• Gallstone size and the risk of gallbladder cancer, a hospital based case-control study

      Moerman CJ; Lagerwaard FJ; Bueno de Mesquita HB; van Dalen A; van Leeuwen MS; Schrover PAHAM; Berns MPH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-03-31)
      The relation between gallstone size and gallbladder cancer was studied in a hospital based case-control study. Cases were selected on abdominal surgery. The selection criterion for controls was a cholecystectomy performed for a benign gallbladder disorder. Controls were matched with cases on sex, age, hospital and date of admission. A radiologist determined the size of the largest gallstone within the gallbladder by reviewing hard copies of sonographical examinations. Between 1983 and 1989 83 gallbladder cases were identified in the 18 participating hospitals. Of 43 cases and 98 matched controls a measurable stone size was obtained. No relation was found between size of the largest stone within the gallbladder and the occurrence of gallbladder cancer.<br>
    • Galvanische bewerkingen

      Mortier JW du; Ros JPM (1992-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Gamma-exposietempo metingen rondom het COVRA-terrein te Petten

      Dongen; R.van (1984-03-28)
      Dit rapport geeft de resultaten weer van een onderzoek naar het gamma- stralingsniveau aan de terreingrenzen van de toekomstige inrichting voor de opslag van radioactieve afvalstoffen, zijnde de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA BV). het exposietempo gemiddeld over een 16-tal punten bedroeg 2,6 muR/h, exclusief de bijdrage van de kosmische straling. Als gevolg van de aanwezigheid van zandhopen met klei en puin en een verharde weg in de onmiddelijke nabijheid werd op een meetpunt een significant hogere waarde van 4,8 muR/h gemeten.
    • Gamma-exposietempometingen rondom het COVRA-terrein te Petten in april en augustus 1985

      Dongen; R.van (1985-12-31)
      In verband met de ingebruikname door COVRA B.V. van een inrichting, alwaar radioactieve afvalstoffen worden opgeslagen, is door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM een onderzoek ingesteld naar de verhoging van het expostietempo aan de terreingrenzen. In april 1985 en augustus 1985 is resp. op een 11-tal en op een 6-tal plaatsen aldaar het exposietempo bepaald en vervolgens gecorrigeeerd om de bijdrage van de kosmische straling en eventueel voor de invloed van de in werking zijnde cyclotron van Mallinckrodt Diagnostica. Het exposietempo bedroeg gemiddeld over de gemeten punten resp. 4,2 uR/h en 3,5 uR/h. In vergelijking met de waarde bepaald voor de ingebruikname bleek het gemidd. exposietiempo in april 1985 1,8 uR/h hoger te zijn met een maximum van 2,5 uR/h. In augustus 1985 bedroeg deze waarde 1,1 uR/h met een maximum van 1,2 uR/h (maximaal toegestane verhoging bedraagt 0,3 uR/week gemidd. over een jaar, hetgeen overeenkomt met gemidd. 1,9 uR/h).
    • Gamma-exposietempometingen rondom het COVRA-terrein te Petten in november 1984

      Dongen; R.van (1985-04-09)
      In verband met de ingebruikname door COVRA B.V. van een inrichting, alwaar radioactieve afvalstoffen worden opgeslagen, is door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM een onderzoek ingesteld naar de verhoging van het exposietempo aan de terreingrenzen. Op een 20-tal punten aldaar is het exposietempo bepaald en vervolgens gecorrigeerd voor de bijdrage van de kosmische straling en voor de invloed van de in werking zijnde cyclotron van Mallinckrodt Diagnostica. Het exposietempo bedroeg gemiddeld over alle punten 4,0 muR/h. In vergelijking met de waarde bepaald voor de ingebruikname bleek het gemiddeld exposietempo 1,6 muR/h hoger te zijn. Op een 3-tal punten bedroeg de verhoging significant meer dan 1.8 muR/h (maximaal toegestane verhoging bedraagt 0,3 mR/week, gemiddeld over een jaar, hetgeen overeenkomt met gemiddeld 1,8 muR/h).
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2015 en 2016 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-12)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-10-2018 op pagina 41 Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2015 en 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet Volgens de kernenergiewetvergunning moet COVRA N.V. ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens maximaal blootstaan aan een stralingsdosis van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op twaalf locaties het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. Over de jaren 2015 en 2016 is, na het gebruik van de ABC-factor, de hoogste berekende effectieve gammadosis per jaar 2,9 microsievert in 2015 en 3,0 microsievert in 2016.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet <br> <br>COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. <br> <br>In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. <br>
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet

      Broek I van den; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • De gaschromatografische bepaling van 2-cyclohexeen-1-on en 2- cyclohexeen-1-ol in urine

      Doorn L; Dorlijn WL; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      In het kader van het onderzoek naar de aard van de positieve ketonreactie in de urine van ratten die met cyclohexeen zijn behandeld, is een gaschromatografische bepaling van de metabolieten 2- cyclohexeen-1-on en 2-cyclohexeen-1-ol uitgewerkt. Een aantal extractiemiddelen is op hun bruikbaarheid onderzocht en vergeleken met een in de literatuur beschreven methode. Ethylacetaat blijkt een veel hogere recovery op te leveren (ca. 90%) dan het in de literatuur beschreven ether (ca 40%). De lineariteit van de hier beschreven methode is goed.<br>
    • De gaschromatografische bepaling van cholesterol in serum: een kandidaat-referentie methode

      Derks; H.J.G.M.; Heiningen; A.van; Koedam; J.C. (1985-09-30)
      In dit rapport wordt de ontwikkeling van een kandidaat- referentiemethode voor cholesterol in humaan serum beschreven. De methode is gebaseerd op capillaire gaschromatografie, waarbij speciale aandacht is besteed aan het inwegen van standaarden en monsters, de wijze van calibreren en de integratie van chromatografische pieken. De analytische terugwinning bedroeg 99,99% + 0,48% en de reproduceerbaarheid was uitstekend (VC 0,35-0,50%). De cholesterolconcentratie in het Human Reference Serum (SRM 909) van het National Bureau of Standards (Washington DC, USA) zoals bepaald met deze methode bleek niet significant af te wijken van het gecertificeerde waarde.
    • Gasmetingen in importcontainers

      Knol-de Vos T; IMD (2003-11-07)
      Er is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van gasvormige bestrijdingsmiddelen in containers die via de Rotterdamse haven in Nederland worden ingevoerd. Tevens is onderzocht of een risicoprofiel op grond van herkomst, lading of etikettering kon worden gemaakt, van de containers die onder andere in verband met restanten gasvormige Uit het onderzoek is gebleken dat - in eenentwintig procent van de onderzochte steekproef van driehonderddrie containers de bestrijdingsmiddelen methylbromide, formaldehyde of fosfine zijn aangetoond-in geen van de onderzochte containers sulfurylfluoride is aangetoond - in vijftien procent van de onderzochte containers sprake is van een risico ten gevolge van een te laag zuurstofgehalte, explosiegevaar of een kooldioxide- of koolmonoxidegehalte hoger dan de MAC-waarden voor deze verbindingen - in totaal twintig procent van de onderzochte containers een risico vormde, ofwel als gevolg van aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen, ofwel als gevolg van overige parameters - een monsternameprofiel gericht op containers met voedingsmiddelen een verdubbeling van het percentage aangetroffen containers met gasvormige bestrijdingsmiddelen tot gevolg kan hebben.
    • Gasmetingen in importcontainers

      Knol-de Vos T; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-11-07)
      A study was carried out to gain insight into the total number of containers being imported into the Netherlands via Rotterdam harbour, that still contain remnants of gaseous pesticides. The study also checked to see if a 'risk profile' could be drawn up for certain containers due to remnants of gaseous pesticides, depending on the country of origin, cargo or labelling.The study concluded that - - the pesticides methyl bromide, formaldehyde and phosphine were found in 21% of the random sample of 303 containers - sulfuryl fluoride was not found in any of the containers - 15% of the containers represented a risk due to low oxygen levels, risk of explosion or carbon dioxide/carbon monoxide levels higher than the accepted MAC values (a well-known standard in the Netherlands for maximum concentrations of substances) for these compounds - 20% of the containers formed a risk, either due to the presence of pesticides, or as a result of other parameters - a sample profile focusing on containers of foodstuffs could result in double the number of containers being found to include gaseous pesticides
    • GC-FTIR: gaschromatografie met Fourier-Transform infrarood-spectrometrische detectie

      Visser T (1988-10-31)
      De snelheid en de gevoeligheid van de huidige Fourier-Transform infrarood spectrometers hebben geleid tot de toepassing van FTIR-spectrometrie als chemisch specifieke detector bij gaschromatografische scheidingen. In de literatuur gerapporteerde koppelingen zijn geinventariseerd en de mogelijkheden van de geintegreerde techniek GC-FTIR als analytisch instrument zijn onderzocht. De meest relevante toepassingen en resultaten zijn in dit rapport samengevat. Kort wordt ingegaan op de praktische aspecten van de integratie van beide technieken. Een overzicht van commercieel verkrijgbare interfaces en hybride instrumenten wordt gegeven. Realisering van de methode binnen het RIVM is bediscussieerd in relatie tot de mogelijke toepassingen en de beschikbare middelen en apparatuur.
    • Geaggregeerd model voor volume-ontwikkelingen in de luchtvaart. Beschrijving en toepassing van het model PROLIN, een aggregatie van het IEE-model

      Boose JJEC; Gommers FMC; Geurs KT; Wee GP van; LAE (1998-01-31)
      Het rapport beschrijft de totstandkoming van het luchtvaartmodel PROLIN (PROgnosemodel voor de Luchtvaart In Nederland) dat is ontwikkeld om op een snelle manier in eigen beheer te kunnen doorrekenen welk effect economische en prijsontwikkelingen hebben op de groei van de luchtvaart in Nederland, alsmede om de effecten van subsitutie van luchtvaartpassagiers naar de hoge-snelheidstrein door te kunnen rekenen. PROLIN is een vereenvoudigde weergave van het IEE-luchtvaartmodel dat in beheer is bij de Rijksluchtvaartdienst. Uit de vergelijking van de PROLIN-resultaten met de resultaten van het IEE-model blijkt dat PROLIN goed in staat is om (op geaggregeerd niveau) de generatie en substitutie van luchtvaartpassagiers , de hoeveelheid vracht, en het aantal vliegbewegingen op Schiphol te simuleren.
    • Geaggregeerd model voor volume-ontwikkelingen in de zeescheepvaart. Aggregatie van de modellen GSM6 en Progtot3

      Boose JJEC; Saitua R; Schuylenburg M van; Wee GP van; MTV; Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam (1994-11-30)
      Het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam beschikt voor het maken van prognoses van ontwikkelingen in de zeescheepvaart over een tweetal modellen, te weten het GoederenStroomModel (inmiddels versie 6) en een model voor het berekenen van aantallen zeescheepvaartbewegingen in de Rijnmond (Progtot3).GSM6 is een complex model. Het gebruik ervan vergt een lange 'doorlooptijd'. Voor een aantal toepassingen hebben het Gemeentelijk Havenbedrijf en het RIVM behoefte aan een veel 'sneller' model.Daarom hebben het RIVM en het Gemeentelijk Havenbedrijf Rotterdam in een gezamenlijk project GSM6 geaggregeerd, zodat er een model ontstaat dat een geringere hoeveelheid invoervariabelen en een geringere rekentijd nodig heeft dan GSM6. Gecombineerd met het model Progtot3 is het resultaat van de activiteiten het model PROZIN (PROgnosemodel Zeescheepvaart In Nederland). Dit rapport beschrijft het model PROZIN. Verder geeft het rapport een vergelijking tussen de resultaten van de oorspronkelijke modellen en die van het geaggregeerde model PROZIN. De resultaten berekend met GSM6 (respectievelijk Progtot3) en PROZIN komen in het algemeen goed overeen. De verschillen in de totale overslag bedragen maximaal 5%. Op het niveau van de goederengroepen bedraagt het verschil op een enkele uitzondering na maximaal 10%. De conclusie luidt dan ook dat voor een globaal inzicht in de gevolgen van een scenario voor de volume-ontwikkelingen in de zeescheepvaart het geaggregeerde model PROZIN goed voldoet. Verder geeft PROZIN een opschaling van de overslag naar het totaal voor geheel Nederland op basis van de resultaten voor Rotterdam. Tot slot kan nog genoemd worden dat PROZIN naast tonnen overslag ook tonkilometers en scheepvaartkilometers (per scheepsgrootteklasse) berekent. Door de veelzijdige uitvoer ook allerhande aangrijpingspunten voor een in de toekomst te ontwerpen milieu-module voor het berekenen van emissies en energiegebruik als gevolg van de zeescheepvaart.
    • Geaggregeerde blootstelling. Gebruik in verschillende kaders en mogelijkheden

      Schuur AG; van Engelen JGM; Delmaar JE; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-12-07)
    • Een geautomatiseerd optisch veelkanaals-analysatoropstelling voor het meten van NO2 in de atmosfeer

      Bergwerff JB; Budding RW; Onderdelinden D; van Putten ARTh; Strackee L; fys. lab (Rijksinstituut voor de Volksgezondheid, 1978-03-31)
    • Geautomatiseerde distributiesystemen voor geneesmiddelen

      de Rooij-Lamme EK; Groot DW; de Kaste D; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-04-23)
      In toenemende mate worden geneesmiddelen met behulp van geautomatiseerde distributiesystemen (GDS) aan patienten verstrekt. De GDS-machine zorgt ervoor dat de geneesmiddelen per individu en per inname-tijdstip worden verpakt. GDS-machines zijn ontwikkeld om tijd te besparen en de kwaliteit van de geneesmiddelenverstrekking te verbeteren. Met als doel dat elke patient de juiste geneesmiddelen op het juiste tijdstip ontvangt. Volgens een onderzoek van IGZ uit 2002 waren er in die tijd nog onvoldoende kwaliteitswaarborgen van het verpakkingsproces aanwezig, waardoor het gebruik van deze GDS-machines mogelijk een risico vormt voor de patient. Omdat de geneesmiddelen uit de oorspronkelijke verpakking worden gehaald kunnen ze onderling worden verwisseld, kan er kruiscontaminatie ontstaan en kan de houdbaarheid negatief worden beinvloed. Uit het in dit rapport beschreven onderzoek blijkt dat hoofdzakelijk het onderhoud van de GDS-machine en het assortimentsbeheer te wensen overlaat. Er zijn echter geen aanwijzingen gevonden voor het optreden van kruiscontaminatie en ook zijn er bij de onderzochte producten geen houdbaarheidsproblemen geconstateerd. De GDS-rollen zelf zien er over het algemeen goed uit en in 2% van de onderzochte GDS-zakjes is een foutieve uitvulling van geneesmiddelen geconstateerd.
    • Geautomatiseerde ionchromatografische methode voor chloride, nitraat en sulfaat

      Neele J; Beld WA van den; Cleven RFMJ (1994-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Geautomatiseerde ionchromatografische methode voor de bepalingen van halogeniden en halogeenoxiden in drink- en oppervlaktewater

      Neele J; Cleven RFMJ; Versteegh JFM; LAC; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-05-31)
      An automated ionchromatographic gradient separation method with conductivity and UV detection has been developed for the simultaneous determination of trace amounts halogenides and oxyhalides in drinking water and surface water. Ion solute specific retention is affected by the presence of large concentrations of anions in a sample. Confirmation of the identification of bromate and the other anions of interest is possible by comparing the retention as well as the conductivity/UV-ratio response of the component peaks in the sample and in the standards. The lower limit of detection of bromate is 0,0097 mumol/l (1,2 mug/l). Data on column efficiency, peak asymmetry, selectivity and resolution are reported. Recoveries of bromate were affected by the chloride concentration in the sample. Sample preparation with silver cartridges to remove excess of halogenide has found to yield quantitative results with a mean recovery of 100%.<br>