• Microplastics in indoor air

      Quik, JTK; Waaijers-van der Loop, S (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-14)
      De laatste jaren is er veel aandacht voor hele kleine plastic deeltjes, microplastics, in het milieu. Ze breken heel langzaam of niet af en worden overal in het milieu gevonden. Er is nog niet zoveel bekend over microplastics in de lucht in huis (binnenlucht). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) wil daar graag meer over weten. Van sommige stoffen zijn kleine deeltjes namelijk niet goed voor de luchtkwaliteit, en daarmee voor de volksgezondheid. Het RIVM heeft daarom verkend of microplastics in de binnenlucht voorkomen. Het heeft hiervoor een overzicht gemaakt van de kennis in de wetenschappelijke literatuur over microplastics binnenshuis. Met die kennis kan IenW zo nodig maatregelen nemen. De informatie kan ook worden gebruikt om te beoordelen of er risico’s voor de gezondheid zijn en welke gegevens daarvoor nodig zijn. Over het algemeen lijken de concentraties laag te zijn. Gemiddeld zijn het er tussen de 1,6 en 9,3 microplastic deeltjes per kubieke meter. De gemeten deeltjes zijn vrij groot, groter dan 11 micrometer. Ze zijn daarmee groter dan de veel kleinere deeltjes fijnstof die standaard voor de luchtkwaliteit worden gemeten (PM2.5 en PM10, oftewel kleiner dan 2,5 en 10 micrometer). Het is mogelijk dat er ook veel kleinere microplastics in de onderzochte binnenlucht zitten. Maar het is nu nog moeilijk om de kleinere microplastics in de lucht te meten. Juist de kleinere deeltjes zijn niet goed voor de luchtkwaliteit (PM2.5 en PM10). De belangrijkste bronnen van microplastics in huis zijn textiel, zoals kleding, tapijt en gordijnen. Naast vezels worden veel fragmenten van microplastics in binnenlucht gevonden. Uitgezocht moet worden of deze deeltjes ook van de vezels van textiel komen of van andere bronnen. Daarnaast is informatie nodig over aanwezigheid van de kleinste microplastic deeltjes. Met deze kennis kunnen effectievere maatregelen worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
    • Footprint luchtvaart Schiphol op luchtkwaliteit

      Teeuwisse, S; de Vries, W; Geijer, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-14)
      Elk jaar stelt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de Staat van Schiphol op. Dit overzicht geeft vanuit verschillende perspectieven inzicht in de veiligheid en duurzaamheid op en rond de luchthaven. Voorbeelden zijn het aantal aanrijdingen, botsingen met vogels, geluidniveaus. Een van de perspectieven waar inzicht in wordt gegeven is luchtkwaliteit. De ILT gebruikt cijfers van het RIVM om de bijdrage van Schiphol aan de luchtkwaliteit in de regio te bepalen. Het RIVM heeft deze gegevens digitaal aangeleverd maar geen beschouwing gemaakt van de aangeleverde gegevens. Het RIVM heeft voor de ILT berekend in welke mate acht sectoren bijdragen aan de concentraties van zes luchtvervuilende stoffen. De sectoren zijn: industrie, weg- en railverkeer, luchtverkeer, scheepvaart, landbouw, diensten, consumenten en het buitenland. Op deze manier wordt de bijdrage van de luchtvaart aan de luchtkwaliteit rond Schiphol naast die van andere sectoren geplaatst. Het gaat om de stoffen: stikstofoxiden, stikstofdioxiden, fijnstof (PM10 en PM2.5), zwaveldioxide, en roet. De berekeningen zijn gedaan voor een gebied van 20 bij 20 vierkante kilometer rondom Schiphol. De concentraties zijn berekend voor de jaren 2015 tot en met 2019. Dit levert een beeld op van de mate waarin Schiphol door de jaren heen aan de luchtkwaliteit bijdraagt. Voor de berekeningen zijn de uitgangspunten gebruikt van de berekening van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN) van 2020.
    • Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Surface water and seawater– results 2019

      Tanzi, CP; Knetsch, GJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      In 2019, the Netherlands fulfilled its annual European obligation to measure how much radioactivity is present in the environment. Radioactivity levels in surface water and seawater were similar to previous years. All countries of the European Union are required to perform these measurements each year under the terms of the Euratom Treaty of 1957. The Netherlands performs these measurements following the guidance issued in 2000. The measurements represent the background values for radioactivity that are present under normal circumstances. They can be used as reference values, for instance, during a nuclear emergency. The results on radioactivity in the environment are reported to the European Commission by the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) on behalf of the competent authority in the Netherlands.
    • Monitoring of radioactivity in the Netherlands. National Radioactivity Monitoring Network - results 2019

      Tanzi, CP; Knetsch, GJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      In 2019, the Netherlands fulfilled its annual European obligation to measure how much radioactivity is present in the environment. Radioactivity levels measured by the National Radioactivity Monitoring Network were normal, as in previous years. All countries of the European Union are required to perform these measurements each year under the terms of the Euratom Treaty of 1957. The Netherlands performs these measurements following the guidance issued in 2000. The measurements represent the background values for radioactivity that are present under normal circumstances. They can be used as reference values, for instance, during a nuclear emergency. The results on radioactivity in the environment are reported to the European Commission by the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) on behalf of the competent authority in the Netherlands.
    • Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Milk, Food and Feed – results 2019

      Tanzi, CP; Knetsch, GJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu en in voeding zit. De radioactiviteitsniveaus in voedsel en melk liggen net als in vorige jaren onder de Europese limieten voor consumptie en export. De radioactiviteitsniveaus in gras en veevoer laten een normaal beeld zien, net als de jaren ervoor. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
    • Monitoring of radioactivity in the Netherlands. Air dust and deposition - results 2019

      Tanzi, CP; Knetsch, GJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      In 2019 voldeed Nederland aan de Europese verplichting om elk jaar te meten hoeveel radioactiviteit in het milieu zit. De radioactiviteitsniveaus in luchtstof en depositie laten een normaal beeld zien, net als in eerdere jaren. Alle landen van de Europese Unie zijn volgens het Euratom-verdrag uit 1957 verplicht om deze metingen te doen. Nederland volgt daarbij de aanbevelingen uit 2000 op om de metingen op een bepaalde manier uit te voeren. De metingen leveren achtergrondwaarden op, ofwel radioactiviteitsniveaus die er onder normale omstandigheden zijn. Deze waarden kunnen bij bijvoorbeeld calamiteiten of rampen als referentie dienen. Het RIVM brengt namens Nederland verslag uit aan de Europese Unie over radioactiviteit in het milieu.
    • Zeewierconsumptie in Nederland

      Dinnissen, C; Nawijn, E; Brants, H; van Rossum, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-10)
      De indruk bestaat dat steeds meer mensen in Nederland zeewierproducten eten. Sushi is de bekendste vorm, maar zeewier zit in verschillende producten. Er was nog weinig bekend over om hoeveel mensen het gaat. Het RIVM heeft dat nu voor het eerst onderzocht. Daaruit blijkt dat ongeveer een kwart van de Nederlandse bevolking regelmatig producten met zeewier eet. De meeste zeewier wordt gegeten in de vorm van chips/kroepoek of wraps met zeewier, noedels op basis van zeewier, zeespaghetti en zeewiersalade. Zeewier wordt door alle lagen van de bevolking gegeten. Hoogopgeleiden, mensen die meer dan modaal verdienen, bewoners van steden en jongvolwassenen eten dit in verhouding vaker. Mensen die dit soort producten eten, krijgen per dag 0,05 gram zeewier per kilogram lichaamsgewicht binnen. Omgerekend naar gedroogd zeewier is dit 0,5 gram per dag (beide hoeveelheden zijn medianen). Het verschilt sterk per persoon hoeveel en hoe vaak ze zeewier eten. Het RIVM heeft dit onderzoek in opdracht van de NVWA gedaan. De NVWA gaat de resultaten gebruiken om de voedselveiligheid van producten met zeewier te beoordelen. Aan dit onderzoek hebben 2710 mensen tussen de 1 en 80 jaar meegedaan. Hen (of de verzorgers van jonge kinderen) is gevraagd hoe vaak zij zeewier eten en in welke vorm. 632 mensen gaven aan zeewier te hebben gegeten in de vier weken voorafgaand aan de enquête.
    • Plantgifstoffen in voedsel. Hoeveel krijgen we daarvan binnen?

      Sprong, C; de Wit-Bos, L (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      In plantaardig voedsel zitten veel goede stoffen. In een aantal plantaardige producten kunnen van nature ook schadelijke stoffen zitten. Deze schadelijke stoffen noemen we plantgifstoffen. De stoffen beschermen de plant tegen ziektes en natuurlijke vijanden, zoals insecten. Als mensen plantgifstoffen binnenkrijgen, hoeft dat niet schadelijk te zijn. Het is pas schadelijk als je er te veel van binnenkrijgt. Hiervoor stellen onderzoekers grenzen op (gezondheidskundige grenswaarden). Als je meer binnenkrijgt dan die grenzen, kunnen plantgifstoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft voor een aantal plantgifstoffen onderzocht hoeveel we ervan binnenkrijgen en via welke producten dat gebeurt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gaat met deze informatie uitzoeken of we er te veel van binnenkrijgen. Het gaat om: Welk plantgifstof in welk voedingsmiddel? Glycoalkaloïden in aardappelen. Opiumalkaloïden in maanzaad. Quinolizidine alkaloïden in glutenvrije producten waar lupine in zit en imitatiekoffie waar lupine in zit. Tropaanalkaloïden in (kruiden)thee, brood, beschuit, crackers, koekjes, aardappelen en paprika. Pyrrolizidine alkaloïden in (kruiden)thee en kruidensupplementen. Cyanogene glycosiden in producten van pit- en steenvruchten, zoals sap; lijnzaad en amandel. Het RIVM heeft voor dit onderzoek gegevens gebruikt over wat Nederlanders eten en drinken. Bijvoorbeeld hoeveel aardappelen, groente en fruit Nederlanders eten. En hoeveel koffie en thee we drinken. Deze informatie is gecombineerd met gegevens van de NVWA en van Wageningen Food Safety Research over hoeveel plantgifstoffen er in de onderzochte producten zit.
    • Verkenning Monitoringsopties Green Deal Duurzame Zorg (GDDZ)

      Waaijers- van der Loop, SL; Steenmeijer, M; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      De Green Deal Duurzame Zorg (GDDZ) is een Nederlands initiatief om de zorg minder belastend voor het milieu te laten zijn. Ruim 200 partijen in de zorg, zoals ziekenhuizen en verpleeghuizen, hebben zich hierbij aangesloten. Zij hebben vier thema’s bepaald: minder CO2-uitstoot (pijler 1), minder afval produceren en materialen en producten meer hergebruiken (pijler 2), zorgen dat er minder medicijnresten in afvalwater terechtkomen (pijler 3), en een gezondere omgeving in de zorg (pijler 4). Het ministerie van VWS wil weten hoe groen de zorg nu is. Om dat aan te kunnen geven moeten per pijler de resultaten in beeld worden gebracht. Het RIVM heeft nu met experts verkend wat daarvoor nodig is. Uit deze verkenning blijkt dat zorginstellingen in Nederland door de Green Deal Duurzame Zorg bewuster zijn geworden van duurzame zorg en eraan willen bijdragen. Op dit moment is het lastig om concreet aan te geven wat er tot nog toe precies is bereikt. Om beter te kunnen zien wat wel en niet werkt, willen de aangesloten partijen per pijler benoemen wat ze op nationaal niveau willen bereiken (hoofddoelen) en welke afspraken daarvoor nodig zijn. Dit maakt zichtbaar welke thema’s als eerste moeten worden aangepakt en welke maatregelen daarvoor nodig zijn. Ook willen de partijen samen bepalen welke informatie nodig is om de ontwikkeling in de verduurzaming te kunnen volgen (indicatoren). De doelen, afspraken en indicatoren maken het mogelijk dat alle aangesloten partijen op dezelfde manier gaan werken. Daardoor kunnen ze informatie delen, elkaar beter begrijpen en dus sneller van elkaar leren. Monitoring is nodig om op de langere termijn de impact hiervan te kunnen inschatten. Dan kan de slag om de zorgsector duurzaam te maken zo effectief mogelijk worden georganiseerd. Bovendien kan de administratieve last kleiner worden voor zorginstellingen die er al mee bezig zijn. Tot slot maakt een overzichtelijk format het aantrekkelijker voor nieuwe partijen om ook aan de slag te gaan met verduurzaming. Het thema CO2-uitstoot valt buiten de scope van deze verkenning, omdat hier landelijk een monitoringsprogramma voor wordt opgezet. Waar nodig verwijzen we er in de verkenning wel naar.
    • Environmental risks of scrubber discharges for seawater and sediment. Preliminary risk assessment for metals and polycyclic aromatic hydrocarbons

      Faber, M; Peijnenburg, WJGM; Smit, CE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      Volgens internationale regels mag er een bepaalde hoeveelheid zwavel in brandstof voor zeeschepen zitten. Om brandstof te mogen gebruiken waar meer zwavel in zit, hebben veel zeeschepen een ‘scrubber’ geplaatst. Dit apparaat haalt zwavel uit de uitlaatgassen en verzamelt het in afvalwater. De meeste schepen (80 procent) gebruiken een open systeem waarbij het afvalwater op zee of in een haven wordt geloosd. Hierbij komen ook andere vervuilende stoffen in het zeewater terecht. Het RIVM heeft berekend of de lozing van dit afvalwater schadelijk is voor het milieu. Uit de berekeningen blijkt dat de concentraties onder de bestaande milieunormen blijven. De belangrijkste vervuilende stoffen in scrubberwater zijn metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s). Het RIVM heeft met een computermodel berekend hoeveel van deze stoffen in het water terechtkomen. Dit is gedaan voor drie gebieden: een grote zeehaven zoals Rotterdam, een drukbevaren deel van de Noordzee, en een gebied in de Caraïben met kwetsbare natuur, zoals de Sababank. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Aanleiding is dat steeds meer zeeschepen scrubbers gebruiken, waardoor er meer geloosd afvalwater in de zee komt. Internationaal is er veel discussie over het gebruik van scrubbers en de eisen waar ze aan moeten voldoen. Met dit onderzoek is een begin gemaakt om de effecten van scrubber-afvalwater op het Nederlands zeemilieu aan te geven. In de berekeningen is niet gekeken naar vervuilende stoffen die al in het milieu zitten. Om lokale effecten preciezer te bepalen, zouden die stoffen ook moeten worden meegenomen.
    • Radonmeters voor particulier gebruik

      Rosenbaum, C; Velsma, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-05-11)
      Radon is een radioactief gas dat van nature ontstaat in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan zijn gemaakt. Vanuit de bodem en deze materialen kan radon in gebouwen terechtkomen. Radon verandert uit zichzelf in radioactieve stoffen, die zich aan zwevende deeltjes in huis hechten. Als mensen die deeltjes inademen, blijven ze achter in de longen en geven ze straling af. Hierdoor wordt de kans op longkanker groter. Met een radonmeter kunnen mensen zelf meten hoeveel radon in een gebouw of woning zit. Als de concentratie boven de referentiewaarde komt, kunnen ze maatregelen nemen zoals ventileren om de concentratie te verlagen. Er zijn verschillende soorten meters te koop. Het RIVM heeft uitgezocht welke het meest geschikt is om thuis de radonconcentraties te meten. Dat is de ‘gesloten alfa track detector’. Bij de aankoop ervan moeten mensen erop letten dat ze een gecertificeerde meter kopen (NEN-EN-ISO 11665-4). De alfa track detector is onder andere gekozen omdat hij lage concentraties kan meten. Dat is belangrijk omdat de gemiddelde concentratie in Nederlandse woningen laag is. Ook kan deze meter minimaal 3 maanden achter elkaar meten. Zo’n langere periode meten is nodig omdat de concentraties radon in huis nogal kunnen verschillen – per uur, per dag, per maand. Ook heeft deze meter geen of weinig last van invloeden van temperatuur, vocht, stof en andere straling in het huis. Ten slotte is hij makkelijk te gebruiken: hij hoeft niet aangesloten te worden op elektriciteit, er zitten geen bewegende delen in, hij maakt geen geluid en zendt geen straling uit. Mensen wordt aangeraden om de radonmeter in de winter te gebruiken. In deze tijd van het jaar is de gemiddelde radonconcentratie in huis hoger dan in de zomer. Dit komt door het weer en omdat er in de winter minder wordt geventileerd. De radonconcentratie kan het beste worden gemeten in een of twee ruimtes die het meest gebruikt worden. Meestal zijn dat de woonkamer en een slaapkamer.
    • Nieuwe gezondheidskundige richtlijnen voor omgevingsgeluid. Nadere gezondheidskundige analyses

      van Kempen, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 201-05-12)
      In 2018 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de richtlijnen voor geluid uitgebracht. Dit advies is bedoeld om beleidsmakers en professionals te helpen om de schadelijke gezondheidseffecten door geluid, zoals slaapverstoring en hinder, te verminderen. De WHO-richtlijnen zijn onder andere gebaseerd op de laatste inzichten over de relatie tussen de blootstelling aan geluid en de kans op gezondheidseffecten door geluid, zoals hinder of hart- en vaatziekte. Dat noemen we blootstellingsresponsrelaties. In juni 2020 publiceerde het RIVM een rapport over de betekenis van de nieuwe richtlijnen van de WHO voor het Nederlands beleid. Het RIVM geeft nu een uitgebreidere uitleg bij zijn conclusies over de gezondheidseffecten van geluid afkomstig van wegen, spoor en vliegtuigen. Het doet dat op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Een van de conclusies is dat geluid van treinverkeer hinderlijker is en een grotere kans op slaapverstoring geeft dan eerder werd gedacht. Ook blijkt dat ernstigere gezondheidseffecten, zoals hart- en vaatziekten, al bij een lagere blootstelling kunnen optreden dan eerder werd gedacht. Dit betekent dat bij een groter aantal mensen hart- en vaatziekten optreden door geluid dan eerder werd gedacht.
    • Op weg naar een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS): data koppelen op waarde geschat. Proof of concept koppelen van datasets over kritieke materialen en materiaalstromen in de circulaire economie

      van Bruggen, AR; de Jongh, LA; Mosterd, R; Rietveld, E; Rijksen, EJT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-05-04)
      Nederland streeft naar een circulaire economie in 2050. Daarin worden minder grondstoffen gebruikt en worden ze zo veel mogelijk opnieuw gebruikt. Om te weten in hoeverre dit ook echt gebeurt is het RIVM bezig met de ontwikkeling van een Grondstoffen Informatie Systeem (GRIS). Dit systeem verzamelt informatie over grondstoffen, wie ze waarvoor gebruikt in de Nederlandse economie, en hoe groot de voorraden zijn. Het GRIS maakt het mogelijk om informatie over grondstoffen op te slaan en te koppelen. Deze koppeling geeft nieuwe inzichten, bijvoorbeeld in welke sectoren grondstoffen zitten en of ze kunnen worden hergebruikt. Er is nu een pilot uitgevoerd. Doel hiervan is om inzicht te krijgen of het waardevol is om data in een grondstoffensysteem bij elkaar te brengen, en wat belangrijk is voor het ontwerp hiervan. De pilot maakt duidelijk welke informatie nog nodig is voor een grondstoffensysteem en in welke vorm. Met deze informatie kunnen de data van systemen beter op elkaar aansluiten. Voor de pilot zijn twee informatiebronnen aan elkaar gekoppeld om daar ervaring mee op te doen. Het zijn de monitor over materiaalstromen in Nederland en de data van ‘kritieke materialen’. Dit zijn materialen die maar in kleine hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals bepaalde metalen, en tegelijkertijd belangrijk zijn om bepaalde producten te maken. Door de koppeling werd duidelijk waar ‘fouten’ in de data van de twee systemen zaten. Het kost veel tijd om die eruit te halen. De pilot maakte ook duidelijk dat voor het GRIS een goede samenwerking nodig is van de organisaties die de informatiebronnen maken. Ook is expertise nodig om de data op waarde te kunnen schatten. De monitor over materiaalstromen in Nederland is van het CBS. De monitor van kritieke materialen is van TNO en het ministerie van Economische Zaken (EZK). Het RIVM is door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gevraagd om het systeem te ontwikkelen.
    • Beoordeling kosteneffectiviteit van maatregelen om de uitstoot van ZZS naar lucht te beperken

      Verhoeven, JK; Jansen, NMH; de Blaeij, A; de Boer, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-28)
      Bedrijven in Nederland zijn verplicht de uitstoot van vervuilende stoffen te beperken. Voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) geldt een zogeheten minimalisatieplicht. Dit betekent dat bedrijven de uitstoot van ZZS zo ver mogelijk terug moeten brengen naar nul. Bedrijven nemen daarom maatregelen om uitstoot te voorkomen of deze zo klein mogelijk te houden. De minimalisatieplicht gaat verder dan de maatregelen die al moeten worden genomen om de wettelijke emissiegrenswaarden te bereiken (best beschikbare technieken). Deze maatregelen kosten geld. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM gevraagd een methode te ontwikkelen waarmee de vergunningverlener kan beoordelen of minimalisatiemaatregelen om de uitstoot te verlagen kosteneffectief zijn. Deze ‘kosteneffectiviteit’ kan worden gebruikt bij de afweging van maatregelen. Het RIVM adviseert om als basis de methode te gebruiken die al bestaat om kosteneffectiviteit te bepalen. Daarnaast zijn zogenoemde referentiewaarden nodig. Referentiewaarden geven een niveau aan tot waar maatregelen om ZZS-emissies te minimaliseren kosteneffectief zijn. Het RIVM geeft een advies over de hoogte van referentiewaarden voor ZZS (in euro’s per kilo verminderde uitstoot). Het voorstel is om voor de referentiewaarden een minimale en maximale waarde vast te stellen. Het RIVM geeft marges aan voor zowel deze onder- als bovengrens. IenW kan op basis van dit onderzoek de referentiewaarden voor ZZS-emissies naar lucht bepalen. Het RIVM adviseert om het gebruik van de kosteneffectiviteitsmethode de komende vijf jaar te volgen en te evalueren welk effect deze aanpak in de praktijk heeft. Zo kan onder andere worden nagegaan tegen welke kosten de minimalisatiedoelstelling wordt gerealiseerd.
    • Het effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2017-2018

      Dekker, E; Hollander, A; de Valk, E; van Bruggen, A; Zijp, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-23)
      De landelijke en decentrale overheden willen bij de aanschaf van producten, werken en diensten het milieu zo min mogelijk belasten. Ook willen ze de markt stimuleren om producten en diensten te leveren die minder belastend zijn voor het milieu. Verder willen ze zoveel mogelijk mensen met bijvoorbeeld lichamelijke of geestelijke beperkingen (‘met afstand tot de markt’) aan het werk krijgen. Dit heet Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). In 2017 en 2018 had deze manier van inkopen vaker effect, zowel voor het milieu als voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dit blijkt uit een overzicht van het RIVM. Door maatschappelijk verantwoord inkopen in 2017 en 2018 wordt er 5,9 Mton minder CO2 uitgestoten dan wanneer dat niet gebeurt. Dit is te vergelijken met de hoeveelheid die ongeveer 300.000 Nederlandse huishoudens elk jaar uitstoten. Ook is er 46.281 kilogram minder stikstofoxiden uitgestoten dan in de vorige onderzochte periode, 2015-2016. Voor fijnstof is dat 164.212 kilo minder. Daarnaast is 292 ton aan grondstoffen bespaard en is er 5 Mton aan CO2 gecompenseerd door bossen aan te planten. Verder is er 1203 fte aan werk gerealiseerd voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en als stageplaats. Voor het onderzoek zijn vijftien productgroepen bekeken in zes clusters. Het gaat om: Transport, Energie, Kantoorfaciliteiten, Kantoorgebouwen, Grond-, weg- en waterbouw, en ICT-informatie communicatietechnologie. Deze productgroepen zijn gekozen, omdat daarbij het meeste effect van deze manier van inkopen wordt verwacht.
    • Gezondheidseffecten van windturbinegeluid

      van Kamp, I; van den Berg, GP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-20)
      Vragen over gezondheidseffecten spelen een prominente rol in lokale discussies over de plannen voor uitbreiding van het windpark in Nederland, Zwitserland en elders. Het Zwitserse Federale Milieubureau vroeg het RIVM de literatuur verschenen tussen 2017 en medio 2020 op een rij te zetten, over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden. Het RIVM en Mundonovo sound research verzamelden de wetenschappelijke literatuur over het effect van windturbines op ervaren hinder, slaapverstoring, hart- en vaatziekten en de stofwisseling. Ook werd bekeken wat bekend is over hinder door de visuele aspecten van windturbines en andere niet-akoestische factoren, zoals het lokale besluitvormingsproces. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. Uit de literatuur bleek niet dat het zogeheten ‘laagfrequent geluid’ (lage tonen) van windturbines voor extra hinder zorgt tot die gerelateerd aan “gewoon” geluid. Voor andere gezondheidseffecten zijn de resultaten van wetenschappelijk onderzoek niet eenduidig: deze effecten hangen niet duidelijk samen met het geluidniveau, maar soms wel met de ervaren hinder. Deze resultaten onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbare opdracht drie jaar geleden. De literatuur liet duidelijk zien dat omwonenden minder hinder hebben van de windturbines als ze betrokken werden bij de plaatsing ervan. Door mee te kunnen denken over de plaatsing en de balans tussen kosten en baten, ervaren omwonenden minder hinder. Het is daarom belangrijk zorgen van omwonenden serieus te nemen en hen te betrekken bij het planningsproces en de plaatsing van windturbines.
    • Paints and microplastics. Exploring the possibilities to reduce the use and release of microplastics from paints. Feedback from the paint sector

      Faber, M; Marinković, M; de Valk, E; Waaijers-van der Loop, SL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-22)
      Microplastics zijn kleine kunststofdeeltjes die bestaan uit polymeren. Deze deeltjes komen in het milieu terecht, waar ze schadelijk kunnen zijn voor dieren en planten. Microplastics zitten onder andere in verf. Door vaste polymeren (primaire microplastics) aan verf toe te voegen ontstaan verflagen die oppervlakten kunnen bedekken en beschermen. Ze komen eruit vrij als gedroogde verflagen verweren of worden geschuurd. Dan noemen we ze secundaire microplastics. Het RIVM heeft een brede groep van belanghebbenden uit de verfsector gevraagd wat zij doen om de uitstoot van microplastics uit verf te beperken. De verfsector blijkt zich ervan bewust te zijn dat microplastics problemen kunnen geven in het milieu. Maar ze zijn er niet actief mee bezig om de uitstoot te verkleinen. Volgens hen is de uitstoot niet te voorkomen. De polymeren zijn nodig om een verflaag aan te brengen die oppervlakten langdurig bedekt en beschermt. Er bestaan nog weinig verfproducten zonder polymeren. Deze zijn (nog) niet geschikt voor alle toepassingen van verf. De verfsector heeft wel indirect maatregelen genomen die de uitstoot verkleinen. Zo hebben ze verf ontwikkeld die veel langer goed blijft en blijft zitten; bijna twee keer zo lang. Ook geeft de sector aan dat professionele schilders maatregelen nemen om de uitstoot van verfdeeltjes en stof tijdens het werk te verminderen. Zo gebruiken zij standaard een apparaat dat schuursel opvangt tijdens het schuren. Voor doe-het-zelf klussers is onbekend of zij ook zulke maatregelen nemen en of dat mogelijk is. Ook spoelen doe-het-zelf klussers kwasten met verf op waterbasis af onder de kraan. Dit is niet wenselijk. Het is nu niet duidelijk hoeveel microplastics worden uitgestoten tijdens de productie, het gebruik en de afvalverwerking van verf. Het is wenselijk dat hierover meer gegevens beschikbaar komen om maatregelen te kunnen nemen. Bijvoorbeeld door metingen in het milieu. Daarnaast is het belangrijk dat de hele keten nadenkt over maatregelen om de uitstoot te verminderen.
    • Indicatoren E-healthmonitor 2021-2023 en doelstellingen voor e-health

      Aardoom, JJ; van Deursen, L; Rompelberg, CJM; Standaar, LMB; Suijkerbuijk, AWM; van Tuyl, LHD; Versluis, A; Wouters, MJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Het ministerie van VWS zoekt naar mogelijkheden om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden, en de kwaliteit te verbeteren. E-health, oftewel digitale zorg op afstand, geeft daar mogelijkheden voor. Het ministerie van VWS wil weten in hoeverre de zorg tussen 2021 en 2023 digitaler wordt en welke effecten dat heeft op patiënten en zorgverleners. E-health is heel divers en kan breed worden ingezet. Voorbeelden zijn consulten met huisartsen via videobellen, gezondheidsapps voor patiënten, en websites met informatie over medische zorg. Het RIVM ontwikkelt een monitor om de overgang van onderdelen van de zorg naar e-health met cijfers in kaart te kunnen brengen. Het RIVM doet dat samen met het Nivel en het National eHealth Living Lab (NeLL). De monitor geeft aan wie e-health gebruikt en waarvoor. Ook geeft hij aan waarom digitale hulpmiddelen wel of niet worden gebruikt en hoe het gebruik bevalt. Voor de monitor hebben de drie organisaties nu uitgezocht welke gegevens nodig zijn om het gebruik van e-health in de zorg te kunnen meten, de zogeheten indicatoren. Een voorbeeld is in welke mate huisartsen e-health gebruiken, of in welke mate burgers een online afspraak maken bij een ziekenhuis. Daarnaast is beschreven welke indicatoren zijn gekozen, om welke meetgegevens het precies gaat en hoe gegevens kunnen worden verkregen. Sommige meetgegevens zijn ook in de vorige monitor tot en met 2019 verzameld. Op deze manier kunnen de ontwikkelingen door de jaren heen worden gevolgd. Daarnaast hebben het RIVM, Nivel en NeLL op verzoek van het ministerie van VWS doelen voor e-health omschreven. Het gaat onder andere om een betere kwaliteit en organisatie van de zorg, meer eigen regie van de patiënt over de zorg, aandacht voor preventie, en ondersteuning van personeel in de zorg. De E-healthmonitor kan laten zien hoe deze doelen zich ontwikkelen.
    • Methodology for estimating emissions from agriculture in the Netherlands. Calculations for CH4, NH3, N2O, NOx, NMVOC, PM10, PM2.5 and CO2 using the National Emission Model for Agriculture (NEMA) – Update 2021

      van der Zee, T; Bannink, A; van Bruggen, C; Groenestein, K; Huijsmans, J; van der Kolk, J; Lagerwerf, L; Luesink, H; Velthof, G; Vonk, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      Nederland rapporteert elk jaar nationaal en internationaal hoeveel stoffen de landbouw uitstoot naar de lucht. Het gaat om alle stoffen uit de landbouw die in de Emissieregistratie voorkomen. Denk aan broeikasgassen en stoffen die luchtverontreiniging veroorzaken, zoals ammoniak en fijnstof. De emissieberekeningen worden uitgevoerd op basis van internationale richtlijnen. De uitstoot wordt berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA), dat in Nederland is ontwikkeld. Het NEMA berekent de uitstoot van stoffen voor bijvoorbeeld stallen, mestopslag, en het gebruik van mest. Het NEMA wordt ook gebruikt om emissies zoals methaan uit verschillende dieren en mest te berekenen. Dit model wordt elk jaar aangepast aan de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Dit keer zijn de methoden beschreven die voor verschillende stoffen worden gebruikt, en de wijzigingen die zijn doorgevoerd. Dit keer zijn onder andere de zogeheten emissiefactoren voor bepaalde emissiearme stallen aangepast. Uit nieuwe inzichten blijkt dat er meer stikstof uit stallen vrijkomt dan eerder werd gedacht. De emissiefactor voor de uitstoot van de bemesting van grasland blijkt juist kleiner. De gegevens over de uitstoot zijn openbaar via de website emissieregistratie.nl. Ze worden gebruikt voor rapportages die vanwege internationale verdragen verplicht zijn, zoals het Kyoto-protocol, de Europese Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Dit rapport is ook de basis voor de reviewers die de Nederlandse rapportages aan de Europese Unie en Verenigde Naties valideren.
    • Greenhouse gas emissions in the Netherlands 1990–2019

      Ruyssenaars, PG; Coenen, PWHG; Rienstra, JD; Zijlema, PJ; Arets, EJJM; Baas, K; Dröge, R; Geilenkirchen, G; 't Hoen, M; Honig, E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-21)
      In 2019 is de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 3,2 procent gedaald ten opzichte van 2018. Deze daling komt vooral doordat er minder kolen zijn gebruikt om elektriciteit te produceren. De totale uitstoot van broeikasgassen naar de lucht wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2019 180,7 miljard kilogram. Het jaar 1990 geldt als referentiejaar (basisjaar) voor de te halen doelstellingen. De uitstoot in 1990 bedroeg 220,5 miljard kilogram CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar is de uitstoot gedaald met 18 procent. De uitstoot van CO2 alleen, ligt 5,6 procent onder het niveau van het basisjaar. De uitstoot van de andere broeikasgassen (methaan, distikstofoxide en gefluoreerde gassen) is sinds 1990 met 53 procent gedaald. Dit blijkt uit de definitieve inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM jaarlijks op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) opstelt. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2021 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De voorlopige emissiecijfers over 2019 zijn al in het najaar van 2020 gepubliceerd. De inventarisatie bevat verder analyses van ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2019, een analyse van de belangrijkste bronnen die broeikasgassen uitstoten (‘sleutelbronnen’), evenals de onzekerheid in de berekening van hun uitstoot. Daarnaast zijn de gebruikte berekeningsmethoden en databronnen beschreven. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de manier waarop de Nederlandse Emissieregistratie de berekeningen controleert.