• Per- and polyfluoroalkyl substances (PFASs) in food contact materials

      Bokkers, B; van de Ven, B; Janssen, P; Bil, W; van Broekhuizen, F; Zeilmaker, M; Oomen, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-15)
      Voedselcontactmaterialen zijn verpakkingsmaterialen voor levensmiddelen en gebruiksartikelen zoals pannen, servies en bakvormen. PFAS'en worden in deze materialen gebruikt omdat ze vet afstoten. Het blijkt dat sommige PFAS'en die in papier en karton zitten, in voedsel terecht kunnen komen. Hier zitten ook stoffen bij die niet in het voedselcontactmateriaal mogen worden gebruikt. Op dit moment is er onvoldoende informatie beschikbaar om van deze PFAS'en een betrouwbare blootstellingsschatting en risicobeoordeling te maken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM vermoedt dat deze PFAS'en in voedselcontactmaterialen zijn terechtgekomen omdat ze als onzuiverheid in de stoffen zitten waarmee papier en karton wordt behandeld (uitgangsstof). Ook kunnen diverse PFAS'en afbreken tot deze stoffen. Daarnaast is niet bekend of onzuiverheden en afbraakproducten van PFAS'en vrijkomen uit voedselcontactmaterialen van siliconen of rubber. Aanbevolen wordt te onderzoeken of de hoeveelheid PFAS'en die uit voedselcontactmaterialen in voeding kan komen, schadelijk is voor de gezondheid. In dit onderzoek moet de nadruk liggen op de stoffen in papier en karton en wat daaruit in voedsel kan terechtkomen. Het gaat dan vooral om PFAS'en zoals PFOA. De regulering van de toelating van voedselcontactmaterialen is complex georganiseerd, en slechts gedeeltelijk geharmoniseerd. Het RIVM raadt aan waar mogelijk aandacht te schenken aan uniforme, geharmoniseerde regulering van de toelating van stoffen in voedselcontactmaterialen in Europa. Het RIVM raadt ook aan om oude beoordelingen van PFAS'en opnieuw te bekijken, omdat de afgelopen jaren nieuwe informatie over de schadelijkheid van deze verbindingen beschikbaar is gekomen.
    • Cosmetovigilance in the Netherlands 2017-2018

      Woutersen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-12)
      Cosmetica zijn in principe veilig maar kunnen soms huidklachten veroorzaken, zoals roodheid en jeuk. Het RIVM beheert sinds 2009 een systeem waarin deelnemende dermatologen ongewenste en allergische reacties na gebruik van cosmetica kunnen registreren (CESES, Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance). In het afgelopen jaar meldden de dermatologen vooral klachten op het gezicht en de handen na gebruik van make-up, huid- of gezichtsverzorgingsproducten en haarproducten. De meest gestelde diagnose is contactallergie. Geurstoffen en (meth)acrylaten veroorzaakten de meeste allergische reacties. Dit blijkt uit een overzicht van de 53 meldingen die binnen CESES tussen 1 oktober 2017 en 31 december 2018 zijn afgerond. Om te bepalen welk ingrediënt de klacht veroorzaakt, voeren dermatologen bij deze patiënten een allergieonderzoek uit, indien nodig met specifieke ingrediënten uit het verdachte product. Geurstoffen vormen een diverse groep stoffen. Relatief veel geurstoffen hebben allergene eigenschappen. Ook in vorige jaren werden veel gemelde klachten veroorzaakt door geurstoffen. (Meth)acrylaten worden veel gebruikt in nagelproducten. Ze vormen een hard laagje na polymerisatie, bijvoorbeeld na blootstelling aan UV-licht. De monomeren kunnen een allergie veroorzaken als ze in contact komen met de huid. Het aantal reacties veroorzaakt door (meth)acrylaten is hoger dan in voorgaande jaren. Ongeveer de helft van deze meldingen betrof klachten bij professionals door gebruik van nagelproducten (bijvoorbeeld nagelstylistes). In vergelijking met voorgaande jaren zijn er minder meldingen van klachten veroorzaakt door isothiazolinonen. Dit komt waarschijnlijk door de aanscherping van de Europese Cosmetica wetgeving ter beperking van het gebruik van methylisothiazolinone (MI) met ingang van begin 2018. Er zijn drie meldingen van reacties op tatoeages. In alle drie de gevallen ging het om een reactie op rode inkt. In geen van de gevallen kon het allergene bestanddeel worden gevonden. VWS heeft besloten CESES eind 2018 te beëindigen. Onderzocht wordt of er een andere manier voor dermatologen is om ongewenste huidreacties veroorzaakt door cosmetica en mogelijk andere consumentenproducten te kunnen blijven monitoren.
    • Zout-, suiker- en verzadigd vetgehalten in voedingsmiddelen : RIVM Herformuleringsmonitor 2018

      ter Borg, S; Brants, H; de Klein, RJ; Toxopeus, I; Westenbrink, S; Milder, I (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Het Nederlandse voedingsbeleid is erop gericht om het voor consumenten gemakkelijk te maken voor gezonde producten te kiezen. Dat gebeurt onder andere door producenten te stimuleren om de hoeveelheid zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Het RIVM brengt daarom elke twee jaar in kaart hoeveel zout, suiker en verzadigd vet in het aanbod van voedingsmiddelen in supermarkten zit. Voor een aantal productgroepen hebben producenten afspraken gemaakt over maximale gehalten. Het RIVM inventariseert ook hoeveel producten aan deze afspraken voldoen. Het percentage producten dat in 2018 op of onder de afgesproken maximum gehalten uitkwam, varieert. Voor zout is dat bij 85 procent van de vleeswaren het geval, bij 58 procent van de vleesconserven, bij 68 procent van de soepen en bouillons en bij 71 procent van de sauzen. Voor verzadigd vet zit 94 procent van de vleeswaren en 72 procent van de cakes die bereid zijn met margarine op of onder het gestelde maximum. De afspraken over de maximale gehalten vloeien voort uit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling dat het ministerie van VWS in 2014 heeft gesloten met de brancheorganisaties van voedingsmiddelenindustrie, supermarkten, horeca en catering om de samenstelling van voedingsmiddelen te verbeteren. De afspraken gelden voor een klein deel van het productaanbod. Door voor meer producten afspraken te maken en/of bestaande afspraken aan te scherpen, kan meer resultaat worden behaald. Om de productsamenstelling te volgen is in 2018 een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Daardoor kan op basis van deze monitor niet worden gezegd of de gehalten door de jaren heen zijn gedaald en in welke mate. De nieuwe werkwijze maakt gebruik van productgegevens in de Levensmiddelendatabank. Dit is een database met productgegevens die door supermarkten en fabrikanten worden aangeleverd. Door de nieuwe werkwijze zijn gegevens over veel meer producten beschikbaar (ruim 50.000 producten) dan voorheen. Bij eerdere 'monitors' zijn onder andere metingen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) gebruikt. Voor sommige productgroepen kan met gegevens van de Levensmiddelendatabank niet worden bepaald of producten aan het afgesproken maximum voldoen. Bijvoorbeeld omdat de afspraak gaat over toegevoegde suikers terwijl alleen informatie over het totale suikergehalte aanwezig is.
    • Bestrijdingsmiddelen en omwonenden : Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten

      Montforts, MHMM; Bodar, CWM; Smit, CE; Wezenbeek, JM; Rietveld, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      In de landbouw wordt regelmatig met bestrijdingsmiddelen gewerkt. Omwonenden maken zich zorgen of dit een risico vormt voor hun gezondheid. Een consortium van kennisinstituten heeft gemeten in hoeverre omwonenden van bollenvelden in contact komen met bestrijdingsmiddelen. Uit dit Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) blijkt dat zij bestrijdingsmiddelen binnenkrijgen. Dit kan het gevolg zijn van het gebruik van deze middelen in de omgeving, maar andere bronnen, zoals voedsel, kunnen daar ook aan bijdragen. Van de onderzochte bestrijdingsmiddelen overschreden de gemeten gehalten in de lucht of urine geen risicogrenzen. Maar volgens het RIVM moeten eventuele gezondheidsrisico's van omwonenden voor alle gebruikte bestrijdingsmiddelen preciezer worden ingeschat. Restanten van bestrijdingsmiddelen die op de onderzochte bollenvelden zijn gebruikt, zijn teruggevonden in de buitenlucht rond woningen in de buurt. Ook in het stof op de deurmat en in het huisstof zaten resten. Daarnaast zijn ze aangetroffen in de urine van omwonenden van bloembollenvelden, zowel bij volwassenen als bij kinderen. Dit was ook het geval in de urine van mensen die op meer dan 500 meter afstand van agrarische velden woonden. Bij bollentelers en hun gezinsleden zijn hogere concentraties bestrijdingsmiddelen gemeten dan bij andere omwonenden. De OBO-resultaten laten zien dat de blootstelling aan de onderzochte middelen niet te laag wordt ingeschat in de huidige toelatingsbeoordeling. Wel kan de beoordelingsmethode worden verbeterd met nieuwe kennis die het OBO heeft opgeleverd. Dit betreft onder andere kennis over de manier waarop bestrijdingsmiddelen zich verspreiden via de verwaaide druppels van spuitvloeistof (drift), via verdamping en via huisstof. Ook moet rekening worden gehouden met de totale blootstelling van meerdere bestrijdingsmiddelen, en moeten dus alle teeltsoorten en bestrijdingsmiddelen in een gebied worden meegenomen. Naar aanleiding van de zorgen van omwonenden is in 2018 een verkenning uitgevoerd naar de gezondheidssituatie van omwonenden van landbouwgrond. Toen is onderzocht of zij vaker dan niet-omwonenden bepaalde gezondheidsproblemen hebben. Er kwamen geen gezondheidsproblemen naar voren die samenhingen met de bollen-teelt. Er waren wel indicaties voor gezondheidsproblemen in andere teelten. Het RIVM vindt het daarom nodig om een brede werkgroep te laten verkennen of en hoe nader gezondheidsonderzoek ingevuld kan worden. Dan zou ook naar andere aandoeningen en klachten moeten worden gekeken, zoals effecten op cognitieve ontwikkeling of autisme, dan in de verkenning mogelijk was. Ook verdient de gezondheid van kwetsbare groepen, zoals kinderen jonger dan 16 weken, speciale aandacht. Het RIVM pleit voor de oprichting van een kennisplatform waar mensen terecht kunnen met vragen over gewasbescherming en gezondheid. Ook ondersteunt het RIVM het streven naar een duurzame landbouw waarbij het gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt beperkt.
    • Modellen om de humane blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te berekenen: een stand van zaken

      te Biesebeek, JD; van Klaveren, JD; Rietveld, AG; Wezenbeek, JM; Komen, CMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-11)
      Mensen kunnen op twee manieren worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen: tijdens of na het gebruik van deze middelen, en via resten van deze middelen die ze via voeding binnenkrijgen. Iedereen wordt blootgesteld via voeding. De blootstelling tijdens of na het gebruik geldt voor vier groepen: degenen die de middelen gebruiken, de mensen die in de gewassenteelt werken, degenen die zich buiten het terrein bevinden (zoals fietsers), en de omwonenden van landbouwgrond. Met modellen wordt voor al deze groepen berekend hoe groot de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de rekenmodellen die sinds begin 2000 in Nederland zijn gebruikt. Daaruit blijkt dat de modellen de afgelopen jaren zijn verbeterd en op Europees niveau meer zijn geharmoniseerd. De modellen voor de blootstelling via voeding zijn verder ontwikkeld dan die van de blootstelling tijdens of na het gebruik. Dit komt mede doordat er veel gegevens zijn over de voedselconsumptie en over de concentraties van resten van gewasbeschermingsmiddelen in verschillende voedingsmiddelen. Voor de blootstelling tijdens of na het gebruik zijn veel minder gegevens beschikbaar. Veel van het huidige onderzoek is erop gericht om dat te verbeteren. Voor beide soorten modellen wordt eraan gewerkt om de beoordeling van risico's van blootstelling aan mengsels van stoffen te verbeteren. Hetzelfde geldt voor de risico's van de totale blootstelling aan een stof vanuit verschillende bronnen. Het RIVM onderstreept het belang om beide aspecten zo snel als mogelijk een plek te geven in de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen.
    • Gezondheid in de IJmond II : Monitoring medicijngebruik 2007-2015

      Houthuijs, DJM; Marra, M; de Vries, WJ; Aben, JMM; Swart, WJR; Schipper, CMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-09)
      De verstrekking van medicatie voor bepaalde aandoeningen in de regio IJmond lijkt verband te houden met de uitstoot van fijn stof door Tata Steel. Er zijn nog te veel onzekerheden om te kunnen concluderen dat de uitstoot de directe oorzaak is. Zo is er geen rekening gehouden met leefstijlfactoren die invloed hebben op de medicijnverstrekking, zoals overgewicht en roken. Het gaat om medicijnen voor een verhoogde bloeddruk, diabetes en hartaandoeningen. Er zijn geen aanwijzingen dat er meer medicatie voor luchtwegaandoeningen wordt voorgeschreven. Dit blijkt uit de tweede monitor van het RIVM, waarin gegevens over het medicijngebruik van omwonenden in de jaren 2007 tot en met 2015 zijn onderzocht. De monitor maakt deel uit van een langetermijnonderzoek naar de gezondheid van omwonenden. Dit is in 2009 in gang gezet naar aanleiding van zorgen van omwonenden over de risico's van de uitstoot van luchtverontreiniging door Tata Steel. Het RIVM heeft dat jaar de samenhang tussen de uitstoot van stoffen door Tata Steel, lokale milieukwaliteit en de gezondheid van bewoners onderzocht. Daaruit bleek dat door de bijdrage van Tata Steel aan de fijnstofniveaus in de lucht iets meer gezondheidsklachten bij omwonenden kunnen optreden. Ook bleek dat er in de IJmond relatief meer mensen longkanker hebben, maar het was niet mogelijk om dit zonder meer aan de uitstoot van Tata Steel toe te schrijven. De eerste monitor, waarvan de resultaten in 2014 verschenen, betrof het medicijngebruik van bloeddrukverlagende middelen en luchtwegmedicatie in de periode 2006-2010. Daarin vond het RIVM geen verband tussen de blootstelling aan luchtverontreiniging door Tata Steel en het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie door volwassenen. Dit gold ook voor het gebruik van luchtwegmedicatie door volwassenen en jongeren. De methode van onderzoek was destijds minder gedetailleerd dan in de tweede ronde. Beide monitors zijn in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Water (IenW) uitgevoerd. Het RIVM onderzocht het medicatiegebruik. GGD Kennemerland rapporteerde namens de gemeenten in de regio over gegevens uit de lokale gezondheidsmonitor. Zij publiceerden ook de belangrijkste bevindingen over het medicatieonderzoek in maart 2018. Eventuele effecten van grafietregens zijn in deze tweede monitoringsronde niet onderzocht.
    • Risicogrenzen GenX (HFPO-DA) voor grond en grondwater

      Rutgers, M; Brand, E; Janssen, PJCM; Marinkovic, M; Muller, JJA; Oomen, AG; Otte, PF; Swartjes, FA; Verbruggen, EMJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-09)
      De GenX-technologie wordt gebruikt om onder andere coatings te produceren, zoals Teflon. Hierbij komt de stof HFPO-DA (2,3,3,3-tetrafluor-2-(heptafluoropropoxy) propaanzuur, of FRD902/FRD903) vrij. Deze stof is giftig en verspreidt zich naar lucht, oppervlaktewater, bodem en het grondwater. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het RIVM risicogrenzen bodem en grondwater voor HFPO-DA bepaald. Op basis van risicogrenzen kunnen overheden bepalen of de kwaliteit van de grond en het grondwater een risico vormt voor mens en milieu, en of maatregelen nodig zijn. Daarnaast kunnen de risicogrenzen worden gebruikt voor beslissingen over hergebruik van grond die vrijkomt bij activiteiten voor de bouw of infrastructuur. De risicogrenzen voor grond en grondwater zijn bepaald volgens de methodiek die ook wordt gebruikt om de normen van de Wet Bodembescherming en het Besluit Bodemkwaliteit af te leiden. Het uitgangspunt is mens, plant en dier te beschermen bij een blootstelling vanuit grond en grondwater. Een van de berekende risicogrenzen geeft een indicatie voor ernstige bodem of grondwaterverontreiniging (INEV). De hoogte van de andere risicogrenzen is afhankelijk van de wijze waarop de bodem wordt gebruikt. Het gaat om de volgende bodemfuncties: wonen met tuin; moestuin en volkstuin; plaatsen waar kinderen spelen; landbouw; natuur; groen met natuurwaarden; overig groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Door een gebrek aan betrouwbare basisgegevens over HFPO-DA zijn de risicogrenzen 'voorlopig'. Voor de beoordeling van nieuwe stoffen zoals HFPO-DA zijn meer gegevens nodig, een beoordelingsmethodiek die toegesneden is op de specifieke eigenschappen van deze stoffen, en een handelingskader om risico's te beperken.
    • Regelgeving conventionele en radioactieve afvalstoffen: vergelijking van begrippen en voorschriften

      Goemans, P; van der Schaaf, M; Folkertsma, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-05)
      Bij handelingen met radioactief materiaal kunnen rest- en afvalstoffen ontstaan. Voor het beheer van deze afvalstoffen geldt verschillende wet- en regelgeving. Dat zijn in ieder geval voorschriften voor radioactieve afvalstoffen (Kernenergiewet) en conventionele afvalstoffen (Wet milieubeheer). Met het oog op de ambities van het kabinet richting een circulaire economie in 2050, worden restmaterialen die voorheen als afval werden gezien, steeds vaker als grondstof (her)gebruikt. Om te kunnen bepalen welke wettelijke voorschriften voor deze materialen gelden, is het onder andere belangrijk om te weten wanneer het om een radioactieve (afval)stof gaat en wanneer om een conventionele (afval)stof. Dit vraagstuk kan in de praktijk tot onduidelijkheden leiden, bijvoorbeeld bij toezicht en handhaving of bij de selectie van geschikte routes om materialen te verwerken of beheren. In deze eerste verkenning beschrijft het RIVM een aantal observaties ten aanzien van de wet- en regelgeving. Hiervoor is een overzicht gemaakt van de basisbegrippen in de wet- en regelgeving voor conventioneel en radioactief afvalbeheer, de belangrijkste voorschriften die daaraan zijn verbonden en de verschillen daartussen. Hieruit blijkt onder andere dat het onderscheid tussen radioactieve (afval)stoffen en conventionele (afval)stoffen niet altijd helder is. De verkenning is uitgevoerd in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). De ANVS kan de verkenning gebruiken bij nadere beleidsvorming over radioactief afvalbeheer. In een vervolgonderzoek wordt onder andere geïnventariseerd in hoeverre de verschillen tussen conventioneel en radioactief afvalbeheer vanuit de praktijk als probleem worden ervaren.
    • Generic Guidance to Quantitative Microbial Risk Assessment for Food and Water

      Teunis, P; Schijven, JF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-04-04)
      Ziekteverwekkers, die in water en voedsel voorkomen, kunnen mensen ziek maken. De kans hierop wordt met risicoschattingen berekend. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft richtlijnen opgesteld waarin staat hoe deze risicoschattingen moeten worden uitgevoerd. Het RIVM heeft dit achtergronddocument gemaakt met de meest recente kennis over deze risicoschattingen en de nieuwste rekenmethoden. De WHO en de Food and Agricultural Organization (FAO) zullen de informatie gebruiken om de richtlijnen voor microbiologische risicoschattingen (Quantitative Microbial Risk Assessment of QMRA) voor water en voedsel te actualiseren. De informatie is bruikbaar voor mensen die werken met risicoschattingen voor water- en voedselveiligheid. Een voorbeeld van de recente ontwikkelingen is een methode die het mogelijk maakt om risicoschattingen op een standaard en uniforme manier uit te voeren als er weinig of onzekere gegevens beschikbaar zijn (Bayesiaanse analyse). Verder reikt het RIVM alternatieven aan voor het gebruik van DALY's (Disability Adjusted Life Year) als maat bij 'uitbraken' van ziekten. DALY's drukken de schade of het ongemak uit (ziektelast) van verschillende ziektes, inclusief ziekten die micro-organismen via voedsel en water veroorzaken. Bij uitbraken, wanneer meerdere mensen ziek worden van dezelfde ziekteverwekker, is deze methode minder geschikt. Ook is computersoftware beschikbaar als hulpgereedschap voor het uitvoeren van risicoschattingen en ook voor training en onderwijs. Het RIVM geeft criteria voor zulke software tools en voorbeelden van bestaande, algemeen beschikbare QMRA-tools. Het RIVM is collaborating centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water van de WHO.
    • Reconstructieve toepassing van fillers

      Oostlander, AE; Eising, S; van Elk, M; de Jong, WH; Keizers, PHJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-28)
      Zogeheten fillers zijn vulmaterialen die om een medische of schoonheidsreden via een injectie worden aangebracht in het lichaam. Behandelingen met permanente fillers hebben een grotere kans op ernstige bijwerkingen dan behandelingen met niet-permanente fillers, zoals ernstige, terugkerende ontstekingen. Voor esthetische, dus ‘niet-reconstructieve’, toepassingen is het gebruik van permanente fillers sinds 2015 in Nederland verboden. In de praktijk mogen ze nog gebruikt worden om beschadigingen van het lichaam te herstellen die bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval zijn ontstaan (reconstructieve toepassing). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft het RIVM daarom gevraagd om meer duidelijkheid te scheppen welke fillers in welke situatie gebruikt mogen worden. Daarvoor is uitgezocht welke fillers als permanent worden beschouwd en welke toepassingen met een filler als reconstructief moeten worden gezien. Het RIVM heeft de definities opgesteld op basis van literatuuronderzoek en interviews met wetenschappelijke verenigingen van artsen die fillers toepassen. Het RIVM definieert permanente fillers als vulmiddelen die niet volledig afbreekbaar zijn en dus in het lichaam aanwezig blijven. Volgens alle geïnterviewde wetenschappelijk verenigingen van artsen hebben permanente fillers nadelen ten opzichte van niet-permanente fillers, waardoor ze niet meer gebruikt zouden moeten worden, ook niet voor reconstructieve toepassingen.
    • Risicobeoordeling van GenX en PFOA in moestuingewassen in Helmond

      Boon, PE; Zeilmaker, MJ; Mengelers, MJB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-03-25)
      Mensen met een moestuin in de buurt van het bedrijf Custom Powders in Helmond kunnen veilig hun zelf geteelde groenten eten. Het bedrijf heeft in het verleden de stoffen GenX en PFOA uitgestoten waardoor deze via de lucht in het milieu zijn terechtgekomen. De zogeheten gezondheidskundige grenswaarden die voor de inname van GenX en PFOA gelden, worden niet overschreden. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM. In dit onderzoek is berekend hoeveel GenX en PFOA mensen binnen kunnen krijgen als zij zelf geteelde groenten eten uit een moestuin 450 meter ten noordoosten van het bedrijf. Hiervoor zijn in de eerste helft van september 2018 in het volkstuinencomplex Sluisdijk 87 monsters genomen van meerdere groenten en aardappel. Bij de beoordeling van het risico is rekening gehouden met het feit dat mensen ook via ander voedsel, drinkwater, lucht en zwemwater aan de stoffen kunnen worden blootgesteld. Bij de beoordeling is aangenomen dat mensen hun leven lang uitsluitend groenten uit hun eigen moestuin eten om onderschatting van het risico te voorkomen. De uitkomsten zijn daardoor waarschijnlijk hoger dan de werkelijke inname van GenX en PFOA bij moestuinhouders met een moestuin ten noordoosten van het bedrijf. De onderzochte groenten zijn biet, boerenkool, komkommer, paprika, rabarber, sla, sperziebonen, tomaten, ui en wortel. Informatie over hoeveel en hoe vaak deze groenten en aardappel worden gegeten, is afkomstig uit de meest recente voedselconsumptiepeiling in Nederland van 2012-2016.
    • Armoede, chronische stress en gezondheid in de gemeente Den Haag : Een verkenning op basis van group model building

      Luijben, G; den Hertog, F; van der Lucht, F (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-13)
      Mensen die in armoede leven hebben vaak te maken met chronische stress en ziekte. Ook zijn ze vaak minder gelukkig en minder goed in staat om beslissingen te nemen. Deze vier factoren hebben direct invloed op hun gezondheid. De gemeente Den Haag wil de vicieuze cirkel doorbreken tussen een verslechterende gezondheid en toenemende, aan armoede gerelateerde, chronische stress. Hiervoor heeft het RIVM met betrokken partijen in beeld gebracht welke factoren van belang zijn voor de gezondheid van mensen die in armoede leven. Deze factoren hangen met elkaar samen en kunnen elkaar bovendien versterken of tegenwerken. Door deze mechanismen te doorgronden wordt zichtbaar welke maatregelen hun gezondheid kunnen verbeteren. Een samenhangende, integrale aanpak met aandacht voor deze mechanismen wordt dan ook aanbevolen. Maatregelen die slechts op één factor zijn gericht hebben weinig tot geen effect. 'Indirecte' factoren die invloed op hebben op de gezondheid zijn de sociaaleconomische status, financiële stabiliteit, vaardigheden, toegankelijkheid van de zorg, het gebruik van de zorg, de kwaliteit van de sociale en de fysieke leefomgeving en voldoende sociale contacten. Als deze factoren beter worden, zullen de vier factoren die direct invloed hebben op de gezondheid, verbeteren en zal de gezondheid erop vooruitgaan. In het diagram staan de factoren en hun onderlinge relatie in beeld gebracht. Beleidsmaatregelen die bijvoorbeeld zowel de financiële stabiliteit als de vaardigheden van mensen in armoede verbeteren, zullen de chronische stress verminderen en daarmee een positief effect hebben op de gezondheid. En aangezien door een verbetering van de vaardigheden ook de leefstijl verbetert, neemt de kans dat ze ziek worden af. Een verandering in de factoren die in het 'causaal diagram' dichter bij de vier kernpunten staan, heeft sneller effect dan een verandering in een factor die verder weg staat. Het belang van de factoren die verder weg staan is er echter niet minder om, denk aan het positieve effect van een groene, gezonde leefomgeving. Het kost alleen meer tijd voordat het effect ervan merkbaar is. De gemeente Den Haag wil de 'gezonde levensverwachting' van mensen in armoede verbeteren en heeft dit doel opgenomen in het gezondheidsbeleid. De resultaten van dit onderzoek zullen input zijn voor dit beleid. De gebruikte methode is ook geschikt voor andere gemeenten, zolang direct betrokkenen het diagram gezamenlijk ontwikkelen.
    • Schermgebruik, blauw licht en slaap

      van Kerkhof, LWM; van der Maaden, T; van der Meijden, W; van Elk, M; van Nierop, LE; Dollé, MET; Stenvers, DJ; Bisschop, P; van Someren, E; Kalsbeek, A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-06)
      Veel Nederlanders gebruiken lichtgevende schermen in de avond: het gebruik is het hoogst onder adolescenten (13-18 jaar) en volwassenen. Vaak neemt het gebruik in de avond ook aanzienlijke tijd in beslag (meer dan twee uur). Dit onderzoek bevestigt eerdere bevindingen dat frequent of langdurig schermgebruik in de avond samenhangt met verstoorde slaap. Bewustwording van het gebruik is dan ook belangrijk, voornamelijk wanneer een computer, smartphone of tablet in het uur voor het slapen gaan wordt gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in samenwerking met het Amsterdam Medisch Centrum, het Nederlands Herseninstituut en Lifelines. Hierin is voor het eerst in Nederland het schermgebruik van kinderen en adolescenten (8-18 jaar) in de avond uitgebreid in kaart gebracht in samenhang met slaap. Het blijkt dat de groep die dagelijks of langdurig gebruikmaakt van een of meerdere schermen (computer, smartphone en/of tablet) tot 40 minuten korter slaapt dan de groep die dit niet, of korter, doet. De kortere slaapduur komt voornamelijk doordat deze kinderen en adolescenten later gaan slapen. Van de kinderen (8-13 jaar) gebruikt 22% dagelijks een scherm in de avond. Onder adolescenten (13-18 jaar) is dit 83%. Adolescenten die dagelijks een scherm gebruiken in het uur voor het slapen, hebben meer slaapklachten, zoals later in slaap vallen, korter slapen en 's nachts wakker worden. Ook vermelden zij meer symptomen van slaaptekort overdag, zoals moeite om wakker te blijven. Deze klachten verminderden bij adolescenten die als experiment een week lang geen scherm gebruikten of tijdens het schermgebruik een oranje bril droegen die het blauwe licht blokkeert. In de afgelopen jaren zijn steeds meer lichtgevende schermen ontwikkeld: niet alleen tv's maar ook computers, laptops, tablets en smartphones. De recent ontwikkelde schermen zenden meer blauw licht uit dan de traditionele bronnen, omdat zij gebruikmaken van led-technologie. Bekend is dat blauw licht invloed heeft op onze biologische klok, en daarmee de slaap kan verstoren. Door een structureel slaaptekort kunnen mensen zich slechter concentreren en minder goed presteren. Ook kunnen gezondheidsproblemen ontstaan. Vervolgonderzoek is nodig om te bepalen of beschikbare (ingebouwde) blauwlichtfilters op apparaten de effecten op slaap kunnen verminderen.
    • Bionanotechnologie - een verkenning

      Oomen, AG; van der Vlugt, CJB; van Broekhuizen, FA; van Kesteren, PCE; van Rijn, CPE; Westra, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-03-06)
      DNA en RNA (dragers van erfelijke informatie) en eiwitten (vervullen veel functies) komen van nature voor in planten, mensen en dieren. Ze kunnen ook worden gebruikt voor 'slimme' technologische toepassingen op zeer kleine schaal, bijvoorbeeld voor medisch en industrieel gebruik of voor consumentenproducten. Het RIVM onderzocht wat de stand van deze bionanotechnologie is, welke toepassingen in het verschiet liggen, in welke mate de producten van deze technologie al rijp zijn om op de markt te worden gebracht, wat bekend is over mogelijke risico's voor mens en milieu, en in hoeverre het huidige scala aan wetgeving hiervoor voldoende houvast biedt. Veel toepassingen zijn nog in de onderzoeks- en ontwikkelingsfase, maar de technologie ontwikkelt zich snel. Het RIVM vindt dit type ontwikkelingen interessant en nuttig, bijvoorbeeld omdat ze een medicijn heel gericht naar een bepaalde plek in het lichaam kunnen brengen. Wel is het van belang om in een vroeg stadium van de ontwikkeling van een nieuw product expliciete aandacht te hebben voor veiligheid en duurzaamheid. Zo'n Safe-by-Design aanpak maakt het mogelijk om tijdig ongewenste effecten te signaleren en te voorkomen. Momenteel ligt de nadruk op de technologische kant van de ontwikkelingen en is de aandacht voor de mogelijk nadelige effecten zeer beperkt. Een eerste screening van mogelijke nadelige effecten laat zien dat bio-nanostructuren, of onderdelen daarvan, immuunreacties en andere nadelige effecten kunnen oproepen. Uit een eerste screening van de relevante wetgeving over stoffen (REACH) en producten (zoals cosmetica en biociden) blijkt dat de gesignaleerde effecten niet automatisch worden 'opgepakt' via de vereiste informatie over veilig gebruik. Daarbij komt dat de hoeveelheid bionanostructuren in toepassingen naar verwachting klein zal zijn. Als er kleine hoeveelheden van een stof op de markt worden gebracht, dan vraagt de wetgeving maar om beperkte informatie. Methoden zoals die nu worden gebruikt om stoffen op schadelijkheid te testen, zijn naar verwachting onvoldoende geschikt.
    • Environmental radioactivity in the Netherlands : Results in 2016

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-21)
      In 2016 the Netherlands met its annual European obligation to measure radioactivity in the environment and in food. All Member States of the European Union are required to perform these measurements each year under the terms of the Euratom Treaty of 1957. The Netherlands complied with the recommendations, as established in 2000, to perform these measurements in a uniform manner. The results on radioactivity in the environment are reported to the European Commission by the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) on behalf of the competent authority in the Netherlands. The measurements represent the background values for radioactivity that are present under normal circumstances. They can be used as reference values, for instance, during a nuclear emergency. Radioactivity in air, food, milk, grass and feed Radioactivity levels in the air were normal, i.e. within the range of previous years. Radioactivity levels in food and milk were well below the export and consumption limits set by European legislation. Radioactivity levels in grass and feed were normal, i.e. within the range of previous years. Radioactivity in surface water, seawater and drinking water Radioactivity levels in surface water and seawater were within the range of previous years. Radioactivity levels in untreated water for drinking water production were well below the screening levels above which further investigation should be carried out, with the exception of 19 samples of untreated water (5% of the total number of samples), which were slightly elevated. These measured radioactivity levels do not pose a threat to public health. Further investigation revealed that radioactivity levels in associated finished drinking water were well below the screening levels.
    • De impact van overstromingen op de drinkwatervoorziening : Overstromingen op basis van de Deltaprogramma scenario's 2015

      van Leerdam, RC; Dik, HHJ; van der Aa, NGFM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-20)
      Het RIVM heeft geanalyseerd wat de impact op de drinkwatervoorziening is wanneer delen van het zogeheten hoofdwatersysteem (Noordzee, IJsselmeergebied, grote rivieren) in Nederland overstromen. De drinkwaterbedrijven in een overstroomd gebied zullen dan hun productie van drinkwater staken. Dit kan ook bewoners van niet-overstroomde gebieden raken wanneer het desbetreffende drinkwaterproductiebedrijf aan hen levert. Drinkwaterbedrijven in gebieden die niet zijn getroffen zullen tijdelijk extra drinkwater produceren. Dit gebeurt vooral in de gebieden waar geëvacueerden worden opgevangen, omdat hierdoor een extra vraag naar drinkwater ontstaat. Er zou regionaal een knelpunt kunnen ontstaan wanneer veel geëvacueerden in hetzelfde gebied worden opgevangen. De extra drinkwaterproductie kan worden gecombineerd met een oproep om zuinig met drinkwater om te gaan. Overstromingen kunnen veel mensen treffen: circa 3,5 miljoen als het kust- of het rivierengebied volledig overstroomt en 1,7 miljoen als het zogeheten overgangsgebied volledig overstroomt. De impactanalyse is gemaakt aan de hand van de overstromingsscenario's van Rijkswaterstaat voor het kustgebied (noordwester storm), het rivierengebied (hevige regenval) en het overgangsgebied. Het Overgangsscenario is een combinatie van het Kust- en het Rivierenscenario onder minder extreme omstandigheden. Rivieren overstromen in dit scenario doordat de kustwering wordt gesloten, waardoor delen van Zuid-Holland, West-Brabant en Utrecht onder water komen te staan. De analyses brengen de maximale impact op de drinkwatervoorziening in beeld omdat ze ervan uitgaan dat de desbetreffende gebieden volledig overstromen. De kans op deze scenario's is klein, 1 keer in een miljoen jaar. Er bestaan ook realistischere scenario's die, afhankelijk van locatie en oorzaak, een kans hebben om zich eens per duizend tot eens per honderdduizend jaar voor te doen. Veiligheidsregio's en drinkwaterbedrijven zullen deze kleinschaliger overstromingsscenario's gebruiken om tot regionale impactanalyses te komen.
    • Verkenning van de milieuaspecten van de activiteiten die onder het Staatstoezicht op de Mijnen vallen

      Kelfkens, G; van der Ree, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-15)
      De activiteiten van bedrijven waar het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezicht op houdt, kunnen effect hebben op milieu en natuur en gevolgen hebben voor mensen in de omgeving. Het RIVM heeft in een verkenning geïnventariseerd om welke effecten het gaat. De verkenning richt zich vooral op de reguliere werkzaamheden; incidenten komen minder aan bod. Het SodM heeft om de inventarisatie gevraagd omdat het de bescherming van het milieu en de zorg voor natuurlijke hulpbronnen intensiever bij het toezicht wil betrekken. Het desbetreffende bedrijf, de vergunningverlener en de toezichthouder hebben, ieder vanuit hun eigen rol, de verantwoordelijkheid de negatieve effecten zo veel mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. De SodM-sectoren zijn de olie- en gaswinning (in zee en op land), geothermie, zoutwinning, ondergrondse opslag (aardgas, CO2), windenergie op zee, netbeheer van gasleidingen en de nazorg van de kolenwinning in Limburg. Hiervoor is geïnventariseerd welke stoffen in de lucht, grond- en oppervlaktewater, bodem en de (diepe) ondergrond kunnen terechtkomen. De inventarisatie signaleert ook twintig lacunes in kennis over de milieueffecten die deels van belang zijn voor de energietransitie. Om de klimaatdoelen van Parijs (2015) te realiseren wordt veel verwacht van geothermie, windturbines, ondergrondse opslag van CO2 en wordt de olie- en gaswinning afgebouwd. Van windturbines is nog onvoldoende bekend wat de effecten van alle geplande Nederlandse windparken op zee bij elkaar op het milieu zijn. Ook zijn de gevolgen van ondergrondse opslag van CO2 in lege gasvelden onder de Noordzee onvoldoende onderzocht. Bij geothermie, de ontmanteling van de olieplatforms op zee en de ondergrondse opslag van CO2 is het van belang het toezicht zodanig te organiseren dat de activiteiten geen onbedoelde schade aan milieu en gezondheid veroorzaken. De geconstateerde kennislacunes leveren input voor een meerjarig milieuprogramma om kennis en toezicht te ontwikkelen, waar het SodM momenteel aan werkt. Voor een aantal is nader onderzoek nodig, voor andere is al onderzoek in gang gezet. Dat onderzoek kan aanleiding zijn om de praktijk, de wet- en regelgeving of het beleid aan te passen.
    • Gebruik van diesel in zoutwinning in Nederland in relatie tot REACH

      de Kort, MJ; Bakker, J; Nederveen, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-15)
      In Nederland wordt bij de zoutwinning op land gebruik gemaakt van diesel. Een dun laagje diesel dient als afdeklaag (oliedak) op de ondergrondse cavernes waaruit het zout wordt gewonnen, zodat ze niet instorten. In de registratiedossiers in het kader van de Europese stoffenwetgeving REACH staat echter niet vermeld dat diesel als oliedak kan worden gebruikt. Hierdoor is onvoldoende duidelijk in hoeverre het gebruik risico's oplevert en welke risicobeheersmaatregelen nodig zijn. Ook wordt niet voldaan aan de eisen vanuit REACH om voor elk geregistreerd gebruik een blootstellingsscenario beschikbaar te hebben. De leveranciers van diesel die in Nederland in de zoutwinning wordt gebruikt, ontraden het gebruik ervan voor andere doeleinden dan die zij geregistreerd hebben Dit wil overigens niet zeggen dat de zoutwinnende bedrijven geen maatregelen hebben getroffen om risico's voor mens en milieu tegen te gaan. RIVM beveelt het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) aan onderzoek te (laten) doen naar de risico's van het niet-vermelde gebruik van diesel bij de zoutwinning. Het SodM heeft een vergunning verleend aan de drie bedrijven die deze vorm van zoutwinning uitvoeren in Nederland. Daarin is opgenomen dat de vergunninghouders moeten voldoen aan hun verplichtingen vanuit REACH. Zo moet de fabrikant of importeur van een stof in het registratiedossier vermelden waarvoor de stof wordt gebruikt. Ook moet worden beoordeeld of de blootstelling van mens en milieu aan de stof veilig is, en worden aangegeven welke maatregelen nodig zijn voor een veilig gebruik. Als het gebruik niet bekend is bij de producent of importeur, moet de gebruiker zelf zo'n beoordeling van de chemische veiligheid opstellen en de bijbehorende maatregelen naleven. Een van de drie zoutwinnende bedrijven in Nederland heeft hiervan een melding ingediend bij de Europese autoriteit voor chemische stoffen ECHA (European Chemicals Agency). De andere twee bedrijven hebben dit niet gedaan.
    • Towards integrated climate resilient water and sanitation safety planning : Summary report of the pan European Symposium on Water and Sanitation Safety Planning and Extreme Weather Events, April 6-7, 2017, Bilthoven, Netherlands

      Friederichs, L; van den Berg, HHJL; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-14)
      Climate change induces exterme weather events which lead to droughts and floods. These climate change effects have an impact on the management of water and waste water systems and make their management more complicated. This has been one of the main finding of the symposium RIVM organized in April 2017 in relation to the Protocol on Water and Health (1999) (PoWH) of which the Netherlands is a signatory since 2007. The Ministry of Infrastructure and Water management (IenW) has taken the lead in one of the work areas of the PoWH in 2016; Safe and Efficient Management of Water Supply and Sanitation Systems of with climate change is an important aspect. In the capacity as WHO Collaborating Centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water, RIVM supports the Ministry and will continue to do so for the 2019-2021 programme of work. IenW and RIVM both link the work under the PoWH to achieving the UN Sustainable Development Goals for 2030, and the goals related to health (SDG 3), water (SDG 6) and climate change (SDG 13) specifically. Recurring themes of the symposium have been Water and Sanitation Safety Plans, which have been developed by the WHO to assess and address the hazards (microbiological, chemical, physical) and risks for drinking water production and waste water systems, including the risk of climate change. The geographical focus of the symposium has been on case examples from the pan-European region, in line with the regional character of the PoWH which is administered by the joint UNECE and WHO Regional Office for Europe secretariat.
    • Creating safe and sustainable material loops in a circular economy : Proposal for a tiered modular framework to assess options for material recycling

      Quik, JTK; Lijzen, JPA; Spijker, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-12)
      RIVM has laid the foundations of a framework to assess whether raw materials from waste can be used safely and sustainably. In this integral approach, the risk assessment of a substance is compared with the benefits of its reuse for the environment, e.g. how much CO2 emissions are reduced. By making both explicit, it becomes clear what is needed to adequately limit the risks to man and the environment and what that effort will contribute towards sustainable development. On the basis of this information, both industry and policy makers can make an assessment of the use of recovered raw materials. Other values, such as economic costs and social acceptance, have not yet been taken into account. The framework integrates legally established rules, existing risk limits and new methods into one coherent, tiered system. In this way, it supports the Dutch government's basic principle of dealing efficiently with raw materials and reducing the burden on the environment. Safety for man and the environment is a precondition for the transition to the circular economy; an economy which maximizes the reuse of materials from waste streams wherever possible. Material that is recycled may present risks to the environment if it contains substances of very high concern (ZZS), drug residues, pesticides or pathogens. Legislation and policy frameworks protect against some of the risks but are not comprehensive enough to prevent the risks currently presented by recycled material. For example, while the regulations prohibit the use of substances in new products, such as fire retardants, there is no legislation available for products which were made before the prohibition was enforced. In addition, regulations may be missing, such as those for controlling drug residues. The framework has been tested with three cases: recovering phosphate from waste water, recycling polystyrene foam and using rubber granulate from old car tires. RIVM would like to discuss the practical application of the framework, and its further development, with the government and industry. By expanding the framework with other safety and sustainability themes, it will become more widely applicable.