• Infecties met HIV,HBV, en HCV onder injecterende druggebruikers in Heerlen/Maastricht

      Carsauw HHC; Rozendaal CM van; Scheepens JMFA; Hoebe CJPA; Meulders WAJ; Jansen M; Dorigo-Zetsma JW; Houweling H; Gemeenschappelijke Gezondheids Dienst Oostelijk Zuid-Limburg GGD; Instituut voor Verslavingszorg CAD Limburg; Gemeenschappelijke Gezondheids; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      In this study the prevalence of HIV among intravenous drug users (IDU) in Heerlen and Maastricht (Southern Netherlands) is assessed. The results are compared with a previous survey in Heerlen/Maastricht in 1994. The risk of further spread among IDU, to non-IDU and to the general population is evaluated. The prevalence of HBV and HCV is assessed. Between 7 October and 5 december 1996 a saliva specimen, a blood sample and a short questionnaire on risk behaviour were obtained from 203 IDU in Heerlen and 101 IDU in Maastricht. Of the 304 IDU, 36 persons were infected. Independent risk factors for a positive test result were no fixed abode, imprisonment , current injecting, polydrug use and age under 16 at first injecting (OR=2.8 [1.0-7.8]). 17% of the current injectors borrowed used syringes or needles in the last 6 months, the same level as in 1994. 18% of the IDU have a non-drug user as steady sexual partner. Condom use was low during sexual contact between steady partners. The prevalence of anti-HBV was 63%, HBsAg 6% and anti-HCV 74%. In conclusion the prevalence of HIV among IDU in Southern Limburg is about 12%, simular to the level of 1994 but there is a difference between Heerlen (16%) and Maastricht (3%). Injecting and sexual risk behaviour occurs regularly and at the same level of 1994. The risk of further spread among IDU is high. Spread to non-IDU or the general population, especially steady partners of IDUs, is likely.
    • Infecties met HIV,HBV, en HCV onder injecterende druggebruikers in Heerlen/Maastricht

      Carsauw HHC; van Rozendaal CM; Scheepens JMFA; Hoebe CJPA; Meulders WAJ; Jansen M; Dorigo-Zetsma JW; Houweling H; CIE; LIS; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGemeenschappelijke Gezondheids Dienst Oostelijk Zuid-Limburg GGD; Instituut voor Verslavingszorg CAD LimburgGemeenschappelijke GezondheidsDienst Zuidelijk Zuid-Limburg GGD, 1997-09-30)
      In dit project wordt de prevalentie vastgesteld van HIV, hepatitis B (HBV), hepatitis C (HCV) en het risicogedrag onder injecterende druggebruikers (IDs) in Heerlen/Maastricht. Er werd nagegaan of er belangrijke verschillen zijn ten opzichte van de meting twee jaar geleden. Het risico werd ingeschat op verdere verspreiding van HIV naar andere IDs, niet-injecterende druggebruikers en de rest van de algemene bevolking. Tussen 7 oktober en 5 december 1996 werd bij 203 IDs uit Heerlen en omstreken en 101 IDs uit Maastricht een speekselmonster, een bloedmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Van de 304 IDs waren 36 HIV-positief. Risicofactoren voor HIV-infectie waren geen vast adres hebben, gevangenisstraf, actueel spuiten, polydruggebruik en jonger dan 16 jaar bij eerste spuit. Van de 209 actuele spuiters had 17% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, 11% had een spuit of naald uitgeleend en 30% had een gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater (spuitattributen) geleend. Vijfenveertig procent van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 40% hiervan was dat geen druggebruiker, bij 13% een niet-injecterende druggebruiker. In vier van de vijf vaste relaties werd nooit een condoom gebruikt. De prevalenties van anti-HBV, HBsAg en anti-HCV waren respectievelijk 63%, 6% en 74%. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IDs in Heerlen/Maastricht ongeveer 12%, vergelijkbaar met het niveau in de meting van 1994. De prevalentie van HIV onder IDs uit Heerlen e.o. was vijf keer zo hoog als die onder IDs uit Maastricht ; een dergelijk verschil is in 1994 niet vastgesteld. Het risicogedrag is in vergelijking met 1994 niet in belangrijke mate veranderd. Nieuwe HIV-infecties komen nog steeds voor als gevolg van het lenen van gebruikte spuiten en naalden en mogelijk ook via seksuele transmissie. Vooral vaste partners kunnen een risico lopen. Via deze weg is verspreiding naar niet-IDs aannemelijk. Transmissie van HBV en HCV via gebruikte spuitattributen en seksuele contacten (alleen HBV) lijkt waarschijnlijk.<br>
    • Prevalentie van HIV-infecties onder druggebruikers in Zuid-Limburg

      Wiessing LG; Houweling H; Meulders WAJ; Cerda E; Jansen M; van Loon AM; Sprenger MJW; CIE; CAD Limburg; GGD-OZL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      DOEL: Het vaststellen van de prevalentie van HIV onder intraveneuze- (IVDs) en niet-intraveneuze-druggebruikers in Heerlen e.o. en Maastricht. Het onderscheiden van subgroepen IVDs met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het vaststellen van het risico op verdere verspreiding van HIV. METHODEN: Tussen 15 augustus en 25 november 1994 is bij 449 druggebruikers (340 IVDs) in Heerlen, Kerkrade, Brunssum en Maastricht een speekselmonster en een korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (54%), de spuitomruil (16%), een straatprostitutieproject (3%), straatwerving (23%) en via andere druggebruikers (4%). RESULTATEN: Van de 340 IVDs waren 33 seropositief (prevalentie 10%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 7-13%), onder de 109 niet-IVDs werden geen infecties gevonden (0%, 95%BI 0-3%). IVDs die gebruik maken van de spuitomruil hebben een hogere prevalentie (odds ratio 3.13, 95%BI 1.37-7.61). Een op de vijf actueel spuitende IVDs rapporteerde in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt. Een op de vijf IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Op basis van zelfgerapporteerde serostatus lijken recent infecties te zijn voorgekomen. CONCLUSIES: De prevalentie van HIV onder IVDs in Heerlen e.o. en Maastricht is ongeveer 10%. IVDs die gebruik maken van de spuitomruil hebben een hogere prevalentie. Het risico op verdere verspreiding onder IVDs is hoog. Het risico op verspreiding naar niet-IVDs en niet-druggebruikers is aanwezig.<br>