• Maagsapresistente ("Enteric coated") produkten. Een literatuuronderzoek

      Stokman PGW; Olling M; Rauws AG (1990-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Maatregelen na een radiologische besmetting van drinkwater en drinkwaterbronnen

      Kwakman PJM; Versteegh JFM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-05-27)
      Drinkwater kan door een radiologisch incident verontreinigd raken met radioactief materiaal. Om de stralingsdosis na de consumptie van drinkwater te beperken, kunnen Nederlandse drinkwaterbedrijven nooddrinkwater verstrekken. Drinkwaterbedrijven zijn wettelijk verplicht deze voorziening te kunnen leveren. Ook kunnen ze een andere bron dan de vervuilde kiezen om drinkwater van te produceren. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van de VROM Inspectie. Hierin zijn voor het eerst de handelingsperspectieven van drinkwaterbedrijven in deze situatie geinventariseerd. Schoon drinkwater is altijd nodig en na een radiologische besmetting van drinkwater is snel handelen noodzakelijk. De handelingsperspectieven zijn ontleend aan een Europees handboek, dat op haalbaarheid is vertaald naar de Nederlandse situatie. In het onderzoek is verder uiteengezet bij welke besmettingsniveaus sprake is van een gevaar voor de gezondheid en wat er dan moet gebeuren. Daarnaast zijn beslisschema's opgesteld om gerichte acties te kunnen bepalen en bijlagen met drie uitgewerkte scenario's. De nadruk ligt op het beheer van de radioactieve besmetting van het drinkwater zoals dat 'uit de kraan' aan de bevolking wordt geleverd.
    • Maatschappelijke baten. Deelrapport van de VTV 2010 Van gezond naar beter

      Post NAM; Zwakhals SLN; Polder JJ; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-25)
      'Maatschappelijke baten' is het deelrapport van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010, dat een overzicht biedt van de opbrengsten van volksgezondheid, preventie en zorg in Nederland. De meeste burgers vinden hun gezondheid het allerbelangrijkst, en alleen daarom al goud waard. Voor de samenleving als geheel zijn gezonde burgers cruciaal menselijk kapitaal. Lichamelijke en psychische beperkingen leiden tot het buitensluiten van groepen burgers wier participatie aan onze samenleving en economie van levensbelang is. Gezondheid is van invloed op de schoolprestaties en de loopbaan van mensen en beïnvloedt de arbeidsparticipatie, het arbeidsverzuim en de arbeidsproductiviteit. Een betere volksgezondheid draagt bij aan de economische groei en speelt een onmisbare rol bij de vermindering van de kosten van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Gezondheid is ook een belangrijke factor voor andere vormen van maatschappelijke participatie, waaronder vrijwilligerswerk en mantelzorg. Een goede volksgezondheid en een hoogontwikkelde, welvarende samenleving zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voor veel mensen zijn toegankelijke zorgvoorzieningen een bron van zekerheid en welbevinden. Daarnaast is de gezondheidszorg een bron van werkgelegenheid en innovatie en daarmee een economische sector van betekenis.
    • De maatschappelijke betekenis van geluid

      Devilee J; Maris E; van Kamp I; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-04)
      Mensen willen graag controle over geluid in hun omgeving. Als dat niet het geval is, heeft dat invloed op hun gedrag. Ze kunnen bijvoorbeeld agressief worden of hun behulpzaamheid en geduld verliezen. Het is daarom van belang dat beleidsmakers zich hiervan bewust zijn en maatregelen daarop afstemmen. Zo is het raadzaam bewoners vooraf te informeren over geluidoverlast, zoals van popconcerten, bouwactiviteiten en dergelijke. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM naar geluid en sociaal gedrag in opdracht van het ministerie van VROM. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd. Tot nu toe is er relatief weinig aandacht voor de betekenis van geluid, voor de geluidproducent en ontvanger, en de context waarin het optreedt. Vooralsnog staat onderzoek en beleid op het gebied van omgevingsgeluid in het teken van geluid als een fysische maat in decibellen, geluid als stressor en tot slot geluid als verstoring. Hierbij ligt de nadruk op (overschrijdingen) van drempelwaarden en bijbehorende negatieve effecten op welbevinden en gezondheid. De laatste jaren komt er steeds meer aandacht voor de maatschappelijke betekenis van geluid. Zo verkennen stedenbouwkundigen en planologen zowel de nadelige kanten van geluid en lawaai als de positieve, potentieel herstellende functie ervan. Bijvoorbeeld door bronnen van geluiden die mensen als prettig ervaren in stedelijke gebieden te integreren. Er bestaat echter nog geen theorie die ruimte biedt voor zowel de positieve als negatieve aspecten van geluid en waarin sociale en maatschappelijke aspecten worden geïntegreerd met korte en lange termijn gezondheidseffecten. Het RIVM heeft daarom een model ontwikkeld dat uitgaat van de motieven en behoeften van mensen om lawaai te maken en de sociale effecten daarvan op de omgeving. Het instituut beveelt aan om bij het denken over geluid, het geluidonderzoek en geluidregulatie rekening te houden met deze motieven, betekenissen en gedrag.
    • Maatschappelijke kosten voor astma, COPD en respiratoire allergie

      Suijkerbuijk AWM; Hoogeveen RT; de Wit GA; Wijga AH; Hoogendoorn EJI; Rutten-van Mölken MPMH; Feenstra TL; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-20)
      Volgens schattingen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stijgt het aantal mensen in Nederland met astma en COPD de komende 25 jaar sterk, met respectievelijk 28% en 70%. Dit komt vooral door de bevolkingsgroei en de vergrijzing. Het aantal patiënten met respiratoire allergie (zoals hooikoorts) blijft in deze periode ongeveer gelijk. Deze aandoening komt namelijk bij ouderen minder voor. De verwachting is dat de totale medische kosten voor alle drie de aandoeningen over 25 jaar (fors) zijn gestegen. Voor respiratoire allergie zal dat met 73% zijn; voor astma stijgen de kosten met 150%, voor COPD met 220%. Deze percentages zijn inclusief de jaarlijkse stijging van zorguitgaven door onder andere technologische veranderingen (zoals nieuwe medicijnen) en prijsstijgingen, volgens de trendanalyse van het Centraal Planbureau. Het RIVM heeft deze schattingen gemaakt op verzoek van het Longfonds. De cijfers zijn gebaseerd op nieuwe analyses van de kosten in 2007. Voor astma bedroegen de medische kosten in totaal 287 miljoen euro, gemiddeld 530 euro per patiënt. Dit bedrag bestaat voor bijna driekwart uit kosten voor medicijnen. Bij werknemers komt daar nog gemiddeld 1200 euro per persoon per jaar bovenop vanwege extra ziekteverzuim door astma. Van hen verzuimen werknemers die ouder zijn dan 55 jaar het meest. De medische kosten voor COPD in Nederland in 2007 waren 415 miljoen euro, gemiddeld 1400 euro per patiënt. Hierbij waren geneesmiddelen, ziekenhuisopnames en langdurige zorg (zoals thuiszorg en in verzorgingshuizen) de belangrijke kostenposten. Kosten van arbeidsongeschiktheid waren voor werkenden met COPD gemiddeld 1200 euro per persoon. Voor ziekteverzuim waren deze gemiddeld 1900 euro per werkende met COPD. Deze kosten overtreffen veruit de kosten van het zorggebruik voor COPD. De medische kosten voor respiratoire allergie waren 102 miljoen euro, gemiddeld 170 euro per patiënt. Medicatiekosten vormden hierin het grootste deel, 90%. Er waren te weinig data om de ziekteverzuimkosten betrouwbaar te schatten. De gepresenteerde cijfers over de verwachte stijging van het aantal mensen met deze drie aandoeningen en de kosten die hiermee gemoeid zijn, leveren belangrijke informatie op voor het beleid. Preventie en behandeling zijn daarbij onverminderd belangrijk, zoals stoppen met roken en doelmatiger gebruik van geneesmiddelen. Aangezien er steeds meer oudere patiënten met astma en COPD komen, is specifieke ondersteuning ook voor hen van belang.
    • Maatschappelijke kosten-baten analyse van cognitieve gedragstherapie voor alcohol- en cannabisverslaving

      Over EAB; van Gils PF; Suijkerbuijk AWM; Lokkerbol J; de Wit GA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-07)
      Cognitieve gedragstherapie (CGT) in de gespecialiseerde verslavingszorg kan de gezondheid van mensen met een alcoholverslaving verbeteren. Per persoon die een CGT-traject doorloopt zijn de baten over een periode van tien jaar 10.000 tot 14.000 euro. Deze baten komen voort uit minder ziekte en sterfte, een betere kwaliteit van leven en een hogere arbeidsproductiviteit. Maar er zijn ook baten vanwege minder verkeersongevallen en minder criminaliteit, waarvoor dus ook minder inzet van politie en justitie nodig is. GGT is ook effectief bij de behandeling van jongeren met een cannabisverslaving. Per persoon die een CGT traject doorloopt zijn de baten circa 9.700 - 13.000 euro. Hier komen de netto baten voort uit een verbeterde gezondheid, een betere kwaliteit van leven, minder schooluitval en een hoger inkomen voor de cliënten die de behandeling succesvol hebben afgerond. Dit blijkt uit de zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyses (MKBA) van CGT-behandelingen voor alcohol en cannabisverslaving. Bij de berekening van de baten is ingecalculeerd dat cliënten de behandeling soms voortijdig stoppen of na een succesvolle behandeling kunnen terugvallen in hun verslavingsgedrag. De baten van verslavingszorg zijn ook bij de meest voorzichtige berekeningen positief. Een groot aantal mensen met een alcohol- of cannabisstoornis wordt momenteel nog niet door de verslavingszorg bereikt. Enkele honderdduizenden zijn verslaafd aan alcohol en enkele tienduizenden jongeren aan cannabis. Het stigma op verslaving is groot en de drempel om gespecialiseerde hulp te zoeken is voor veel mensen hoog. Het onderzoek laat zien dat de samenleving erbij gebaat is als meer mensen de zorg weten te bereiken. Dat zou bijvoorbeeld bereikt kunnen worden door professionals te scholen die met potentiële cliënten in contact komen, zoals de huisarts, de schoolarts, het wijkteam en medewerkers van de spoedeisende hulp. De MKBA's zijn uitgevoerd onder leiding van het RIVM. Met een MKBA zijn cognitieve gedragstherapieën in de gespecialiseerde verslavingszorg doorgerekend: één tegen alcoholverslaving en één tegen cannabisverslaving bij jongeren.
    • Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen

      de Wit, GA; van Gils, PF; Over, EAB; Suijkerbuijk, AWM; Lokkerbol, J; Smit, F; Spit, WJ; Evers, SMAA; de Kinderen, RJA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-21)
      Als alle kosten en baten van alcohol worden opgeteld, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 4,2 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. De baten van alcoholgebruik zijn bijvoorbeeld de accijnsinkomsten voor de overheid. Als we ook private kosten meenemen in de berekening, zoals de kosten van voortijdige sterfte en verlies aan kwaliteit van leven, dan waren de kosten in 2013 4,2 tot 6,1 miljard euro. In deze kostenschattingen is het welzijn dat mensen bij het drinken van alcohol kunnen ervaren niet meegenomen, omdat het moeilijk is om dit in maat en getal uit te drukken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en drie andere organisaties. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen. Ook wordt de arbeidsproductiviteit hoger, zijn er minder verkeersongevallen en is minder inzet van politie en justitie nodig. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 4,5 en 10,7 miljard euro op. Bij een accijnsverhoging van 200 procent is dat 12,2 tot 35,8 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 1,8 tot 4,3 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 4,6 tot 10,7 miljard euro als 25 procent van de verkooppunten sluit. Een mediaban levert de samenleving circa 3,5 tot 7,8 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit is een herziene versie van een onderzoek uit 2016. Nieuwe inzichten en nieuwe cijfers waren de aanleiding voor deze herziening. Voor beide rapporten is een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) uitgevoerd waarbij de drie genoemde beleidsmaatregelen zijn doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
    • Maatschappelijke kosten-batenanalyse van beleidsmaatregelen om alcoholgebruik te verminderen : Social cost-benefit analysis of regulatory policies to reduce alcohol use in The Netherlands

      de Wit GA; van Gils PF; Over EAB; Suijkerbuijk AWM; Lokkerbol J; Smit F; Mosca I; Spit WJ; KZG; V&X (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTrimbos InstituutEcorysMaastricht University, 2016-10-03)
      Als alle kosten en baten van alcohol in geld worden uitgedrukt, waren de kosten in 2013 ongeveer 2,3 tot 2,9 miljard euro. Kosten kunnen bijvoorbeeld ontstaan door een lagere arbeidsproductiviteit, door inzet van politie en justitie, en door verkeersongevallen. Deze kosten zijn verminderd met de baten van alcoholgebruik, bijvoorbeeld in de vorm van accijnzen voor de overheid. Maar ook het geluksgevoel dat consumenten kunnen ontlenen aan alcohol is in dit onderzoek in geld uitgedrukt. Maatregelen zijn mogelijk om mensen minder alcohol te laten drinken, zoals een accijnsverhoging, een beperking van het aantal verkooppunten en een totaalverbod op alcoholreclame en -sponsoring. Zulke maatregelen kunnen de samenleving forse besparingen opleveren en hebben daarmee netto een positief effect op de Nederlandse samenleving. Voorbeelden van die positieve effecten zijn minder sterfte en betere kwaliteit van leven doordat ziekten die met alcoholgebruik samenhangen worden voorkomen, een hogere arbeidsproductiviteit, minder verkeersongevallen en minder inzet van politie en justitie. Op de lange termijn, over een periode van 50 jaar, levert een accijnsverhoging van 50 procent tussen de 14 en 20 miljard euro op, een accijnsverhoging van 200 procent 37 tot 47 miljard euro. Het saldo van kosten en baten na 50 jaar is 3 tot 5 miljard euro wanneer 10 procent van de verkooppunten worden gesloten. Dit bedrag loopt op tot 8 tot 12 miljard euro bij een sluiting van 25 procent van de verkooppunten. Een mediaban levert de samenleving circa 7 miljard euro op na 50 jaar, maar hierover bestaat meer onzekerheid. Dit blijkt uit onderzoek geleid door het RIVM. Met een zogeheten maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) zijn deze drie beleidsmaatregelen doorgerekend. MKBA's zijn een hulpmiddel om de welvaartseffecten van maatregelen in kaart te brengen en kunnen beleidsmakers ondersteunen bij hun beslissingen over toekomstig overheidsbeleid.
    • Maatschappelijke waardering van duurzame ontwikkeling. Achtergrondrapport bij de Duurzaamheidsverkenning

      Beckers TAM; Harkink EWFPM; Ingen EJ van; Lampert MA; Lelij B van der; Ossenbruggen R van; NMD (TelosMotivaction, 2004-10-21)
      Uit verschillende recente onderzoeken blijkt dat de Nederlandse consument niet warm loopt voor duurzame producten of diensten. Daarnaast laat recent onderzoek zien dat de belangstelling voor duurzame producten of diensten verschilt tussen consumenten. Hoe is dit te verklaren? Om deze vraag te kunnen beantwoorden deden Telos en Motivaction in opdracht van het MNP-RIVM onderzoek naar het duurzaamheidbewustzijn en -gedrag van de Nederlandse bevolking. Er werden drie duurzaamheidsegmenten gevonden, op grond van de waardenpatronen van mensen. Laag duurzamen: zijn sterk gericht op leven in het hier en nu, houden erg van gemak, stellen het eigen belang centraal, zijn hedonistisch en materialistisch ingesteld, zijn niet bezorgd over het milieu. Middelhoog duurzamen: zijn bezorgd over het milieu, willen milieubewust leven, zijn gehecht aan maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven, zijn betrokken bij de buurt, voelen zich verantwoordelijk voor de maatschappij. Hoog duurzamen: hebben dezelfde mentaliteit als middelhoog duurzamen en willen daarnaast ook bewust milieuvriendelijk consumeren, meer betalen voor milieuvriendelijke en natuurlijk gefabriceerde producten en zijn tevens betrokken bij de wereldgemeenschap. De duurzaamheidsegmenten zijn vergeleken met de door Motivaction ontwikkelde 'sociale milieus'. Traditionele burgers enerzijds en kosmopolieten/ postmaterialisten anderzijds bleken het meest duurzaam. Bij de eerste gaat het vooral om zorg en behoud van de eigen omgeving, bij de tweede vooral om mondiale betrokkenheid. Men kan met andere woorden vanuit een totaal verschillende waardenorientatie tot duurzaamheid komen. Opvallend was verder dat generaties sterk blijken te verschillen in de mate van duurzaamheid. Jongere generaties vinden duurzame ontwikkeling een stuk minder belangrijk dan ouderen. Dit kan waarschijnlijk deels worden toegeschreven aan de levensfase waarin men zich bevindt, maar er zijn ook aanwijzingen dat duurzaamheid minder goed aansluit bij het waardenpatroon van jongere generaties.
    • Maatschappelijke waardering van duurzame ontwikkeling. Achtergrondrapport bij de Duurzaamheidsverkenning

      Beckers TAM; Harkink EWFPM; Ingen EJ van; Lampert MA; Lelij B van der; Ossenbruggen R van; Telos; Motivaction; NMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-21)
      From several studies it follows that Dutch consumers are not really interested in buying sustainable products or services. But these studies also conclude that some consumers are more sustainable in their purchasing behaviour than others. In order to explain this difference the Dutch population was divided into three sustainability segments, on the basis of the values people hold. Low sustainable: The people in this segment are fixed upon here and now, appreciate comfort, centre on self-interest, are hedonistic and materialistic, don't worry about the environment. Medium sustainable: Worry about the environment, are trying to live eco-conscious, believe in the social responsibility of trade and industry, are involved in their neighbourhood, feel responsible for society. High sustainable: Hold the same mentality as the medium sustainable segment, but want to consciously consume eco-friendly, want to pay more for eco-friendly products and are involved in world affairs. The sustainability segments were compared to the so-called 'social milieus', developed by Motivaction. Two groups stood out. Traditional citizens on the one hand and cosmopolitans and post materialists on the other appeared to be most sustainable. This implies that individuals with totally different value patterns can be more or less equally sustainable. Traditional citizens are in particular concerned with the care and preservation of their own surroundings, whereas cosmopolitans and post materialists are more involved with global issues. Generations appeared to be remarkably different in their level of sustainability. Younger generations consider sustainable development to be far less important than older ones. Likely, this can be attributed to the phase of life, although some indications point to the fact that sustainability does not match the value pattern of younger generations well.
    • Mabuterol identified as an illegally used beta-agonistic growth promoteor for slaughter animals

      Ginkel LA van; Stephany RW; Rossum HJ van (1990-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • De macro-samenstelling en energie-inhoud van duplicaat 24-uurs voedingen bemonsterd in 1984/1985

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Zuydendorp J; Kamp CG van de (1987-06-30)
      Onderzocht zijn 110 duplicaat porties van de 24-uurs voeding van 58 mannen en 52 vrouwen in de leeftijdsgroep van 18 tot 74 jaar; verzamelperiode oktober 1984 (N=56) en maart 1985 (N=54). De bemonsteringsperiode blijkt nauwelijks van invloed op de gemiddelde en mediane inneming aan vet, eiwit, koolhydraten en energie. Verder valt op dat de gemiddelde inneming nu lager is dan in het 1976/1978 onderzoek van de duplicaat porties van 24-uurs voeding ; alleen vet vormt hierop een uitzondering. Vergeleken met internationale aanbevelingen wordt gemiddeld te veel vet en eiwit geconsumeerd en te weinig koolhydraten. De uitkomsten van dit onderzoek van duplicaat porties van 24-uurs voeding zijn vergeleken met die van voedingsonderzoek uitgevoerd volgens het "market basket" model. Conclusie: de macro-samenstelling en energie-inhoud van een kg 24-uurs voeding verschilt gemiddeld niet.
    • Macrodispersie in gelaagde pakketten - deel 1: een rekenmodel -

      Uffink; G.J.M. (1985-06-30)
      In gelaagde watervoerende pakketten treedt een spreiding van opgeloste stoffen op die enkele orden van grootte verschilt met de spreiding in een homogeen pakket. Voor de berekening van beschermingszones rondom waterwingebieden is deze spreiding uitermate belangrijk. Er wordt een methode gepresenteerd om het transport in gelaagde pakketten te berekenen. Het convectief transport wordt berekend door numerieke integratie van de bewegingsvergelijkingen. Snelheidsvariaties ten gevolge van de gelaagdheid worden in rekening gebracht. Het dispersief transport wordt gesimuleerd met een random-walk. De beschreven methode kan worden toegepast in uniforme en niet uniforme stroming. Voor het geval van uniforme stroming zijn de numerieke resultaten in goede overeenstemming met de analytische oplossing van Gelhar. Wanneer het pakket door nuttige neerslag of kwel wordt gevoed ontstaat een drie- dimensionale stroming, die met de Dupuit-Forchheimer benadering kan worden bepaald. Een aantal voorbeelden wordt gegeven voor verschillende stromingsproblemen.
    • Magneetvelden nabij Rokkeveen : meting voor en na ingebruikname van een nieuwe hoogspanningslijn

      Kelfkens G; Beerlage MAM; Bolte JFB; Pruppers MJM; IRV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-15)
      Het RIVM heeft nabij Rokkeveen magneetveldmetingen uitgevoerd vóór- en nadat een nieuwe hoogspanningslijn (Randstad 380 kV-verbinding) in gebruik is genomen. In de buurt van de grens van de magneetveldzone, bleken de meetresultaten voldoende overeen te komen met de berekeningen van het magneetveld. De afwijking van maximaal 5 meter die het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) rond de zonegrens acceptabel vindt, werd niet overschreden. Het rekenvoorschrift is daarom goed te gebruiken om te bepalen waar de zonegrens ligt. Bij de aanleg van nieuwe hoogspanningslijnen is het vooraf alleen mogelijk om het magneetveld te berekenen. Sommige omwonenden van (nieuwe) lijnen vragen zich af of berekende magneetvelden overeenkomen met gemeten magneetvelden. Zij geven aan meer vertrouwen te hebben in metingen. Sinds 2005 hanteert de Nederlandse overheid uit voorzorg bij bovengrondse hoogspanningslijnen een berekende magneetveldzone. Dit is de strook grond die zich aan beide zijden langs de bovengrondse hoogspanningslijn uitstrekt en waarbinnen het magneetveld gemiddeld over een jaar, nu en in de toekomst, sterker kan zijn dan 0,4 microtesla, de maat voor de sterkte van het magneetveld. De Rijksoverheid adviseert om ervoor te zorgen dat in nieuwe situaties binnen deze zone zo weinig mogelijk woningen, scholen, crèches en kinderdagopvangplaatsen komen te liggen. De metingen zijn verricht nadat de stichting 'De Groene Landscheiding N470' daartoe een verzoek had ingediend bij de ministers van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu. Volgens de stichting is een dergelijke 'nulmeting' nodig om het additionele effect van de Randstad 380 kV-verbinding ondubbelzinnig vast te kunnen stellen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van IenM.
    • Magnetische velden van hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen

      Plas M van der; Houthuijs DJM; Dusseldorp A; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      In response to the conclusion of the Health Council of the Netherlands that 'there is a reasonably consistent association between the occurrence of leukaemia in children and residence near overhead power lines' the Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) requested RIVM to investigate what the consequences would be for the Netherlands if this association was found to be a result of a causal relationship between the strength of the magnetic fields due to these lines and the occurrence of leukaemia in children. Until now, experimental research has failed to indicate any plausible biological mechanism that supports a causal relationship between exposure to extremely low-frequency magnetic fields and the occurrence of any form of cancer. RIVM considers the results of two recently published pooled analyses a better starting point for describing the risk of leukaemia in children than the information from the individual studies or from meta-analyses performed previously. In the RIVM study values for the relative risk as a function of the magnetic field were derived from these two pooled analyses. The exposure situation in the Netherlands was determined using estimates of the magnetic field at several distances from the power lines. The additional individual risk and potential number of extra cases of leukaemia in children were calculated on the basis of the number of persons living within these distances. The additional individual risk in the RIVM study is defined as the risk children run of developing leukaemia due to living in a certain magnetic field near a power line. There are uncertainties about the form of the dose-response relationship. Therefore, the relative risk can only be concluded to be possibly elevated at field strengths somewhere above between 0.2 and 0.5 microtesla. On the basis of the results of the two pooled analyses, the additional individual risk for children who live in areas where the magnetic field exceeds 0.3 to 0.4 microtesla to develop leukaemia was found in the Netherlands to be 3 per 100,000 per year at the most. There are uncertainties in the number of children living in these magnetic fields, partly because of uncertainties in the estimates of the magnetic field as a function of the distance from power lines. When these estimates are used, the number of extra cases of the total 110 new cases each year is estimated at 0.2 to 1 per year. Since the total exposure to all sources of extremely low-frequency magnetic fields in the Netherlands is insufficiently known, further investigation of this exposure is recommended.
    • Magnetische velden van hoogspanningslijnen en leukemie bij kinderen

      van der Plas M; Houthuijs DJM; Dusseldorp A; Pennders RMJ; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      Naar aanleiding van de conclusie van de Gezondheidsraad dat 'er sprake is van een redelijk consistente associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen en het wonen in de nabijheid van bovengrondse elektriciteitslijnen' heeft het ministerie van VROM aan RIVM gevraagd wat de consequenties voor Nederland zijn als deze associatie het resultaat is van een causale relatie tussen de sterkte van het magnetische veld van deze lijnen en het optreden van leukemie bij kinderen. Uit experimenteel onderzoek komen vooralsnog geen aanwijzingen voor enig plausibel biologisch mechanisme dat een oorzakelijk verband tussen blootstelling aan extreem laagfrequente magnetische velden en het optreden van enigerlei vorm van kanker ondersteunt. RIVM acht vanuit epidemiologisch oogpunt de resultaten van de recent verschenen 'pooled analyses' van Ahlbom et al. en van Greenland et al. een beter uitgangspunt voor de beschrijving van het risico op het krijgen van leukemie dan de informatie uit de afzonderlijke studies of uit eerder uitgevoerde meta-analyses. In het RIVM-onderzoek zijn uit de twee 'pooled analyses' waarden van het relatieve risico als functie van het magnetische veld afgeleid. De blootstellingssituatie in Nederland is bepaald op basis van schattingen van het magnetische veld op diverse afstanden tot de hoogspanningslijnen. Uit tellingen van het aantal personen dat binnen deze afstanden woont, zijn het toegevoegde individuele risico en het potentiele aantal extra gevallen van leukemie bij kinderen berekend. Met het begrip toegevoegd individueel risico wordt het risico op het krijgen van leukemie door kinderen als gevolg van het wonen bij een bepaalde waarde van het magnetische veld afkomstig van een hoogspanningslijn bedoeld. Er zijn onzekerheden over de vorm van de eventuele blootstelling-responsrelatie. Derhalve kan uit epidemiologisch onderzoek alleen worden geconcludeerd dat het relatieve risico mogelijk is verhoogd bij veldsterkten hoger dan ergens tussen 0,2 en 0,5 microtesla. Op basis van de resultaten van Ahlbom et al. en Greenland et al. blijkt voor Nederland het toegevoegde individuele risico op het krijgen van leukemie door kinderen in gebieden met magnetische veldsterkten boven 0,3 a 0,4 microtesla maximaal ongeveer 3 op de 100.000 per jaar te bedragen. Er zijn onzekerheden in het aantal kinderen dat bij deze veldsterkten woont, onder andere door de onzekerheden in schattingen van de magnetische veldsterkte als functie van de afstand tot de hoogspanningslijnen. Gebruik makend van deze schattingen, wordt het aantal extra gevallen van leukemie bij kinderen geschat op 0,2 tot 1 per jaar op een totaal van circa 110 nieuwe gevallen per jaar. Voor de Nederlandse bevolking is onvoldoende bekend hoe groot de blootstelling aan het totaal aan bronnen van extreem laagfrequente magnetische velden is. Het verdient daarom aanbeveling deze blootstelling nader te onderzoeken.<br>
    • The mailing of genetically modified microorganisms: A field survey

      Canter Cremers HCJ; Groot HF (1991-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Major Shifts in Societal Trends and Their Impact on Climate Change

      Slob AFL; Hoorn ThMM van; NOP (1999-08-16)
      Abstract niet beschikbaar
    • Management en Good Laboratory Practice Afdeling Centrale Dierproeffaciliteit CDF

      van Soolingen J; Kroes R; Arens ABM; Beenen J; Bekius FA; Gomersbach-de Ridder A; van de Kuil R; ter Laak BG; de Liefde A; Luypen S; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-12-31)
      This report describes the realisation and implementation of working procedures in compliance with Good Laboratory Practice, as performed by the Central Animal Facility of Division II Pharmacology and Toxicology. This report froms a basis for a quality system with the pivot aim to meet Sterlab requirements.<br>
    • Management en Good Laboratory Practice op de afdeling Biotechnische Evaluatie Stofeffecten (BES) van het Centraal Dierenlaboratorium (CDL)

      van Soolingen J; Kroes R; de Vrey P; Arens ABM; Beenen J; Bekius FA; Gomersbach-de Ridder A; Jansen van &apos;t Land C; van de Kuil R; ter Laak BG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-05-31)
      The department BES (Biological Evaluation of Drug Effects) carries out animal studies for RIVM laboratories, whose commitment to GLP makes it necessary for BES also to comply with GLP. Compliance is assured by means of a quality system laid down in a quality handbook quaranteeing the consistent quality of the department products. The elements of the BES quality system are documented in this report under the following headings: - quality targets and management organisation - survey of areas of competence and of stoff qualifications - equipment inventory - goods and services available - standard operating procedures. Furthermore a general servey is presented of those co-operative arrangements necessary for optimal departmental organization.<br>