• Q fever: the answer is blowing in the wind : Detection of Coxiella burnetii in aerosols

      de Bruin A; van der Plaats R; Janse I; van Rotterdam B; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-25)
      Coxiella burnetii is a bacterium that causes Q fever, a zoonosis that affects large numbers of both humans and animals. From 2007 to 2010, large outbreaks of Q fever were observed in a rural area in the Netherlands. In 2009, field studies were started to investigate if C. burnetii DNA can be detected in aerosols on and in the near vicinity of Q fever affected farms. In 2010, these studies were continued in two areas studied in 2009, in the provinces of Noord-Brabant and Zuid-Limburg, to investigate if C. burnetii DNA was still present in aerosols in these areas. In both areas, the C. burnetii DNA content in aerosols obtained in 2010 seemed to have declined in comparison to data of the same locations visited in 2009. These data are in agreement with the observed reduction in the number of reported Q fever cases in 2010 in comparison to 2009. Possible explanations for this decline could be the start of a mandatory vaccination campaign for small ruminants in 2009 and the culling of pregnant animals on Q fever affected farms that started at the end of 2009. This data will be used in future investigations, in which we will combine molecular detection and typing methods for C. burnetii in aerosols with mathematical modelling to get more insight in the transmission of C. burnetii via aerosols and track (individual) sources for C. burnetii infection.
    • (Q)SARs for human toxicological endpoints: a literature search

      Hulzebos E; Schielen P; Masilankiewicz L; CSR; NVIC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      The goal here was to describe human toxicological SARs (structure-activity relationships) available in the literature and used by the US EPA (Environmental Protection Agency). The CSR laboratory investigated implementation of SARs for the effect assessment. SARs correlate the molecular structure with biological-chemical or physico-chemical activity. These correlations are quantified in quantitative structure-activity relationships (QSARs). The (Q)SARs described are roughly divided into rule-based SARs and statistical SARs. The rule-based SAR uses similar chemicals (collected in chemical categories) having the same mechanism of action and descriptors for this mechanism was to predict the effect of other similar chemicals. The statistical SAR bases its prediction on statistical derived descriptors of more heterogeneous groups of chemicals. The development of SARs during the years has brought the two types of SARs together. The QSARs found need further validation before they can be used for the effect evaluation. QSAR methodology can be implemented. Predicting the effect of a chemical similar to an already assessed chemical or chemical category is used at RIVM/CSR on an ad-hoc basis for effect assessment. (Q)SAR methodology, chemical categories, and SAR features such as electronic effects should be implemented more systemically; this will increase the expertise of using SARs and the transparency of the effect assessment.
    • (Q)SARs for human toxicological endpoints: a literature search

      Hulzebos E; Schielen P; Masilankiewicz L; CSR; NVIC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      Het doel van dit rapport is het beschrijven van humaan toxicologische SARs (structuur-activiteitsrelaties) die beschikbaar zijn in de literatuur alsmede de SARs die gebruikt worden door de US EPA (Environmental Protection Agency). De implementatie van het gebruik van SARs voor de effect assessment bij CSR is onderzocht. Structuur-activiteitsrelaties (SARs) correleren de moleculaire structuur met biologisch-chemische of fysisch-chemische activiteit. In kwantitatieve structuur-activiteitsrelaties (QSARs) zijn deze correlaties gekwantificeerd. De (Q)SARs worden grofweg verdeeld in "rule-based" SARs en statistische SARs. "Rule-based" SAR gebruikt vergelijkbare stoffen (verzameld in chemische klassen) die hetzelfde werkingsmechanisme hebben. Tevens worden beschrijvers (descriptoren) afgeleid voor dit werkingsmechanisme om het effect van andere vergelijkbare stoffen te voorspellen. De statistische SAR baseert zijn voorspelling op statistisch verkregen beschrijvers van meer heterogene groepen stoffen. De ontwikkeling van de SARs gedurende de jaren hebben beide typen SAR nader tot elkaar gebracht. De gevonden (Q)SARs hebben verder validatie nodig voordat ze gebruikt kunnen worden voor de effect assessment. De onderliggende QSAR methodologie kan geimplementeerd worden. Het voorspellen van het effect van een stof vergelijkbaar met een al eerder gevalueerde stof of een chemische klasse wordt gebruikt op een ad-hoc basis bij CSR. (Q)SAR methodologie, chemische klassen, SAR kenmerken zoals electronische effecten, zouden geimplementeerd moeten worden op een meer systematische manier om de expertise over SARs en om de helderheid van de effect assessment te vergroten.<br>
    • Q-koorts - ruimingen van besmette bedrijven : Evaluatieonderzoek onder geitenhouders

      van der Velden PG; Dusseldorp A; Drogendijk A; van Overveld A; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMInstituut voor Psychotrauma, 2011-06-20)
      Geitenhouders van wie het bedrijf is geruimd tijdens de Q-koortscrisis, maken zich grote zorgen over de toekomst van hun bedrijf. Net als hun partners en kinderen hebben ze veel stress ondervonden van de ruimingen, het fokverbod en de gevolgen ervan. Veel vaker dan de nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders kampen zij met matig ernstige tot ernstige depressieve klachten. De zorgen over de toekomst blijken sterk samen te hangen met depressieve klachten. Wel is het merendeel tevreden over de informatievoorziening over de ruimingen, over de manier waarop de ruimingen zijn verlopen en hoe ze daarbij zijn bejegend Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM en het IVP. Het is in opdracht van het ministerie van VWS en EL&I uitgevoerd om te inventariseren welke behoefte aan steun nog bestaat onder de getroffen geitenhouders. Het tweede doel is om lessen trekken voor toekomstige dierziektecrises. De ondervraagde veehouders hebben na de ruimingen de meeste steun ervaren van mensen in de directe omgeving (familie, collega's). Eén op de vijf getroffenen heeft behoefte aan aanvullende ondersteuning. In overleg met de doelgroep zou een aantal punten kunnen worden besproken die nog verbetering behoeven. Dat betreft de voornamelijk ondersteuning voor bedrijfsmatige kwesties en de barrieres om professionele hulp te vragen als daar behoefte aan is. Voor het onderzoek zijn onder 63 getroffen geitenhouders en 122 nietgetroffen geitenhouders en varkenshouders telefonische interviews afgenomen. Hierbij zijn vragen beantwoord over het verloop van de ruimingen, de financiele situatie, sociale steun en (psychische) gezondheid.
    • QMRAspot: a tool for quantitative microbial risk assessment for drinking water : Manual QMRAspot version 2.0

      Schijven J; Rutjes S; Smeets P; Teunis P; MLU; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-18)
      Het RIVM heeft een gebruiksvriendelijk computerprogramma (QMRAspot) ontwikkeld dat de kans berekent op infecties door ziekteverwekkende microorganismen in drinkwater. Het onderhavige rapport is een handleiding, waarin wordt uitgelegd hoe QMRAspot (Quantitative Microbial Risk Assessment from surface water to potable drinking water) gebruikt kan worden en wat de onderliggende rekenmodellen zijn. Het model is voornamelijk bedoeld voor ziekteverwekkende micro-organismen in drinkwater dat uit oppervlaktewater wordt gewonnen. De handleiding is van toepassing op de meest recente modelversie (2.0, september 2014). De Nederlandse drinkwaterbedrijven, die drinkwater produceren uit oppervlaktewater en grondwater, zijn wettelijk verplicht om aan te tonen dat minder dan één op tienduizend personen per jaar een infectie oploopt door de consumptie van ongekookt drinkwater. QRMAspot is oorspronkelijk ontwikkeld voor Nederland, maar kan wereldwijd worden toegepast door drinkwaterbedrijven, onderzoekers en beleidsmakers. In deze handleiding wordt in detail beschreven hoe gegevens voor de risicoschattingen kunnen worden aangeleverd, hoe deze gegevens statistisch worden geanalyseerd en hoe de risicoschatting op consistente en transparante wijze kan worden uitgevoerd. Ook worden twee veel voorkomende toepassingen van QMRAspot besproken. De eerste toont het effect op het infectierisico van een hoge besmettingsgraad op locaties waar de drinkwaterbedrijven het oppervlaktewater onttrekken. De tweede toepassing demonstreert in welke mate één enkel monster waarin micro-organismen zijn aangetoond, bijdraagt aan het infectierisico.
    • Quality and safety of products containing Ephedra Herba on the Dutch market

      Lake OA; Slijkhuis C; Maas WF; Vliet MEA van; Kaste D de; Verdonk-Kleinjan W; Keuringsdienst van Waren, regio Zuid; LGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-26)
      We performed analytical studies on dietary supplements and smart products containing Ephedra herba on the Dutch market. Such products are labelled 'from natural, herbal sources' and do not fall under Dutch Medicines Act. Most of the samples tested from 1993 to 1999 contained unacceptably large amounts of ephedrine (EP) alkaloids (the active substances of Ephedra herba) in relation to the safety criteria in the literature. Some samples also contained an effect-enhancing substance (e.g. coffeine), thus potentiating the risks of adverse events. Samples both 'from herbal sources' and 'not from herbal sources' were encountered, and the contents of EP alkaloids varied from product to product, as well as within a product. This project shows that there is a need to improve the safety and quality of these products in view of public health.
    • Quality and safety of products containing Ephedra Herba on the Dutch market

      Lake OA; Slijkhuis C; Maas WF; van Vliet MEA; de Kaste D; Verdonk-Kleinjan W; LGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKeuringsdienst van Warenregio Zuid, 2001-11-26)
      Wij hebben analytisch onderzoek uitgevoerd op Ephedra herba bevattende voedingssupplementen en smartshop producten op de Nederlandse markt. Dergelijke producten worden gepresenteerd als 'natuurlijke, plantaardige' producten en vallen niet onder de Nederlandse wetgeving voor geneesmiddelen. Het grootste deel van de monsters onderzocht in de periode 1993 - 1999 bevatte onaanvaardbaar hoge gehalten aan efedrine (EP) alkaloiden (de actieve bestanddelen van Ephedra herba) in vergelijking met de veiligheidsnormen in de literatuur. Sommige monsters bevatten ook een stof die de werking van de efedrine-alkaloiden potentieert (o.a. coffeine), wat een vergroot veiligheidsrisico betekende. Zowel monsters 'van plantaardige oorsprong' als van synthetische oorsprong werden aangetroffen, en de gehalten aan EP alkaloiden varieerden, zowel van product tot product als van charges binnen 1 product. Momenteel zijn de mogleijkheden om veiligheid en kwaliteit van dergelijke producten op de Nederlandse markt te verbeteren beperkt; de nationale wetgeving biedt hiertoe geen duidelijke mogelijkheden. Niettemin blijkt uit dit onderzoek de noodzaak tot verbetering, ten behoeve van de volksgezondheid.<br>
    • Quality and the future. Sustainability outlook. Summary

      Heiligenberg H van den; Netherlands Environmental Assessment Agency = Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM; NMD; ECN; GLOBUS; LEI; TELOS; TNS-NIPO; UvA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-30)
      Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
    • Quality and the future. Sustainability outlook. Summary

      Heiligenberg H van den (eds); NMD; ECN; GLOBUS; LEI; TELOS; TNS-NIPO; UvA (Netherlands Environmental Assessment Agency = Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM, 2005-03-30)
      Duurzaamheid gaat over de vraag of de huidige ontwikkeling van de wereld kan worden voortgezet. Het antwoord is afhankelijk van maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van leven en de verdeling ervan over de wereld en van wetenschappelijke inzichten in het functioneren van het maatschappelijk en het natuurlijk systeem.
    • Quality and usefulness of (extended) Safety Data Sheets

      Marquart H; Puijk I; Mulder E; Theodori D; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Triskelion, 2014-08-29)
      Het veiligheidsinformatieblad (VIB) is het belangrijkste instrument voor het verstrekken van informatie over veilig gebruik van stoffen en chemische mengsels aan professionele en industriële gebruikers. De REACH-wetgeving is de huidige wettelijke basis voor de VIBs in Europa. Voor geregistreerde stoffen in hoeveelheden van 10 ton of meer per jaar per registrant, moeten registranten ook blootstellingsscenario's (aangeduid als "ES", de afkorting voor "Exposure Scenario") opstellen en deze toevoegen als bijlage aan de VIB's. ES worden vereist voor stoffen die voldoen aan de criteria van een van de gevarenklassen van artikel 14 (4) van REACH of stoffen die als PBT of vPvB zijn aangemerkte en voor alle in de registratie voorziene gebruiken die tot blootstelling kunnen leiden. In de ES worden voor alle geïdentificeerde gebruiken de relevante operationele omstandigheden (OC) en risicobeheersmaatregelen (RMM) omschreven die nodig zijn voor een veilig gebruik. Een dergelijke verplichting voor een ES geldt niet voor mengsels van chemische stoffen. Echter, de informatie uit de blootstellingsscenario's van de stoffen waaruit het mengsel bestaat, moet wél in een bepaalde vorm worden gepresenteerd in het VIB van het mengsel. Met '(e)SDS' worden in dit rapport alle VIBs aangeduid met en zonder ES. Om diverse signalen uit de praktijk van onvoldoende kwaliteit te verifiëren, en omdat (e)SDS als een primaire bron van informatie voor werkgevers worden beschouwd bij het nakomen van hun arbo-verplichtingen, heeft de Nederlandse Inspectie-SZW (I-SZW) een systematische evaluatie laten uitvoeren van een 50- tal (e)SDS die door de I-SZW inspecteurs zijn verzameld tijdens een REACH inspectieproject in 2012. Het gaat hier om (e)SDS die bepaalde tekortkomingen tonen volgens een snelle scan van de inspecteurs zelf. Het doel is om meer inzicht te krijgen in de stand van zaken rond te kwaliteit van de (e)SDS. De evaluatie is uitgevoerd door TNO Triskelion BV onder begeleiding door Bureau REACH en is bedoeld als input voor de discussie over mogelijke verdere acties voor de verbetering van de kwaliteit en bruikbaarheid van de (e)SDS. De resultaten voor de bestudeerde (e)SDS zijn globaal als volgt. Voor bijna de helft van de (e)SDS waren er sterke aanwijzingen dat ze niet up-to-date waren. Verder waren er problemen met de Nederlandse taal, en onvolledige of geen specificaties over de wijze van huidbescherming. In sommige (e)SDS, die melding maakten van onverenigbare materialen, troffen we geen verdere specificaties aan over de maatregelen die nodig zijn om mogelijke relevante risico's te voorkomen. Regelmatig werden inconsistenties gevonden tussen rubriek 7, rubriek 8 en de blootstellingsscenario's, en er waren indicaties dat de indeling, vermeld in de (e)SDS, en de geharmoniseerde indeling niet met elkaar overeen kwamen, of dat de indeling van de stoffen als zodanig of in mengsel afweken van de meest voorkomende zelf-classificatie in de C & L-inventaris. Waarschijnlijke blootstellingsroutes werden vaak niet genoemd. Soms miste een ES waar we dat wel zouden verwachten en een aantal bevatte zelfs geen registratienummer. Dit kan wijzen op stoffen afkomstig van leveranciers die (nog) niet hoeven te registreren maar het kan ook wijzen op een noncompliance. Een derde maakte geen melding van de nu geldende grenswaarden voor de werkplek en werden er geen DNELs genoemd. Ook passende technische maatregelen werden niet gemeld bij bijna de helft van de bestudeerde (e)SDS. In sommige gevallen werden deze technische maatregelen in een andere rubriek genoemd. Voor ongeveer twee derde van de (e) SDS met blootstellingsscenario's in de bijlage, hadden deze blootstellingsscenario's een duidelijke toegevoegde waarde. Een belangrijke notie hierbij is dat de bestudeerde (e)SDS al twee jaar geleden zijn geselecteerd. Het is de vraag in hoeverre de hier beschreven conclusies nog steeds representatief zijn voor de situatie anno 2014. ECHA heeft inmiddels initiatieven ontplooid met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de (e)SDS. We hebben het hier over het uitwisselingsnetwerk voor blootstellingsscenario's ENES (Exchange Network on Exposure Scenario's) en, de daaruit ontstaan CSR/ES Roadmap. Deze initiatieven zijn opgericht door ECHA en worden uitgevoerd in samenwerking met de industrie en een aantal geïnteresseerde landen. De relevante departementen en Inspectie SZW vanuit Nederland alsook Bureau REACH zijn betrokken bij het ENES en de CSR/ES Roadmap. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een nationaal project opgericht samen met het bedrijfsleven dat gericht is op het identificeren en implementeren van oplossingen voor de knelpunten van het MKB m.b.t. de (e)SDS. Het project loopt tot begin 2015. De specifieke focus van het Nederlandse project is om REACH effectiever en nuttiger maken voor vooral het MKB op een wijze die kostenbesparingen oplevert bij de implementatie van de RAECH verplichtingen. Het rapport sluit af met aanwijzingen voor de werkgevers c.q. DU over hoe ze zelfstandig de kwaliteit en bruikbaarheid van een (e)SDS kunnen controleren.
    • Quality Assurance and Quality Control for National Reference Laboraties for Detecting Residues in Biological Samples

      Schothorst RC; Ginkel LA van; Sterk SS; Stephany RW; ARO (1994-05-31)
      De bijdragen gepresenteerd tijdens de eerste CRL-workshop over Quality Assurance and Quality Control for National Reference Laboratories for Detecting Residues in Biological Samples zijn gebundeld. Tevens staan in deze proceedings de conclusies en aanbevelingen van bovenstaande workshop.
    • Quality Assurance and Quality Control of veal calf residue control programmes for clenbuterol in the Netherlands

      Bos M; Ginkel LA van; Stephany RW; ARO (1995-11-30)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van een kwaliteitsprogramma voor de analyses van biologische monsters op de aanwezigheid van residuen van beta-agonisten gericht op de bepaling van clenbuterol. Vier Nederlandse laboratoria, waarvan drie deelnemen aan het officiele Nationale Residu Controle Programma en het officiele laboratorium voor de Stichting Kwaliteitsgarantie van de Vleeskalver Sector (SKV), nemen deel aan dit onderzoek. Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat deze groep laboratoria resultaten voortbrengt die zowel op kwalitatief als op kwantitatief gebied goed overeenkomen. Zowel de binnen - als tussen-laboratoria variaties zijn acceptabel.
    • Quality Assurance by CRL-Salmonella of the serotyping of isolates obtained from the 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs in the EU Member States' (2006-2007)

      Mooijman KA; Veenman C; Maas HME; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-12-31)
      From October 2006 up to October 2007 a 'Baseline study on the prevalence of Salmonella in slaughter pigs' was carried out in all European Member States. A selection of the Salmonella isolates found by the National Reference Laboratories in each Member State was sent to the Community Reference Laboratory for Salmonella (RIVM, Bilthoven, the Netherlands) for quality assurance of the serotyping. This letter report summarises the results of the quality assurance.
    • Quality Assurance Procedures and Good Laboratory Practices (GLP) Guidelines

      Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-01-31)
      Compilatie van de regels voor kwaliteitsborging en GLP wordt gegeven aan de hand van praktische punten. Definities van deeldoelen van GLP worden beschreven.<br>
    • Quality control of antacid preparations: Up-dating the RIGO-method using standard USP dissolution test apparatus

      van Riet-Nales DA; van Aalst P; de Kaste D; Derks HJGM; LGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-09)
      In 1976 bleek uit de literatuur, dat de werkzaamheid van een antacidum werd bepaald door de neutralizatiesnelheid, de maximaal bereikte pH en de werkingsduur. Een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening hield, ontbrak. Het RIGO ontwikkelde daarom een methode voor de in-vitro bepaling van de activiteit van antacida, inclusief specificaties, die met deze criteria rekening hield. De effectiviteit van een antacidum werd in Nederland voldoende geacht door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG), als dit voldeed aan de RIGO specificaties bij testen met de RIGO methode. Dit beleid is nog steeds van toepassing, ondermeer omdat een pharmacopee methode die met deze drie criteria rekening houdt, nog steeds ontbreekt. De RIGO methode dient echter geevalueerd te worden in het licht van het huidige stand van de wetenschap. Door de introductie van de decentrale en centrale procedures is er een groeiende behoefte aan een Europees draagvlak voor het CBG-beleid. Omdat de RIGO methode gebruik maakt van niet commercieel verkrijgbare apparatuur, is tevens onderzocht of de methode gestandaardiseerd kon worden door gebruik te maken van de USP dissolutie test apparatuur. De USP apparatuur bleek een goed alternatief te zijn. De nieuw ontwikkelde (en gevalideerde) methode wordt beschouwd als een een goed uitgangspunt voor een geharmoniseerde Europese monografie voor de kwaliteit van antacida.<br>
    • Quality control parameters of Dutch Down's syndrome screening laboratories 2010

      Schielen PCJI; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-10-29)
      Het RIVM heeft voor de tweede keer de prestaties van de Nederlandse downsyndroom-screeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2010. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat een test op twee parameters uit bloed en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren, hun data over 2010 beschikbaar gesteld. Eén daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Algemene bevindingen In 2010 zijn in totaal 50.494 screeningstests afgenomen; dit betekent dat 26,8 procent van de zwangeren een dergelijke test laat uitvoeren (iets meer dan in 2009). De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen ligt tussen 32 en 33,5 jaar (mediane leeftijd). Het percentage zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom ligt rond de 6%. De prestaties van de laboratoria voldeden in het algemeen aan de kwaliteitseisen, en vielen bovendien allemaal binnen de internationale kwaliteitsnormen (UK NEQAS). Analyse bloedtests en nekplooimeting Verder zijn de gemiddelde concentraties (van de eiwitten PAPP-A en hCG-beta) van de bloedtests geëvalueerd, evenals de uitslagen van de nekplooimeting. Uit die analyse blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt onder andere om de instellingen van de kansberekeningssoftware van de laboratoria te evalueren, en daarbij nadrukkelijk aan te geven hoeveel van de kinderen die met downsyndroom zijn geboren, met de test zijn gedetecteerd. Een andere aanbeveling is om de screening naar andere chromosomale afwijkingen, te weten trisomie 13 en 18 in de evaluatie mee te nemen.
    • Quality control parameters of the Dutch Down syndrome screening laboratories 2009 (2007-2008, when available)

      Schielen PCJI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-02)
      Het RIVM heeft voor het eerst de prestaties van de Nederlandse downsyndroomscreeninglaboratoria geanalyseerd, en wel over het jaar 2009. Hieruit blijkt dat de tests naar behoren zijn uitgevoerd. De screening bestaat formeel sinds 1 januari 2007 en omvat twee bloedtests en een nekplooimeting. Met de evaluatie wordt voldaan aan de opdracht aan het referentielaboratorium om de kwaliteit van de screening te bewaken. Voor de analyse hebben de zeven screeningslaboratoria, verspreid over Nederland, die de bloedtests uitvoeren hun data over 2009 beschikbaar gesteld; Een daarvan is het referentielaboratorium, dat is ondergebracht bij het RIVM. Bevindingen: In 2009 zijn in totaal 48.457 screeningstests afgenomen; daarmee laat 25,7 procent van de zwangeren een dergelijke test uitvoeren. De leeftijd waarop de test het vaakst wordt afgenomen blijkt 32-33,5 jaar (mediane leeftijd). Het aantal zwangeren dat volgens de screeningtest een hoog risico loopt op een kind met het Downsyndroom is in het laboratorium van het AMC 6,3 procent, in het referentielaboratorium van het RIVM 4,8 procent, 7,4 procent bij het VUMClaboratorium en 5,4 procent voor dat van het MUMC. De laboratoria blijken op uiteenlopende momenten de test af te nemen: in sommige regio's gebeurde dat vroeg in de zwangerschap, in week 10. In andere later, in week 12. Een vroeg afgenomen test geeft een betere indicatie. Analyse bloedtests en nekpooimeting: Verder zijn de gemiddelde concentraties van de bloedtests geëvalueerd (van de stoffen PAPP-A en hCG-beta), evenals de uitslagen van de nekplooimeting (NT). Hieruit blijkt dat ze voldoen aan de kwaliteitscriteria die voor de screentests zijn opgesteld. Aanbevolen wordt de gegevens over de bloedtest voor de evaluatie aan te vullen met de ontbrekende gegevens over de nekplooimeting. Een eerste aanzet is daartoe in 2012 gemaakt door de landelijke database met deze gegevens, Peridos, voor deze analyse in te zetten.
    • Quality of the final rinse water for endoscope washer disinfectors. A literature review

      de Bruijn A; van Drongelen A; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-03-18)
    • Quality of the Gradko passive samplers in the MAN monitoring network

      Noordijk H; Braam M; Stolk AP; van Pul WAJ; Wichink Kruit RJ; MMK; MIL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-16)
      The Ammonia Measurement Network in Nature Reserves (MAN) measures ammonia concentrations in the air at approximately 280 locations in nature areas as part of the Integrated Approach to Nitrogen (PAS). The concentrations are measured using Gradko passive samplers that are exchanged every month. These samplers have a number of important advantages: their compactness, inconspicuousness and simple exchange. In addition, they are also cheaper than other commercially available samplers. A disadvantage, however, is that Gradko samplers are less accurate than other more expensive passive samplers. To overcome this disadvantage, the Gradko samplers in the MAN are calibrated every month to six reference instruments from the National Air Quality Monitoring Network located across the Netherlands in regions with varying pollution levels. In this report, the quality of the Gradko passive samplers is investigated before and after the performed calibration. Without calibration, the measurements of the Gradko samplers are systematically too high, especially in the low concentration range. After calibration, this systematic difference is eliminated. The calibration procedure also corrects the observations for meteorological influences, which reduces noise in the measurements. The accuracy of the calibrated Gradko measurements is very similar to the accuracy of various other low-cost measurement techniques. Because the measurement locations are in public areas and the MAN makes use of the efforts of volunteers and site managers, the simple and robust design of the Gradko samplers is perfectly suited for application in Dutch nature reserves.