• N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst van der EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Op verzoek van de HIGB is de N-nitrosamine problematiek in cosmetische produkten in kaart gebracht. Deze spitst zich toe op de verbindingen NDELA [N-nitrosodiethanolamine] en NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)benzoaat]. Gegevens over NMPABAO-gehalten in cosmetica van de Nederlandse markt ontbreken terwijl de informatie over NDELA-gehalten stamt uit het begin van de tachtiger jaren. N-nitrosaminen vormen een potentiele bedreiging voor de gezondheid van de gebruiker en horen niet in cosmetica thuis. Sinds 1992 is er een wettelijke regeling van kracht in de Europese Unie wat het voorkomen van N-nitrosaminen in cosmetica betreft. Aanbevolen wordt een selectief aantal monsters van de Nederlandse markt te onderzoeken op NDELA en NMPABAO en de hiervoor benodigde analysemethode te ontwikkelen. De beste basis hiervoor is capillaire gaschromatografie in combinatie met chemiluminescentie-detectie met behulp van een Thermal Energy Analyzer (TEA).
    • N-nitrosodiethanolamine (NDELA) en de N-nitrosamine problematiek in cosmetica - Een vogelperspectief

      Vaessen HAMG; Rijst EC; Melis PHAM; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      The N-nitrosamine problem in cosmetics has been reviewed on behalf of the Chief Inspectorate of Health Protection (HIGB). Problem issues that emerge from this review are NDELA [N-nitroso-diethanolamine] and NMPABAO [2-ethylhexyl 4-(N-nitroso-N-methylamino)-benzoate]. Data on the NMPABAO content of Dutch retail samples are lacking and those available for NDELA date back to the early eighties. N-nitrosamines pose a potential consumer health risk and these compounds should not be present in cosmetic products. Since 1992 legal guidelines that restrict the occurrence of N-nitrosamines in cosmetics are operational in the European Union. It is advised to analyse a selected number of Dutch retail samples for NDELA and NMPABAO and to develop an appropriate method of analysis. A combination of capillary gas chromatography and chemiluminescence detection with a Thermal Energy Analyzer (TEA) is estimated to be best suitable for this.<br>
    • N-Nitrosodiethanolamine (NDELA) in cosmetica methode ontwikkeling en monster analyse

      Rijst EC van; Schothorst RC; ARO (1997-09-30)
      In response to the 1995 review of the N-nitrosamine problem in cosmetics at the request of the Inspectorate of Health Protection (IGB), a GC-TEA method for determining NDELA in cosmetics has been developed and validated. In a sample diluted with water, adsorbed onto a kieselguhr column and eluted with n-butanol, the average recovery for NDELA is 99% (N=4) and the limit of quantification 5 mug/kg. The GC-TEA method described was used to determine the NDELA content of 48 cosmetics including gels, shampoos, cremes, milks, conditioners and foams. All determinations were done in duplicate and for every 10 cosmetics a recovery experiment and a blank determination were performed. The results of these quality assurance experiments were within the performance characteristics of the method developed. Amounts of NDELA above the limit of quantification of 5 mug/kg were measured in 4 out of the 48 cosmetics.
    • Naar afgestemde kwaliteitsdoelstellingen voor nutrienten in grondwater en oppervlaktewater

      Willems WJ; Fraters B; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-30)
      In this report the current environmental quality objectives for nitrogen and phosphorus in groundwater and surface waters are evaluated. The aim of the study was reconciliate the quality objectives for groundwater to ensure that they attune to the quality objectives for surface waters. The quality objectives for nitrogen and phosphorus species are compared with recent data on natural back ground concentrations in shallow and deep groundwater. Based on this comparison and the evaluation a proposal for new environmental quality objectives for nutrients in groundwater is presented. Suggestions for amellioration of the system are given for both groundwater and surface waters.<br>
    • Naar criteria voor het kiezen van gebiedsindelingen in de Milieubalans/Milieuverkenning

      Beurden AUCJ van; ISC (1994-11-30)
      ISC-memo 619/93 (Van Beurden & Padding 1993) reported a study into the use and applications of areal units. It is possible to use rather conflicting arguments when choosing areal units for both computations and presentations related to the production of Environmental Balance/Environmental Outlook (EB/EO). This follow-up study was aimed at arguments used by RIVM researchers in their choice of areal units and how they think results should be presented to ministries and parliament. In addition the EB/EO project managers expressed their views. Together with the earlier study this inventory produced a set of considerations that can be used as criteria for choosing areal units for computations and presentations related to EB/EO. ISC-memo 619/93 already mentions some (mainly technical) consequences, which therefore hardly appear in this report. Finally, the criteria have been applied to maps defined in the 'dummy' (Ten Brink & Van den Berg 1994) in order to exemplify what the criteria mean. A follow-up action will establish the actual choice per map.
    • Naar een BioBase. Database voor (kosten)effectief inzetten van bioassays en ecologische waarnemingen bij saneringsgevallen

      Wintersen A; Mesman M; Posthuma L; Rutgers M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-08-16)
    • Naar een ecotopensysteem zoute wateren Nederland

      Leewis RJ; Jong DJ de; Dankers N; LWD-BOW (1999-02-02)
      In the context of the Policy-oriented ecological research for the North Sea and Wadden Sea (BEON) spearhead study, "Habitat disturbance", it soon became apparent that the questions arising on habitat disturbance could only be approached efficiently when a clear, preferably geographical, classification of the Dutch marine and estuarine waters was available. Such a classification was already available for terrestrial systems and several types of fresh waters, but not for saline waters. For this reason, developing a system to be used for this purpose became the main occupation of the working group on "cartography of habitats/ecotopes in Dutch marine and estuarine waters". Partial studies concentrated on identifying the abiotic factors determining the occurrence of benthos and fish (and showing how the factors work), as well as the species composition of these groups. A short literature study led to the conclusion that the intended classification should be based on ecotopes, rather than habitats. Criteria to distinguish ecotopes were defined using information from the above-mentioned partial studies, but the main consideration was for processes forming and sustaining ecotopes, followed by factors with a specific relevance to flora and fauna. Next, a hierarchical system of ecotope characteristics was designed, leading to a list of ecotopes. An attempt was made to link up with existing classifications for terrestrial and freshwater systems. No classes for the characteristics are reported here, since these can vary per ecotope according to the different water systems under consideration, and even per defined purpose of a given study. The specially devised GIS application HABIMAP was applied to map(ping) the Wadden Sea. Results for the Wadden Sea are taken up in the annexes. In this way, a good foundation has been laid for an elaborate ecotope system for the Dutch marinecartographies are added to this report as annexes. This provides a good basis for a completely elaborated ecotope system for the Dutch marine and estuarine waters.
    • Naar een ecotopensysteem zoute wateren Nederland

      Leewis RJ; Jong DJ de; Dankers N; LWD-BOW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-02)
      In het kader van de BEON-speerpunt Habitatverstoring werd al snel geconstateerd, dat het type vragen dat in dit verband gesteld kan worden alleen efficient kan worden aangepakt, wanneer men de beschikking heeft over een heldere, liefst geografische indeling van de zoute wateren van Nederland. Zo'n indeling, die al wel bestond voor terrestrische systemen en diverse typen zoete wateren, was niet beschikbaar voor zoute wateren. Het ontwikkelen van een systeem dat hiervoor gebruikt zou kunnen worden, werd daarom het hoofddoel van een van de onder deze speerpunt vallende projecten: Kartering habitats/ecotopen in de Nederlandse zoute wateren (laatste nummer: IBN 96 H 25). In deelstudies van dit project werd onderzocht welke (a)biotische factoren het voorkomen van bodemdieren en vissen in diverse zoute wateren bepaalden, en op welke wijze, en wat de samenstelling van die fauna's was. Een korte literatuurstudie naar definities en begrippen leidde tot het besluit, dat de nagestreefde indeling plaats zou moeten vinden op basis van ecotopen. In een apart deelproject werden criteria geformuleerd waarmee ecotopen zouden kunnen worden onderscheiden. Daarbij is onder meer informatie uit de andere deelstudies gebruikt, maar met name is gekeken naar processen die ecotopen vormen en instandhouden, naast factoren die relevant zijn voor de flora en fauna. Vervolgens is een hierarchisch systeem ontworpen van kenmerken van ecotopen, leidend tot een lijst van ecotopen. Er is daarbij gepoogd aan te sluiten bij reeds bestaande indelingen voor terrestrische en zoetwater-systemen. Er worden geen kenmerkklassen gegeven, omdat deze per onderscheiden ecotoop in verschillende watersystemen, en zelfs per doelstelling van een bepaalde studie, kunnen verschillen. De speciaal ontwikkelde GIS-applicatie HABIMAP is toegepast om op basis van dit stelsel van ecotopen een kartering van de Waddenzee uit te voeren. In twee niet onder BEON vallende projecten van Rijkswaterstaat zijn vergelijkbare karteringen uitgevoerd voor de Westerschelde en de Noordzee. De resultaten van deze drie karteringen zijn als bijlage bij dit rapport gevoegd. Hiermee is een goede basis gelegd voor een volledig uitgewerkt ecotopenstelsel voor de Nederlandse zoute wateren
    • Naar een effecten voorspellings-model voor de bodem-fauna: BOEF. MOVE-BOdEmFauna, versie 1

      Alkemade JRM; Esbroek MLP van; LBG (1994-09-30)
      In this study the possibilities are examined of constructing a soil fauna module as a part of the Multistress model MOVE. The soil fauna module can be considered as an analogue of the vegetation module of MOVE. The use of soil fauna may offer possibilities of the prediction of effects of environmental stresses on other parts of the ecosystem. The study is focused on the soil-fauna group of nematodes and pH was considered as the environmental stress factor of importance. The response curves of 87 nematode taxa on pH were calculated using logistic regression. Some examples of model applications in ecological standard-setting, diagnosis and prognosis are given. In spite of the limited amount of data it is concluded that the derived models give accurate predictions, at least in some regions of the Netherlands.
    • Naar een expositie-model voor ozon

      Slob W; Erisman JW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-05-31)
      Voor een risico-analyse van ozon is een expositie-model nodig dat de effectieve blootstelling van de bevolking kwantificeert. Als eerste stap wordt de gemiddelde dosis voor de periode 1980 t/m 1984 geschat met het bijbehorende aantal Nederlanders. Factoren die een belangrijke rol spelen in het model zijn: (i) de interactie van ozon-concentratie met autoverkeer (ii) de verhouding tussen de binnenconcentratie en buitenconcentratie (iii) het tijdsbestedingspatroon van de Nederlanders, m.n. wat betreft de tijd die zij buiten of binnen doorbrengen. Op dit moment zijn de gegevens ten aanzien van deze factoren nog vrij mager. Voor enkele reeel lijkende invullingen wordt onderzocht wat de gevolgen zijn voor de resultaten van het model. Enkele mogelijkheden voor uitbreiding en verfijning van het model worden geschetst. Deze mogelijkheden hangen vooral af van het beschikbaar komen van gegevens over de tijdsbesteding van de Nederlandse bevolking.<br>
    • Naar een gezonde, kindvriendelijke leefomgeving; inventarisatie van beleid in Nederland. Stand van zaken voor de ministersconferentie Parma 2010

      Douweling DA; Koudijs EA; van Overveld AJP; Vros C; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-09)
      Not available
    • Naar een indicator voor functionele diversiteit van microbiele gemeenschappen

      Breure AM; Wind BS; Crum SJH; Rutgers M; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      De voorlopige resultaten zijn beschreven van de ontwikkeling van een indicator voor de functionele diversiteit van microbiele populaties met behulp van microtiterplaten van Biolog. Voor dit doel werden zowel aquatische als terrestrische milieu monsters getoetst. Het rapport beschrijft de experimentele procedure en de uitwerking van de meetgegevens. In het rapport worden twee biodiversiteitsindicatoren onderscheiden, berekend uit de log-logistische relatie tussen de gemeten activiteit en het aantal kolonie vormende eenheden (CFU). Een indicator is de helling in het buigpunt, de andere indicator is de logaritme van de CFU die nodig is om 50% van de maximale activiteit te bereiken. De functionaliteit van de indicatoren wordt bediscussieerd.
    • Naar een indicator voor functionele diversiteit van microbiele gemeenschappen

      Breure AM; Wind BS; Crum SJH; Rutgers M; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      The provisional results have been described of the development of an indicator for the functional diversity of microbial populations by use of Biolog microtiterplates. Aquatic as well as terrestrial environmental samples were tested. The report describes the experimental procedure and the manipulation of the measured data. Two diversity indicators are distinguished, both calculated from the log logistic relation of the measured activity and the number of colony forming units (CFU). One indicator is the slope in the point of inflection and the other is the logarithm of the CFU necessary for 50% of the maximal activity. The functionality of the proposed indicators is discussed.<br>
    • Naar een integraal systeem voor productverbetering in Nederland : Advies van de Commissie Criteria Productverbetering

      Wilson-van den Hooven EC; Visschers R; de Kok PMT; de Graaf C; Roodenburg AJC; Wolvers D; van den Berg M; V&amp;G; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-04-26)
      Various systems have been established in the Netherlands aimed at improving the composition of food products. They include the National Agreement to Improve Product Composition between the government and industry, a front-of-pack logo called "het Vinkje" which is currently being phased out, and the Wheel of Five. They contain agreements on the amount of salt, saturated fat and sugar in products. There is little coherence between the systems as they use different product classifications, nutrients and criteria. A new integrated system is needed with a coherent set of criteria that applies to all products in all product groups. This is the advice of the independent Criteria Committee for Product Improvement. <br> <br>According to the committee, it will be possible to develop a multi-stage system for product improvement. This means that per product group minimum standards for product reformulation are set for salt, saturated fat, sugar, calories and fibre for all products. In addition, criteria for products that achieve the best results per group ('frontrunners') will be set. The committee recommends that a working group of experts be assigned to carry out the technical development of the proposed system. <br> <br>To increase this system's chances of success it is important to mobilize support by closely involving social organizations and industry. In addition, it is important that criteria are set by the central government and are regularly refined. Finally, an independent organization should monitor whether or not the products meet the criteria. <br> <br>We know from other countries that a set of criteria alone is insufficient. Producers must be constantly encouraged to steadily improve the composition of their products. It is important to identify the most effective incentives, ranging from legal or financial measures to communication to the consumer (for example via a new logo on the packaging). <br> <br>The independent Criteria Committee was appointed by the Ministry of Health, Welfare and Sport and consisted of scientists from the Scientific Advisory Committee of the (previous) Vinkje (Wecom), the scientific advisory committee of the National Agreement to Improve Product Composition (WAC) and the Dutch Nutrition Centre. It was chaired and supported by the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM). <br>
    • Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (1996-11-30)
      This report describes the development of an environmental monitoring strategy for the National Institute of Public Health and the Environment. Environmental Monitoring is seen as the information system underpinning regular assessment of the environmental quality in relation to environmental policy measures. Concerned here is the influence of policy measures in industrial, agricultural and social activities ; the resulting abiotic environmental quality and the effects on public health, as well as ecosystems and depletion of resources (the so-called 'policy-effect chain'). This will lead to a shift in the RIVM monitoring programme: 1) to increase efforts to obtain high quality environmental pressure data as input to computer information systems ; 2) to set up small monitoring programmes on the application of environmental policy measures ; 3) to focus from the point of view of causes and effects the long-term monitoring systems for chemical/physical environmental quality more on the most relevant locations.
    • Naar een integrale milieumonitoringstrategie

      Hoekstra JA; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-11-30)
      Dit rapport vormt een aanzet tot een integrale milieumonitoringstrategie voor het RIVM. Milieumonitoring is het diagnostisch apparaat waarmee op regelmatige basis informatie wordt verzameld die nodig is om de ontwikkeling van de milieukwaliteit in relatie tot het milieubeleid te volgen. Het gaat om de doorwerking van beleidsinstrumenten naar doelgroepactiviteiten, de resulterende milieudruk, de abiotische milieukwaliteit en de effecten op volksgezondheid, ecosystemen en voorraden (de 'beleid-effectketen'). De volgende verschuivingen worden voorzien: 1) Verbetering van de doelgroepmonitoring heeft de hoogste prioriteit. 2) De inzet van beleidsinstrumenten zal beperkt worden gemonitord. 3) Milieukwaliteitsmonitoring wordt meer toegespitst op de, vanuit bronnen en effect bezien, meest relevante gebieden.
    • Naar een integrale aanpak van gezondheidsachterstanden. Een beschrijving van beleidsmaatregelen binnen en buiten de volksgezondheidssector

      Schrijvers CTM; Storm I; VTV (2009-05-28)
      Many policy measures are available for tackling inequalities in health, but as yet the effects of such measures are inadequately understood. This was the conclusion of the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) following completion of a study carried out by order of the Ministry of Health, Welfare and Sport. The aim of this study was to investigate the effects of policy measures on inequalities in health. The potential of policy resolutions mentioned in the 2008 national budget for reducing health inequalities was studied. The effects of 14 existing policy measures were also studied. As demonstrated in previous investigations, the health of people with a low socioeconomic status is generally worse than that of individuals with a high socioeconomic status. In addition, allochthonous people are generally unhealthier than autochthonous people. It is important that policies aimed at tackling the diversity of causes of health inequalities involve not only the public healthcare sector but also other relevant sectors subject to policymaking, such as the education, social affairs and environmental planning sectors. Policy needs to be integrated and aimed at improving the following: (1) the socioeconomic position of people; (2) participation in the labour market of people with health problems; (3) the living and working conditions and lifestyle of people with a low socioeconomic position; (4) the accessibility and effectiveness of healthcare for people with a low socioeconomic position. This study reveals that of the 153 policy resolutions mentioned in the 2008 national budget, 38 address at least one of these four points. It is therefore plausible that they will diminish health inequalities. In contrast, a link between the effects of the 14 existing policy measures and a contribution to the reduction of health inequalities is difficult to establish.
    • Naar een monitor voor beleving van de leefomgeving. Handreiking en vragenlijst voor GGD'en

      Overveld AJP van; Franssen EAM; IMG (2009-12-01)
      RIVM has developed a questionnaire to be used as a monitor for measuring how people perceive their living environment. Using this questionnaire, Municipal Public Health Service workers active in the area of public health and the environment will be able to gather uniform information that can then be used to formulate recommendations to municipalities. Insight into residents' perception of their living environment provides a starting point for the development of 'healthier' policies that focus on improving that environment. By monitoring changes over time, policy-makers can modify the measure(s) at early stages if necessary as well as evaluate the longer term effects of the policy or measure(s). Perception surveys can provide important signals on the negative aspects of a living environment as perceived by the residents. These perceived sticking points do not always have to correspond with the actual (measured or modeled) environmental stressors. Other factors can influence perception, such as media attention, confidence in the (local) authorities to solve the problems and family situation. The RIVM has also developed a guideline for Municipal Public Health Service workers on the practical use of the monitor.
    • Naar een nationale graadmeter voor het natuurlijk milieu

      Latour JB; Bal D; Reiling R; Lammers GW; Bink RJ (1993-06-30)
      In this report a conceptual method is proposed with which the status of ecosystems in the Netherlands can be described. This method can be used for state of the (ecological) environment reporting. The following issues are discussed: policy needs, current ecological yardsticks, indicator selection, resolution, aggregation of information, presentation of results, ecological models and ecological monitoring programmes. On the basis of this information the conceptual method is proposed at a regional level using target species, ecosystem species and abiotic conditions of target species and target ecosystems. Needs to work out this conceptual method are discussed in terms of research and compared with current reserach programmes of the RIVM and the IKC-NBLF. Ommisions and cornerstones have been identified.