioavailability is still immense. Nevertheless, this book will hopefully generate a discussion, encourage further development of tools and, most important of all, promote more practical experience in site-specific evaluation of ecological risk.
    • The ecological risks of antibiotic resistance in aquatic environments: a literature review

      Mensink BJWG; Montforts MHMM; SEC (2008-02-01)
      Bacterien die resistent zijn voor antibiotica verspreiden zich via het watermilieu, waaronder riool- en oppervlaktewater. De ecologische gevolgen zijn echter nog niet in te schatten, zo blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM in opdracht van de Waterdienst. Het RIVM beveelt aan mogelijke effecten nader te onderzoeken. Het RIVM onderzocht de informatie in de wetenschappelijke literatuur over de milieurisico's die optreden als resistentiegenen in het watermilieu zich verspreiden. Dit zijn genen in bacterien waardoor deze ongevoelig worden voor antibioticirca In Nederland worden jaarlijks voor de behandeling van mens en dier respectievelijk 40 en 508 ton antibiotica gebruikt. Als darmbacterien resistent worden voor antibiotica, komen deze bacterien met hun resistentiegenen in rioolwater of in mest terecht. De genen worden op andere bacterien overgebracht via genetisch materiaal dat wordt uitgewisseld. Resistentiegenen van darmbacterien in rioolwater worden teruggevonden in oppervlaktewater stroomafwaarts van de lozingspunten, hoewel de darmbacterien daar niet overleven. Stoffen in het oppervlaktewater, zoals nutrienten, metalen en chemische stoffen, selecteren ook op resistentie bij bacterien. Recente Nederlandse meetgegevens wekken de indruk dat door het gebruik van antibiotica bij de varkensbedrijven meer bacteriele resistentiegenen in het lokale watermilieu zitten. De studies leggen echter geen duidelijk verband tussen de aanwezigheid van genen en het aantal resistente bacterien. Onderzoek naar effecten op het milieu ontbreekt vooralsnog. Omdat resistentiegenen van nature ook voorkomen, en gegevens over de aanwezigheid van resistentiegenen in 'schone' wateren schaars zijn, is het niet duidelijk of er sprake is van een ongewone situatie. Voor deze vergelijking is het ook belangrijk de absolute aantallen van resistente bacterien te meten.
    • Ecological, Social and Economic Evaluation of Transport Scenarios: An Integral Approach. A Phd research programme

      Geurs KT; LAE (2000-07-31)
      Dit rapport beschrijft een onderzoeksprogramma voor de ontwikkeling van een methodiek voor de integrale beoordeling van milieu-, economische en sociale consequenties van verkeers- en vervoerscenario's. De geplande onderzoeksactiviteiten omvatten onder meer: (1) een literatuurstudie naar conceptuele modellen voor de verklaring van de samenhangen tussen het verkeerssysteem en het ecologische, economische, ruimtelijke en sociale systeem, (2) een literatuurstudie naar methodologieen voor de beoordeling van verkeers- en vervoerscenario's, (3) een review van de methodologieen die gebruikt zijn bij de ontwikkeling en evaluatie van verkeers- en vervoerscenario's in binnen- en buitenland, (4) de ontwikkeling van een beoordelingsmethodiek voor een integrale beoordeling van milieu-, economische en sociale consequenties van verkeers- en vervoerscenario's, (5) de toepassing van de beoordelingsmethodiek in enkele case studies.
    • Ecological, Social and Economic Evaluation of Transport Scenarios: An Integral Approach. A Phd research programme

      Geurs KT; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-31)
      This report describes a research programme for the development of a methodology for the integral assessment of ecological, economic and social impacts of transport scenarios. The following research activities are planned: (1) a literature study on theories and conceptual models, explaining the functioning of the land-use-transport system; (2) a literature study on methodologies for the evaluation of transport scenarios; (3) a review of evaluation methodologies used in recent transport scenarios; (4) the development of a methodology for the ecological, economic and social assessment of transport scenarios; (5) the application of the methodology in case studies.