• Lab-on-a-chip devices for clinical diagnostics : Measuring into a new dimension

      Hermsen SAB; Roszek BR; van Drongelen AW; Geertsma RE; PRV; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-21)
      Een lab-on-a-chip (LOC) is een miniatuur laboratoriumsysteem dat binnen en buiten het ziekenhuis voor verschillende medische doeleinden wordt gebruikt. Voorbeelden zijn het bepalen van bloedwaarden, het bloedglucose- en cholesterolgehalte of het aantal HIV-cellen. Het RIVM heeft de state of the art van dergelijke LOC's beschreven, inclusief een overzicht van producten die op de markt zijn of binnenkort verwacht worden. Hieruit blijkt dat deze producten sterk in ontwikkeling zijn en het aanbod in de nabije toekomst verder zal toenemen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Naar verwachting levert het gebruik van LOC's voordelen op ten opzichte van de huidige testwijze in klinisch diagnostische laboratoria. De belangrijkste zijn dat ze het mogelijk maken om op locaties waar dit direct gewenst is snel een diagnose te stellen (point-of-care), en dat er minder monsters en materialen nodig zijn om de tests uit te voeren. Wel is aandacht nodig voor kwaliteitsmanagementaspecten, zoals meetafwijkingen corrigeren (kalibratie), onderhoud van de apparatuur en scholing van de gebruiker. Op die manier gaan de voordelen van LOC's niet ten koste van de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid. Het gebruik van LOC's draagt bij aan de huidige trend van meer zelfredzaamheid in de gezondheidszorg, doordat huisartsen zelf tests kunnen uitvoeren of mensen dat thuis kunnen doen. Daarnaast draagt het bij aan de ontwikkeling van behandelingsvormen die meer op de individuele patiënt zijn geënt (personalized medicine). De kans dat zorgprofessionals LOC's gaan gebruiken neemt toe als zij de ontwikkelaars van LOC's kunnen laten weten hoe ze nog beter aansluiten bij hun behoeften. Dit onderzoek beschrijft ook de technologie die gebruikt wordt bij de LOC's, microfluidica. Deze technologie maakt het mogelijk om vloeistoffen op microschaal te gebruiken en manipuleren.
    • Laboratorium Surveillance Infectieziekten - 1989-1995

      Esveld MI; van Pelt W; van Leeuwen WJ; Banffer JRJ; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      Voor planning m.b.t. bestrijding van infectieziekten moeten overheid en betrokken instanties keuzen maken over de ontwikkeling en implementatie van beheersprogramma's en epidemiologisch en diagnostisch onderzoek. Surveillance is hiertoe een onmisbare ondersteuning. Door het LSI-project wordt landelijk laboratoriumsurveillance van bacteriele infecties via een netwerk van Streeklaboratoria voor de Volksgezondheid (STL) gerealiseerd. De streeklaboratoria omvatten naar schatting 55% van de Nederlandse populatie, verspreid over vrijwel alle provincies. Alle eerste isolaten bij de mens van Salmonella, Bordetella, Legionella, Shigella, Listeria, Yersinia, Streptococcus pyogenes (zowel invasief als oppervlakkig) en invasieve Haemophilus influenzae worden door middel van meldingsformulieren gerapporteerd. Middels een weekformulier wordt het totaal aantal onderzochte faecesmonsters per week geregistreerd. Ook een weekoptelling van de isolaten en een weektotaal van Campylobacter. Salmonella-, Bordetella-, en Streptococcus pyogenes-isolaten dienen opgestuurd te worden naar het Laboratorium voor Infectieziektenscreening en Diagnostiek (RIVM) voor serotypering en faagtypering. Haemophilus influenzae-stammen worden getypeerd door het Referentielaboratorium voor Bacteriele Meningitis. Naast inzicht in trends en voorkomen van enkele bacteriele infecties in Nederland, verschaft het LSI-project inzicht in technische en organisatorische aspecten van landelijke surveillance. In dit rapport wordt zeven jaar registratie beschreven: de periode 1989 tot en met 1995.<br>
    • Laboratorium surveillance van HIV-infecties, regio Arnhem, 1989-1994

      van Duynhoven YTHP; Wiessing LG; Katchaki JN; Nieste HLJ; Esveld MI; Houweling H; CIE; Streeklaboratorium Arnhem (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      In de regio Arnhem vinden sinds april 1989 een aantal surveillance-activiteiten voor HIV-infecties plaats. Dit rapport presenteert de resultaten van vijf jaar monitoring van laboratoriumdiagnostiek van HIV-infecties aangevuld met een continue enquete naar de indicatie voor de test bij alle aanvragers van deze diagnostiek. Van april 1989 tot en met juni 1994 zijn 16.411 testen verricht voor 14.715 personen uit het verzorgingsgebied van het Streeklaboratorium Arnhem (SLA). Het percentage geinfecteerde personen (1,0%, n=140) was bijna twee keer zo klein als het percentage positieve testen (1,8%, n=303). Het aantal positieve personen nam niet toe in de tijd, alhoewel het aantal aangevraagde testen wel sterk is gestegen. Dit werd hoofdzakelijk veroorzaakt door een stijging in testaanvragen vanwege "wisselende heteroseksuele contacten". Sinds de start van de enquete in 1990 zijn 13.002 personen getest, waaronder 114 seropositieven. Door de enquete is van 88% van deze personen de reden voor testaanvraag bekend. Van de personen werd 38,3% getest op verzoek van derden, meestal in het kader van een keuring voor een (levens)verzekering. Onder deze testen werden twee infecties (0.05%) aangetoond. Er werden 3835 mannen en 3220 vrouwen getest met een medische reden waarvan 1,3% positief werd bevonden. Bij mannen werden de meeste infecties waargenomen onder homo/biseksuelen: 9,7% seropositief. Per kalenderjaar varieerde dit percentage van 6% tot 10%. Ook onder de intraveneuze druggebruikers werden relatief veel infecties aangetoond: 4,2% van de mannelijke druggerbuikers was positief en 5,8% van de vrouwelijke. Circa 44% van de mannen en 59% van de vrouwen met een test op medische indicatie werden getest vanwege heteroseksueel risicogedrag. Het percentage infecties dat in deze groep werd gevonden was echter laag: 0,2% en 0,3% van deze mannen resp. vrouwen. Er was geen trend zichtbaar in de heteroseksuele verspreiding over de 5 jaren. Dit alles wijst erop dat de verspreiding van HIV-infecties zich nog steeds met name in de bekende risicogroepen voordoet ; aanwijzingen voor aanzienlijke transmissie in de algemene bevolking werden niet gevonden.<br>
    • Laboratoriumsurveillance van HIV-infecties, Regio Arnhem, 1989-1998

      Beuker RJ; Snijders BM; Bosboom RW; Houweling H; Laar MJW van de; CIE (Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid Arnhem, 1999-12-31)
      Van april 1989 tot en met december 1998 zijn 33.003 HIV-testen verricht bij 31.682 personen in het verzorgingsgebied van het Streeklaboratorium te onder de aanvragende artsen zijn gegevens verzameld over de indicatie voor de testaanvraag. Het jaarlijks aantal nieuw-positieven is in de periode 1990-1998 continu laag (0,6% - 1%). Het jaarlijks aantal aangevraagde testen is gestegen (1990: 2761, 1998: 3923). Deze stijging betreft met name testen bij mensen met heteroseksueel risicogedrag. Bij homo-/biseksuele mannen is het percentage nieuw-positieven het hoogst (6,9%), gevolgd door druggebruikers (4,2%). Het percentage nieuw-positieven onder personen die heteroseksueel risico liepen blijft laag: 0,2%. Deze cijfers wijzen erop dat de verspreiding van HIV nog steeds beperkt is tot de bekende risicogroepen; er waren geen aanwijzingen voor verspreiding naar de algemene populatie. Het testgedrag van personen in bepaalde (risico)groepen loopt niet parallel met het risico dat zij lopen. Een groot deel van de HIV-testen wordt aangevraagd door mensen die heteroseksueel risico hebben gelopen, met name mensen met veel wisselende partners. Het voorkomen van HIV-infecties onder deze groep is echter laag. De groep homo-/biseksuele mannen en druggebruikers laten zich juist relatief weinig testen, terwijl onder hen nog steeds de meeste HIV-seropositieven voorkomen. Al met al mogen we concluderen dat de laboratorium-surveillance in de regio Arnhem een waardevolle aanvulling op de HIV-surveillance in Nederland vormt en dat moet worden nagegaan of implementatie van deze surveillance ook in andere regio's te realiseren is.
    • Laboratoriumsurveillance van HIV-infecties, regio Arnhem, 1989-1995

      Esveld MI; Pelt W van; Duynhoven YTHP van; Nohlmans MKE; Houweling H; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      As from April 1989, surveillance-activities of HIV infections are carried out in the Arnhem area. These programmes are executed in collaboration of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) with the Regional Public Health Laboratory Arnhem (RPHL)/Rijnstate hospital. This report presents results up to the end of 1995 of monitoring laboratory diagnostics of HIV infections, in addition to a continuous questionnaire on the indication for testing sent to the requesting physicians. Between April 1989 and December 1995 21,825 HIV tests were performed in 19,216 individuals living in the service area. The percentage of positive tests (1.8%, n=386) was almost twice the percentage of positive persons (1.0%, n=186). No increase in number of new infections was observed over time, although the number of requested tests increased up until 1994. Most test requests concerned tests for 'changing heterosexual contacts'. In men, most infections occurred among homo/bisexuals. This was 8-9% up until 1994 but decreased to 3.4% in 1995. 4.4% of the tested female drug users was seropositive ; among males it increased from 3.9% in 1991 to 12% in 1995. No trend in heterosexually acquired infections could be seen over the observed six years. It appears that the spread of HIV is still restricted to the known risk groups: signs for considerable spread in the general population could not be found. Remarkably the percentage of new seropositives seems to decrease in the urban areas whilst it still increases in the rural areas. Furthermore requests for tests of persons originating from Africa and Latin-America increased as does the percentage seropositive tests. Laboratory-based surveillance is thought to be very useful as an indicator of the extent of the problem and monitoring of trends. The methodology used in this surveillance will be used for other regions and infectious diseases.
    • Laboratoriumsurveillance van HIV-infecties, regio Arnhem, 1989-1995

      Esveld MI; van Pelt W; van Duynhoven YTHP; Nohlmans MKE; Houweling H; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      In de regio Arnhem loopt sinds april 1989 een surveillance-project voor HIV-infecties. Dit project is door het RIVM opgezet, in nauwe samenwerking met het Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid/Rijnstate Ziekenhuis (SLA). Dit rapport presenteert de resultaten tot en met 1995 van ruim zes jaar monitoring van laboratoriumdiagnostiek van HIV-infecties aangevuld met een continue enquete naar de indicatiestelling voor de test bij alle aanvragers van deze diagnostiek. Het percentage geinfecteerde personen (1.0%, n=186) was bijna twee keer zo klein als het percentage positieve testen (1.8%, n=386). Het jaarlijks aantal nieuw positieve personen nam niet toe in de tijd, alhoewel er tot 1994 een sterke stijging was in het het aantal aangevraagde testen. De meeste testen worden verricht vanwege 'wisselende heteroseksuele contacten'. Bij mannen werden de meeste infecties waargenomen onder homo/biseksuelen. Dit was gemiddeld 8-9% tot 1994, maar lijkt in 1995 sterk afgenomen tot 3.2%. Ook onder de intraveneuze druggebruikers werden relatief veel infecties aangetoond. Bij de vrouwen ligt dit gemiddeld op 4.4% ; bij de mannelijke druggebruikers neemt het percentage toe van 3.9 in 1991 tot 12% in 1995. Er was geen trend zichtbaar in de heteroseksuele verspreiding over de afgelopen 6 jaar. Dit alles wijst erop dat de verspreiding van HIV-infecties zich nog steeds met name in de bekende risicogroepen voordoet. Opvallend is dat het percentage nieuw-positieven in stedelijke gebieden de laatste jaren lijkt af te nemen, terwijl dit op het platteland nog toeneemt. Ook neemt het aantal geteste personen afkomstig uit Afrika en Latijns-Amerika toe, evenals het percentage positieven in die groep. Seroprevalenties die worden waargenomen in groepen van vrijwillig geteste personen, kunnen i.v.m. onbekende selectiemechanismen, niet zonder meer worden geextrapoleerd naar diezelfde groepen in het verzorgingsgebied van het laboratorium. Desalniettemin wordt de HIV-surveillance vanuit het laboratorium als zeer nuttig beschouwd als indicatie voor de omvang van de problematiek en voor het volgen van trends. Het RIVM werkt aan het opzetten van een landelijk surveillancesysteem voor infectieziekten (ISIS) waarin het concept van de HIV-surveillance wordt gebruikt, ook voor andere infectieziekten. De regio Arnhem fungeert reeds als proefregio voor deze laboratoriumsurveillance.<br>
    • Laboratory analysis of environmental samples taken following the reported release of live poliovirus

      Duizer E; REV; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-04)
      Analyse poliomonsters na lozingsincident Op 2 september 2014 heeft het bedrijf GlaxoSmithKline (GSK), dat vaccins produceert, in België door een menselijke fout 45 liter geconcentreerd poliovirus op het riool geloosd. Via de nabijgelegen rioolwaterzuivering is dit water onder andere in de rivier De Laan terechtgekomen, en vervolgens in de Westerschelde. Er is geen poliovirus aangetoond in de beschikbare monsters. Ook is het poliovirus niet in de onderzochte bevolking verspreid. Dit blijkt uit onderzoek van het door de WHO erkende referentielaboratorium voor polio van het RIVM. Het onderzoek hier verricht in opdracht van de WHO, omdat België niet over een laboratorium beschikt dat hiervoor geaccrediteerd is. De WHO streeft ernaar om polio uit te roeien. Het onderzoek is ingegeven door het ophanden zijnde oesterseizoen (begin oktober) en het hoge aantal nietgevaccineerde bewoners van sommige Zeeuwse gemeenten. Tussen 2 en 18 september zijn monsters bij de rioolwaterzuivering (rwzi) te Rosières verzameld door personeel van GSK en de KU Leuven. Ook zijn monsters van sediment uit de bezinkingsbak van deze rwzi en slibmonsters uit de rivier De Laan genomen. Verder zijn in enkele gemeenten met een lage vaccinatiegraad tussen 30 september en 7 november rioolwatermonsters verzameld. Daarnaast is berekend dat de lozing vanaf 20 september in de Westerschelde zou kunnen stromen. Aangezien schelpdieren zich voeden door water te filteren, kunnen aanwezige verontreinigingen, zoals poliovirussen, zich ophopen in hun maag-darmkanaal. Op 24 september en 3 en 28 oktober zijn mosselen verzameld in het oostelijke deel van de Westerschelde, daar waar de te verwachte concentratie poliovirussen het hoogst was.
    • Laboratory maintenance, topographical anatomy and histology of flounder, Platichthys flesus

      Grinwis GCM; Wester PW; Kamstra A; van den Brandhof EJ; van Dijk JE; Leewis RJ; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; PAT; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Diverse veldonderzoeken suggereren een relatie tussen watervervuiling en enkele ziekten (b.v. huidzweren, vin-rot, lymphocystis infectie en levertumoren) bij vissen. Onderzoeken met de bot (Platichthys flesus), gehouden onder semi-veld (mesocosmos) condities, wijzen op een mogelijk causaal verband tussen watervervuiling, de inductie van lever tumoren en lymphocystis virus infectie. Onderzoek onder gecontroleerde laboratorium omstandigheden blijft echter noodzakelijk om een causaal verband tussen vervuiling met specifieke xenobiotische stoffen en de inductie van deze ziekten aan te tonen. Voor gebruik in laboratorium onderzoek is de bot gedurende anderhalf jaar zonder grote problemen gehouden en opgekweekt. Er wordt een korte beschijving gegeven van de huisvesting en verzorging van de botten onder laboratoriumomstandigheden. De botten worden in een multi-stress project (chemische- en microbiologische stress) gebruikt om de carcinogene- en immunotoxische effecten van polyclisch aromatische koolwaterstoffen te evalueren. In dit rapport wordt de normale histologie van de bot beschreven om pathologische veranderingen te kunnen interpreteren waarbij de nadruk wordt gelegd op de organen die betrokken zijn bij de immunologische afweer (thymus, nier, milt, melanomacrofagen-centra en het bloed), de lever, huid en kieuwen. Verschillen in anatomie en histologie tussen de bot, andere teleosta en zoogdieren worden beschreven aan de hand van literatuurgegevens en eigen waarnemingen.<br>
    • Laboratory study in five methods for measuring ammonium aerosol

      Putten EM van; Mennen MG; LLO (1998-11-09)
      Vijf meetmethoden om ammonium aerosol in buitenlucht te meten zijn onderling vergeleken. In een laboratoriuimopstelling is onderzocht of ammonium door vervluchtigen bij monstername verloren gaat en of dit dan op een eenvoudige manier toch afgevangen kan worden. Verschillende meetmethoden kunnen simultaan bemonsteren van een manifold die voor dit onderzoek is ontwikkeld. Het ammonium aerosol is in verschillende samenstellingen en met verschillende vochtigheden bestudeerd. De Low Volume Sampler zoals deze gebruikt wordt in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit in Nederland leidt tot een onderschatting van de concentratie. Een annular denuder systeem geeeft een beter scheding van gassen en deeltjes en zou een betere meetmethode kunnen zijn mmaar deze methode is te arbeidsintensief en te kwetsbaar voor een atuomatisch meetnet. Een veldstudie met buitenlucht met een veel complexere samenstelling en processen zou meer duidelijkheid moeten geven ove een eventuele correctie voor de LVS.
    • Lactaatdehydrogenase lekkage als parameter voor de bepaling van de biocompatibiliteit van medische hulpmiddelen

      Machielsen JCA; Orzechowski TJH; Geffen MF van (1993-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Het LAE informatieplan ; het resultaat van de eerste fase

      Hettelingh JP; Carsjens GJ; van Weenen R; van Beurden AUCJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-02-28)
      This report is the result of the first stage of a project to develop an information-plan for the Laboratory for Waste Materials and Emissions (LAE). A structured information-policy is a necessary condition for an organisation to deal with information-flows, and its needs for hard- and software. An information-policy is formulated on the basis of an information-plan, which registers the development and structuring of information in the organisation. The report shows the existing and wanted relations between different parts of information of the LAE-departments, and also gives a complete inventory of all information which is used at the LAE. Conclusions of the report are that most information is used isolated within the LAE-departments and that it is necessary to create a system which links the information between different LAE-departments and routes the LAE-information to other laboratories, BMTV and MILGIS.<br>
    • Een Lagrangiaans lange-afstand transportmodel met niet-lineaire atmosferische chemie: MPA-model

      de Leeuw FAAM; van Rheineck Leyssius HJ; van den Hout KD; Diederen HSMA; Berens M; Asman WAH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-12-31)
      In het kader van het Meetplan Aerosolen is door TNO en RIVM in samenwerking met KNMI en IMOU een tweelaags, receptor georienteerd, trajectorie model ontwikkeld. Het model beschrijft transport, omzetting en verwijdering van luchtverontreinigende componenten gedurende 72 uur. De omzetting wordt beschreven met een gedetailleerd niet-lineair chemisch mechanisme, waardoor een schatting gegeven kan worden van de niveaus van secundaire luchtverontreiniging (aerosolen, ozon).<br>
    • Lakken en moffelen van metalen

      Hulskotte JHJ; Ros JPM (1992-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Land use and cover change as an overarching topic in the Dutch national research programme on global air pollution and climate change. Issues for implementation

      Fresco LO; Berg MM van den; Zeijl-Rozema AE van; PB-NOP; LUW (Landbouw Universiteit Wageningen, 1996-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Land Use, Climate and Biogeochemical Cycles: Feedbacks and Options for Emission Reduction

      Hutjes RWA; Dolman AJ; Nabuurs GJ; Schelhaas MJ; Maat HW ter; Kabat P; Moors E; Huygen J; Haarsma R; Ronda R; et al. (AlterraKNMIWageningen UniversityPlant Research InternationalIVM, 2002-03-01)
      Abstract niet beschikbaar
    • LAND-USE-RELATED SOURCES of CO2, CH4 and N2O. Current global emissions and projections for the period 1990-2100

      Bouwman AF; Born GJ Van Den; Swart RJ (1992-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2006

      Zwart MH; Hooijboer AEJ; Fraters B; Kotte M; Duin RNM; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-10)
      Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2010

      Baumann RA; Hooijboer AEJ; Vrijhoef A; Fraters B; Kotte M; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterdienstLEI Wageningen URCBSEconomische ZakenLandbouw en InnovatieDienst Regelingen, 2012-10-05)
      Het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw is tussen 1992 en 2010 met bijna 50 procent afgenomen. Dit is een gevolg van maatregelen die vanwege de Europese Nitraatrichtlijn in de Nederlandse landbouw zijn genomen, zoals minder mest gebruiken gedurende een kortere tijd van het jaar. Dit blijkt uit een inventarisatie van de ontwikkelingen in de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Waterdienst, LEI (onderdeel van Wageningen UR) en Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Nitraatconcentratie daalt Dankzij de uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn is ook de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' van landbouwpercelen naar het grond- en oppervlaktewater sterk gedaald tussen 1992 en 2010. Vooral in de zandgebieden is dat het geval: in deze gebieden daalde de gemiddelde concentratie van 140 naar 60 milligram per liter. In de gebieden met kleigrond zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in het uitspoelende water eveneens gedaald, naar 29 milligram per liter. In veengrond is altijd weinig nitraat in het uitspoelende water aanwezig (minder dan 10 milligram per liter). Dat komt doordat nitraat in veengronden snel afbreekt. Zoet oppervlaktewater In zoet oppervlaktewater schommelt de gemiddelde nitraatconcentratie sinds 2002 rond hetzelfde niveau (15 milligram per liter in 2008-2010). Desondanks is tussen 2004 en 2010 de chlorofyl-a-concentratie in de zomerperiode (een indicator voor eutrofiëring) in regionale zoete oppervlaktewateren die door de landbouw worden beïnvloed licht toegenomen. Waterkwaliteit blijft zich verbeteren Het is te verwachten dat de waterkwaliteit in Nederland in de komende jaren verder verbetert. Het duurt namelijk enkele jaren voordat de maatregelen uit het huidige actieprogramma (2010-2013), zoals aangescherpte gebruiksnormen voor mest, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstof, zich vertalen naar een betere waterkwaliteit.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland. Achtergrondinformatie periode 1992-1997 voor de landenrapportage EU-Nitraatrichtlijn

      Fraters B; Eerdt MM van; Hoop DW de; Latour P; Olsthoorn CSM; Swertz OC; Verstraten F; Willens WJ; Centraal Bureau voor de Statistiek; Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA); et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-01)
      This overview documents agricultural practice, and groundwater and surface water quality, in the Netherlands, mainly for the period from 1992 to 1997. It is intended to provide the Dutch authorities with basic information for reporting on the results of monitoring programmes to asses the effectiveness of the Dutch Action programme. A start was made in the 1992-1997 reporting period with the implementation of the Code of Good Practice in the Netherlands. In part, this concerned accentuation of measures taken in the 1987-1992 period. Nitrogen present in agriculture via chemical fertilisers and manure decreased slightly in 1992-1997. The nitrogen surplus in agriculture has not changed as a result of lower crop yields. Nitrate concentrations in groundwater under agricultural land showed no trend in the reporting period, in which fluctuations in precipitation surplus were accounted for. The nitrate concentration in groundwater and the frequency of exceeding the European reference value not only depends on human activities but also on soil type, the local hydrological conditions and sampling depths. The annual average nitrate concentrations in fresh surface waters influenced by agriculture and other fresh waters decreased in the reporting period. Maximum concentrations showed, on the contrary, an increase. The reason for this is unknown. Nitrate concentrations at monitoring locations in marine waters decreased or did not change. This holds for both average and maximum concentrations. Eutrophication expressed as the concentration of chorophyll-a showed no clear trend in both fresh and marine surface waters in the 1992-1997 period. If the period before 1992 is taken into account (from 1986 onwards), a decrease in eutrophication is observed in fresh waters. It is too early to determine effects of the Dutch Action programme, implemented in 1996; this applies especially to nitrate concentrations in surface and groundwater.