• W.H.O./I.F.C.C. 5 country study 1981

      Koedam; J.C.; Dreumel; H.J.van (1984-09-01)
      Abstract not available
    • De waarde van een voedselkeuzelogo voor het voedingsbeleid : Advies van de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo

      Hoogendoorn MP; van den Berg M; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-09)
      Front-of-pack nutrition logos can inform consumers about healthier products. However, a convincing evidence-base that front-of-pack logos help to make the range of products offered healthier or that they make consumers choose healthier products more frequently is lacking. This is the conclusion of the Independent Front-of-pack Logo Committee which studied the scientific literature on a number of front-of-pack logos at the request of the Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS). The dietary pattern of Dutch people could certainly be improved. On average we eat insufficient vegetables and fruit and too much salt and saturated fat. That is why Dutch food policy is focused on making the healthy choice the easy choice. This is executed among other things by encouraging producers to offer healthier products and by offering consumers clear and reliable information, such as the information provided by the Netherlands Nutrition Centre [Voedingscentrum]. The front-of-pack logo "Vinkje" was an element of the food policy in recent years. In the light of the societal discussion which has risen about the logo, in October 2016 the Minister of Health, Welfare and Sport announced that the Vinkje logo should no longer be used. The Ministry of Health, Welfare and Sport also asked the Independent Front-of-pack Logo Committee to advise on the value of a front-of-pack logo within the framework of Dutch food policy. Although the committee did not find convincing evidence for the effects of front-of-pack logos on consumer behaviour or product innovation, a front-of-pack logo can be useful when it comes to achieving the food policy goal of informing consumers about healthy food. If a front-of-pack logo would be implemented, it is important to do this as part of a comprehensive approach to encourage people to adopt healthier eating habits.
    • Waarde van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de bepaling van de Natuurwaarde van de Flora

      Knegt B de; Veen MP van; Esbroek MLP; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-10-31)
      In dit rapport is de bruikbaarheid geanalyseerd van het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit voor de berekening van de kwaliteit van de flora ten behoeve van de Natuurwaarde graadmeter. Veranderingen in de plantensamenstelling kunnen worden bepaald doordat presentie van afzonderlijke plantensoorten in de huidige situatie kunnen worden vergeleken met een historische referentiesituatie. Informatie over presentie zijn met het Landelijk Meetnet Flora beschikbaar gekomen. In dit rapport worden bestaande referenties gecombineerd die zijn gebaseerd op de botanische kwaliteit en de oppervlakte. Hierbij is gebruik gemaakt van referentiestudies van Alterra (Smits en Schaminee, 2002) en FLORON (Groen en Van der Meijden, 1997). Met de resultaten in dit rapport kan de kwaliteit van de flora worden berekend. Het doel van dit rapport is te onderzoeken of het LMF-M&N bruikbaar is voor de graadmeter Natuurwaarde. De benodigde keuzes die aan de voorgestelde methode ten grondslag liggen worden onderbouwd en expliciet vast gelegd, zodat de Natuurwaarde voor de flora reproduceerbaar en verbeterbaar is. De aanleiding voor dit rapport is het vrijkomen van data uit een nieuw meetnet, het Landelijk Meetnet Flora - Milieu- en Natuurkwaliteit. De berekening van de Natuurwaarde met de LMF-M&N gegevens, is op een aantal punten, een verbetering voor de bepaling van de Natuurwaardegraadmeter. Voor de kwaliteits berekening van de flora voor de Tweede Natuurverkenning (2002) werd nog gebruik gemaakt van presentie/ absentie data per kilomterhok uit FLORBase. Het LMF-M&N, daarentegen meet niet alleen de presentie/ absentie van soorten, maar meet ook de abundantie per soort. Het gebruik van deze abundanties kan de Natuurwaardegraadmeter veel gevoeliger maken. Ontwikkelingen in de kwaliteit van de Nederlandse natuur kunnen veel frequenter worden gesignaleerd omdat een meetronde van het LMF-M&N maar vier jaar duurt. In dit rapport zijn keuzes beschreven aangaande de gebiedsindeling, soortselectie de bepaling van de berekeningswijze van de kwaliteit van de flora. Het gaat om: De bepaling hoe gegevens uit het LMF-M&N en de referentie kunnen worden gebruikt voor de berekening voor de Natuurwaarde. de bepaling van de precieze berekeningsgrondslag/ methode voor het kwaliteitsaspect van de Natuurwaarde. De selectie van kenmerkende soorten voor de bepaling van de florakwaliteit. Aanbevelingen voor verbeteringen van de soortselectie en het referentie-onderzoek. Alle resultaten overziend lijkt het dat voor de volgende strata een betrouwbare Natuurwaarde berekend kan worden: hogere zandgrond halfnatuurlijk grasland, laagveen halfnatuurlijk grasland, laagveen moeras en rivierengebied halfnatuurlijk grasland. De rest van de strata hebben onvoldoende gescoord op een of meerdere overwegingen.
    • Waardering van de groene ruimte; op weg naar een operationeel waarderingssysteem

      Hoffmans WH; MNV; LAE (1998-05-25)
      A system has been developed in the framework of RIVM's Human Environment Balance to assess the green spaces in the Netherlands. This assessment system focuses on the green spaces outside urban areas. Carried out from the perspective of recreational use of an area, the system is based on physical aspects of the landscape, called 'objects'. Each object is connected to a database, where spatial information and characteristics of the object, are found. Assessing these characteristics results in an assessment grid for each object. Grids are combined with objects to yield a total value for each grid cell. The total value is relative, so it is easy to translate it into different spatial levels, for instance, a province or a municipality. In addition, the first steps have been made to take account of the effect of population pressure on the value developed for green spaces. The system has been developed using Arc Info and the Arc Macro Language (AML). In this way the calculation method could be highly automated and the parameters could also be used interactively.
    • Waardering van de groene ruimte; op weg naar een operationeel waarderingssysteem

      Hoffmans WH; MNV; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-25)
      In het kader van de Leefomgevingsbalans is een systeem ontworpen waarmee de belevingswaarde van de groene omgeving in kaart gebracht kan worden. Het waarderingssysteem richt zich op de belevingswaarde van buitenstedelijke groenvoorzieningen, vanuit het oogpunt van de recreant die van deze groenvoorzieningen gebruik wil maken. Het systeem is, hoewel het op sommige punten nog niet volledig uitgewerkt en getest is, operationeel en werkt op basis van bestaande gegevens uit de literatuur. De belevingswaarde is afhankelijk van een aantal fysieke kenmerken van het landschap, deze kenmerken vormen de objecten waaruit het systeem is opgebouwd. Elk object is gekoppeld aan een bestand met ruimtelijke gegevens, waaraan de waardering wordt gekoppeld. Wanneer de grids voor de afzonderlijke objecten worden gecombineerd ontstaat een grid met de totale belevingswaarde per cel. De waarden zijn relatief en kunnen al naar gelang het doel worden vertaald naar andere interpretatieniveaus, zoals gemiddelden per COROP-gebied of per gemeente. Als aanvulling op het waarderingssysteem is een methode ontwikkeld om bevolkingsdruk in Nederland te berekenen. De methode 'bevolkingsdruk' en de toepassingsmogelijkheden hiervan zijn nog slechts schetsmatig uitgewerkt. Het waarderingssysteem en de methode om bevolkingsdruk te berekenen zijn beide ontwikkeld in Arc-Info, in combinatie met AML. Dit biedt de mogelijkheid om zo veel mogelijk bewerkingen te automatiseren, terwijl 'onzekere' parameters interactief kunnen worden ingevoerd.
    • Wachtlijstontwikkeling in de zorg voor verstandelijk gehandicapten

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; Poos MJJC; VTV (1999-11-24)
      This report presents the results of a series of model simulations on the waiting list for residential care of the mentally disabled in the Netherlands. The model assesses the number of mentally disabled in the Netherlands, the institutional and semi-institutional residential care and the waiting lists for these types of care. Future developments in the waiting list are explored by means of studying scenarios showing the effects on the waiting list of alternative forms of ambulatory care, a lower level of outflow from the waiting list, an improved waiting-list registration and the increased survival of the mentally disabled population in residential care. The period 1996-2010 shows a growth in the number of mentally disabled in the Dutch population of 5.0% (from 104,400 to 109,700). In the subsequent years 2010-2020 the growth gradually decreases. There are increasing numbers of ageing mentally disabled persons: in the period 1996-2020, the number of mentally disabled over 65 years of age shows more than a doubling. In the reference scenario, based on developments in the 1996-1998 period, the waiting list for residential care of the mentally disabled increases from over 6,800 clients in 1996 to 8,200 in 2000. After this year the waiting list decreases due to an assumed decreasing inflow into and a larger outflow from the waiting list, partly because of a growing capacity of the institutions. The scenario home-care describes the situation in which after 2002 provision of suitable alternative ambulatory care reduces the inflow into the waiting list by 38%. As a result, the waiting list decreases rapidly to 3,000 in 2010 and less than 1,000 in 2020. The scenario less outflow takes a variant assumption on the unspecified fraction of the outflow data in the waiting list registration, resulting in a reduced outflow to other care than institutional and semi-institutional residential care. In this scenario, the waiting list increases to 10,900 in 2007, after which a decrease follows to 9,600 in 2020. The scenario clean waiting list assumes, based on actual data from a regional investigation, that the waiting list has a 20% over-registration. In this scenario the waiting list develops from 5,500 in 1996 to a maximum of 6,800 in 1999. After this year the waiting list decreases to 4,600 in 2010 and 3,500 in 2020. Finally, in the scenario improved survival the mortality rates of the mentally disabled in the institutions in the period 2000-2020 are assumed to be reduced by 10%. As a result, the waiting list increases to 8,200 clients in 2000. After this year the waiting list decreases to 4,900 clients in 2020. In order to make more accurate projections of possible bottlenecks in providing appropriate care for the mentally disabled, it is important to update the estimate of the number of mentally handicapped in the population and to improve the waiting-list registration and the quality of semi-institutional registration. The developed model can be expanded to study regional aspects of the waiting list problem, cost allocations, and the effects of changing incidences of mental handicap.
    • Wachtlijstontwikkeling in de zorg voor verstandelijk gehandicapten

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; Poos MJJC; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-11-24)
      Het Ministerie van VWS heeft ter ondersteuning van haar beleidsvoorbereiding door het RIVM een simulatiemodel laten ontwikkelen dat de ontwikkeling van de wachtlijst voor woonvoorzieningen voor verstandelijk gehandicapten beschrijft, over de periode 1996-2020. Een referentiescenario en een viertal alternatieve scenario's zijn doorgerekend op hun consequenties voor de wachtlijstontwikkeling. Het aantal verstandelijk gehandicapten in Nederland groeit in de periode 1996-2010 van 104.400 tot 109.700. Van 2010 tot 2020 vlakt de groei af. Het aandeel 65-plussers onder de verstandelijk gehandicapten groeit van ruim 4% in 1996 tot ruim 9% in 2020. Onder het referentiescenario groeit de wachtlijst van ruim 6.800 in 1996 tot 8.200 in 2000, en neemt dan weer geleidelijk af tot 6.000 in 2010. Twee van de alternatieve scenario's laten ten opzichte van het referentiescenario een lagere wachtlijstontwikkeling zien. Deze verlaging is 50% (in 2010) onder de veronderstelling dat verstandelijk gehandicapte kinderen langer of volledig thuis blijven wonen, en 23% (in 2010) bij een veronderstelde opschoning van de wachtlijstregistratie voor ten onrechte vermelde personen. Het derde alternatieve scenario laat juist een sterke groei zien, ten opzichte van het referentiescenario. Hier is in 2010 de omvang van de wachtlijst 82% groter, onder de veronderstelling dat minder mensen de wachtlijst uitstromen. Het vierde alternatieve scenario veronderstelt een extra verbetering van de overleving van verstandelijk gehandicapten. Hier is het verschil met het referentiescenario gering: een ruim 2% grotere wachtlijst in 2010. Uit de scenarioberekeningen blijkt dat de wachtlijstontwikkelingen het meest gevoelig zijn voor variaties in de in- en uitstroom van de wachtlijst. Tegelijk zijn juist op dit punt de gegevens onvolledig, en ontoereikend voor het maken van betrouwbare schattingen voor de toekomst. De resultaten van deze studie moeten daarom meer gezien worden als middel om de discussie over wachtlijsten te structureren dan dat ze reeds nu kunnen dienen als solide basis voor beleidsbeslissingen.
    • Wachtlijstontwikkelingen in de verstandelijk gehandicaptenzorg - technische achtergrondrapportage

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; Poos MJJC; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-09-01)
      Dit rapport is een vervolg op een eerder verschenen publicatie (nr. 432506002) en gaat in op de technische achtergrond van een model van de wachtlijst voor wonen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten. Het rapport beschrijft de modelstructuur, de analyse van de gegevens, het uitvoeren van parameterschattingen en onzekerheidsanalyse en geeft tevens de resultaten in detail. Het model is een recursief niet-lineair model. De bezetting van de wachtlijst en de instellingen, de in- en uitstroom van de wachtlijst en de sterfte en ontslag uit instellingen wordt geslacht-, leeftijd- en handicapspecifiek berekend. Een onzekerheidsanalyse is uitgevoerd in de vorm van parametervariaties met behulp van de Monte Carlo techniek. Het model is gevoelig voor de instroom in de wachtlijst, maar met name voor de uitstroom naar een 'overige' zorgvorm. Om meer betrouwbare modelberekeningen te maken is het noodzakelijk dat er meer volledige en betrouwbare gegevens beschikbaar komen. Het ontbreken van handicapspecifieke getallen in de wachtlijstregistratie en het feit dat realisaties niet adequaat worden teruggekoppeld naar de wachtlijstregistratie heeft de parameterschattingen bemoeilijkt. Het invoeren van een uniek clientennummer in de zorg zou het koppelen van deze registraties en de constructie van een wachtlijst-stroommodel aanzienlijk vereenvoudigen.
    • Wachtlijstontwikkelingen in de verstandelijk gehandicaptenzorg - technische achtergrondrapportage

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; Poos MJJC; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-09-01)
      The development of the waiting list for residential care for mentally disabled in the Netherlands over the period 1996-2020 is simulated by use of a recursive non-linear model. This report, which is a sequel to an earlier publication (no. 432506002), documents the technical background of the modelling and discusses the modelstructure, the analysis of data and estimations of parameters, the uncertainty analysis and also presents detailed simulation results. The waiting list and the occupation of institutions, the in- and outflow of the waiting list, the mortality and discharge of the institutions are calculated gender, age and disability specific. An uncertainty analysis is performed by means of a parameter variation with use of the Monte Carlo simulation technique. The model is sensitive to the inflow in the waiting list, but moreover to the outflow to 'other' type of care. In order to have more reliable model results, it is necessary to have more complete and reliable data.<br>
    • Wachtlijstontwikkelingen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten - nieuwe scenario&apos;s

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; VTV (2000-05-11)
      This report presents an update of model simulation results for application to the waiting list for residential care of the mentally disabled in the Netherlands. The update makes use of recently collected data to provide calculations based on new assumptions with respect to the waiting list definition, specification of the outflow of the waiting list and figures denoting the capacity of institutions for residential care. Based upon these assumptions, four new scenarios, each differing in its prediction of the future growth in an institution's capacity for residential care, have been formulated. The 'Demographic Development' scenario shows that a growth of 0.33% per year in the number of residential homes/institutions will not be sufficient for stabilising the waiting list. In the other scenarios, more places are created. The waiting list in 2003 is then about 20% lower in the 'Coalition Agreement 1998' scenario than in the 'Demographic Development' scenario. In the 'Intensify-1' and -'2' scenarios, the waiting list in 2003 shows respective drops of 50% and 60%, compared to the 'Demographic Development' scenario; the average waiting time is 50-60% lower than in the 'Demographic Development' scenario. A comparison was also made to the reference scenario in the November 1999 report with respect to the abovementioned assumptions (2) and (3). Applying the new information on waiting-list outflow to the reference scenario of the model has a negative effect on waiting list development because part of the outflow to 'other' types of care actually was to (semi) institutional care. Although the effect of two sources of uncertainty (specification of the outflow and the capacity in the period 1996-1998) has been lessened with respect to that noted in the November 1999 report, other sources of uncertainty named in that report are still effective (e.g. data from the waiting list registration and the semi-institutional registration).
    • Wachtlijstontwikkelingen in de zorg voor verstandelijk gehandicapten - nieuwe scenario's

      Kommer GJ; Stokx LJ; Kramers PGN; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-05-11)
      Dit rapport presenteert een actualisering van modelsimulaties van de wachtlijst voor wonen in de verstandelijk gehandicaptenzorg. Deze actualisering gaat uit van drie nieuwe uitgangspunten: (1) een andere wachtlijstdefinitie; (2) een specificatie van de uitstroom van de wachtlijst en (3) andere getallen van de capaciteiten van intra- en semimurale instellingen voor wonen. Op grond van deze uitgangspunten zijn vier nieuwe scenario's geformuleerd die van elkaar verschillen in de het toekomstig aantal plaatsen in de instellingen. Het scenario 'Demografische Groei' laat zien dat in de periode tot het jaar 2010 een groei van het aantal plaatsen in intramurale en semimurale instellingen van 0,33% per jaar onvoldoende is om de wachtlijst te stabiliseren. Onder de andere scenario's worden meer instellingsplaatsen gecreeerd. In 2003 is onder het scenario 'Regeer Akkoord 1998 middelen' de wachtlijst bijna 20% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Onder de scenario's 'Intensiveringen-140 miljoen' en '-183 miljoen' is de wachtlijst in 2003 respectievelijk ruim 50% en ruim 60% kleiner dan onder het scenario 'Demografische Groei' en wordt de gemiddelde wachttijd teruggebracht tot 1,5 a 2 jaar, 50-60% korter dan onder het scenario 'Demografische Groei'. Een vergelijking is ook gemaakt met het referentiescenario uit het RIVM rapport van november 1999 met betrekking tot de uitgangspunten (2) en (3). Toepassen van de nieuwe informatie in het referentiescenario geeft een ongunstige bijstelling van de wachtlijstontwikkeling omdat een deel van de uitstroom uit de wachtlijst naar 'overige' zorg in feite semi- en intramurale realisaties betrof. Ten opzicht van het rapport van november 1999 zijn in deze nieuwe berekeningen twee bronnen van onzekerheid nu accurater gedefinieerd, andere bronnen van onzekerheid die in het rapport worden genoemd blijven bestaan.
    • WARiBaS, Water Assessment on a River Basin Scale. A computer program for calculating water demand and water satisfaction on a catchment basin level; to be used for global scale water stress analysis

      Klepper O; Drecht G van; LWD (1998-06-30)
      The methodology presented as a technical background document to facilitate a first rapid quantitative assessment of water demand and resources on a watershed level is meant for use in global water stress analysis. Based on spatially interpolated climate data (monthly precipitation and potential evapotranspiration and temperature) and physiography (watershed boundaries, soil properties, surface slope and aquifer permeability), monthly crop water requirements and river runoff are calculated on a 0.5 degree world grid. This allows the calculation of demand (industrial water use, drinking water, irrigation water) and resources (groundwater and surface water), differentiated in space (e.g. upstream/downstream) and time (seasonality). The method was used in Africa as a first case study. Results of a second application, this time on global scale, are reported in the RIVM main background document to UNEP's first Global Environment Outlook.
    • Warmte-koude opslag en duurzaam gebruik van de ondergrond

      van Beelen P; Otte PF; van der Aa M; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-02)
      Warmte koude opslag (WKO) is een energie en kostenbesparende methode voor het verwarmen en koelen van gebouwen. Open WKO systemen pompen het grondwater heen en weer om het gebouw te koelen of te verwarmen. Gesloten WKO systemen gebruiken alleen de warmte van het grondwater om huizen te verwarmen of te koelen. In Nederland is er de laatste jaren een sterke en door de overheid gestimuleerde groei van het aantal WKO systemen. Gesloten WKO systemen zouden een risico kunnen vormen voor de kwaliteit van het grondwater door het groot aantal perforaties van de ondergrond en door het mogelijke lekken van koelvloeistof. Bij open WKO systemen moet voorkomen worden dat verschillende grondwaterlagen gemengd worden waardoor ongewenste geochemische en microbiologische processen optreden. In principe kan een open WKO systeem wel op een vervuilde locatie worden toegepast, maar er is specifiek maatwerk nodig om de verspreiding van de vervuiling te beperken. De bescheiden temperatuursveranderingen die door WKO systemen worden opgewekt in het grondwater vormen slechts een gering risico voor geochemische processen. Deze temperatuursveranderingen zouden in principe wel aanleiding kunnen geven tot een toename van het aantal ziektekiemen in het grondwater. Daarom is het belangrijk dat er voldoende afstand is tussen een drinkwaterwinning en de omringende WKO installaties. Verder onderzoek is nodig om vast te stellen welke invloed WKO installaties hebben op de bacteriën in het grondwater. Het opslaan van heet (90 °C) grondwater heeft een groot aantal milieubezwaren. De Europese kaderrichtlijn water ziet ook de inbreng van warmte in het grondwater als een mogelijke verontreiniging wanneer daar nadelige gevolgen voor mensen of ecosystemen aan verbonden zijn. Het toezicht van de provincies op het groeiende aantal WKO systemen in de praktijk verdient nadere aandacht.
    • Waste handling and REACH : Recycling of materials containing SVHCs: daily practice challenges

      Janssen MPM; van Broekhuizen FA; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-14)
      Het hergebruik van stoffen, materialen en producten is belangrijk om een circulaire economie te bereiken. Dit wordt echter bemoeilijkt wanneer materialen en producten stoffen bevatten die zo schadelijk zijn dat het op Europees niveau gewenst is om ze geleidelijk aan niet meer te gebruiken (uitfaseren). Dit is het geval bij stoffen die binnen de Europese stoffenwetgeving REACH getypeerd zijn als zeer zorgwekkend (Substances of Very High Concern, SVHC). Deze stoffen mogen op den duur alleen nog worden gebruikt als daar specifiek toestemming voor is verleend. Producenten die afval hergebruiken denken hierdoor in de problemen te komen wanneer hun producten deze stoffen bevatten. Dit blijkt uit een interviewronde van het RIVM langs producenten en brancheorganisaties over knelpunten en mogelijke oplossingen. Het grootste probleem is de onduidelijkheid wanneer een materiaal onder de afvalwetgeving valt of onder REACH: wanneer wordt afval een stof, mengsel of artikel? Volgens de afvalwetgeving moet het materiaal worden vernietigd als het hoge concentraties schadelijke stoffen bevat. Volgens REACH moet toestemming worden gevraagd voor veilig gebruik. Dit laatste vergt veel kennis over de stoffen, die nog vaak ontbreekt. Daarnaast bestaan er onduidelijkheden over welke SVHC-stoffen in huidige afvalstromen zitten, welke stoffen in het afval in de toekomst als SVHC zullen worden bestempeld, en wanneer voor de nu geïdentificeerde SVHC's toestemming moet worden gevraagd. Om ervoor te zorgen dat schoon afval niet vermengd raakt met vervuild afval, is het volgens de geïnterviewde bedrijven belangrijk dat de SVHCs in een vroege fase van de afvalverwerking worden gescheiden van de rest van het afval. Ook hier is kennis van belang om welke stoffen het gaat en waar ze in zitten. Daarnaast zijn volgens hen juridische en economische prikkels gewenst die stimuleren dat ook minder winstgevende scheidingsprocessen worden uitgevoerd. Verder is het belangrijk om voor gerecycled materiaal dat SVHC's bevat, toepassingen te bedenken die zodanig zijn ontworpen dat de producenten en gebruikers niet aan deze stoffen worden blootgesteld. Op deze manier kunnen de stoffen ook niet in het milieu terechtkomen. Een voorbeeld zijn drielaags pvc-buizen waarbij de binnenste en buitenste laag SVHC-vrij zijn en de SVHC in de middelste, afgeschermde, laag zit.
    • Wat kost een emissiereductie van 30%? Macro-economische effecten in 2020 van post-Kyoto klimaatbeleid

      Bollen JC; Manders AJG; Veenendaal PJJ; KMD; CPB (Centraal Planbureau CPB, 2004-07-08)
      This study analyzes the macro-economic impacts of a climate policy that aims to reduce emissions of greenhouse gases by industrialized countries to 30% below the level of 1990. Such an effort is consistent with the policy target of the European Union to limit the rise of the average world temperature compared to pre-industrialized level to 2 degrees Celsius. The economic consequences of such a climate policy may vary widely. In 2020 the loss to the Netherlands of such a strategy is assessed to be 0.8 percent of National Income, provided all countries will engage in the climate policy and efficient international emissions markets will be in place. However, if the developing countries do not join the abatement coalition, and only industrialized countries are engaged in climate policy, the costs to the Netherlands may rise to 4.8 percent of National Income. The costs also depend on economic growth in the underlying scenario. In a low economic growth scenario with a global abatement coalition the costs will amount to 0.2 percent of National Income.
    • Wat kost een emissiereductie van 30%? Macro-economische effecten in 2020 van post-Kyoto klimaatbeleid

      Bollen JC; Manders AJG; Veenendaal PJJ; Centraal Planbureau CPB; KMD; CPB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-08)
      Deze studie verkent de macro-economische gevolgen van klimaatbeleid, waarbij industrielanden voor 2020 een reductiedoelstelling nastreven die 30% beneden de emissies van 1990 ligt. Een dergelijk regime past bij het uitgangspunt van de Europese Unie, dat de gemiddelde wereldtemperatuur niet meer dan 2 graden Celsius mag stijgen ten opzichte van het preindustriele niveau. De macro-economische gevolgen kunnen sterk uiteen lopen. Als alle (ontwikkelings)landen meedoen aan het klimaatbeleid en emissiemarkten efficient werken, dan worden de kosten in 2020 voor Nederland in een scenario met hoge groei geraamd op 0,8 procent van het reeel Nationaal Inkomen. Als ontwikkelingslanden echter niet meedoen aan klimaatbeleid en alleen de industrielanden beleid voeren, dan kunnen de geschatte kosten oplopen tot 4,8 procent van het Nationaal Inkomen. De kosten van klimaatbeleid zijn ook afhankelijk van toekomstige economische ontwikkelingen. Bij een gematigde economische groei zullen bij een mondiale coalitie de kosten 0,2 procent bedragen.
    • Wat ligt er op ons bord? : Methodologisch achtergrondrapport bij 'Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland'

      Toxopeus IB; Hoeymans N; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Ocke MC; V&G; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-04)
      In the study 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands', RIVM identified the societal challenges for healthy, safe and sustainable diets, now and in the future. The study also provides building blocks for food policy in the Netherlands, which, in addition to an integrated approach to these issues, takes into account a wide range of food-related values, such as convenience, affordability and animal welfare. This report is the methodological justification of this study and describes the methods used. First, the report discusses how qualitative analyses were used to prepare trend scenarios for the safety, health and sustainability of the diet. It then describes how the effects of three future scenarios were estimated, and how opportunities and choices associated with an integrated food policy were derived. Finally, a case study is discussed in which a multicriteria analysis was used to weigh the effects of alternatives to animal proteins. The results of the case study and how they were used in 'What is on our plate?'are also described
    • Wat ligt er op ons bord? : Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland

      Ocke MC; Toxopeus IB; Geurts M; Mengelers MJB; Temme EHM; Hoeymans N; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-01-24)
      Huge challenges and ambitions Most Dutch people are healthy and life expectancy is growing. Simultaneously, half of the Dutch population is overweight and this rate is even higher in lower socioeconomic groups. In addition, 9 out of 10 people eat too little fruit and vegetables, and nearly 30 percent of our food is of animal origin. The diet of an average Dutch person does not only lead to health losses, but also constitutes a major burden on the environment. It results in greenhouse gas emissions comparable to transport emissions. The annual food waste is 47 kilogram per person. Food in the Netherlands is mostly safe: approximately 1 in 24 people a year have a food infection, which usually is not serious. Most chemicals in food pose a negligible risk to public health. The Netherlands aims to take the lead in the international ambition for a healthy, sustainable and safe dietary pattern. To achieve this aim an integral policy is required, in which safety, health and sustainability are taken into account. Opportunities In this report, RIVM presents facts and figures about the safety, health and ecological sustainability of food in the Netherlands and analyzes the dilemmas and opportunities for an integrated food policy. Avoiding overconsumption, a diet with more plant-based and less animal-based products, and less sugar-containing and alcoholic drinks: these constitute three opportunities for a healthier and more sustainable dietary pattern. Taking advantage of these opportunities will lower the number of chronically ill, reduce health inequalities and contain the impact of food production on the environment. And, it tends to have a positive effect on the safety of our diet, as a lower meat consumption is associated with a lower rate of food infections. Dilemmas There are however dilemmas to be faced. Not all measures related to a healthy diet are sustainable and safe, and vice versa. For example, it is eco-friendly if every part of an animal is used for consumption. This also implies the consumption of processed meat, such as sausage, which in itself is less healthy. Moreover, there is a tension between abstract, long-term goals (healthier, more sustainable and safe) and concrete choices in everyday life. Many citizens and businesses consider health and sustainability to be important, but when shopping for food, consumers' choices are primarily determined by price and convenience. Companies, in turn, want to serve these consumers and make a profit. Making choices The tension between sustainable, healthy and safe food on the one hand, and convenience, affordability and economy on the other, necessitates choices. To find a way out requires the government to take on an active role, and to cooperate with the agricultural sector, businesses, citizens and social organizations. Not only do consumers need to be well informed, but a healthier and more sustainable food supply is also needed. The same applies to an environment that promotes healthy and sustainable behavior. Influential parties, such as purchasing organizations for supermarkets and retail, are potentially important partners. The fact that many citizens and businesses attach importance to sustainable, healthy and safe food legitimizes the government taking on this active role. Seizing opportunities There are opportunities for an integrated approach. Dutch society is characterized by entrepreneurship and innovation capacity. Presently, there are citizens' initiatives that focus on responsible food. Companies welcome these initiatives and contribute through smart solutions that allow them to make a profit. If the government encourages and facilitates these developments, the social ambitions, entrepreneurial spirit and innovative capacity of all parties will be taken advantage of
    • Wat rookt de Nederlandse jeugd en waarom?

      Talhout R; Sleijffers A; van Amsterdam JGC; Opperhuizen A; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-12-03)
      More than two thirds of smoking adolescents report that they choose their brand of cigarettes on the basis of taste. Additional factors influencing their choice are brand loyalty, availability of the brand and price. Most adolescent smokers say that they want to quit smoking, mainly because of the costs and the negative effects on their health. These are the conclusions drawn from the results of an online survey carried out by the RIVM on smoking behaviour and product choice of adolescents up to 18 years of age. The questionnaire was announced on schools and on the websites of STIVORO and Scholieren.com. Almost 5000 questionnaires were completed. The answers to the survey indicate that curiosity, smokers in their social circle and positive expectations of the taste are the most important reasons for adolescents to start smoking. Smokers usually light up a cigarette because they feel like having one and because smoking relaxes them. The respondents also reported that smoking makes them feel good and gives them a feeling of satisfaction. Smoking causes severe health damage to both the smoker and his environment. It is therefore of major importance that there are adequate policy measures to prevent adolescents from starting to smoke. Based on the survey results and on a literature search, RIVM has made a number of recommendations. As taste is also determined by tobacco additives, one recommendation is that the use of additives that migitate the taste of smoke be restricted. It is also of the greatest importance to satisfy the adolescent's need for information on the composition and the effects of tobacco products. Finally, in addition to measures aimed at the primary prevention of smoking, stop smoking programmes directed towards adolescents, especially the starting smoker, are of major importance. In the latter case, the most effective approach appears to be that of focusing on a target group, such as a stop smoking programme aimed at youth with a low level of education.