• Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2019

      van Duijnen, R; Blokland, PW; Vrijhoef, A; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-16)
      In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • An inventory of innovation in recycling waste streams with substances of concern

      Zweers, PGPC; van Kuppevelt, MA; de Boer, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-20)
      Om afval opnieuw te kunnen gebruiken (onderdeel van circulaire economie) zijn al veel maatregelen genomen, zowel beleidsmatig als in de praktijk. Afval kan zorgwekkende stoffen bevatten die niet in nieuwe materialen of producten mogen komen. Voorbeelden zijn schadelijke chemische stoffen, medicijnresten of ziekteverwekkende stoffen. Voor een veilig hergebruik van afval moeten de zorgwekkende stoffen hier zo veel mogelijk worden uitgehaald. Het RIVM heeft op een rij gezet welk afval waar zorgwekkende stoffen in zitten, op grond van wat nu bekend is, het meest een probleem vormt. Ook is gekeken welk afval slechts beperkt gerecycled wordt en waar mogelijk veel meer materialen kunnen worden gerecycled. Tot slot is gekeken welke vernieuwende technologie al wordt ontwikkeld om zorgwekkende stoffen uit het afval te te halen. Zeven soorten afval scoren het hoogst op deze punten en zouden volgens het RIVM verder moeten worden uitgediept. Dat zijn textiel, plastic en rubber, batterijen, rioolwaterzuiveringsslib, bouw- en sloopafval, banden en elektronische apparatuur. Het RIVM werkt in een vervolgonderzoek drie onderwerpen uit: straling in bouwmaterialen, cellulose terugwinnen uit afvalwater en chemische recycling van plastics. De inventarisatie heeft verder duidelijk gemaakt dat afval meer kan worden gerecycled als het uitgebreider wordt gesorteerd nadat het is ingezameld. Hier is veel aandacht voor bij de ontwikkeling van nieuwe technieken. Dat is vooral nuttig voor afval waarvan de samenstelling niet altijd hetzelfde is, zoals bij bouw- en sloopafval. Met dit rapport wil het RIVM de Nederlandse inzichten en informatie over de nationale wetgeving en zorgwekkende stoffen delen met het buitenland. Onder andere omdat afval en de verwerking daarvan niet bij de grens ophouden. Om die reden is het rapport in het Engels geschreven. In Nederland lijken afvalverwerkers nog niet veel aandacht te hebben voor zorgwekkende stoffen, al groeit het besef. Financiële prikkels om het afval te verkopen lijken vaak zwaarder te wegen dan veiligheid. Daarnaast raakt veel informatie over de aanwezigheid van zorgstoffen in de keten en daarmee in het afval verloren. Ook daarom wil het RIVM meer aandacht voor veiligheid vragen, in combinatie met andere duurzaamheidsoverwegingen. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is dat in de keten meer informatie wordt gedeeld over de aanwezigheid van zorgwekkende stoffen.
    • Exploring the necessity of additional data requirements under the pesticide regulation to take into account endophytes

      J Scheepmaker (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021-07-28)
      Gewasbeschermingsmiddelen op basis van schimmels en bacteriën worden gebruikt om insecten, bacteriën en schimmels te bestrijden bij de teelt van gewassen als mais en tarwe. Bij de risicobeoordeling van deze ‘microbiële gewasbeschermingsmiddelen’ wordt vooral gekeken of ze aan de buitenkant van een plant kunnen groeien. Sinds kort is bekend dat sommige micro-organismen ook in planten kunnen groeien. In het algemeen is het zo dat bacteriën en schimmels schadelijke stoffen kunnen maken als ze groeien (metabolieten). Wanneer micro-organismen in planten groeien, zouden deze schadelijke stoffen in de plant kunnen ontstaan. In dat geval zouden mensen die deze planten eten blootgesteld kunnen worden aan deze metabolieten. Het RIVM heeft verkend of micro-organismen die via gewasbeschermingsmiddelen in planten groeien, andere of meer stoffen produceren dan bekend is. Voor zover bekend kunnen verschillende micro-organismen die als gewasbeschermingsmiddel worden gebruikt, in planten groeien. Maar dat gebeurt in kleine hoeveelheden die na toepassing snel afnemen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de hoeveelheid metabolieten die ze produceren schadelijk is voor de mens. De risico’s van microbiologische gewasbeschermingsmiddelen kunnen daarom met de bestaande risicobeoordeling worden bepaald. Daarvoor is geen andere of extra informatie nodig. Het RIVM concludeert dit na een verkennend literatuuronderzoek. Dat is in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) uitgevoerd.
    • Verkenning afstandsgrens depositieberekeningen voor projecten

      Roest, G; van der Maas, W; van Pul, A; Romeijn, P; Bleeker, A; Hazelhorst, S; Wichink Kruit, R; Wilmot, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Bij projecten, zoals de aanleg en het gebruik van een nieuwe weg, stal of fabriek, komt stikstof vrij. De stikstof verspreidt zich in de omgeving: een deel valt dichtbij de bron op de bodem maar het grootste deel pas na tientallen kilometers. Naarmate de afstand toeneemt, wordt de depositie steeds lager maar verspreidt hij zich wel over een steeds groter grondoppervlak. Om stikstofgevoelige natuur in de omgeving niet te belasten moet een vergunning voor het project worden aangevraagd. Hierbij wordt gekeken tot welke afstand een project nog bijdraagt aan de neerslag van stikstof in de natuur. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft het RIVM gevraagd of er een maximale afstand kan worden bepaald tot waar de depositie van een project kan worden berekend (een afstandsgrens). Er blijken geen wetenschappelijke argumenten te zijn die tot één maximale afstandsgrens leiden. Beleidsmatige keuzes zijn nodig om te bepalen na welke afstand de overheid wil stoppen met rekenen. Het RIVM reikt beleidsmakers wel een aantal aanknopingspunten aan om deze afstand te kiezen. Een voorbeeld is de locatie tot waar stikstof van een project daadwerkelijk te meten is. Een ander aanknopingspunt is de maximale afstand tot waarop een model is gevalideerd. De stikstofdepositie in Nederland en de Natura 2000-gebieden wordt berekend met modellen van het RIVM. Het is namelijk heel moeilijk om de depositie op grotere afstanden van de bron te meten. De modellen zijn gebaseerd op natuurkundige wetten, zoals weersomstandigheden, of op de manier waarop stoffen zich in de lucht verspreiden. Beleidsmakers uit veel landen in de wereld gebruiken deze modellen. Aanleiding voor de vraag van LNV is een advies van het Adviescollege Hordijk Meten en Berekenen (de ‘commissie-Hordijk’). Dit Adviescollege constateerde in 2020 dat de berekening van de stikstofdepositie voor de vergunningverlening van projecten niet in balans is. Voor wegverkeer wordt een afstandsgrens gebruikt van 5 kilometer om een vergunning te verkrijgen. Voor de overige bronnen, zoals landbouw en industrie, geldt er nu geen afstandsgrens.
    • Op weg naar een optimale meetstrategie voor stikstof

      Wichink Kruit, R; Bleeker, A; Braam, M; van Goethem, T; Hoogerbrugge, R; Rutledge-Jonker, S; Stefess, G; Stolk, A; van der Swaluw, E; Voogt, M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM meet al over een reeks van jaren verschillende onderdelen van stikstof, zoals ammoniak en stikstofoxiden. Het gaat dan om de concentraties van deze stoffen in de lucht en om de neerslag van stikstof op de bodem door regen (natte depositie), en vanuit de lucht (droge depositie). Om de stikstofdepositie in kaart te brengen worden de metingen gecombineerd met modelberekeningen. De komende jaren wordt het aantal meetpunten uitgebreid om onzekerheden kleiner te maken. Zo kan de stikstofdepositie nog beter in kaart worden gebracht. Dit rapport onderbouwt de locatiekeuzes voor de uitbreiding van het meetnet. Het RIVM beschrijft de doelen van de metingen in het algemeen, en van de uitbreidingen van de meetpunten in het bijzonder. De vier belangrijkste doelen zijn: rekenmodellen valideren, ontwikkelingen in de tijd volgen, stikstofprocessen bestuderen, en de kwaliteit van metingen beoordelen. Daarnaast zijn de criteria beschreven die bepalen waar de nieuwe meetpunten moeten komen. Om rekenmodellen te valideren moeten de meetpunten bijvoorbeeld goed verspreid staan over Nederland en representatief zijn voor de ruimtelijke schaal waarop wordt gerekend. Deze studie is een eerste stap in de uitbreiding van het meetnet en draagt bij aan een verfijnd meetnetwerk. In lijn met ontwikkelingen van wetenschappelijke inzichten en technieken zal het RIVM de meetstrategie regelmatig herzien. De wetenschap ontwikkelt zich bijvoorbeeld doordat er in de loop van de jaren nieuwe meettechnieken bij komen. Zo zal worden onderzocht hoe de depositiebepaling in de toekomst kan worden verfijnd met metingen van satellieten en sensoren (uit citizen science-projecten). Ook kunnen de bestaande wetenschappelijke onzekerheden mogelijk worden verkleind door meerdere rekenmodellen te gebruiken. Telkens wordt nagegaan wat voor elke stikstofcomponent de beste combinatie is van modelberekeningen en metingen.
    • Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid: Nationale meetstrategie. Kaders en inventarisatie meetsystemen

      Sahai, A; Hogenhuis, R; Heblij, S; Smetsers, R; Assink, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-08)
      Het RIVM, het NLR (Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum) en het KNMI hebben een nationale meetstrategie voor vliegtuiggeluid ontwikkeld. De meetstrategie richt zich op twee doelen: de huidige rekenmodellen valideren en omwonenden betrouwbare informatie geven. De nationale meetstrategie bevat kaders voor het hele land. Op basis van deze kaders kunnen meetsystemen rondom Nederlandse luchthavens consistent worden ingericht. Op dit moment verschilt het van regio tot regio hoe vliegtuiggeluid wordt gemeten. De kaders bevatten eisen en criteria voor de twee meetdoelen. De eisen en criteria gelden voor zowel afzonderlijke meetposten als voor de combinatie van meetposten (het meetsysteem). Voor het meetsysteem zijn handvatten bepaald over hoe de meetposten het beste rondom de luchthaven kunnen worden verspreid (de dekking van het meetsysteem). Om de kwaliteit van meetposten te beoordelen zijn als onderdeel van de nationale meetstrategie ‘kwaliteitsindicatoren’ ontwikkeld. Hiermee kan worden beoordeeld in hoeverre een meetpost of meetsysteem voor beide meetdoelen aan de criteria voldoet. De nationale meetstrategie zal in een volgende fase op regionaal niveau worden uitgewerkt. Ter voorbereiding op de regionale uitwerkingen is de meetinfrastructuur rond de luchthavens van nationale betekenis geïnventariseerd. Vervolgens zijn de kaders van de nationale meetstrategie als pilot op het meetsysteem rond Schiphol getest. Hieruit blijkt dat de kaders de meetkwaliteit en verschillen per meetpost goed zichtbaar maken. Met de kaders kan dus worden beoordeeld of meetsystemen voor de twee doelen geschikt zijn. De nationale meetstrategie is ontwikkeld als onderdeel van de Programmatische Aanpak voor het Meten van Vliegtuiggeluid (PAMV). Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft dit programma ingesteld. De overheid wil hiermee metingen en berekeningen van vliegtuiggeluid beter op elkaar afstemmen. Zo vormen ze een solide basis voor informatie aan omwonenden en voor beleidsbeslissingen.
    • Landelijke en lokale uitgaven aan gezondheidsbevordering: een nulmeting

      Oosterhoff, M; van Leerdam, J; Suijkerbuijk, A; Polder, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Ziekte voorkomen is belangrijk voor de volksgezondheid. Ook scheelt het de overheid kosten voor de zorg als mensen niet of minder ziek worden. Een onderdeel van deze preventie is gezondheidsbevordering. Voorbeelden hiervan zijn een gezonde leefstijl nastreven, en overgewicht en overmatig alcoholgebruik voorkomen. Het is behulpzaam om gezondheidsbevordering regionaal te organiseren. Dan sluit het goed aan bij de behoeften van inwoners van gemeenten en bepaalde bevolkingsgroepen, zoals ouderen of mensen met lage inkomens. Om dit goed te kunnen doen, is het nodig om te weten wat het kost. Het RIVM en Cebeon (Centrum Beleidsadviserend Onderzoek) hebben voor het eerst in kaart gebracht hoeveel geld gemeenten hebben uitgegeven aan gezondheidsbevordering. Het gaat hierbij om uitgaven aan de gemeentelijke taken voor volksgezondheid en om sporten te stimuleren. Die blijken laag te zijn en de financiering is vaak tijdelijk. In Nederland is in 2019 gemiddeld per inwoner 21 tot 23 euro aan gezondheidsbevordering uitgegeven. Hiervan ging iets meer dan de helft naar activiteiten die mensen stimuleren om te sporten (14 euro). Aan andere activiteiten om een gezonde leefstijl te bevorderen gaven gemeenten gemiddeld ruim 6 euro per inwoner uit. Daarvan is 2 euro bestemd voor het werk dat een gemeente hiervoor doet, 1 voor GGD’en en 3 euro voor andere organisaties die door de gemeenten worden betaald. De rijksoverheid gaf 2,5 euro per inwoner uit aan programma’s met activiteiten om regionaal of lokaal de gezondheid te bevorderen. Als vergelijking: in 2019 is ongeveer 5000 euro per inwoner uitgegeven aan geneeskundige en langdurige zorg samen. Dit onderzoek is op verzoek van het ministerie van VWS uitgevoerd. Indirecte kosten die de gezondheid bevorderen uit andere domeinen, zoals voor betere toegang tot werk en onderwijs of armoedebestrijding, zijn niet meegenomen.
    • Verhogen van testdeelname tijdens de pilot grootschalig testen in de gemeente Dronten en gemeente Bunschoten

      Sanders, J; Zomer, C; Hoekstra, R; de Ron, J; Blanken, T; Epskamp S; van Dijken, S; Gerkema, M; Hart, L; Visser, O; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-07)
      Het ministerie van VWS neemt verschillende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus (SARS-CoV-2) onder controle te krijgen. Zo is het belangrijk dat mensen zich laten testen bij klachten of na contact met een besmet persoon. Een onderdeel van de aanpak van VWS is dat grote groepen mensen zich meerdere keren laten testen, ook als ze geen klachten hebben (grootschalig testen). Hiervoor kunnen bijvoorbeeld alle inwoners van een dorp of buurt worden uitgenodigd als er daar veel mensen besmet zijn. VWS wil weten welke omstandigheden stimuleren dat zoveel mogelijk mensen zich laten testen. In twee gemeenten – Dronten en Bunschoten - is onderzocht welk effect twee factoren hebben op het aantal mensen dat zich laat testen en hoe vaak ze dat doen: de afstand tot een testlocatie en de informatie in een uitnodigingsbrief. Het blijkt dat meer mensen zich laten testen als de testlocatie dichtbij is, op minder dan 2 kilometer van hun woning. Ook laten ze zich dan vaker testen. Het effect van de informatie in de uitnodigingsbrieven is niet goed te bepalen. Dat komt omdat er naast de brieven ook in de media (radio, sociale media, reclameborden) veel aandacht aan de pilots is besteed. In beide gemeenten zijn twee soorten brieven gestuurd met een verschillende inhoud. Een deel van de inwoners ontving een brief met alleen basisinformatie over grootschalig testen. Het andere deel ontving een brief waarin de basisinformatie werd aangevuld met informatie over het risico op een besmetting met het coronavirus en de verspreiding ervan. De opkomst was bij beide groepen inwoners bijna even hoog. De Corona Gedragsunit van het RIVM heeft dit onderzoek in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, GGD’en en gemeenten uitgevoerd.
    • Voortgangsrapportage Nationaal Preventieakkoord 2020

      van Giessen, A; Boer, J; van Gestel, I; Pees, S; Douma, E; Kuijpers, T; du Pon, E; Nawijn, E; Koopman, N (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het Nationaal Preventieakkoord is in 2018 afgesloten om ervoor te zorgen dat er minder mensen roken, overgewicht hebben of problematisch drinken. Hiervoor zijn afspraken gemaakt met meer dan 70 partijen. Het RIVM evalueert elk jaar de voortgang van deze afspraken en of de gestelde doelen zijn gehaald. Voor 2020 waren 39 doelen gesteld. Daarvan zijn er dertien gehaald, en twee net niet. Bijna de helft (18) van de doelen is nog niet gehaald. Zo zijn bijvoorbeeld hogere accijnzen op tabak ingevoerd, maar zijn kinderboerderijen en speeltuinen nog niet geheel rookvrij. Ook is het doel voor minder calorieën in A-merk frisdranken gehaald, maar sommige doelen voor minder calorieën in andere voedingsmiddelen nog niet. Voor scholen zijn inmiddels interventies voor alcoholpreventie beschikbaar, maar er zijn nog geen oplossingen voor de beïnvloeding van jongeren door alcoholreclames. Van zes doelen voor 2020 is er nog te weinig informatie om te bepalen of ze zijn gehaald. Een deel van de partijen geeft aan dat de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 eraan heeft bijgedragen dat niet alle doelen voor 2020 zijn gehaald. Activiteiten konden niet doorgaan of zijn uitgesteld door bijvoorbeeld de maatregelen om contacten te beperken. Ook hadden bijvoorbeeld de zorg, de horeca en het onderwijs vanwege de coronapandemie regelmatig andere prioriteiten dan leefstijlpreventie. Volgens schattingen van het RIVM uit 2018 is het mogelijk dat de afspraken van het Nationaal Preventieakkoord ertoe leiden dat de ambitie van minder dan vijf procent rokende volwassenen wordt behaald in 2040. Hieruit bleek ook dat er extra afspraken nodig zijn om te bereiken dat er in 2040 geen jongeren en zwangere vrouwen roken. Die zijn ook nodig om de ambities voor problematisch drinken of overgewicht in 2040 te halen. Het is nog niet duidelijk in welke mate de ambities van 2040 in de knel komen door de niet behaalde doelen in 2020. Het RIVM rekent in 2023 opnieuw door in hoeverre ambities van het Nationaal Preventieakkoord kunnen worden gehaald in 2040.
    • Reclame voor en gebruik van alcoholvrije dranken

      de Wit, GA; Everaars, B; Bilderbeek, B; Visscher, K; Hendrikx, R; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Het RIVM heeft met het Trimbos-instituut feiten en cijfers verzameld over het gebruik van alcoholvrije dranken door jongeren en volwassenen. Ook is hen gevraagd wat ze van deze reclames vinden. In het Nationaal Preventie Akkoord is afgesproken dat meer onderzoek nodig is naar het effect van marketing voor deze producten. Hier was nog weinig over bekend. Uit het onderzoek blijkt dat 87,9 procent van volwassenen en 79 procent van de jongeren wel eens alcoholvrije producten heeft gebruikt. Hiervoor is een vragenlijstonderzoek gehouden onder 2075 jongeren en volwassenen. De drie meest genoemde redenen om alcoholvrije dranken te drinken zijn: kunnen deelnemen aan het verkeer (39,4 procent), de goede smaak (31,7 procent) en als vervanger van alcoholhoudende dranken (29,8 procent). Jongeren komen vaker via sociale media, internet en sluikreclame in aanraking met reclame dan volwassenen. Een positief effect van de reclames is dat jongeren vaker dan volwassenen denken dat alcoholvrije producten de alcoholhoudende producten kunnen vervangen. Een negatief effect is dat ze via alcoholvrije producten kunnen wennen aan de smaak van producten waar wel alcohol in zit. De stap naar dranken met alcohol is daardoor minder groot. De meeste ouders vinden het niet goed dat hun kinderen onder de 18 alcoholvrije producten drinken. Een op de acht ouders stelt hier geen regels voor. Van 2017 tot en met 2020 zijn 83 procent meer alcoholvrije producten verkocht in supermarkten en slijterijen. Alcoholvrij bier is verreweg het meest verkochte product (81 procent van alle alcoholvrije dranken). Fabrikanten geven per jaar zo’n 10 miljoen euro uit aan reclames voor alcoholvrije producten. Dat is ongeveer 9 procent van al het geld dat ze aan reclame uitgeven. Reclames via sociale media en sponsorcontracten zitten hier niet bij. De inhoud van reclames voor alcoholvrije producten is anders dan voor alcohol. Alcoholvrije producten benadrukken dat ze nieuw zijn, gezonder zijn dan alcohol, dat je aan het verkeer kunt deelnemen en dat je er fit bij kunt blijven (geen kater). De traditionele onderwerpen van reclames voor alcohol, zoals ‘feesten’, ‘kwaliteit’ en ‘mannelijk’ komen ook voor bij reclames over alcoholvrije dranken, maar minder vaak. Ook richten reclames over alcoholvrije dranken zich vaker op vrouwen dan alcoholreclames.
    • Minimum Unit Pricing voor alcohol. Onderzoek naar de haalbaarheid van invoering in Nederland

      de Wit, A; Visscher, K; Over, E; van Gelder, N; Everaars, B; van Gils, P; Voogt, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-06)
      Mensen die veel alcohol drinken kiezen vaak voor goedkopere producten. In enkele landen, zoals Schotland en Canada, zijn deze goedkopere alcoholproducten daarom duurder gemaakt. Door deze maatregel, ‘Minimum Unit Pricing’ (MUP) gaan problematische drinkers minder drinken. Dat is beter voor hun gezondheid. Ook zijn er naar verwachting minder verkeersovertredingen, hoeven politie en justitie minder te worden ingezet, en zijn er minder medische kosten en uitval op het werk. De Nederlandse overheid denkt erover na om MUP in te voeren. Doordat MUP zich direct richt op mensen die veel drinken, is het een veelbelovende maatregel om problematisch drankgebruik te verminderen. Effecten van MUP hangen wel af van de hoogte van de eenheidsprijs. De overheid moet deze nog bepalen. Duidelijke informatie over de maatregel is ook belangrijk. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Trimbos instituut. Ook blijkt dat belanghebbenden, van consumenten, producenten, verkopers tot gezondheidsdeskundigen, verschillende meningen hebben over MUP. Veel belanghebbenden erkennen de positieve effecten op gezondheid, maar anderen zien ook nadelen. De alcoholbranche heeft vooral economische argumenten om de maatregel niet in te voeren, bijvoorbeeld minder omzet. Ook denken geïnterviewde partijen dat problematische drinkers andere verslavende producten gaan gebruiken, zoals drugs. Verder kunnen mensen die dicht bij de grens wonen, alcohol goedkoper in het buitenland gaan kopen. Er is overigens geen bewijs voor deze argumenten. Bij MUP bepaalt de overheid een minimumprijs voor één eenheid alcohol (een standaardglas bier, wijn of sterke drank). Verkopers mogen alcohol niet onder deze prijs aanbieden. Bij een lagere eenheidsprijs vallen alleen de goedkoopste producten onder dit beleid. Bij een hogere MUP vallen ook duurdere producten onder het beleid, en dus ook een groter deel van het alcoholaanbod. Bijvoorbeeld: een eenheidsprijs van 45 cent maakt ongeveer 50 procent van alle alcoholproducten duurder. Bij een eenheidsprijs van 55 cent is dat ongeveer 65 procent. Bij een accijnsverhoging worden álle alcoholhoudende dranken duurder.
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2019

      van Duijnen, R; Blokland, PW; Vrijhoef, A; Fraters, D; Doornewaard, GJ; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      In Nederland mogen bepaalde agrarische bedrijven meer dierlijke mest, waar stikstof in zit, op hun land gebruiken dan de algemene norm van de Europese Nitraatrichtlijn voorschrijft. Zij moeten hiervoor wel aan specifieke voorwaarden voldoen. Deze verruiming heet derogatie. Het RIVM en Wageningen Economic Research meten elk jaar de gevolgen van de derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Ook worden de ontwikkelingen sinds 2006 geanalyseerd, het jaar waarin de derogatie inging. Uit de analyse blijkt dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit vanaf 2006. Wel heeft de droogte er in 2019 en 2020 negatieve effecten op gehad. Door de droogte groeiden onder andere de gewassen minder goed, waardoor zij minder stikstof opnamen. Hierdoor bleef er meer stikstof in de bodem achter en kwam er meer in het grondwater terecht. Bedrijfsvoering In 2019 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 230 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Dit wordt in kilogrammen stikstof aangegeven omdat het per diersoort verschilt hoeveel stikstof er in mest zit. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt dierlijke mest efficiënter gebruikt om gewassen te laten groeien. Het ‘stikstofbodemoverschot’ is daardoor van 2006 tot en met 2017 gedaald. Dit betekent dat er in deze jaren minder stikstof beschikbaar is om als nitraat met regenwater weg te zakken naar diepere lagen in de bodem en uiteindelijk het grondwater. Na een stijging in 2018 door de droogte, was in 2019 het stikstofbodemoverschot het laagste van alle onderzochte jaren. Grondwaterkwaliteit De gemiddelde nitraatconcentratie op derogatiebedrijven nam in 2019 en 2020 toe. Dit komt waarschijnlijk door de droogte. In het zuiden en oosten van de Zandregio steeg de concentratie in 2020 tot boven de EU-norm van 50 milligram per liter (63 milligram per liter). Als de hele onderzochte periode (2006-2020) wordt bekeken, is de concentratie in de hele Zandregio wel gedaald. In de Lössregio bleef de concentratie boven de norm, al is deze lager dan in 2018 (59 milligram per liter in 2019 versus 65 milligram per liter in 2018). In de Klei- en Veenregio daalde de nitraatconcentratie in 2020. In de Kleiregio is in de hele onderzochte periode de nitraatconcentratie gestegen, maar blijft deze steeds onder de norm. De monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland. Rapportage 2021

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; Siteur, K; Smeets, W; van der Swaluw, E; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      Het RIVM maakt elk jaar kaarten van de luchtverontreiniging in Nederland. Dit gebeurt voor de voor luchtverontreiniging belangrijke stoffen, waaronder stikstofdioxide, ammoniak en fijnstof. Ook wordt de neerslag van stikstof (depositie) in kaart gebracht. Het RIVM gebruikt zowel berekeningen als metingen om de kaarten te maken. Zo komen de resultaten het beste overeen met de werkelijke situatie. Naast de kaarten over het voorgaande jaar, stelt het RIVM verwachtingen op voor de concentraties en depositie in 2025 en 2030. De kaarten tonen de ontwikkeling van de luchtkwaliteit en de stikstofdepositie in Nederland. Overheden gebruiken de kaarten om beleid te maken voor een betere luchtkwaliteit en minder stikstofdepositie. Luchtverontreiniging is schadelijk voor de volksgezondheid. Te veel stikstofdepositie op natuurgebieden is schadelijk voor het aantal en de variatie van planten- en diersoorten. De concentraties van de meeste luchtvervuilende stoffen dalen al gedurende tientallen jaren. Deze daling is in 2020 versterkt door de gevolgen van maatregelen die genomen zijn vanwege de uitbraak van SARS-COV-2 (corona). Het is niet duidelijk in hoeverre deze effecten in de toekomst blijven bestaan. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties De concentraties stikstofdioxide in de lucht zijn in 2020 veel lager dan in 2019, gemiddeld ongeveer 20 procent lager. Dat komt vooral doordat er in 2020 minder wegverkeer was door de coronamaatregelen, zoals het thuiswerken. Naar verwachting zullen de concentraties stikstofdioxiden in 2030 ongeveer 40 procent lager zijn dan in 2018. De concentraties fijnstof waren in 2020 ook lager dan in 2019; PM10 ongeveer 10 procent en PM2,5 ongeveer 15 procent. De verwachting is dat deze concentraties in 2030 ongeveer 25 respectievelijk 40 procent lager zullen zijn dan in 2018. Stikstofdepositie Ammoniak levert een belangrijke bijdrage aan de stikstofdepositie. De concentraties ammoniak in de lucht zijn een graadmeter voor de hoeveelheid ammoniak die neerslaat. De ammoniakconcentraties zijn in 2020 ongeveer hetzelfde gebleven als in 2019 (3 procent lager). De ontwikkeling van stikstofdepositie in natuurgebieden is in deze rapportage niet uitgewerkt. De gemiddelde stikstofdepositie op het hele Nederlandse landoppervlak was in 2020 lager dan in 2019. Deze verlaging (9 procent) valt echter binnen de bandbreedte van de jaarlijkse fluctuatie, onder andere door weersomstandigheden. Voor de prognoses op lange termijn konden de Nederlandse Klimaatwet en Stikstofwet (april 2021) nog niet worden meegenomen. Andere Nederlandse maatregelen, evenals concrete maatregelen in het buitenland om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verlagen, zijn wel meegenomen. De verwachting voor 2030 is dat de stikstofdepositie dan 19 procent lager kan zijn dan in 2018.
    • De milieu-impact van de jaarlijkse 85 miljard euro aan inkoop door alle Nederlandse overheden. Een studie die helpt bij prioriteren voor maatschappelijke verantwoord inkopen (MVI)

      Steenmeijer, MA; van der Zaag, JD; Corts, JC; Tauber, JM; Hollander, A; van den Berg, T; van der Zande, CPL; Zijp, MC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-05)
      In de overgang naar een circulaire economie wil de Nederlandse overheid ook zelf het milieu minder belasten. Daarvoor is het nodig om inzicht te hebben in welke producten en diensten die de overheid inkoopt veel impact op het milieu hebben. Het RIVM heeft daarom uitgezocht hoeveel overheidsorganisaties in totaal uitgeven, aan welke producten en diensten en wat de milieu-impact daarvan is. Dit is gedaan voor 2019. Met de informatie kan de overheid gericht keuzes maken om de milieu-impact te verkleinen. De Nederlandse overheid heeft in 2019 voor 85 miljard euro producten en diensten ingekocht. Dit is 15 procent van de totale inkoop van producten en diensten in Nederland. De klimaatimpact hiervan is zo’n 18 procent van de totale Nederlandse klimaatvoetafdruk: zo’n 22 mega ton CO2-equivalenten. Behalve naar de klimaatimpact is naar nog twee thema’s gekeken: het landgebruik dat nodig is om producten te maken, het gebruik van grondstoffen, en de impact op het klimaat. De inkoop van de overheid omvat zo’n 23 procent van het grondstoffenverbruik en 9 procent van het landgebruik van alle inkoop in Nederland. Het onderzoek laat zien dat de overheid via haar inkoop ook zelf een substantiële bijdrage kan leveren aan de energietransitie, de transitie naar een Circulaire Economie én, via landgebruik in de keten, het terugdringen van Biodiversiteitsverlies. Bij dit onderzoek is niet alleen gekeken naar milieu-impacts van het gebruik van producten en diensten in Nederland, maar naar impacts in de hele keten die nodig is om het product of de dienst te leveren: de productie, het transport, het gebruik en de verwerking tot afval. Daarvoor vinden dus emissies en impacts plaats in de hele wereld. De milieueffecten verschillen sterk per productgroep. Met de aanleg en het onderhoud van gebouwen en wegen blijkt de bouw veel effect te hebben op alle drie de thema’s. De productgroepen energie en transport hebben veel effect op het klimaat. Wat betreft landgebruik draagt catering veel bij. Op het grondstoffenverbruik hebben onder andere machinerie en elektronica veel effect. Het RIVM heeft dit overzicht in samenwerking met de adviesbureaus Metabolic en Purfacts gemaakt. Zij hebben gekeken naar de inkoop van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, waterschappen, scholen, academische ziekenhuizen en speciale-sectorbedrijven. Ontwikkelen van de methode stond centraal.
    • Analyse van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen

      Manuel, HJ; Kamps, GJ; Kooi, ES; Wolting, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      Het RIVM analyseert de aard, omvang en oorzaak van incidenten bij bedrijven met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in Nederland. Voor dit rapport zijn zeventien incidenten geanalyseerd. Bij vijftien incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, waardoor twee keer een brand is ontstaan. Bij een ander incident was er brand in een installatie. Bij de incidenten overleed één persoon. Twee mensen houden waarschijnlijk blijvend letsel door brandwonden en oorsuizen. Bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat werknemers de productieprocessen en werkzaamheden veilig kunnen uitvoeren. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt bij zes incidenten of waren chemische processen niet goed onder controle bij vier incidenten. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bij zes incidenten hadden bedrijven de noodmaatregelen die zij moeten hebben, niet of niet goed ingevoerd. Een noodmaatregel is bijvoorbeeld voorkomen dat gevaarlijke materialen vrijkomen door ze in een afgesloten vat op te vangen. Bij vijftien van de zeventien incidenten schoten de ‘plannen en procedures’ voor de werkzaamheden tekort. Ze waren er niet, of onvoldoende om een incident te voorkomen. Dit kwam vooral doordat sommige risico’s van tevoren niet waren verwacht. Soms hadden eenvoudige checklists kunnen helpen om het incident te voorkomen. Bij negen incidenten is het met maatregelen gelukt om schadelijke effecten van gevaarlijke stoffen te beperken. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
    • Vaccinatiegraad en jaarverslag Rijksvaccinatieprogramma Nederland 2020

      van Lier, EA; Oomen, PJ; Giesbers, H; van Vliet, JA; Hament, JM; Drijfhout, IH; Zonnenberg-Hoff, IF; de Melker, HE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-07-01)
      In Nederland krijgen kinderen vaccinaties tegen twaalf besmettelijke ziekten. Het RIVM beschrijft elk jaar hoeveel kinderen zijn gevaccineerd (vaccinatiegraad). Ook beschrijft het de ontwikkelingen binnen het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Ontwikkelingen In 2020 kregen minder mensen dan in 2019 een ziekte waartegen binnen het RVP wordt gevaccineerd. Dit geldt vooral voor kinkhoest, bof, meningokokkenziekte, pneumokokkenziekte en mazelen. De kans is groot dat dit vooral komt door de maatregelen die vanwege de uitbraak van het coronavirus SARS-CoV-2 zijn ingevoerd. Voorbeelden zijn handen wassen, afstand houden, de (tijdelijke) sluiting van scholen en kinderopvang, het kleinere aantal mensen bij bijeenkomsten, en het maximale aantal te ontvangen bezoekers thuis. De uitbraak van het coronavirus had ook gevolgen voor de manier waarop het RVP in 2020 is uitgevoerd. Groepsvaccinaties (voor de kinderen van 9 jaar en ouder) zijn eerst uitgesteld of omgezet naar individuele afspraken. Vanaf 1 juli 2020 zijn de groepsvaccinaties in kleine groepjes per tijdslot uitgevoerd. De vaccinaties op de consultatiebureaus (0-4-jarigen) en de 22 wekenprik voor zwangeren gingen wel zoveel mogelijk door. De 22 wekenprik beschermt baby’s vanaf de geboorte tegen kinkhoest. Vanwege de invoering van de 22 wekenprik krijgen de meeste baby’s vanaf 1 januari 2020 hun vaccinaties iets later (bij 3, 5 en 11 maanden) en een vaccinatie minder. Ook krijgen 14-jarigen sinds 2020 standaard de vaccinatie tegen meningokokkenziekte aangeboden. Vaccinatiegraad De vaccinatiegraad betreft kinderen die hun vaccinatie(s) nog bijna allemaal vóór de uitbraak van het coronavirus kregen. Voor bijvoorbeeld zuigelingen wordt de vaccinatiegraad namelijk berekend als kinderen twee jaar zijn. De vaccinatiegraad die in 2021 is berekend, is voor de meeste vaccinaties opnieuw gestegen. Naast de toename bij zuigelingen valt vooral de stijging bij de HPV-vaccinatie met 10 procent naar 63 procent op; deze vaccinatiegraad is niet eerder zo hoog geweest. Voor het eerst is geschat hoeveel zwangeren deelnamen aan de 22 wekenprik: ongeveer 70 procent. Het lijkt erop dat de maatregelen vanwege de uitbraak van het coronavirus weinig negatieve invloed hebben gehad op het aantal kinderen dat in deze periode is gevaccineerd. Dat blijkt uit voorlopige cijfers. De precieze vaccinatiegraad voor deze kinderen kan pas volgend jaar worden berekend omdat dan pas alle cijfers erover bekend zijn.
    • Antibioticaresistente bacteriën in slachterijafvalwater

      Blaak, H; Kemper, MA; Schilperoort, R; de Rijk, SE; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      In afvalwater van twee slachterijen, een varkensslachterij en een runderslachterij, zijn geen bijzonder resistente CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE in Nederland niet bij varkens of rundvee voorkomen, of maar heel weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM onderzocht het afvalwater van de twee slachterijen tussen 10 april en 23 juli 2019 (varkens) en van 28 oktober 2019 tot 22 januari 2020 (rundvee). In totaal zijn op 45 dagen monsters van het afvalwater genomen en onderzocht. Op die dagen zijn in totaal 400.000 tot 500.000 varkens en ruim 7000 runderen geslacht. De genomen monsters zijn daarmee representatief voor een groot aantal dieren. Via afvalwater kunnen dergelijke aantallen dieren met relatief weinig moeite worden onderzocht op antibioticaresistente bacteriën. Deze aantallen zijn veel groter dan het aantal dat elk jaar standaard wordt onderzocht op deze bacteriën tijdens de nationale monitoring van antibioticaresistentie bij landbouwhuidieren. Bij deze landelijke monitoring wordt elk dier apart gemeten. In de afvalwatermonsters zijn wel ESBL-producerende E. coli-bacteriën gevonden, en vaker dan in de landelijke monitoring. Deze resultaten bevestigen het idee dat een methode preciezer (gevoeliger) wordt naarmate meer dieren worden gescreend. Vanwege de nauwkeurigheid en vrij kleine inspanning is meten in afvalwater een efficiënte manier om te onderzoeken of landbouwhuisdieren zeldzame vormen van antibioticaresistente bacteriën, zoals CPE, bij zich dragen. De methode moet de komende jaren nog wel worden verfijnd.
    • Voorbereiding van Brzo bedrijven op klimaatverandering

      Pompe, CE; Pijnenburg, H; Uijt de Haag, PAM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      Door klimaatverandering is de kans groter dat in Nederland overstromingen, piekbuien, droogte en hittegolven komen. De chemische industrie is wettelijk verplicht om zich hierop voor te bereiden. Zo blijft de kans op ongevallen, en daarmee het risico voor de omgeving, klein. Uit een eerdere analyse van het RIVM blijkt dat bedrijven in hun veiligheidsrapporten niet duidelijk aangeven hoe zij zich hierop voorbereiden. Het RIVM, adviesbureau Econos en Rijkswaterstaat hebben daarom met bedrijven een overzicht gemaakt van de gevaren en mogelijke maatregelen. Door er samen over te brainstormen konden ze kennis delen en van elkaar leren. Bedrijven kunnen het overzicht gebruiken om gevaren voor hun eigen situatie te analyseren en gericht maatregelen te nemen. Ook kan het bevoegd gezag het overzicht gebruiken bij hun beoordeling of bedrijven zich genoeg voorbereiden. De bedrijven bleken nog niet planmatig te analyseren welke problemen bij een dreigende overstroming, hittegolf en dergelijke kunnen ontstaan. Het is belangrijk dat zij zich bewust worden van de gevaren en er van tevoren oplossingen voor bedenken. Zo is het belangrijk dat bedrijven weten hoeveel tijd ze bij een dreiging hebben om maatregelen te nemen. Ook moeten ze regelen dat dan genoeg mensen beschikbaar zijn om de maatregelen uit te voeren. Het blijkt dat maatwerk nodig is omdat dreigingen per bedrijf kunnen verschillen.
    • Sexually transmitted infections in the Netherlands in 2020

      Staritsky, LE; Visser, M; van Aar, F; op de Coul, ELM; Heijne, JCM; van Wees, DA; Kusters, JMA; Alexiou, ZW; de Vries, A; Gotz, HM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-25)
      In 2020 hebben minder mensen zich bij een Centrum voor Seksuele Gezondheid (CSG) laten testen op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) dan in 2019, door de uitbraak van het coronavirus. Het percentage dat ook echt een soa had (21 procent), is gestegen. Chlamydia bleef de meest voorkomende soa onder heteroseksuelen. Bij mannen die seks hebben met mannen (MSM) kwam gonorroe het meest voor. Bij CSG’s kunnen mensen die een grotere kans hebben op een soa, bijvoorbeeld jongeren onder de 25, zich gratis laten testen. In 2020 zijn er in totaal 105.936 consulten geregistreerd bij de CSG’s. Het aantal consulten nam af onder zowel vrouwen, heteroseksuele mannen en MSM. Infecties zijn relatief het vaakst gevonden bij mensen die een melding hadden ontvangen dat ze een risico op een soa lopen. Naast de CSG-cijfers worden schattingen gemaakt van het aantal soa-consulten en -diagnoses bij huisartspraktijken. Zij voeren de meeste soa-consulten uit. Hun gegevens gaan over het voorgaande jaar omdat de 2020 data pas later beschikbaar zijn. Chlamydia In 2020 waren er 15.979 chlamydia-diagnoses bij cliënten van de CSG’s, 24 procent minder dan in 2019 (21.134). Het percentage vrouwen en heteroseksuele mannen met chlamydia was stabiel tussen 2016 en 2019 (respectievelijk 15 en 18 procent). In 2020 is het percentage onder vrouwen toegenomen naar 17 procent en naar 22 procent onder heteroseksuele mannen. Voor MSM ligt dit percentage al jaren rond de 10 procent; in 2020 steeg het licht naar 11,2 procent. Gonorroe Het aantal gonorroe-diagnoses bij cliënten van de CSG’s is het afgelopen jaar met 18 procent afgenomen tot 6.722 infecties. Het percentage consulten waarbij gonorroe is gevonden steeg tussen 2016 en 2020: onder heteroseksuele mannen van 1,9 naar 2,5 procent en onder vrouwen van 1,4 naar 2,1 procent. Het percentage onder MSM was tussen 2015 en 2019 stabiel rond de 11 procent maar nam toe tot 12 procent in 2020. Bij de CSG’s is geen antibioticaresistentie tegen het huidige ‘eerste keus’ antibioticum voor gonorroe (ceftriaxon) gemeld. Wel is er resistentie tegen andere antibiotica. De resistentie tegen ciprofloxacine bleef hoog in 2020 met 57 procent. Syfilis In 2020 had 7,4 procent minder cliënten van de CSG’s een syfilis-diagnose dan in 2019 (1.324 versus 1.430). Daarvan is 96 procent bij MSM gevonden. Het percentage met syfilis onder MSM daalde van 2,9 procent in 2016 naar 2,4 procent in 2018 en steeg weer naar 2,9 procent in 2020. Het percentage was voornamelijk hoger onder MSM die een melding hadden ontvangen voor syfilis (13 procent). Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef in 2020 laag, respectievelijk 17 en 35. Hiv In 2020 kregen 122 mensen via de CSG’s te horen dat ze hiv hadden, 26 procent minder dan in 2019. Hiervan waren 107 diagnoses bij MSM. Het aantal diagnoses onder vrouwen en heteroseksuele mannen bleef laag, respectievelijk 5 en 10. Het aantal mensen met hiv dat in 2020 voor het eerst voor behandeling bij een van de Nederlandse hiv-behandelcentra kwam (‘in zorg’) was 755. Dat was minder dan in 2019 (972). In totaal zijn in 2020 21.186 mensen met hiv geregistreerd als in zorg.
    • NethMap 2021. Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance among medically important bacteria in the Netherlands in 2020 / MARAN 2021. Monitoring of Antimicrobial Resistance and Antibiotic Usage in Animals in the Netherlands in 2020

      de Greeff, SC; Schoffelen, AF; Verduin, CM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-06-24)
      De uitbraak van SARS-CoV-2 (het coronavirus) heeft de gezondheidszorg in Nederland erg belast. Er hebben meer mensen op de IC gelegen en de reguliere zorg is afgeschaald. Toch lijkt het er niet op dat er in 2020 meer bacteriën resistent zijn geworden tegen antibiotica. Bij sommige bacteriesoorten is de resistentie zelfs afgenomen ten opzichte van de jaren ervoor. Ook is het aantal bacteriën dat resistent is tegen verschillende antibiotica tegelijk, waardoor ze moeilijker te behandelen zijn, gelijk gebleven. De effecten van de coronauitbraak op de antibioticaresistentie op de langere termijn zijn nog niet duidelijk. Wereldwijd komt het steeds vaker voor dat infecties worden veroorzaakt door bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica. In Nederland is dat probleem minder groot dan in veel andere landen. Vanwege de situatie in de wereld blijft het belangrijk om in Nederland waakzaam te blijven. Dan kan het op tijd worden opgemerkt als het resistentieprobleem toeneemt. Om antibioticaresistentie te voorkomen is het belangrijk om antibiotica op de juiste manier te gebruiken en alleen als het nodig is. Huisartsen schreven het afgelopen jaar in Nederland ongeveer 10 procent minder antibioticakuren voor dan de jaren daarvoor. Door de maatregelen tegen het coronavirus, zoals afstand houden en thuis werken, kwamen veel infectieziekten die van mens op mens overdraagbaar zijn minder vaak voor. Ook gingen er minder mensen naar een huisarts. In ziekenhuizen bleef de totale hoeveelheid gebruikte antibiotica in 2019 ongeveer stabiel. De gegevens over het gebruik in ziekenhuizen in 2020 zijn nog niet bekend. De maatregelen die in Nederland zijn genomen om antibioticaresistentie te bestrijden, reiken verder dan de gezondheidszorg. Resistente bacteriën komen namelijk ook voor bij dieren, in voeding en in het milieu (One Health-aanpak). De laatste tien jaar zijn bij varkens, koeien en kippen die voor de voedselproductie worden gehouden (landbouwhuisdieren) de aanwezige darmbacteriën steeds minder resistent geworden. Ten opzichte van 2019 is de antibioticaresistentie in de verschillende diersectoren ongeveer gelijk gebleven. ESBLproducerende darmbacteriën in vleeskuikens en op kippenvlees kwamen in 2020 minder vaak voor. In de andere diersectoren zijn deze resistente bacteriën ongeveer even vaak aangetroffen als in 2019. ESBL zijn enzymen die veelgebruikte antibiotica kunnen afbreken, zoals penicillines. In 2020 zijn voor landbouwhuisdieren iets meer antibiotica verkocht dan in 2019. Ten opzichte van 2009, het referentiejaar, is de verkoop met bijna 70 procent verminderd. Voor landbouwhuisdieren zijn de afgelopen jaren bijna geen antibiotica gebruikt die van cruciaal belang zijn om infecties bij de mens te behandelen. Dit blijkt uit de jaarlijkse rapportage NethMap/MARAN 2021. Hierin presenteren diverse organisaties samen de gegevens over het antibioticagebruik en -resistentie in Nederland, voor mensen en dieren.