• N-nitrosaminen en nitroseerbare verbindingen in spenen en enige andere rubber- en plastic produkten

      Ellen; G.; Sahertian; E.T. (1984-05-04)
      Van 14 monsters spenen, 8 monsters fopspenen en 3 monsters ballonnen werd de afgifte aan speekselsimulans van n-nitrosaminen (NA) en nitroseerbare stoffen (NS) bepaald. Het merendeel van de monsters overschreed de van kracht zijnde limieten (1 mug NA/kg en 20 mug NS/kg speen) meer dan 10-voudig. De NA-gehalten liepen voor de spenen uiteen van 1-53 mug/kg (gem. 19,9 mug/kg) en voor de fopspenen van 5-19 mug/kg (gem. 11,6 mug/kg). Voor de NS waren deze waarden voor spenen 35-3402 mug/kg (gem. 752 mug/kg) en voor fopspenen 66-5029 mug/kg (gem. 1240 mug/kg). Ballonnen bleken eveneens NA te bevatten ; vnl. NDMA en NDEA, gem, 82 mug/kg en aan nitroseerbare stoffen gemiddeld 2384 mug/kg. De onderzochte medische artikelen, vnl. catheters, bevatten geen of zeer lage hoeveelheden NA.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst van der EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      The N-nitrosamine problem in cosmetics has been reviewed on behalf of the Chief Inspectorate of Health Protection (HIGB). Problem issues that emerge from this review are NDELA [N-nitroso-diethanolamine] and NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)-benzoate]. Data on the NMPABAO content of Dutch retail samples are lacking and those available for NDELA date back to the early eighties. N-nitrosamines pose a potential consumer health risk and these compounds should not be present in cosmetic products. Since 1992 legal guidelines that restrict the occurrence of N-nitrosamines in cosmetics are operational in the European Union. It is advised to analyse a selected number of Dutch retail samples for NDELA and NMPABAO and to develop an appropriate method of analysis. A combination of capillary gas chromatography and chemiluminescence detection with a Thermal Energy Analyzer (TEA) is estimated to be best suitable for this.
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Op verzoek van de HIGB is de N-nitrosamine problematiek in cosmetische produkten in kaart gebracht. Deze spitst zich toe op de verbindingen NDELA [N-nitrosodiethanolamine] en NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)benzoaat]. Gegevens over NMPABAO-gehalten in cosmetica van de Nederlandse markt ontbreken terwijl de informatie over NDELA-gehalten stamt uit het begin van de tachtiger jaren. N-nitrosaminen vormen een potentiele bedreiging voor de gezondheid van de gebruiker en horen niet in cosmetica thuis. Sinds 1992 is er een wettelijke regeling van kracht in de Europese Unie wat het voorkomen van N-nitrosaminen in cosmetica betreft. Aanbevolen wordt een selectief aantal monsters van de Nederlandse markt te onderzoeken op NDELA en NMPABAO en de hiervoor benodigde analysemethode te ontwikkelen. De beste basis hiervoor is capillaire gaschromatografie in combinatie met chemiluminescentie-detectie met behulp van een Thermal Energy Analyzer (TEA).<br>
    • N-Nitrosodiethanolamine (NDELA) in cosmetica methode ontwikkeling en monster analyse

      Rijst EC van; Schothorst RC; ARO (1997-09-30)
      In 1995 is op verzoek van de Inspectie Gezondheids Bescherming de N-nitrosamine problematiek in cosmetische producten in kaart gebracht. Voor het bepalen van NDELA in cosmetica is de GC-TEA methode ontwikkeld en gevalideerd. De terugwinning voor NDELA is gemiddeld 99% (N=4) en de bepaalbaarheidsgrens is 5 mug NDELA / kg cosmetica. De GC-TEA methode is gebruikt om in 48 cosmetische producten, waaronder shampoos, cremes, melk , conditioners en schuimen het NDELA gehalte te bepalen. Alle bepalingen werden in tweevoud uitgevoerd en voor elke 10 cosmetica monsters is een terugwinnings- en blanco-experiment uitgevoerd. De resultaten van deze kwaliteitsexperimenten voldeden aan de kwaliteitskenmerken van de ontwikkelde methode.Van de 48 onderzochte monsters cosmetica bevatten vier monsters meetbare hoeveelheden NDELA.
    • Naar afgestemde kwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater en oppervlaktewater

      Willems WJ; Fraters B; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-30)
      In dit rapport worden de huidige milieukwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen in grond- en oppervlaktewater geevalueerd. Het doel van de studie was de kwaliteitsdoelstellingen voor grondwater te heroverwegen met het oog op de afstemming hiervan op de kwaliteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater. De huidige kwaliteitsdoelstellingen voor stikstof- en fosfaatverbindingen zijn vergeleken met gegevens over de naturrlijke achtergrond concentraties in ondiep en diep grondwater. Op basis van deze vergelijking en de evaluatie is een voorstel opgenomen voor nieuwe milieukwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater. Tevens zijn enkele suggesties gegeven voor de verbetering van het systeem van doelstellingen voor zowel grond- als oppervlaktewater.<br>
    • Naar criteria voor het kiezen van gebiedsindelingen in de Milieubalans/Milieuverkenning

      Beurden AUCJ van; ISC (1994-11-30)
      In ISC-memo 619/93 (Van Beurden & Padding 1993) is een studie gerapporteerd naar gebiedsindelingen. Zowel voor berekeningen als bij kaartpresentaties in het kader van Milieubalans (MB) en Milieuverkenning (MV) kunnen relatief tegenstrijdige argumenten worden gebruikt bij de keuze en vaststelling van gebiedsindelingen. De voorliggende studie heeft zich gericht op de argumenten bij RIVM-onderzoekers (het MB/MV-kernteam) voor gebiedskeuze en hun visie op de presentatie naar ministeries en Tweede Kamer. Bovendien hebben de projectleiders MB/MV hun specifieke visie kenbaar gemaakt. Samen met de eerdere studie is uit deze inventarisatie een aantal overwegingen gebleken, die als criteria kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van gebiedsindelingen voor berekeningen en presentaties voor MB/MV. In ISC-memo 619/93 zijn al consequenties genoemd, vooral in technische zin, die komen in dit rapport nauwelijks terug. Tenslotte zijn de criteria toegepast op de opgegeven kaarten van het ontwerp MB/MV (Ten Brink & Van den Berg 1994). In een vervolgactie zal per kaartfiguur een gebiedsindeling worden vastgesteld.
    • Naar een BioBase. Database voor (kosten)effectief inzetten van bioassays en ecologische waarnemingen bij saneringsgevallen

      Wintersen A; Mesman M; Posthuma L; Rutgers M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-08-16)
    • Naar een ecotopensysteem zoute wateren Nederland

      Leewis RJ; Jong DJ de; Dankers N; LWD-BOW (1999-02-02)
      In het kader van de BEON-speerpunt Habitatverstoring werd al snel geconstateerd, dat het type vragen dat in dit verband gesteld kan worden alleen efficient kan worden aangepakt, wanneer men de beschikking heeft over een heldere, liefst geografische indeling van de zoute wateren van Nederland. Zo'n indeling, die al wel bestond voor terrestrische systemen en diverse typen zoete wateren, was niet beschikbaar voor zoute wateren. Het ontwikkelen van een systeem dat hiervoor gebruikt zou kunnen worden, werd daarom het hoofddoel van een van de onder deze speerpunt vallende projecten: Kartering habitats/ecotopen in de Nederlandse zoute wateren (laatste nummer: IBN 96 H 25). In deelstudies van dit project werd onderzocht welke (a)biotische factoren het voorkomen van bodemdieren en vissen in diverse zoute wateren bepaalden, en op welke wijze, en wat de samenstelling van die fauna's was. Een korte literatuurstudie naar definities en begrippen leidde tot het besluit, dat de nagestreefde indeling plaats zou moeten vinden op basis van ecotopen. In een apart deelproject werden criteria geformuleerd waarmee ecotopen zouden kunnen worden onderscheiden. Daarbij is onder meer informatie uit de andere deelstudies gebruikt, maar met name is gekeken naar processen die ecotopen vormen en instandhouden, naast factoren die relevant zijn voor de flora en fauna. Vervolgens is een hierarchisch systeem ontworpen van kenmerken van ecotopen, leidend tot een lijst van ecotopen. Er is daarbij gepoogd aan te sluiten bij reeds bestaande indelingen voor terrestrische en zoetwater-systemen. Er worden geen kenmerkklassen gegeven, omdat deze per onderscheiden ecotoop in verschillende watersystemen, en zelfs per doelstelling van een bepaalde studie, kunnen verschillen. De speciaal ontwikkelde GIS-applicatie HABIMAP is toegepast om op basis van dit stelsel van ecotopen een kartering van de Waddenzee uit te voeren. In twee niet onder BEON vallende projecten van Rijkswaterstaat zijn vergelijkbare karteringen uitgevoerd voor de Westerschelde en de Noordzee. De resultaten van deze drie karteringen zijn als bijlage bij dit rapport gevoegd. Hiermee is een goede basis gelegd voor een volledig uitgewerkt ecotopenstelsel voor de Nederlandse zoute wateren
    • Naar een ecotopensysteem zoute wateren Nederland

      Leewis RJ; Jong DJ de; Dankers N; LWD-BOW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-02)
      In the context of the Policy-oriented ecological research for the North Sea and Wadden Sea (BEON) spearhead study, "Habitat disturbance", it soon became apparent that the questions arising on habitat disturbance could only be approached efficiently when a clear, preferably geographical, classification of the Dutch marine and estuarine waters was available. Such a classification was already available for terrestrial systems and several types of fresh waters, but not for saline waters. For this reason, developing a system to be used for this purpose became the main occupation of the working group on "cartography of habitats/ecotopes in Dutch marine and estuarine waters". Partial studies concentrated on identifying the abiotic factors determining the occurrence of benthos and fish (and showing how the factors work), as well as the species composition of these groups. A short literature study led to the conclusion that the intended classification should be based on ecotopes, rather than habitats. Criteria to distinguish ecotopes were defined using information from the above-mentioned partial studies, but the main consideration was for processes forming and sustaining ecotopes, followed by factors with a specific relevance to flora and fauna. Next, a hierarchical system of ecotope characteristics was designed, leading to a list of ecotopes. An attempt was made to link up with existing classifications for terrestrial and freshwater systems. No classes for the characteristics are reported here, since these can vary per ecotope according to the different water systems under consideration, and even per defined purpose of a given study. The specially devised GIS application HABIMAP was applied to map(ping) the Wadden Sea. Results for the Wadden Sea are taken up in the annexes. In this way, a good foundation has been laid for an elaborate ecotope system for the Dutch marinecartographies are added to this report as annexes. This provides a good basis for a completely elaborated ecotope system for the Dutch marine and estuarine waters.
    • Naar een effecten voorspellings-model voor de bodem-fauna: BOEF. MOVE-BOdEmFauna, versie 1

      Alkemade JRM; Esbroek MLP van; LBG (1994-09-30)
      Een van de aandachtspunten in het milieubeleid is de voorspelling van effecten van milieuveranderingen op ecosystemen. Het Multistress mOdel voor de VEgetatie (MOVE) beantwoordt aan deze behoefte. Binnen dit model wordt een relatie gelegd tussen veranderingen van bodemeigenschappen, zoals zuurgraad, bemestingsgraad en vochttoestand en de effecten daarvan op de vegetatie (de vegetatiemodule). Deze studie is bedoeld om de mogelijkheden na te gaan van het ontwikkelen van een bodemfauna-module (BOEF) analoog aan MOVE. Deze bodemfauna-module kan de vegetatie-module aanvullen in gebieden waar de natuurlijke vegetatie nagenoeg is verdwenen, zoals in landbouwgebieden, en kan wellicht effecten van sommige stress-factoren beter modelleren. Hierbij zijn 3 vragen van belang:1 Zijn er voldoende gegevens over het voorkomen van bodemfauna en bijbehorende milieufactoren beschikbaar ? 2 Bestaan er relaties tussen het voorkomen van bodemfauna- soorten en relevante milieufactoren ? 3 Zijn deze gevonden relaties te gebruiken in het kader van voorspelling en eventueel normstelling ? Aangezien de bodemfauna uit zeer veel verschillende diergroepen bestaat, die vrijwel nergens in onderlinge samenhang worden bestudeerd, is er in deze studie een diergroep uitgekozen waarvan redelijk veel bekend is. De diergroep die gekozen is, is de klasse der nematoden. Zoveel mogelijk gegevens, afkomstig van verschillende onderzoeksgroepen in Nederland, over deze diergroep zijn bijeengebracht. Vervolgens is nagegaan welke milieufactor het meest bepaald was op de locaties waar nematodengegevens van beschikbaar waren. Dit bleek pH te zijn. Vervolgens werden met behulp van logistische regressie relaties berekend tussen het voorkomen van de taxa en de pH. Om de bruikbaarheid van de modellen na te gaan is voorbeeldsgewijs een aantal toepassingen uitgewerkt. In totaal bleken ruim 700 punten bemonsterd te zijn, verspreid over 207 locaties. Hiervan was van 657 punten de pH bekend. In totaal werden ruim 200 verschillende taxa gevonden. Van 87 taxa konden responsiecurven berekend worden. Van deze taxa kon voor 15 taxa geen significant model worden gevonden, terwijl 34 een unimodale responsie vertoonden met pH en 38 een lineaire responsie. Een mogelijke toepassing van de modellen in het kader van normstelling is onderzocht door het aantal taxa wat potentieel kan voorkomen te relateren aan de pH. Het blijkt dat bij pH lager dan 5 het aantal potentiele taxa drastisch afneemt, bij een pH lager dan 4 kunnen nog slechts 50% van de soorten zich handhaven. De modellen kunnen ook gebruikt worden om het voorkomen van de taxa te voorspellen op plaatsen waar geen gegevens van bekend zijn. Dit is gebeurd aan de hand van een willekeurig gekozen genus Choaonolaimus. Het daadwerkelijk voorkomen van het genus en het voorspelde voorkomen bleek redelijk overeen te komen, maar ook is het duidelijk dat pH niet de enige factor is die het voorkomen bepaald. Een derde toepassing is de vergelijking tussen verschillende typen van stress in een bepaald gebied. Er wordt in dit rapport niet naar meerdere factoren gekeken, dus die vergelijking is hier niet mogelijk. Wel is het mogelijk om met de modellen indices te berekenen die verschillende typen van stress aangeven. In dit verband zijn de Maturity Index en de Plante-Parasieten Index uitgerekend. De conclusies van deze studie zijn als volgt samen te vatten. Met de beschikbare gegevens is het mogelijk om voor bodemfauna-taxa responsiecurven af te leiden voor zuurgraad. Andere factoren zouden eveneens meegenomen kunnen worden, zij het tot op minder uitgebreid niveau. De berekende curven zijn op verschillende manieren toe te passen en zijn bruikbaar voor het voorspellen van effecten van milieuveranderingen op ecosystemen. Een vergroting van de gegevensset zou een verbetering van de modellen opleveren en zou kunnene leiden tot een groter aantal taxa bruikbaar voor toepassingen.
    • Naar een expositie-model voor ozon

      Slob W; Erisman JW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-05-31)
      Voor een risico-analyse van ozon is een expositie-model nodig dat de effectieve blootstelling van de bevolking kwantificeert. Als eerste stap wordt de gemiddelde dosis voor de periode 1980 t/m 1984 geschat met het bijbehorende aantal Nederlanders. Factoren die een belangrijke rol spelen in het model zijn: (i) de interactie van ozon-concentratie met autoverkeer (ii) de verhouding tussen de binnenconcentratie en buitenconcentratie (iii) het tijdsbestedingspatroon van de Nederlanders, m.n. wat betreft de tijd die zij buiten of binnen doorbrengen. Op dit moment zijn de gegevens ten aanzien van deze factoren nog vrij mager. Voor enkele reeel lijkende invullingen wordt onderzocht wat de gevolgen zijn voor de resultaten van het model. Enkele mogelijkheden voor uitbreiding en verfijning van het model worden geschetst. Deze mogelijkheden hangen vooral af van het beschikbaar komen van gegevens over de tijdsbesteding van de Nederlandse bevolking.<br>
    • Naar een gezonde, kindvriendelijke leefomgeving; inventarisatie van beleid in Nederland. Stand van zaken voor de ministersconferentie Parma 2010

      Douweling DA; Koudijs EA; van Overveld AJP; Vros C; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-09)
      Niet beschikbaar
    • Naar een indicator voor functionele diversiteit van microbiele gemeenschappen

      Breure AM; Wind BS; Crum SJH; Rutgers M; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      The provisional results have been described of the development of an indicator for the functional diversity of microbial populations by use of Biolog microtiterplates. Aquatic as well as terrestrial environmental samples were tested. The report describes the experimental procedure and the manipulation of the measured data. Two diversity indicators are distinguished, both calculated from the log logistic relation of the measured activity and the number of colony forming units (CFU). One indicator is the slope in the point of inflection and the other is the logarithm of the CFU necessary for 50% of the maximal activity. The functionality of the proposed indicators is discussed.
    • Naar een indicator voor functionele diversiteit van microbiele gemeenschappen

      Breure AM; Wind BS; Crum SJH; Rutgers M; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      De voorlopige resultaten zijn beschreven van de ontwikkeling van een indicator voor de functionele diversiteit van microbiele populaties met behulp van microtiterplaten van Biolog. Voor dit doel werden zowel aquatische als terrestrische milieu monsters getoetst. Het rapport beschrijft de experimentele procedure en de uitwerking van de meetgegevens. In het rapport worden twee biodiversiteitsindicatoren onderscheiden, berekend uit de log-logistische relatie tussen de gemeten activiteit en het aantal kolonie vormende eenheden (CFU). Een indicator is de helling in het buigpunt, de andere indicator is de logaritme van de CFU die nodig is om 50% van de maximale activiteit te bereiken. De functionaliteit van de indicatoren wordt bediscussieerd.<br>
    • Naar een integraal systeem voor productverbetering in Nederland : Advies van de Commissie Criteria Productverbetering

      Wilson-van den Hooven EC; Visschers R; de Kok PMT; de Graaf C; Roodenburg AJC; Wolvers D; van den Berg M; V&amp;G; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-04-26)
      In Nederland kennen we verschillende systemen die de samenstelling van levensmiddelen kunnen helpen verbeteren: het Akkoord Verbetering Productsamenstelling tussen de overheid en het bedrijfsleven, het Vinkje op verpakkingen dat wordt uitgefaseerd, en de Schijf van Vijf. Ze bevatten afspraken of criteria voor de gehalten zout, verzadigd vet en suiker in producten. De systemen vertonen weinig samenhang: ze gebruiken verschillende productgroepen, voedingsstoffen en criteria. Er is een nieuw integraal systeem gewenst met één samenhangende set criteria die voor alle producten in de productgroepen geldt. Dat adviseert de onafhankelijke Commissie Criteria Productverbetering. <br> <br>Volgens de commissie is het mogelijk om een getrapt systeem voor productverbetering te ontwikkelen. Dit houdt in dat per productgroep minimale eisen voor productverbetering (ten aanzien van zout, verzadigd vet, suiker, calorieën en vezel) worden bepaald die voor alle producten in die productgroep gelden. Daarnaast worden er extra criteria gedefinieerd voor producten die hier de beste resultaten in behalen ('koplopers'). De commissie adviseert om een werkgroep van deskundigen de opdracht te geven het voorgestelde systeem technisch verder uit te werken. <br> <br>Om dit systeem te laten slagen is het belangrijk om draagvlak te creëren door maatschappelijke organisaties en de industrie intensief te betrekken. Daarnaast is het van belang dat de criteria vanuit de rijksoverheid worden vastgesteld en regelmatig worden aangescherpt. Ten slotte moet een onafhankelijke organisatie bijhouden of producten aan de criteria voldoen. <br> <br>Ervaringen uit het buitenland leren dat een set met criteria alleen niet voldoende is. Fabrikanten dienen continu gestimuleerd te worden om de samenstelling van hun producten stapsgewijs aan te passen. Het is belangrijk uit te zoeken welke prikkels hierbij werken, van wettelijke of financiële maatregelen tot communicatie naar de consument bijvoorbeeld via een nieuw voedselkeuzelogo. <br> <br>De onafhankelijke Commissie Criteria Productverbetering werd ingesteld door het ministerie van VWS en bestond uit wetenschappers uit de Wetenschappelijke Adviescommissie van het voormalige Vinkje (Wecom), de Wetenschappelijke adviescommissie van het Akkoord Verbetering Productsamenstelling (WAC) en het Voedingscentrum. De commissie werd voorgezeten en begeleid door het RIVM. <br>
    • Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (1996-11-30)
      Dit rapport vormt een aanzet tot een integrale milieumonitoringstrategie voor het RIVM. Milieumonitoring is het diagnostisch apparaat waarmee op regelmatige basis informatie wordt verzameld die nodig is om de ontwikkeling van de milieukwaliteit in relatie tot het milieubeleid te volgen. Het gaat om de doorwerking van beleidsinstrumenten naar doelgroepactiviteiten, de resulterende milieudruk, de abiotische milieukwaliteit en de effecten op volksgezondheid, ecosystemen en voorraden (de 'beleid-effectketen'). De volgende verschuivingen worden voorzien: 1) Verbetering van de doelgroepmonitoring heeft de hoogste prioriteit. 2) De inzet van beleidsinstrumenten zal beperkt worden gemonitord. 3) Milieukwaliteitsmonitoring wordt meer toegespitst op de, vanuit bronnen en effect bezien, meest relevante gebieden.
    • Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      This report describes the development of an environmental monitoring strategy for the National Institute of Public Health and the Environment. Environmental Monitoring is seen as the information system underpinning regular assessment of the environmental quality in relation to environmental policy measures. Concerned here is the influence of policy measures in industrial, agricultural and social activities ; the resulting abiotic environmental quality and the effects on public health, as well as ecosystems and depletion of resources (the so-called 'policy-effect chain'). This will lead to a shift in the RIVM monitoring programme: 1) to increase efforts to obtain high quality environmental pressure data as input to computer information systems ; 2) to set up small monitoring programmes on the application of environmental policy measures ; 3) to focus from the point of view of causes and effects the long-term monitoring systems for chemical/physical environmental quality more on the most relevant locations.
    • Naar een integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Een beschrijving van beleidsmaatregelen binnen en buiten de volksgezondheidssector

      Schrijvers CTM; Storm I; VTV (2009-05-28)
      Er bestaan veel beleidsmaatregelen om gezondheidsachterstanden te verkleinen, maar er is nog onvoldoende bekend over de effecten ervan. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM waarin, in opdracht van het ministerie van VWS, het effect van beleidsmaatregelen op gezondheidsachterstanden is onderzocht. In dit onderzoek is geanalyseerd welke beleidsvoornemens in de rijksbegroting 2008 er aan kunnen bijdragen gezondheidsachterstanden terug te dringen. Daarnaast is gekeken naar de effecten bij 14 bestaande beleidsmaatregelen. Uit eerder onderzoek blijkt dat de gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status over het algemeen slechter is dan de gezondheid van mensen met een hoge sociaaleconomische status. Ook allochtonen zijn over het algemeen ongezonder dan autochtonen. Om de veelheid aan oorzaken van gezondheidsachterstanden aan te pakken, is het van belang om naast de volksgezondheidssector andere beleidssectoren te betrekken. Voorbeelden zijn de sectoren onderwijs, sociale zaken en ruimtelijke ordening. Het beleid dient integraal te zijn en de volgende vier punten te verbeteren: 1. de sociaaleconomische positie van mensen; 2. de arbeidsdeelname van mensen met gezondheidsproblemen; 3.de woon- en werkomstandigheden en de leefstijl van mensen met een lage sociaaleconomische positie; 4. de toegankelijkheid en effectiviteit van de gezondheidszorg voor deze groepen. Uit dit onderzoek blijkt dat van de 153 voorgenomen beleidmaatregelen in de rijksbegroting er 38 op minimaal een van de vier bovengenoemde punten gericht zijn. Daardoor is het aannemelijk dat ze gezondheidsachterstanden terugdringen. Het verband tussen de effecten van de 14 bestaande maatregelen en de bijdrage aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden is echter moeilijk te leggen.
    • Naar een monitor voor beleving van de leefomgeving. Handreiking en vragenlijst voor GGD'en

      Overveld AJP van; Franssen EAM; IMG (2009-12-01)
      Het RIVM heeft een monitor opgesteld in de vorm van een vragenlijst waarmee kan worden gemeten hoe mensen hun leefomgeving beleven. Medisch-milieukundig medewerkers van GGD'en kunnen met deze handreiking op een uniforme manier gegevens over beleving verzamelen en deze gebruiken voor hun adviezen aan gemeenten. Inzicht in beleving biedt aanknopingspunten voor een 'gezonder' beleid dat erop gericht is de leefomgeving van bewoners te verbeteren. Door ontwikkelingen in de tijd te volgen (te monitoren) kunnen beleidsmakers bijtijds bijsturen en effecten van maatregelen of beleid evalueren. Belevingsonderzoek geeft belangrijke signalen over knelpunten die bewoners in hun leefomgeving ervaren. Deze hoeven niet altijd overeen te komen met de feitelijke (gemeten of berekende) milieubelasting. Andere factoren kunnen de beleving beinvloeden, zoals aandacht van de media, vertrouwen in de bereidheid van de gemeente om problemen aan te pakken en de gezinssamenstelling. Naast de monitor is een handreiking ontwikkeld waarin staat beschreven hoe GGD'en de monitor in de praktijk kunnen gebruiken.
    • Naar een nationale graadmeter voor het natuurlijk milieu

      Latour JB; Bal D; Reiling R; Lammers GW; Bink RJ (1993-06-30)
      Abstract niet beschikbaar