• T.spiralis onderzoek bij Nederlandse mestvarkens in de periode 1979- 1984

      Knapen; F.van; Franchimont; J.H.; Fenigsen-Narucka; F.* (1985-09-18)
      Abstract not available
    • T.sprialis surveillance bij Nederlandse slachtvarkens in de periode 1985-1990

      Knapen F van; Franchimont JH; Narucka F (1991-11-30)
      This report informs about the sero-epizootiological surveillance of T.spiralis infections in the dutch fattening pig population in the period 1985-1990. Blood samples were collected at random at abattoirs all over the country. For practical reasons the actual number of abattoirs was declined after 1988. care was always taken for a sufficient geographical spread in the origin of the animals. The investigations were carried out in the laboratory of the National Service for Animal and Meat Inspection, according to standard procedures as described earlier. In the period 1985-1990 no changes in the epizootiological situation could be demonstrated. This was supported by data obtained from examinations at selected farms. In farms where so-called 'seropositive' animals were found, other pigs present and rodents captured were examined for T.spiralis infection. No such foci could be spotted. In conclusion it can be stated that T.spiralis infections do not occur in dutch fattening pigs.
    • TAPWAT berekeningen pathogene micro-organismen; in het kader van de Nationale Milieuverkenning 2000-2030

      Jonker N; Cleij P; Mulschlegel JHC; Leenen EJTM; Versteegh JFM; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-11-27)
      In het kader van de realisatie van de Nationale Milieuverkenning 2000-2030 is het infectierisico bepaald voor een aantal pathogene micro-organismen (enterovirussen, Cryptosporidium en Giardia) bij het gebruik van rijks- en regionale oppervlaktewateren als bron voor de bereiding van drinkwater. Dit rapport beschrijft de wijze waarop deze analyse is uitgevoerd. In Nederland wordt van de totale hoeveelheid drinkwater ongeveer eenderde deel bereid uit oppervlaktewater, meestal rijkswater. In de toekomst zal dit aandeel toenemen omdat de hoeveelheid grondwater bestemd voor drinkwaterproductie wordt gestabiliseerd en het watergebruik volgens de prognoses verder zal stijgen. Het overheidsbeleid is gericht op een kwaliteit oppervlaktewater waaruit met eenvoudige middelen drinkwater geproduceerd kan worden. Op basis van het huidige beleid zal de kwaliteit van het oppervlaktewater nauwelijks veranderen. In het algemeen is de grootste risicofactor voor de kwaliteit van drinkwater bereid uit oppervlaktewater het voorkomen van pathogene micro-organismen (o.a. virussen en protozoa). In dit onderzoek is het risico op infectie met enterovirussen, Cryptosporidium en Giardia bij toepassing van 19 huidige en toekomstige innamepunten en zuiveringslocaties voor de drinkwaterproductie bepaald. Bij gebruik van de rijkswateren blijkt dat een eenvoudige zuivering gebaseerd op alleen chemische desinfectie niet voldoet. Indien men uitgaat van een acceptabel infectierisico voor pathogenen van 1 geinfecteerde persoon per 10.000 inwoners per jaar, wordt deze eis overschreden. Een conventionele zuivering (met spaarbekkens) voldoet voor alle locaties aan de risico-eis voor enterovirussen, maar niet voor Cryptosporidium en Giardia op alle beschouwde locaties. De zuiveringstechnieken bodempassage en dubbele membraanfiltratie zijn voldoende om een veilige drinkwaterproductie te garanderen op alle onderzochte locaties. De concentraties van de onderzochte pathogenen zijn lager in de beschouwde regionale oppervlaktewateren dan in de rijkswateren. Een conventionele zuivering kan hier voldoende zijn voor veilig drinkwater. In de toekomst is dit mogelijk 1 van de factoren die regionale wateren als drinkwaterbron voor relatief kleine productie-eenheden aantrekkelijk maakt.
    • TAPWAT berekeningen pathogene micro-organismen; in het kader van de Nationale Milieuverkenning 2000-2030

      Jonker N; Cleij P; Mulschlegel JHC; Leenen EJTM; Versteegh JFM; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-11-27)
      Of the total quantity of drinking water in the Netherlands about one-third is produced from surface water, usually from national waters. The quantity of groundwater used for drinking-water production is stabilising and water use will - according to the prognoses - continue to rise. National policy is geared to realising surface water of a quality which will allow production of drinking water using simple means and methods. Based on the present policies, the quality of the surface water will hardly show any change. In general, the greatest risk factor for drinking water produced from surface water is the occurrence of pathogenic microorganisms (e.g. viruses and protozoa) . In the framework of the National Environmental Outlook 2000-2030, the risk for infections has been determined for a number of pathogenic microorganisms (entero-viruses, Cryptosporidium and Giardia) occurring in national and regional surface water sources used for drinking-water production. In the study presented here the risk of infections from the entero-viruses, Cryptosporidium and Giardia, was determined for 19 current and future intake centres and drinking-water purification locations. When applying the method used in this determination, simple purification based only on chemical means of disinfection was found to be insufficient. If an acceptable infection risk for pathogens is one infected person per 10,000 residents, this requirement will be exceeded. Conventional purification (with reservoirs) meets the entero-virus risk requirement for all locations, but not for Cryptosporidium and Giardia occurrences at the locations considered. The purification techniques of soil passage and double-membrane filtration are sufficient to guarantee a safe drinking-water production at all the locations investigated. The concentrations of the pathogens investigated are lower in the regional surface waters considered than in the national waters. Conventional purification methods are sufficient here for producing safe drinking water. In future, this may be one of the factors making regional waters attractive as a source of drinking water for relatively small production units.<br>
    • TAPWAT: Definition structure and applications for modelling drinking water treatment

      Versteegh JFM; Gaalen FW van; Rietveld LC; Evers EG; Aldenberg TA; Cleij P; Technische Universiteit Delft; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-29)
      Het model TAPWAT (Tool for the Analysis of the Production of drinking WATer), is ontwikkeld om de drinkwaterkwaliteit te beschrijven voor integrale studies in het kader van het planbureau Milieu en Natuur van het RIVM. Het model bestaat uit modules die de individuele zuiveringsstappen van het drinkwaterzuiveringsproces vertegenwoordigen. De zuiveringsstappen in TAPWAT worden voornamelijk gebruikt in systemen voor de behandeling van oppervlaktewater tot drinkwater. De huidige TAPWAT versie zoals in dit rapport beschreven bestaat uit modules gebaseerd op verwijderingspercentages en modules gebaseerd op proces of semi-empirische modelering. Het model moet in staat zijn om het gehele pad te beschrijven van bron tot en met infectierisico voor de bevolking (tenminste voor pathogenen). Aanbevolen wordt een plan van aanpak te maken waarin de bestaande en de nog missende modules, stoffen en micro-organismen geprioriteerd worden in de tijd evenals de noodzakelijke validatie van het model. De verbetering van de huidige versie van TAPWAT en de voorgestelde slag om het model geschikt te maken voor risicoanalyse ten behoeve van de volksgezondheid zal volgens het plan van aanpak uitgevoerd dienen te worden.
    • TAPWAT: Definition structure and applications for modelling drinking water treatment

      Versteegh JFM; van Gaalen FW; Rietveld LC; Evers EG; Aldenberg TA; Cleij P; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTechnische Universiteit Delft, 2001-06-29)
      The 'Tool for the Analysis of the Production of drinking WATer' (TAPWAT) model has been developed for describing drinking-water quality in integral studies in the context of the Environmental Policy Assessment of the RIVM. The model consists of modules that represent individual steps in a treatment process, so that different treatment processes can be constructed. The treatment steps included in TAPWAT are used mainly in systems for the treatment of surface water. The current version of TAPWAT described in this report consists of modules based on removal percentages and on process or semi-empirical modelling. Stochastic modelling using beta-distribution has been worked out for two treatment steps and seems to be a promising technique; however, the availability of data for individual treatment steps is a disadvantage.In general, this combination works out fairly well in the model structure developed for TAPWAT. The model must be able to cover, at least for pathogens, the pathway from water source to infection risk for the public. The parts of the puzzle are present, but the puzzle still has to be laid. The model is as yet only suitable for operation by experts. A plan of action is recommended in which the existing and missing modules, compounds and micro-organisms of interest will be prioritised and the necessary validation of the model described. This plan of action should be implemented to improve the current TAPWAT version and make it suitable for assess public health risks.<br>
    • Target group study pharmaceutical industry

      Ros JPM; van der Poel P; Slootweg J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-06-30)
      This report is the english version of the two reports on the Dutch pharmaceutical industries and deals with both the sources and releases as the measures which can be taken to reduce the environmental releases. It focusses on the chlorinated and aromatic hydrocarbons in particular. For the comparison of factories with total different products and processes the emissions were related to characteristic parameters such as multi-purpose factor, throughput and number of plants. From calculations with the computer model POLCOL for a number of model plants, which reflect the present Dutch situation as good as possible, an estimation has been made of the reductions which are possible in practice. Cost levels depend on the measures taken already, e.g. biological waste water treatment. In general a combination of process-internal and additional add-on treatment seems to be more attractive.<br>
    • Targets IMage Energy Regional (TIMER) Model, Technical Documentation

      Vries B de; Vuuren D van; Elzen M den; Janssen M; MNV (2002-07-05)
      The Targets IMage Energy Regional simulation model, TIMER, is described in detail. This model was developed and used in close connection with the Integrated Model to Assess the Global Environment (IMAGE) 2.2. The system-dynamics TIMER model simulates the global energy system at an intermediate level of aggregation. The model can be used on a stand-alone basis or integrated within the framework of the integrated assessment model IMAGE 2.2. The model simulates the world on the basis of 17 regions. The main objectives of TIMER are to analyse the long-term dynamics of energy conservation and the transition to non-fossil fuels within an integrated modelling framework, and explore long-term trends for energy-related greenhouse gas emissions. Important components of the various submodels are: price-driven fuel and technology substitution processes, cost decrease as a consequence of accumulated production ('learning-by-doing'), resource depletion as a function of cumulated use (long-term supply cost curves) and price-driven fuel trade.
    • Targets IMage Energy Regional (TIMER) Model, Technical Documentation

      Vries B de; Vuuren D van; Elzen M den; Janssen M; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-05)
      Er wordt een gedetailleerde beschrijving gegeven van het Targets IMage Energy Regional (TIMER) simulatiemodel. Het model is ontwikkeld en toegepast in nauwe relatie met het Integrated Model to Assess the Global Environment (IMAGE) 2.1-2.2. . Het TIMER model is een systeem-dynamisch simulatiemodel van het wereld-energiesysteem op een intermediair aggregatieniveau. Het model kan zowel als afzonderlijk model alsook geintegreerd met het IMAGE 2.2 modelkader worden gebruikt. Het model simuleert de wereld op basis van 17 regio's. De belangrijkste doelstellingen van het TIMER model zijn het analyseren van de lange-termijn dynamica van energiebesparing en de overgang naar niet-fossiele brandstoffen in een geintegreerd modelkader, en het verkennen van de lange-termijn trends inzake energie-gelieerde broeikasgas-emissies. Belangrijke ingredienten van de diverse deelmodellen zijn: prijsgedreven brandstof en technologie substitutieprocessen, kostendaling als gevolg van accumulerende produktie ('learning-by-doing'), hulpbron uitputting als een functie van cumulatief gebruik (lange-termijn kosten-aanbodcurves) en prijsgedreven brandstofhandel.
    • The Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 Model

      Vries B de; Wijngaart RA van den; MNV (1996-10-31)
      Documentation of the five submodels of Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 model are presented. Energy Demand, Liquid Fuel (LF), Gaseous Fuel (GF), Solid Fuel (SF) and Electric Power Generation (EPG) are described in detail. Some results of the model calibration for the world 1900-1990 are presented as well.
    • The Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 Model

      Vries B de; Wijngaart RA van den; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      Betreft een technische documentatie van de vijf deelmodellen van het Targets/IMage Energy (TIME) 1.0 model. Energy Demand, Liquid Fuel (LF), Gaseous Fuel (GF), Solid Fuel (SF) en Electric Power Generation (EPG) worden gedetailleerd beschreven. Tevens zijn enkele resultaten van modelkalibratie voor de wereld 1900-1990 opgenomen.
    • TCP's in cabinelucht van vliegtuigen : Voortgangsrapportage voorjaar 2014

      van Kesteren PCE; Jongeneel WP; Palmen NGM; Rorije E; Cassee FR; Sijm DTHM; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-06-25)
      It is still unclear whether health problems of flight crew and exposure to tricresyl phosphates (TCPs) in the aircraft cabin air are related. The "aerotoxic syndrome" would cause neurological symptoms to some crew members, such as loss of concentration, depression and tremors. A literature study of the RIVM shows that the cause of these health problems among aircrew is still uncertain. TCPs are a constituent of engine oil and can 'leak' into the cabin through the air intake. To gain more clarity, more knowledge is required. For example, more insight is needed on the specific hazard of the different types of TCPs, the exact exposure concentrations of flight crew, now and in the past, and the individual susceptibility of humans to the substance. In addition, it is important to evaluate whether the current standards are sufficiently protective. It is recommended to investigate these aspects on an international scale with stakeholders in the aviation industry and research institutions. The involvement of the aviation sector is important to obtain information on issues specific for aviation, such as the number of hours flown by pilots and the operation of the engines. The RIVM study was prompted by questions from the House of Representatives. The research was initiated by a two-track approach. First, information on the presence of TCPs in engine oil of aircrafts is found and hazardous effects of TCP are evaluated. RIVM evaluates TCPs within the chemicals legislation REACH (Registration, Evaluation, Authorisation and restriction of CHemicals) and therefore possesses confidential information from manufacturers on the composition of engine oil. Secondly, the possible causes of health problems were analysed based on a literature search. The results are used to discuss TCP measurements in the cockpit of aircrafts, as performed by TNO in 2013.
    • Technical description of the RIVM trajectory model

      de Waal ES; van Pul WAJ; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      The RIVM trajectory model, described in this report, enables calculation of a backward or forward trajectory. These trajectories are used to "follow" previous released air pollution in a backward mode or to "find" the origin of air pollution in a forward mode. The trajectories are used in the smog forecasting and in the TREND-model. Presently 6-hourly ECMWF wind fields at 1000 and 850 hPa, with 3 degree x 3 degree latitude-longitude resolution are used. Wind fields with a different resolution in latitude-longitude can also be used after simple adjustments. An iterative method, described in Rosier et al. 1983, is applied to calculate the trajectories. Within limits, the user is free to choose the time step (1-, 2- or 6-hour), transport height, length, starting or arrival date and starting or arrival position of the trajectory. The differences between the trajectories calculated with time steps of 1-, 2- and 6-hour were small. For the 96-hour trajectories at 1000 and 850 hPa the deviations were generally within 1 degree latitude and longitude i.e. 100-200 km. The trajectory calculated with the six-hour time step could be used without a great loss in accuracy compared to the calculations with the one-hour time step. A typical error in the trajectory path was 500 km, which is about 30% of a typical travel distance. However, close to quickly changing weather systems, such as cyclones, the error can be as large as the travel distance and makes the calculations unreliable. The error in the forecasted trajectory was found to be larger than the above error estimation due to larger uncertainties in the forecasted compared to the analyzed wind fields. A manual on how to run the model is also found in the report.<br>
    • Technical description of the RIVM/KNMI PUFF dispersion model. Version 4.0

      van Pul WAJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-10-31)
      This report provides a technical description of the RIVM/KNMI PUFF model. The model may be used to calculate, given wind and rain field data, the dispersion of components emitted following an accident, emergency or calamity; the model area may be freely chosen to match the area of concern. The report concentrates on model structure and on model inputs and output. The significance of input parameters is explained and first order estimate values for these are provided. The model's inputs and output are illustrated using examples.<br>
    • Technical evaluation of a potential release of OX513A Aedes aegypti mosquitoes on the island of Saba

      Glandorf DCM; GBV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-06)
      De mug Aedes aegypti brengt virussen over die meerdere ziekten kunnen veroorzaken, zoals dengue, chikungunya en zika. De mug wordt bestreden omdat deze infectieziekten een groot gezondheidsprobleem vormen. Dit is het geval op het eiland Saba, dat onderdeel is van Caribisch Nederland. Om de ziekten te bestrijden heeft een Brits bedrijf met behulp van genetische modificatie de mug zodanig aangepast dat lokale muggenpopulaties teruggedrongen kunnen worden. Door de modificatie sterft het nageslacht vroegtijdig. Deze toepassing blijkt op Saba verwaarloosbaar kleine risico's voor mens en milieu met zich mee te brengen. Dit blijkt uit een technische evaluatie van de mogelijke inzet van deze genetisch gemodificeerde muggen. Het Bureau GGO (Genetisch Gemodificeerde Organismen) van het RIVM heeft deze evaluatie in opdracht van het bestuur van Saba uitgevoerd. Bij deze beoordeling is onder andere naar de voedselketen gekeken: verdwijnt er niet een belangrijke voedselbron wanneer de lokale muggenpopulatie wegvalt? Ook is onderzocht of het ongezond is als mensen per ongeluk een genetisch gemodificeerde mug inslikken. Een ander beoordelingspunt is of de mug door de genetische modificatie niet juist beter in staat wordt om ziekten over te brengen. Evaluatie van de effectiviteit van de inzet van de genetisch gemodificeerde muggen was geen onderdeel van deze technische evaluatie. Hetzelfde geldt voor sociaaleconomische effecten of de wenselijkheid om deze muggen in te zetten.
    • Technical evaluation of the Intervention Values for Soil/sediment and Groundwater. Human and ecotoxicological risk assessment and derivation of risk limits for soil, aquatic sediment and groundwater

      Lijzen JPA; Baars AJ; Otte PF; Rikken M; Swartjes FA; Verbruggen EMJ; Wezel AP van; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-18)
      Interventiewaarden zijn generieke risicogrenzen voor de bodem- en grondwaterkwaliteit, welke in het kader van de Wet Bodembescherming worden gebruikt om historische bodemverontreiniging (incl. sediment en grondwater) te classificeren als 'ernstig'. In 1994 zijn Interventiewaarden gepubliceerd voor ca. 70 stoffen. Deze waarden, gebaseerd op potentiele risico's voor de mens en voor ecosystemen, zijn technisch-wetenschappelijk geevalueerd op basis van recente (toxiciteit)data en nieuwe inzichten in risicoanalyse. De afgeleide risicogrenzen (engelse afkorting SRC Serious Risk Concentration) voor bodem en grondwater zijn herzien; ter aanvulling zijn risicogrenzen voor waterbodem afgeleid. In de hierop volgende beleidsmatige fase zal worden bepaald hoe de resultaten zullen worden geimplementeerd. De uitgangspunten voor afleiding van de SRCs, welke gedeeltelijk beleidsmatig zijn bepaald, zijn toegelicht. De algemene procedure voor afleiding van deze risicogrenzen is gedeeltelijk aangepast, met name voor grondwater. Bovendien zijn aparte risicogrenzen voor waterbodems afgeleid. De humane risicogrenzen (SRChuman) zijn bepaald met de blootstellingsmodellen CSOIL (landbodems) en SEDISOIL (waterbodems), in combinatie met het Mximaal Toelaatbare Risico voor blootstelling (MTRhumaan). De model input parameters (o.m. fysische-chemische data), het MTRhumaan en de modelconcepten zijn hiervoor geevalueerd. De ecotoxicologische risicogrenzen (SRCeco) zijn gebaseerd op de HC50, de concentratie waarbij, gebaseerd op laboratorium experimenten, 50% van de soorten en processen mogelijke negatieve effecten ondervinden. Hiervoor zijn de HC50s, de procedure en toxiciteitsdata herzien. De laagste van de humane en de ecotoxicologische risicogrens wordt gekozen als de geintegreerde SRC. Ecotoxicologische risico's bepalen vaker de geintegreerde SRCs dan humane risico's. De geintegreerde risicogrenzen voor grondwater worden bepaald door ecotoxicologische en humane risico's (m.n. de 'maximale concentratie in drinkwater'). De herziene SRCs voor bodem en waterbodem zijn zowel lager als hoger dan de huidige Interventiewaarden voor bodem. De SRCs voor grondwater zijn vaker hoger dan lager dan de huidige Interventiwaarden voor grondwater. Geconcludeerd kan worden dat dit rapport consistent afgeleide humane en ecotoxicologische risicogrenzen weergeeft, welke een basis vormt voor het herzien van Interventiewaarden in de bleidsmatige fase.
    • Technical evaluation of the Intervention Values for Soil/sediment and Groundwater. Human and ecotoxicological risk assessment and derivation of risk limits for soil, aquatic sediment and groundwater

      Lijzen JPA; Baars AJ; Otte PF; Rikken M; Swartjes FA; Verbruggen EMJ; van Wezel AP; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-18)
      Intervention Values are generic soil quality standards used to classify historically contaminated soils (i.e. before 1987) as seriously contaminated in the framework of the Dutch Soil Protection Act. In 1994 Intervention Values were published for 70 (groups of) compounds. These values, based on potential risks to human health and ecosystems, are technically evaluated on the basis of recent scientific views and data on risk assessment. Serious Risk Concentrations (SRCs, formerly called SCC) are revised for soil and groundwater; in addition SRCs are derived for sediment. A policy phase will start in 2001 to determine how the results will be implemented for setting Intervention Values. Starting points for the derivation of SRCs, partly chosen because of the policy context in which the SRCs are used, are mentioned and discussed. The general procedure for deriving these risk limits is partly modified, especially for groundwater. The methodology for deriving SRCs for sediment is new, as sediment had not been considered separately earlier. All parts of the human and ecotoxicological risk assessment were evaluated and revised when necessary. For deriving the human risk limit (SRChuman) the model concepts for human exposure pathways (i.e. soil ingestion, crop consumption and inhalation of indoor air), the model input parameters (e.g. physicochemical data), and the human-toxicological Maximal Permissible Risk level (MPR) are revised. For deriving the ecotoxicological risk limits (SRCeco) the HC50s, the concentrations where 50% of the tested species/processes may encounter adverse effects, the procedure and data were revised. The lowest value for each of SRCeco and SRChuman is selected as the integrated SRC. Ecotoxicological risks more frequently determine the integrated SRCs for soil and sediment than human toxicological risks. For groundwater the integrated SRC is often based on ecotoxicological risks and on the maximum concentration in drinking water (when groundwater would be directly used for human consumption). The proposed risk limits for soil and sediment are higher and lower than the current Intervention Values for Soil/sediment. The proposed risk limits for groundwater are more often higher than lower compared to the current Intervention Values for Groundwater. It can be concluded that in the present report consistently derived human and ecotoxicological risk limits are given, which give a solid foundation for setting Intervention Values in the policy phase.<br>
    • Technical Report on Enlargement

      Jantzen J; Cofala J; Haan BJ de; MNV (2001-09-21)
      The economic assessment of priorities for a European environmental policy plan focuses on twelve identified Prominent European Environmental Problems such as climate change, chemical risks and biodiversity. The study, commissioned by the European Commission (DG Environment) to a European consortium led by RIVM, provides a basis for priority setting for European environmental policy planning in support of the sixth Environmental Action Programme as follow-up of the current fifth Environmental Action Plan called 'Towards Sustainability'. The analysis is based on an examination of the cost of avoided damage, environmental expenditures, risk assessment, public opinion, social incidence and sustainability. The study incorporates information on targets, scenario results, and policy options and measures including their costs and benefits. Main findings of the study are the following. Current trends show that if all existing policies are fully implemented and enforced, the European Union will be successful in reducing pressures on the environment. However, damage to human health and ecosystems can be substantially reduced with accelerated policies. The implementation costs of these additional policies will not exceed the environmental benefits and the impact on the economy is manageable. This requires future policies to focus on least-cost solutions and follow an integrated approach. Nevertheless, these policies will not be adequate for achieving all policy objectives. Remaining major problems are the excess load of nitrogen in the ecosystem, exceedance of air quality guidelines (especially particulate matter), noise nuisance and biodiversity loss. This report is one of a series supporting the main report: European Environmental Priorities: an Integrated Economic and Environmental Assessment. The areas discussed in the main report are fully documented in the various Technical reports. A background report is presented for each environmental issue giving an outline of the problem and its relationship to economic sectors and other issues; the benefits and the cost-benefit analysis; and the policy responses. Additional reports outline the benefits methodology, the EU enlargement issue and the macro-economic consequences of the scenarios. This report documents the Enlargement issue.
    • Technical Report on Acidification, Eutrophication and Tropospheric Ozone in Europe: an integrated economic and environmental assessment

      Cofala J; Heyes C; Klimont Z; Amann M; Pearce DW; Howarth A; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-19)
      Ondanks verbeteringen van het milieu in Europa op een aantal terreinen, is een aangescherpt milieubeleid in de Europese Unie noodzakelijk om de gezondheidsschade en het natuurverlies te beperken. Een kosten-batenanalyse wijst uit dat zo'n beleid robuust is en dat de macro-economische gevolgen beheersbaar zijn. Belangrijke prioriteiten voor het EU-milieubeleid zijn klimaatverandering, stikstof-eutrofiering, fijn stof, ozon en biodiversiteit. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een internationaal studieconsortium onder leiding van het RIVM. De studie is verricht in samenwerking met EFTEC (UK), NTUA (Griekenland), IIASA (Oostenrijk). Daarnaast hebben TNO en TME bijdragen geleverd. Ook is in het kader van de studie intensief samengewerkt met het Europese Milieuagentschap in Kopenhagen. De studie is verricht op verzoek van de Europese Commissie als bijdrage voor het zesde Milieu-Actieprogramma, dat door de Europese Commissie is gepresenteerd. In de studie stonden vijf vragen centraal: Is het huidige beleid adequaat genoeg? Kan technologie de geconstateerde beleidstekorten oplossen? Zijn ambitieusere milieudoelstellingen te realiseren? Zo ja, zijn deze doelen ook in economische zin verstandig? Welke beleidsreacties en -instrumenten zijn aan te bevelen? Deze vijf vragen zijn geanalyseerd voor twaalf Europese milieuproblemen, zoals klimaatverandering, biodiversiteit en chemische risico's. De analyse bestaat uit een analyse van de kosten van vermeden schade, milieu-uitgaven, risicoschattingen, publieke opinie, sociale gevolgen en duurzaamheid. De studie bevat ook informatie over milieudoelstellingen, scenario's en beleidsopties en - maatregelen, inclusief de kosten en baten hiervan. Dit rapport is het technische achtergrondrapport dat behoort bij het hoofdrapport. Er zijn twaalf technische achtergrondrapporten opgesteld, waarvan negen een specifiek milieuprobleem behandelen (analyse van het probleem, scenarios, kosten-batenanalyse en beleidsopties). Daarnaast zijn er drie algemene achtergrondrapporten opgesteld over de macro-economische gevolgen, de uitbreiding van de EU en de gehanteerde batenmethodiek.
    • Technical Report on Acidification, Eutrophication and Tropospheric Ozone in Europe: an integrated economic and environmental assessment

      Cofala J; Heyes C; Klimont Z; Amann M; Pearce DW; Howarth A; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-19)
      The economic assessment of priorities for a European environmental policy plan focuses on twelve identified Prominent European Environmental Problems such as climate change, chemical risks and biodiversity. The study, commissioned by the European Commission (DG Environment) to a European consortium led by RIVM, provides a basis for priority setting for European environmental policy planning in support of the sixth Environmental Action Programme as follow-up of the current fifth Environmental Action Plan called 'Towards Sustainability'. The analysis is based on an examination of the cost of avoided damage, environmental expenditures, risk assessment, public opinion, social incidence and sustainability. The study incorporates information on targets, scenario results, and policy options and measures including their costs and benefits. Main findings of the study are the following. Current trends show that if all existing policies are fully implemented and enforced, the European Union will be successful in reducing pressures on the environment. However, damage to human health and ecosystems can be substantially reduced with accelerated policies. The implementation costs of these additional policies will not exceed the environmental benefits and the impact on the economy is manageable. This requires future policies to focus on least-cost solutions and follow an integrated approach. Nevertheless, these policies will not be adequate for achieving all policy objectives. Remaining major problems are the excess load of nitrogen in the ecosystem, exceedance of air quality guidelines (especially particulate matter), noise nuisance and biodiversity loss. This report is one of a series supporting the main report: European Environmental Priorities: an Integrated Economic and Environmental Assessment. The areas discussed in the main report are fully documented in the various Technical reports. A background report is presented for each environmental issue giving an outline of the problem and its relationship to economic sectors and other issues; the benefits and the cost-benefit analysis; and the policy responses. Additional reports outline the benefits methodology, the EU enlargement issue and the macro-economic consequences of the scenarios. This report documents the Acidification, Eutrophication and Tropospheric Ozon issue.<br>