• Zeer Zorgwekkende Stoffen : Screening op aanwezigheid in het milieu

      van Leeuwen LC; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-25)
      De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. Het RIVM heeft daarom onderzocht welke stoffen binnen de ZZS direct aandacht vragen. Dat is het geval als ze vrijkomen of in Nederland in het milieu aanwezig zijn. Bij het merendeel van de onderzochte ZZS kan dat niet op voorhand worden uitgesloten. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn gevaarlijk voor mens en milieu, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend kunnen zijn, het voortplantingsproces kunnen schaden of zich in de voedselketen kunnen ophopen. Voorbeelden van ZZS zijn het oplosmiddel benzeen en broomhoudende vlamvertragers. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de Nederlandse leefomgeving te weren. Dit gebeurt onder meer door ZZS door minder gevaarlijke stoffen te vervangen, of door in vergunningen regels te stellen om lozingen op water en uitstoot naar de lucht te beperken. Voor Nederland relevante ZZS vragen als eerste aandacht. Deze stoffen worden gemeten in het milieu, of komen mogelijk vrij als gevolg van productie en gebruik, of ze ontstaan en komen vrij als onbedoeld bijproduct. Ze kunnen op allerlei plaatsen worden ingezet in de keten van ontwikkeling, productie en gebruik van producten en op uiteenlopende manieren. Dit maakt het moeilijk om aan te geven welke specifieke stoffen of stofgroepen direct aandacht vanuit het beleid vragen om zo risico's voor mens en milieu te verminderen. Het RIVM draagt daarom verschillende suggesties voor vervolgonderzoek aan. Dit betreft onder andere onderzoek naar de beleidsmogelijkheden om mogelijke risico's verder te beperken van ZZS in het algemeen, en de groep (grondstoffen voor) kleurstoffen in het bijzonder. Ook stelt het RIVM voor om de diverse prioriteringsmethoden die nu voor verschillende categorieën stoffen bestaan (zoals consumentenproducten en stoffen op de werkvloer) te combineren. Op die manier zou preciezer kunnen worden aangegeven welke ZZS voor Nederland relevant zijn. Op verzoek van de opdrachtgever zijn voor deze screening uitsluitend openbare bronnen over stoffengegevens gebruikt en is de industrie niet om bedrijfsgevoelige informatie gevraagd.
    • Zeer Zorgwekkende Stoffen: prioriteringsopties voor beleid

      de Poorter LRM; van Leeuwen LC; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-12)
      Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) worden door de Nederlandse overheid met voorrang aangepakt, omdat ze gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Voorbeelden zijn stoffen die kankerverwekkend zijn of de voortplanting belemmeren. Momenteel zijn ongeveer 1400 van dit soort stoffen bekend en op een lijst geplaatst. Vergunningverleners en het ministerie van IenM hebben echter behoefte aan een handzamere ZZS-lijst, met een nadere prioritering die nauwer aansluit bij de Nederlandse situatie. Deze focus is echter lastig aan te brengen, wijst RIVM-onderzoek uit. Voor Nederland ontbreekt voor de meeste ZZS eenvoudig toegankelijke informatie over productie, gebruik en emissies. Dit vormt een belemmering om ZZS aan te wijzen waar extra aandacht voor nodig is, bijvoorbeeld via een aanpak bij de bron of via het stimuleren van onderzoek naar veilige alternatieven. Het RIVM doet daarom aanbevelingen om meer grip op deze stoffen te krijgen, zoals een nationaal stoffenregistratiesysteem, waarin wordt vastgelegd welke ZZS in omloop zijn in Nederland. Deze aanbevelingen zijn onder andere gebaseerd op twee analyses naar mogelijkheden om focus aan te brengen in de lijst van ZZS-stoffen. De eerste analyse bouwt voort op de lopende RIVM-projecten over 'nieuwe en opkomende risico's van stoffen'. Deze bieden een goede systematiek om nieuwe risicovolle stoffen te identificeren, maar ook voor deze stoffen ontbreekt kennis over het gebruik in Nederland. De tweede analyse laat zien dat voor een deel van de ZZS-kleurstoffen en grondstoffen voor kleurstoffen geen Europese wetgeving bestaat met specifieke eisen om emissies in te perken. Deze stoffen zijn in principe kandidaten voor een gerichter ZZS-beleid. Het RIVM vraagt daarnaast aandacht voor (vervangende) stoffen die (nog) niet als ZZS zijn aangemerkt vanwege een gebrek aan data, maar waarover een soortgelijke zorg bestaat op basis van hun chemische structuur en gebruik.
    • Zeeschepen: metingen van chemische stoffen in brandstoffen en rookgassen :

      Mooij M; Gerlofs-Nijland ME; Swart DPJ; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-30)
      In opdracht van de VROM-Inspectie heeft het RIVM in 2008 de chemische samenstelling vastgesteld van brandstoffen en rookgassen van zeeschepen op de Westerschelde en het Noordzeekanaal. Hieruit blijkt dat stookolie meer zwavel en zware polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bevat dan gasolie. Het gemiddelde zwavelgehalte in brandstoffen was voor schepen varende op stookolie hoger dan voor schepen varende op gasolie (1,6% versus 0,13%). Voor schepen die aan de wal lagen en hun hulpmotoren of generatoren op gasolie hadden draaien, was het gemiddelde zwavelgehalte in de brandstof 0,21%. In vergelijking met twee jaar geleden is het zwavelgehalte in stookolie gedaald van 2,2 naar 1,6 , in lijn met het beleid. Aan de stofdeeltjes in de rookgassen van schepen kleven allerlei verontreinigingen. De resultaten van de metingen van stofgebonden PAK in de rookgassen van zeeschepen die op stookolie varen waren groter dan in de rookgassen van schepen die op gasolie varen. De meeste stofgebonden elementen in de rookgassen van schepen waren groter bij schepen die op stookolie varen dan die op gasolie varen. Maar dit geldt niet voor alle verontreinigingen. De fijnstoffracties in rookgassen bleek voor 70 massaprocent uit de ultrafijne fracties (PM0,1) te bestaan, voor 28% uit de fijne fracties (PM00,1-2,5) en voor 2% uit de zogeheten coarse fracties (PM2,5-10). De ultrafijne fracties zijn schadelijker voor de gezondheid omdat ze kleiner zijn en dus dieper in de luchtwegen terecht kunnen komen. De rookgassen zijn verder nog onderzocht op de zwaveldioxideuitstoot. De gemiddelde emissie zwaveldioxide in rookgassen was 15 gram per seconde. Het onderzoek is de laatste van een reeks van drie, die in zowel 2006, 2007 en 2008 in een gelijke setting uitgevoerd zijn. Vanaf 2007 werd onderzoek naar fijn stof in rookgassen daaraan toegevoegd.
    • Zeldzame aarden in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Verweij W; van den Velde-Koerts T; de Boer JLM; Mennes W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      A survey has been carried out to measure the concentrations of rare earth elements in drinking water and its cources in the Netherlands. Rare earth elements occur in the earth's crust and, by weathering, also in surface water and groundwater. In surface water rare earth elements were found in concentrations up to 1000 ng/L. In drinking water produced from surface water no concentrations above the detection limits were found. In many of the groundwater samples no rare earth elements were found at all. In a few samples, however, high concentrations of up to 30,000 ng/L were measured. No correlation was found between high concentrations and low pH, although this is sometimes suggested in the literature. High concentrations of rare earth elements were only found in phreatic water with low bicarbonate content collected at a relatively low depth. During purification the concentrations decreased to nearly zero at a few pumping stations, but remained high at a few others. The toxicological data on rare earth elements were evaluated, resulting in indicative admissible concentrations. A comparison, showed that at two of the twenty investigated pumping stations one or more indicative admissible concentrations were exceeded. A more detailed assessment of the concentrations of rare earth elements in Dutch drinking water and its sources is recommended.<br>
    • Zeldzame aarden in ruw en rein water van freatische grondwaterwinningen

      Verweij W; Velde-Koerts T van der; Ritsema R; Mons MN; LWD; LAC (1995-12-31)
      Bij 36 drinkwaterpompstations (alle freatische grondwaterwinningen) is ruw en rein water bemonsterd en geanalyseerd op een zevental zeldzame aarden. Het doel was de omvang van een eerder geconstateerd probleem beter in kaart te brengen. In ruw water werden bij achttien van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij vijf van deze achttien werden alle of op een na alle geanalyseerde elementen aangetroffen. Bij drie pompstations kwamen in het ruwe water een of meer zeldzame aarden voor in concentraties boven de Indicatieve Toelaatbare Concentraties (ITC's), op toxicologische gronden afgeleide waarden. Voorkomen van zeldzame aarden in ruw grondwater lijkt daarmee een structureel verschijnsel te zijn. In rein water werden bij acht van de 36 pompstations een of meer van de geanalyseerde elementen aangetroffen ; bij twee van deze acht ging het om meer dan een element. Geen enkel element werd aangetroffen in concentraties boven de ITC's. Dit betekent dat bij de meeste pompstations zeldzame aarden worden verwijderd tijdens de zuivering. De hoogte van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe water kunnen goed verklaard worden uit de pH van het ruwe water. Bij een lagere pH van het grondwater lossen er meer zeldzame aarden op. Depositie van verzurende stoffen op de bodem kan dan ook, afhankelijk van de hydrologische omstandigheden en de bodemsamenstelling, leiden tot een stijging van de concentraties zeldzame aarden in het ruwe grondwater. Bij pH-waarden beneden circa 5.5 kunnen yttrium, lanthaan en cerium verwacht worden in concentraties hoger dan de ITC's. Het verdient aanbeveling bij dergelijke pH-waarden zeldzame aarden te meten in ruw en rein water om te kunnen beoordelen of aanvullende maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld in de zuivering.
    • Zicht op zorg in de Drinkwatervoorziening: de distributie

      Jonker N; Lips F; Versteegh JFM; Kouwe PM; de Jonge JT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      In 1999 is een onderzoek uitgevoerd bij alle waterleidingbedrijven die beschikken over een distributiesysteem naar de kwaliteit van het organisatorische proces rondom de distributie (proceskwaliteit). Een betrouwbare bedrijfsvoering bij de drinkwatervoorziening is in het belang van de volksgezondheid. De bedrijfsvoering is gebaat bij de aanwezigheid van duidelijke organisatorische regels, procedures, methoden en processen. De mate van zekerstelling van de proceskwaliteit voor het bedrijfsonderdeel distributie is beoordeeld met als referentie het beoogde streefbeeld van de Inspectie Milieuhygiene. De drinkwatersector is sinds 1991 zelf actief bezig om de interne proceskwaliteit te verbeteren aan de hand van de kwaliteitsborgingsnorm NEN-EN-ISO 9001. De opzet van het kwaliteitszorgsysteem dient bij alle bedrijven rond het jaar 2000 te zijn voltooid. Dit is een van de beleidsdoelstellingen uit het Beleidsplan Drink- en Industriewater Voorziening (BDIV) van VROM. Het rapport geeft een beschrijving van de kwaliteit van de bedrijfsvoering en geeft tevens een beeld van de voortgang van het introductieproces van het kwaliteitszorgsysteem. Het onderzoek heeft zich gericht op een breed scala van zorg- en waarborgingsaspecten bij de technische inrichting, onderhoud, veiligheid, hygiene, automatisering en milieuvoorzieningen. De resultaten geven aan dat de meeste bedrijven een kwaliteitszorgsysteem geheel of gedeeltelijk geomplementeerd en operationeel hebben. Implementatie van een kwaliteitssysteem verdient de blijvende aandacht, certificering dient te worden gestimuleerd. Slechts een beperkt aantal bedrijven heeft een milieuzorgsysteem geheel of gedeeltelijk operationeel. Implementatie en certificering van een milieuzorgsysteem vereist de nodige aandacht van de bedrijven. De Inspectie Milieuhygiene zal beide aspecten nadrukkelijk onder de aandacht van de bedrijven brengen. Het blijkt dat 89% van de gevraagde c.q. vereiste procedures bij meer dan de helft van de waterleidingbedrijven aantoonbaar aanwezig is. Hieruit valt op te maken dat het merendeel van de bedrijven hard bezig is om het vereiste niveau tijdig te bereiken. Enkele onderdelen van de procesbesturing en -automatisering verdienen nog de nodige aandacht.<br>
    • Zicht op zorg in de drinkwatervoorziening: de zuivering

      Versteegh JFM; van Gaalen FW; Groen L; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      In 1996 is een onderzoek uitgevoerd naar de interne proceskwaliteit bij 49 productielocaties van drinkwaterbedrijven. Een betrouwbare bedrijfsvoering bij de drinkwatervoorziening is in het belang van de volksgezondheid. De bedrijfsvoering is gebaat bij duidelijke organisatorische regels, procedures, methoden en processen. De mate van zekerstelling van de proceskwaliteit voor het bedrijfsonderdeel zuivering is beoordeeld met als referentie het beoogde streefbeeld van de Inspectie Milieuhygiene. De drinkwatersector is sinds 1991 zelf actief bezig geweest om de interne proceskwaliteit te verbeteren. Dit rapport beschrijft de kwaliteit van de bedrijfsvoering en de voortgang van het introductieproces van het kwaliteitssysteem. Het onderzoek heeft zich gericht op een breed scala van zorg- en waarborgingsaspecten bij de technische inrichting, onderhoud, veiligheid, hygiene, automatisering en milieuvoorzieningen. Het resultaat toont aan dat er tussen de bedrijven grote verschillen in de kwaliteitsborging van de bedrijfsvoering bestaan. De tussentijdse evaluatie van een proces dat nog in ontwikkeling is, is hier mede de oorzaak van. Op de traditioneel sterke punten van de bedrijfstak, een goede techniek en een goede analytische zorg voor het drinkwater, valt weinig af te dingen. Een moderne bedrijfsvoering vereist echter meer. De pompstations waar het kwaliteitssysteem operationeel is, hebben relatief vaker de werkzaamheden vastgelegd in procedures. Voor de meeste pompstations moet nog het nodige werk verricht worden om het vereiste niveau te bereiken. Op enkele onderdelen van de procesbeheersing zijn zelfs zodanige afwijkingen gevonden dat deze bij voorrang om afhandeling vragen.<br>
    • Ziekenhuisopname en poliklinische behandeling in relatie tot ozonconcentraties in de buitenlucht ; een voorbeeldstudie van meta-regressie-analyse

      Preller EA; Hollander AEM de; Heisterkamp SH; Lezenne Coulander C de; CCM (1996-10-31)
      Deze analyse werd uitgevoerd als voorbeeldstudie ten behoeve van de ontwikkeling en evaluatie van een protocol voor meta-regressie-analyse van observationeel epidemiologisch onderzoek, met inbegrip van statistische procedures voor Empirisch Bayesiaanse analyse. De methode beschrijft blootstelling-responsrelaties als een functie van studiekarakteristieken. Op deze wijze is een formele beoordeling mogelijk van heterogeniteit in de studieresultaten als gevolg van verschillen in studiekenmerken, bijvoorbeeld met betrekking tot de onderzoekspopulatie, de definitie van blootstelling of gezondheidseindpunten of de aanwezigheid van verstorende variabelen (confounders). De voorbeeldstudie laat duidelijk zien dat meta-analyse van observationeel onderzoek een nuttig instrument kan zijn bij het maken van formele, kwantitatieve literatuuroverzichten, waarbij subjectiviteit zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Aggregatie van beschikbare studie-uitkomsten laat een statistisch significante toename zien van het risico op ziekenhuisbezoek of poliklinische behandeling van 12% bij een toename van de ozonconcentratie van 100 mug/m3 als 8-uursgemiddelde (95% BI: 7-18%). De analyse geeft voorts aanwijzingen dat het effect van ozonepisoden het sterkst is bij kinderen ; de respons voor poliklinische behandeling wegens luchtwegaandoeningen (in de Nederlandse situatie zal dit waarschijnlijk tevens bezoek aan de huisarts omvatten) lijkt sterker dan voor ziekenhuisopname. Tegelijkertijd optredende deeltjesvormige luchtverontreiniging lijkt slechts een geringe invloed op de associatie te hebben.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (1994-10-31)
      Gezien de gestegen prevalentie van chronische ziekten in Nederland is er een toegenomen behoefte aan overzichten over de nieuwste ontwikkelingen in de kennis. Het voor u liggende rapport geeft een overzicht van de huidige kennis over een aantal aspecten van de ziekte van Parkinson. Nadruk ligt daarbij op de epidemiologie van de ziekte van Parkinson in Nederland, de etiologie van het ziektebeeld en de mogelijkheden voor preventie door interventie op leefstijlfactoren. De ziekte van Parkinson is een chronische ziekte waaraan naar schatting op basis van registratie in de huisartspraktijk tussen de 13.500 en 35.000 personen lijden. De huisarts registreert jaarlijks ongeveer 1.700 nieuwe gevallen van de ziekte van Parkinson. De eerste resultaten van een bevolkingsonderzoek in Nederland onder personen van 55 jaar en ouder tonen een prevalentie van 11 per 1.000 mannen (95%-betrouwbaarheidsinterval 7-16) en 15 per 1.000 vrouwen (95%-betrouwbaarheidsinterval 11-19), hetgeen overeenkomt met 15.300 mannen en 26.300 vrouwen. De ziekte van Parkinson is daarmee een regelmatig voorkomende ziekte onder ouderen. De ziekte van Parkinson wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren zoals genetische aanleg, veroudering, en omgeving. Het huidige onderzoek geeft geen eenduidige aanwijzing over een genetische etiologie. Aan omgevingsfactoren in de vorm van een virus, metalen of andere toxische stoffen wordt in combinatie met veroudering een belangrijke rol toegekend. Over de invloed van leefstijlfactoren op het ontstaan van de ziekte van Parkinson is nog niet veel (met zekerheid) bekend. Associaties met roken, voeding (vitamine E) en lichamelijke activiteit worden onderzocht. Veel onderzoek speelt zich op biologisch niveau af waar ook de belangrijkste aangrijpingspunten voor therapeutisch ingrijpen zijn gelegen. De oorzaak van de ziekte van Parkinson is vooralsnog onbekend. Screening op grote schaal lijkt, gelet op de criteria van Wilson en Jungner, momenteel niet zinvol. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat de ziekte van Parkinson een pre-klinisch stadium heeft en er, zij het nog niet op grote schaal toepasbare, redelijk betrouwbare screeningsinstrumenten voorhanden zijn, is het arsenaal aan therapeutische mogelijkheden momenteel nog te smal om screening aan de bevolking aan te bieden. Het is dan ook moeilijk om algemene maatregelen op het niveau van primaire of secundaire preventie aan te bevelen. Wat betreft tertiaire preventie gericht op leefstijlfactoren lijken fysiotherapie en logopedie zinvol. Complicaties als vallen en slikstoornissen kunnen erdoor worden voorkomen en het welzijn van de patient wordt erdoor vergroot. De verschillende vormen van in aanmerking komende fysiotherapie dienen echter nog op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst te worden. Een gerichte onderzoeksinspanning om dit te realiseren kan worden aanbevolen.
    • De ziekte van Parkinson in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie, etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Harteloh PPM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Since chronic diseases are becoming more prevalent in our society, there is a growing need for state-of-the-art reviews of developments in the knowledge of etiology, determinants and prevention of chronic diseases. This report is about Parkinson's disease. It is focused on the epidemiology of Parkinson's disease in the Netherlands, the etiology and determinants of the disease and possibilities of primary, secondary or tertiary prevention, especially in relation to life-style. In the Netherlands it is estimated that there are about 13.500 to 35.000 persons with Parkinson's disease and that every year 1.700 new cases of Parkinson's disease are diagnosed. These estimates are based on registration in general practice. In a population sample of elderly persons (55+) there appeared to be 11 per 1.000 men (95%-confidence interval 7-16) and 15 per 1.000 women (95%-confidence interval 11-19), which means 15.300 men and 26.300 women with Parkinson's disease. It makes Parkinson's disease one of the more common diseases in the elderly. A variety of factors contribute to the development of Parkinson's disease. These factors include combinations of genetic predisposition, aging and environment, and could vary between persons. To date the results of genetic research are inconclusive. So, many investigators postulate an important role for environmental factors in the development of Parkinson's disease. Proposals for specific putative environmental factors include viruses, metals and toxins. Smoking has often been reported to be less common in Parkinson's disease, and this has also been proposed to relate to its etiology. However, the cause of Parkinson's disease is unknown. Also there is not much knowledge of life-style as a cause of Parkinson's disease. Physical exercise and food constituents such as vitamin E might have a protective effect, but more research is still needed.Primary and secondary preventive measures aimed at life-style factors are hard to formulate. Tertiary prevention might be possible because physical exercise or speech therapy could prevent complications such as falling and swallowing the wrong way. The several possibilities still have to be examined on effectiveness and efficiency. More research on this topic is recommended.
    • Ziektelast en kosten van letsel door geweld

      Snijders BEP; Gommer AM; Haagsma JA; Panneman MJ; Polinder S; van Beeck EF; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-06-30)
      Ziektelast is het verlies van gezondheid binnen een bevolking door ziekte en vroegtijdig overlijden. Tot nu toe is de ziektelast van 'letsel door geweld' alleen uitgedrukt als het aantal mensen dat hierdoor vroegtijdig overlijdt. De lichamelijke en psychische gevolgen van letsel door geweld, zonder dat er sprake is van overlijden van het geweldsslachtoffer, zijn nog niet in de ziektelast opgenomen. Door dit wel te doen stijgt de totale ziektelast van letsel door geweld met 73 procent. Vier vijfde van deze stijging is toe te schrijven aan lichamelijk letsel en een vijfde aan de psychische gevolgen (PTSS en depressie) voor de slachtoffers van geweld. Dit blijkt uit een onderzoek over de periode 2009-2013 dat in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ) is uitgevoerd. De berekeningen geven een beter beeld van de ziektelast van letsel door geweld. De uitkomsten van de nieuwe berekeningen blijven een onderschatting van de werkelijke cijfers doordat informatie ontbreekt, zoals gegevens over slachtoffers die niet op de eerste hulp zijn geregistreerd. De ziektelast van letsel is berekend voor twee typen geweld met het motief van de dader als onderscheid: expressief geweld (uiting gevoelens, 54 procent) en instrumenteel geweld (gericht op (im)materiële voordelen, zoals geld en macht; 12 procent). Van het resterende deel van de ziektelast is niet bekend om welk type geweld het gaat. De ziektelast van letsel door geweld vormt in Nederland 3 procent van de ziektelast van alle letsels, zoals verkeersongevallen, blessures en suïcidepogingen. Dit percentage is vergelijkbaar met dat van andere Europese landen. Deze vergelijking is gebaseerd op cijfers van de Global Burden Disease (GBD), een internationale studie naar ziektelast. Schattingen van de medische- en verzuimkosten als gevolg van lichamelijk letsel door geweld bedragen in de onderzochte periode (2009-2013) jaarlijks gemiddeld respectievelijk 30 miljoen en 66 miljoen. De geschatte kosten voor de psychische gevolgen van letsel door geweld (PTSS en depressie) zijn aanzienlijk lager ( 5,2 miljoen). Hierbij zijn de kosten van leed als gevolg van bedreiging (een veelvoorkomende vorm van geweld) niet meegenomen, noch de maatschappelijke kosten voor de omgeving (familieleden, getuigen). Het onderzoek is onder regie van het RIVM uitgevoerd door het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) en de Stichting VeiligheidNL.
    • Ziektelast van effecten op de voortplanting ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek. Best professional judgement

      Dekkers S; van Benthem J; Piersma AH; Eysink PED; Baars AJ; SIR; GBO; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-22)
      Contact met chemicalien op de werkvloer kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid van mannen en vrouwen of voor de ontwikkeling van het nageslacht. Er zijn echter te weinig gegevens beschikbaar om alle gevolgen van dergelijke arbeidsgerelateerde blootstellingen te kwantificeren.<br>Om daar toch een indicatie van te krijgen, heeft het RIVM de ziektelast van vijf gevolgen (waaronder miskramen en aangeboren afwijkingen) en vier stofgroepen (zoals bestrijdings- en oplosmiddelen) geschat. Bij elkaar opgeteld bedraagt dit ongeveer 400 Disability Adjusted Life Years (DALY's). Dat is 1 procent van het totaal aantal DALY's voor effecten op de voortplanting onder de werkende bevolking (ongeacht de oorzaak). De onzekerheidsmarge van deze schatting is groot doordat beschikbare gegevens beperkt zijn en aannames in de berekeningen onzeker zijn.<br>Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekten en aandoeningen te kwantificeren, en wordt uitgedrukt in DALY's. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden.<br>Bij het onderzoek waren veel deskundigen betrokken. Zij zijn geraadpleegd over de afbakening, uitgangspunten, aannames en berekeningsmethode. Hun meningen liepen sterk uiteen. Bijvoorbeeld of de ziektelast van een miskraam alleen geldt voor de vrouw, of ook voor het ongeboren kind of de man.<br>Slechts een klein aantal deskundigen deed een uitspraak over de verwachte totale jaarlijkse ziektelast voor effecten op de voortplanting door beroepsmatige blootstelling aan stoffen. Hun schattingen liepen uiteen van 100 tot 10.000 DALY's.<br>Deze ziektelast neemt daarmee een middenpositie in ten opzichte van de totale ziektelasten van negen andere aandoeningen door beroepsmatige blootstelling aan stoffen, waarover het RIVM eerder heeft gerapporteerd.<br>
    • Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland

      Eysink PED; Blatter BM; van Gool CH; Gommer AM; van den Bossche SNJ; Hoeymans N; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO-Kwaliteit van Leven, 2007-12-07)
      Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 2 tot 4% van de totale ziektelast in Nederland. Het begrip ziektelast is een maatstaf om de gevolgen van ziekte uit te drukken. Het combineert gezondheidsverlies door verminderde kwaliteit van leven en door vroegtijdig overlijden. Hoge werkdruk, blootstelling aan schadelijke stoffen (inclusief passief roken) en beeldschermwerk zijn de ongunstigste arbeidsomstandigheden. Zij zorgen voor veel ziektelast door burn-out, de chronische luchtwegaandoening COPD, longkanker en klachten van arm, nek en schouder (KANS). In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Het RIVM laat voor het eerst zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken. Deze gegevens bieden aanknopingspunten voor verder onderzoek en voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen. Dat is niet alleen goed voor werknemers en werkgevers, maar ook voor de volksgezondheid en de samenleving in haar geheel: health is wealth. In eerdere ziektelastberekeningen van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is de arbeidsgerelateerde ziektelast in Nederland sterk onderschat. In Nederland veroorzaken niet zozeer de 'klassieke' risico's en aandoeningen, zoals arbeidsongevallen en slechthorendheid door lawaai, de meeste ziektelast. Juist 'nieuwe' aandoeningen, zoals burn-out en KANS, leiden hiertoe, en die zijn niet meegenomen in de WHO-schattingen. Behalve negatieve effecten op de gezondheid hebben ongunstige arbeidsomstandigheden een nadelig effect op de arbeidsproductiviteit, het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. In theorie blijkt het mogelijk om deze effecten te berekenen. Het is aan te bevelen om uit te zoeken of dit in de praktijk haalbaar is.
    • Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland 2007

      Eysink PED; Dekkers S; Janssen P; Poos MJJC; Meijer SM; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-12-31)
      Ongunstige arbeidsomstandigheden veroorzaken 3,9% (onzekerheidsmarge 1,5%-7,2%) van de totale ziektelast in Nederland. De ziektelast is een maat om het verlies aan gezondheid uit te drukken. Het combineert vroegtijdige sterfte, de mate van vóórkomen van gezondheidsproblemen en de ernst van de gezondheidsproblemen. De ongunstige arbeidsomstandigheden die leiden tot de meeste ongezondheid zijn werkdruk, beeldschermwerk en blootstelling aan stoffen. Deze omstandigheden kunnen leiden tot burn-out, depressie, KANS (klachten van arm, nek en schouder), COPD (chronisch obstructieve longziekten) en longkanker. In het rapport is de positieve invloed van arbeid op de gezondheid niet meegenomen. Ook in 2020 veroorzaken burn-out, depressie en KANS veel ziektelast in de werkzame beroepsbevolking, bij ongewijzigde economische omstandigheden, een pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar en bij ongewijzigd (arbo)beleid. In 2007 heeft het RIVM voor het eerst laten zien welke arbeidsgerelateerde aandoeningen veel ziektelast in Nederland veroorzaken met gegevens uit 2003. Het huidige rapport biedt een hernieuwde versie met data uit 2007, evenals een toekomstverkenning en een verkenning van de ziektelast per sector. Deze schattingen geven beleidsmakers inzicht in de invloed van arbeidsrisico's op de gezondheid van werknemers. Deze benadering geeft ook aanknopingspunten voor maatregelen om de ziektelast door deze aandoeningen te verminderen.
    • De ziektelast van suïcide en suïcidepogingen

      Hoeymans N; Schoemaker CG; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTrimbos InstituutStichting Consument en VeiligheidVrije Universiteit Amsterdam, 2010-08-06)
      In Nederland sterven jaarlijks bijna 1500 mensen door zelfdoding. Daarmee stond suïcide op de 21ste plaats in de rangordelijst van de belangrijkste aandoeningen in Nederland. Ook niet-dodelijke pogingen veroorzaken echter veel leed, zowel lichamelijk als psychisch. Als de ziektelast van suïcidepogingen ook wordt meegerekend, stijgt 'suïcide en suïcidepoging' naar de 11de plaats in deze rangordelijst. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS uitvoerde, in samenwerking met het Trimbos-instituut, het VU medisch centrum en Consument & Veiligheid. Het RIVM publiceerde in de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) 2010 een rangordelijst met ziekten die de meeste ziektelast in Nederland veroorzaken. Coronaire hartziekten, beroerte en angststoornissen vormen respectievelijk de eerste drie aandoeningen op deze lijst. Ziekten veroorzaken veel ziektelast als de sterfte aan deze ziekte hoog is, als er veel mensen aan de ziekte lijden en/of als de ziekte een grote impact heeft op de kwaliteit van leven. Letsels door suïcidepogingen leiden jaarlijks tot 1500 doden, 15.000 behandelingen op de spoedeisende hulp en 9000 ziekenhuisopnamen. Omdat niet alle suïcidepogingen resulteren in een behandeling in het ziekenhuis of op de spoedeisende hulp, komen niet alle pogingen in deze statistieken terecht. Uitgaande van bevolkingsonderzoek, zijn er in totaal elk jaar bijna 100.000 mensen die een suïcidepoging doen. Op basis van deze cijfers en van informatie over de ernst van de lichamelijke letsels en psychisch leed is de ziektelast van suïcide en suïcidepogingen naar schatting twee keer zo hoog als eerder werd berekend.
    • Ziektespecifieke vergelijking van de geregistreerde morbiditeit in vier huisartsenregistraties: een analyse ten behoeve van VTV-1997

      Gijsen R; Verkleij H; Dijksterhuis PH; van de Lisdonk EH; Metsemakers JFM; van der Velden J; VTV; Vakgroep Huisartsgeneeskunde; Sociale geneeskunde en Verpleeghuisgeneeskunde; Katholieke Universiteit Nijmegen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      In de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) wordt voor het beschrijven van het voorkomen van ziekten en aandoeningen onder andere gebruik gemaakt van gegevens van huisartsgeneeskundige registraties. Een probleem voor VTV is dat de registraties in Nederland, om geheel plausibele redenen, van elkaar verschillen in de doelstelling waarvoor zij zijn opgezet. De consequentie daarvan is dat gebruikte classificatiesystemen, codeerregels en rekenwijzen nogal van elkaar kunnen verschillen en dat gemeten morbiditeit niet op voorhand vergelijkbaar is. Daarom is een vergelijkende analyse tussen de vier belangrijkste huisartsenregistraties gemaakt, zodat een beter inzicht in de betekenis van cijfers uit deze huisartsenregistraties verkregen kon worden. Deze analyse bestond uit drie onderdelen. Ten eerste is een algemene beschrijving van de registratiekenmerken van de vier huisartsenregistraties gemaakt, met speciale aandacht voor prevalentie- en incidentiebepalingen ten behoeve van VTV. Een tweede onderdeel betrof het samenstellen van een tabellarisch overzicht van de empirisch aangetroffen prevalenties en incidenties. Een derde onderdeel betrof de inhoudelijke vergelijking van de registraties per ziekte. Voor de meeste ziekten kon meer inzicht verkregen worden in de betekenis van de cijfers en voor sommige ziekten konden de aangetroffen verschillen in prevalentie en incidentie min of meer verklaard worden. Soms bleken verschillen echter onverklaarbaar groot te zijn. Beschreven zijn enkele alternatieve mogelijkheden voor het presenteren van cijfers uit huisartsenregistraties in VTV. Omdat de bestaande situatie voor VTV verre van optimaal is, wordt ten slotte gepleid voor het verkennen van de mogelijkheden om ten behoeve van VTV-2001 en volgende VTV's tot een beter passende oplossing te komen.<br>
    • Zijn de risico's van apparatuur voor thuisbeademing door de leveranciers overwogen en beperkt? Een studie van risicoanalyses en gebruiksaanwijzingen

      van Drongelen AW; Hilbers-Modderman ESM; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-03)
    • Zijn de risicos van de apparatuur voor thuisdialyse door de fabrikanten voldoende afgedekt?

      de Vries CGJCA; Hilbers-Modderman ESM; de Bruijn ACP; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-16)
    • Zonkrachtactieplan : Versie 2019

      van Dijk, A; Hagens, W; Slaper, H; Boekema, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-12)
      Jaarlijks krijgen ruim 50.000 Nederlanders te horen dat ze huidkanker hebben. Blootstelling aan UV-straling van zonlicht is daar de belangrijkste oorzaak van. Ook vergroot UV-straling de kans op staar in het oog. Verstandig zongedrag kan het risico op schade door UV-straling verkleinen. Om verstandig zonnen te stimuleren is het Zonkrachtactieplan opgesteld. Het doel van het plan is dat betrokken partijen afspraken maken over een eenduidige communicatie over UV-blootstelling. Deze afspraken zullen eraan bijdragen dat mensen bewuster en verstandiger omgaan met UV-straling. Daarnaast kan het Zonkrachtplan de kennis over UV-straling en blootstelling vergroten door een gezamenlijke kennisagenda op te stellen. Hierin staan de kennisonderdelen benoemd en geprioriteerd waar extra onderzoek nodig is en waaraan in gezamenlijkheid kan worden gewerkt. Het Zonkrachtactieplan is opgesteld door het RIVM en maatschappelijke partners die zich inspannen om huidkanker te voorkomen. Het ministerie van VWS heeft hiertoe opdracht gegeven, omdat het bezorgd is over de sterke toename van het aantal huidkankergevallen. Dit aantal is harder gestegen dan vanwege de vergrijzing en de aantasting van de ozonlaag was verwacht. Vermoedelijk komt het doordat mensen vaker en langer de huid aan UV-straling blootstellen. Door de klimaatverandering zal het aantal warme dagen toenemen. Daardoor zullen we in de toekomst vermoedelijk nog vaker buiten zijn en onze huid en ogen nog meer blootstellen aan de zon.