• The U-shaped dose-response curve of alpha-ergocryptine. Risk assessment ergot alkaloids

      Janssen GB; Boink ABTJ; Niesink RJM; Beekhof PK; Beems RB; te Biesebeek JD; van Egmond HP; Elvers LH; Jansen van 't Land C; van Loenen HA; Schot C; Sizoo EA; Timmerman A; CSR; LEO; Open Universiteit; LPI; ARO; LIS; CDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-02)
      In a previous sub-acute toxicity experiment with alpha-ergocryptine a U-shaped dose response curve was found for food intake and some other parameters, while another group of parameters were influenced in a dose-related manner. A qualitative risk assessment cannot be performed as long as the mechanisms of action for the U-shaped dose-response curve for the parameters mentioned above is not fully understood. The objective of the present study was to test the hypothesis that the U-shaped dose-response curve for food intake is primarily responsible for the U-shaped dose-response curve of the other parameters. A second objective is to explain the U-shaped dose-response curve for food intake caused by alpha- ergocryptine. In the present toxicity experiments (subacute and biotelemetry system), performed in animals subjected to food restriction, it is shown that the U-shaped dose-response curve for food intake is primarily responsible for the U-shaped dose-response curve of the other parameters. Based on literature study, statistical analysis of the data-set of the previous toxicity experiment and the results of the new studies it is concluded that the dopaminergic properties of ergocryptine are responsible for the U-shaped dose-response curve for food intake. Combining all toxicity data and based on the maximum concentration of total ergot alkaloids in grains measured in the Netherlands it is concluded that the minimal margin of safety amounts to 145 and that there seem no reasons for concern for public health.<br>
    • Ugilec 141, PCB&apos;s en dioxinen in paling uit de Roer

      Wammes JIJ; Linders SHMA; Liem AKD; Velde EG van der; LOC (1997-12-31)
      Questions about the health risk of consumption of eel from the river Rur for anglers, were the reason for an investigation into the occurrence of PCBs, dioxins and Ugilec 141 in this eel. Methods developed at the Laboratory of Organic-analytical Chemistry have been used for the analysis of Ugilec 141, planar, mono-ortho and indicator PCBs and dioxins. Preliminary treatment of the samples was combined for the different kind of analytes. The different kind of analytes were found varying from pg/g fat till ug/g fat. Planar PCBs were found at a level of 0.2-0.8 ng/g of fat. Dioxins were found at a level of 0.1-12 pg/g of fat. Mono-ortho, indicator PCBs and Ugilec 141 were found at a level of 0.1-1.2 ug/g of fat. The total amount of the different components, expressed in 2,3,7,8-TCDD equivalents, is mainly determined by the contribution of the planar and mono-ortho PCBs. PCB 126 gives the greatest contribution to the total toxicity, due to the high TEQ value of 0.1, in combination with the concentration level. Ugilec 141 and the dioxins contribute of 4% each in the total toxicity. A decreasing trend in the levels was found for all components in eel from the river Rur, determined in this investigation. Levels in eel from the Rur were higher than the levels found in other Dutch surface waters.
    • Ugilec 141, PCB's en dioxinen in paling uit de Roer

      Wammes JIJ; Linders SHMA; Liem AKD; Velde EG van der; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      Naar aanleiding van vragen over het gezondheidsrisico bij sportvissers in het geval van consumptie van eigen gevangen paling uit de Roer werd in 1993 een onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van PCB's, dioxinen en Ugilec 141 in deze paling. Gebruik makend van door het Laboratorium voor Organisch-analytische Chemie ontwikkelde analysemethoden voor Ugilec 141, planaire-, mono-ortho- en indicator PCB's en PCDD/F's, werd de voorbewerking voor de verschillende stofgroepen gecombineerd uitgevoerd. De verschillende komponentengroepen kwamen voor op niveaus varierend van pg/g vet tot ug/g vet. Planaire PCB's kwamen voor op niveau van 0.2-0.8 ng/g vet en PCDD/F's op een niveau van 0.1-12 pg/g vet. Mono-ortho PCB's, indicator PCB's en Ugilec 141 zijn aangetoond op een niveau van 0.1-1.2 ug/g vet. De som van de gehalten van de onderzochte componentengroepen, uitgedrukt in 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ), werd hoofdzakelijk bepaald door de bijdrage van de planaire PCB's en de som van de twee onderzochte mono-ortho PCB's, namelijk ruim 90%. Door het toekennen van een relatief hoge toxiciteitsequivalentiefactor van 0.1, in combinatie met hoge gehalte, leverde PCB 126 de grootste bijdrage aan de totale toxiciteit. Ugilec 141 en de PCDD/F's droegen elk aan het totaal gehalte uitgedrukt in TEQ voor ongeveer 4% bij. Voor de onderzochte stofgroepen geldt dat de gehalten in paling afkomstig uit de Roer een dalende trend te zien geven in de tijd. Tegelijkertijd kan worden vastgesteld dat de aangetoonde niveaus in paling afkomstig uit de Roer boven de niveaus liggen van die in overige Nederlandse oppervlaktewateren.
    • Uitbouw en optimalisatie van het Landelijk Beeld van Verstoring. Partiele validatie en gevoeligheidsanalyse

      Dassen AGM; Jabben J; Janssen PMH; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-07)
      Aan de hand van de modelvergelijking, validatie en gevoeligheidsanalyse is getracht de onzekerheden in de modeluitkomsten van het Landelijke Beeld van Verstoring (EMPARA) te kwantificeren. De belangrijkste bevinding is dat de nauwkeurigheid van de 'gemiddelde' geluidbelasting berekend op een gebied, minimaal ter grootte van een middelgrote stad, zo'n 2 decibel bedraagt. De nauwkeurigheid kan worden vertaald in een onzekerheid in de geaggregeerde modelresultaten (geluidbelast oppervlak, geluidbelaste woningen) van enkele tientallen procenten. Een uitzondering vormt het aantal hoogbelaste woningen (>65 dB). Bij dit aantal moet in sommige situaties rekening worden gehouden met een onzekerheid die gelijk is aan het berekende aantal. De onzekerheden in de trends zijn over het algemeen kleiner. Op basis van de bevindingen is geconcludeerd dat het model geschikt is om op landelijke schaal evaluaties uit te voeren van scenario's en het uitvoeren van beleid, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in het kader van de Milieuverkenningen. Voor het jaarlijkse, op landelijke schaal monitoren van (kleine) veranderingen, en zeker voor studies aan specifieke maatregelen en lokale situaties is het model over het algemeen te onnauwkeurig.
    • Uitbouw en optimalisatie van het Landelijk Beeld van Verstoring. Partiele validatie en gevoeligheidsanalyse

      Dassen AGM; Jabben J; Janssen PMH; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-07)
      In this report details on, and background to a study on the extent and effects of exposure to noise from road, rail and air traffic in the framework of the fifth National Environmental Outlook are given as they are expected to develop from 1995 to 2030. The results have indicated environmental noise to be among the persistent environmental problems in the Netherlands. The whole process, from the basic data collection and processing to the application of a computer model for noise mapping and the analysis of its results has been described. The most comprehensive description is dedicated to the starting points and assumptions in line with the methodological approach. Special focus has also been placed on the way the effects of existing policy and measures to reduce noise (annoyance) in the Netherlands ar estimated and taken into account. The reproducibility of the figures and conclusions given in this fifth Environmental Outlook have been adequately handled in this way, while providing the interested reader with all the necessary background information.<br>
    • Uitbreiding second messengers: fosfoinositolsysteem. Eindrapportage over pilotexperimenten

      Bisschop A; Eigeman L; van Amsterdam JGC; Wemer J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      A pilot study was conducted in order to investigate the possibility to measure the IP3 (inositoltrisphosphate) content in cardiovascular tissue of the rat, by means of a radioimmunoassay. With the kit is was possible to obtain a linear standard calibration curve. In extracts of control- and 10 mM NaF stimulated aorta's and left ventricles it appeared that with the applied method the measurement of IP3 was unsuccessful. In contrast to the sample preparation method, the measurement assay is not problematic. It was decided not to continue further investigations.<br>
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniak berekeningen 1997 tot en met 1999 zoals gebruikt in de Milieubalans 1999 en 2000

      Hoek KW van der; LAE (2002-11-28)
      This report presents the input variables for the calculated manure and ammonia data in the annual issued Environmental Balance. The applied Manure model is developed by the Agricultural Economics Research Institute and the input data are divided into general and specific. General input data are taken from the annual agricultural census. Specific input data concern the nitrogen and phosphate excretion by the different animal categories, the ammonia volatilization rates from animal housing systems and land application systems for animal manure. Also the share of systems with a low ammonia volatilization rate is taken into account. The report follows the minerals on its routing from excretion to application on the land. Various data sources are used.situation in a particular year. This report presents the input variables for the years 1997 and 1998* (Environmental Balance 1999) and for the years 1998 and 1999* (Environmental Balance 2000). The *-sign denotes the preliminary character of the results for that year.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniak berekeningen 1997 tot en met 1999 zoals gebruikt in de Milieubalans 1999 en 2000

      Hoek KW van der; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-28)
      Een beschrijving wordt gegeven van de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten. Bij de mest- en ammoniakberekeningen wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1997 en 1998* (Milieubalans 1999) en voor de jaren 1998 en 1999* (Milieubalans 2000). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (2002-08-20)
      This report presents the input variables for the calculated manure and ammonia data in the annual issued Environmental Balance. The applied Manure model is developed by the Agricultural Economics Research Institute and the input data are divided into general and specific. General input data are taken from the annual agricultural census. Specific input data concern the nitrogen and phosphate excretion by the different animal categories, the ammonia volatilization rates from animal housing systems and land application systems for animal manure. Also the share of systems with a low ammonia volatilization rate is taken into account. The report follows the minerals on its routing from excretion to application on the land. Various data sources are used.situation in a particular year. This report presents the input variables for the years 1999 and 2000* (Environmental Balance 2001) and for the years 2000 and 2001* (Environmental Balance 2002). The *-sign denotes the preliminary character of the results for that year.during the period 1980 - 2000.
    • Uitgangspunten voor de mest- en ammoniakberekeningen 1999 tot en met 2001 zoals gebruikt in de Milieubalans 2001 en 2002, inclusief dataset landbouwemissies 1980 - 2001

      Hoek KW van der; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-08-20)
      Dit rapport beschrijft de uitgangspunten die gebruikt zijn bij de modelmatige berekening van de mest- en ammoniakemissies in de jaarlijks verschijnende Milieubalans. Het modelinstrumentarium is ontwikkeld door het Landbouw Economisch Instituut en wordt gevoed met generieke invoerdata afkomstig van de jaarlijkse Landbouwtelling en met specifieke uitgangspunten. Met specifieke uitgangspunten worden bedoeld de stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie, de ammoniakemissie van stalsystemen en mestaanwendingstechnieken, en de mate waarin de verschillende staltypen en mestaanwendingstechnieken voorkomen. Het rapport volgt de mineralenroute van opname en excretie door het dier tot en met opslag en aanwending op het land. Een scala aan bronnen vormt de basis voor de gebruikte uitgangspunten.angesloten bij de specifieke situatie in een bepaald jaar. Dit rapport beschrijft de uitgangspunten voor de jaren 1999 en 2000* (Milieubalans 2001) en voor de jaren 2000 en 2001* (Milieubalans 2002). Het *-teken geeft aan dat het voorlopige berekeningen voor dat jaar betreft.missies in de periode 1980 - 2000.
    • Uitgavenmanagement in de zorg. Het effect van disease management en preventie op de zorguitgaven

      Boom JHC; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; Polder JJ; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-04)
      Research shows that both prevention and disease management (DiM) may have a positive impact on the prevention and treatment of chronically ill patients. Prevention aims to reduce or control of causative factors of potential health problems; thereby delaying or preventing a disease onset. Disease management is a broad approach to appropriate coordination of the entire disease treatment process. Prevention and DiM programs are worthwhile investments when health gains and program expenditures are in proportion. However, they do not necessarily reduce the total health care expenditures. In the literature, there is a lack of agreement on the relationship between healthcare expenditures and DiM. Furthermore, studies often show methodological deficiencies and heterogeneity. For this reason, it remains unclear whether DiM will increase or decrease costs. In contrast, there is more certainty that prevention will not result in large long-term savings. Favourable exceptions are a number of vaccinations, tax charges and preventive interventions for high risk groups. As a result of the fragmentation of care, chronically ill patients do not get optimal care. However, with the aging of the population, the necessity to improve quality of care for this group is even more pressing. Therefore, prevention and DiM must be judged on their efficiency rather than their costs (savings). The following illnesses are discussed in this report: cerebral vascular accident, breast cancer, diabetes mellitus, heart failure, COPD and depression. Moreover, the prevention of obesities and vaccinations are examined.
    • Uitgestelde effecten van infiltratie van voorgezuiverd rivierwater in duinen op ecologie en drinkwaterkwaliteit

      Hrubec J; LWD (1996-03-31)
      The study on the risks of the artificial groundwater recharge of pretreated river water in the dune area for drinking water quality and dune ecology suggests, that the most serious ecological consequence of the recharge is the eutrophication by phosphate and nitrate. An effective control of eutrophication can be achieved by additional ecological management measures. Accumulation of the suspended matter and heavy metals taking place in the upper layers of the underground beneath the recharge surfaces does not pose a serious threat. Information on the pollution of moist dune slacks by trace elements is however scarce and further study is needed. The risks related to accumulation of organic pollutants could not be properly evaluated due to the lack of reliable data. Nevertheless there exists no indication of a serious accumulation of organic micropollutants in the underground related to the recharge.
    • Uitloging van grond. Een modelmatige verkenning

      Spijker J; Comans RJN; Dijkstra JJ; Groenenberg BJ; Verschoor AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNAlterra, 2009-07-02)
    • Uitloging van PCB&apos;s en EOX uit afvalstoffen met de kolom-, cascade- en aangepaste CEN proef (materiaalonderzoek)

      Broekman MH; Rood GA; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      The research described has been carried out within the framework of the Target Plan for the normalization commission 39011 on 'Leaching characteristics of building and waste materials'. The aim of the project is to develop leaching tests for organic components. RIVM tested the draft protocols o-NVN 7344 en o-NVN 7350 as well as a protocol for the CEN-test (from the commission CEN TC 292) which was modified in this research. The practicality and the repeatability of the columntest, serial batch test and CEN-test were investigated. A characterisation of the leaching behaviour of PCBs and EOX from three different waste materials as well as a comparison of the emissions determined with the different leaching tests were made. Based on the research preserved in this report it is concluded that modifications of the draft protocols investigated were not necessary.<br>
    • Uitloging van zware metalen en anionen uit afvalstoffen in relatie tot bodem- en grondwater bescherming; grenswaarden C2-, C3- en C4-afvalstoffen

      Aalbers TG (1992-02-29)
      This report describes the acceptation criteria for dumpable solid chemical waste materials on landfills in the Netherlands. The limit values are based on the acceptable immission of metals into the soil, the leaching behaviour of metals and the emission reducing facilities of the various types of landfills in the Netherlands.
    • Uitlooggedrag van primaire en secundaire grondstoffen

      Aalbers TG; Keijzer J; Gerritsen R (1990-07-31)
      The joint research project "Environmental implications of useful applications of primary and secondary materials to be used on top of or in the ground" was carried out by four institutes i.e. RIVM, ECN, TNO, and INTRON. In this research project an estimation is made of the environmental implications when primary materials (natural materials) are replaced by secondary materials (waste materials) in road constructions and building materials. Moreover the results will be used in order to contribute to the normalization of the application of secondary materials. This report concerns the results of leaching experiments of secondary materials.
    • Uitloogonderzoek aan een wegvak met slak van een AfvalVerbrandingsInstallatie als funderingsmateriaal in Roosendaal

      Aalbers; T.G.; Fokkert; L.; Beek; A.I.M. van de; (1986-10-31)
      Abstract not available
    • Uitloogtest voor organische componenten uit afvalstoffen

      Bauw DH; Keijzer J; Wilde PGM de; Aalbers TG (1988-12-31)
      Abstract not available
    • Het uitruilbeginsel bij hoogspanningslijnen : Een verkenning

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-17)
      A geographical information system (GIS) helps in drawing up a list of parts of overhead power lines which according to the Dutch national policy qualify first for undergrounding. This concludes the National Institute for Public Health and the Environment in a pilot study commissioned by the Dutch ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM). The fact is that the minister for Economic Affairs has determined that the number of kilometers of overhead power lines shall not increase. Consequently, for each part of a new overhead power line with voltage levels of 220,000 volts (220 kV) or higher an equal length of parts of 150 or 110 kV power lines must be undergrounded. This so called exchange principle only applies when the new overhead power line can not be combined with an existing overhead power line. With the GIS for power lines, developed at RIVM, it is visualised how and where an overhead power line interferes with the national spatial planning policy. This is done by determining the number of dwellings or schools close to the power lines; the length of sections of power lines intersecting a Unesco World Heritage area, a nature reserve, a National Landscape or a National Bufferzone. The results of the GIS analysis are the basis for future policy considerations. The necessary mutual weighing of the several policy categories (living, nature, open space, urbanization) remains, however, the responsibility of the ministers involved. The GIS analysis can be optimized on several points. Especially, it can be optimized with respect to the basic unit of the power grid, the definition of the zoning near the power lines and the definition of the spatial data.
    • Uitspoeling en grondwaterbelasting onder een bosgebied

      Krajenbrink GJW (1988-11-30)
      Abstract not available