• Comparison of adjuvants for immune potentiating properties and side effects in mice

      Leenaars PPAM; Hendriksen CFM; Koedam MA; Claassen I; Claassen E; CDL; EUR; TNO/PG (1994-09-30)
      Vier typen adjuvantia zijn geevalueerd als alternatief voor het gebruik van Freund's compleet adjuvant in muizen. De volgende adjuvantia zijn geevalueerd: een water-in-olie emulsie (Specol), een micro-organisme (Lactobacillus), een immuunstimulerend complex met ingebouwd glycoproteine van rabies virus (RV-iscoms) en een saponine. Quil A. De adjuvantia en controle groepen (fysiologisch zout) zijn gecombineerd met drie zwak immunogene antigenen (een synthetisch antigeen, een autoantigeen en een deeltjes antigeen) en ingespoten via drie routes (intraperitoniaal, subcutaan en op de dorsale zijde van de achterpoot. De evaluatie is gebaseerd op klinische oobservaties, gedragsstudies, pathologische bevindingen en immunostimulatie. Lesies zijn het ernstigst na inspuiten van antigeen in Freund's adjuvant of Quil A, gering tot matig in combinatie met Specol en minimaal na Lactobacillus, RV-iscoms of fysiologisch zout. Ondanks de ernstige pathologische veranderingen, konden geen signalen van blijvende pijn of ongerief bij de dieren worden aangetoond aan de hand van klinische bevindingen en gedragsstudies. De immuunresponsen zijn zeer laag na inspuiten van antigeen in combinatie met fysiologisch zout of Lactobacillus. T-cel activatie en hoge antilichaam responsen zijn gevonden na inspuiten van antigeen/RV-iscoms conjugaten en na inspuiten van antigeen/Freund's adjuvant emulsies. T-cel activatie is aangetoond na inspuiten van antigeen/Specol emulsies en antilichaam responsen zijn hoog behalve na inspuiten van Specol in combinatie met autoantigeen. de gevonden resultaten suggereren dat Specol een mogelijk alternatief is voor Freund's compleet adjuvant voor de inductie van een immuunrespons tegen zwak immunogene antigenen behalve tegen autoantigenen, hiervoor lijkt RV-iscom een geschikt alternatief adjuvant.
    • Effekt van hygienische maatregelen op de verspreiding van Pasteurellaceae infekties bij ratten in experimenten

      Boot R; Elberts DJ; Jansen van 't Land C; Koedam MA; Steen BVL; Thuis HCW; Timmerman A; Veenema JL; LIS; CDL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      Bij de uitvoering van dierproeven worden vaak preventieve hygienische maatregelen genomen om besmettingen die het resultaat van proeven ongunstig kunnen be-invloeden, te weren. Weinig inzicht bestaat in de werkzaamheid van deze maatregelen. De verspreiding van Pasteurellaceae onder groepen ratten in experimenten in relatie tot de genomen maatregelen werd onderzocht. Het onderzoek werd uitgevoerd in 2 blokken van het nieuwe dierexperimenteel gebouw D6. Geconcludeerd wordt dat het toepassen van strikte omkleed-procedures bij het verlaten en binnengaan van dierkamers, de overdracht van besmettingen tussen ratten in verschillende kamers duidelijk kan beperken. Binnen een blok ontstaan daardoor kleinere microbiologische eenheden ('barrieres binnen een barriere'). Aanwijzingen werden voorts verkregen voor het bestaan van een (of meer) 'onbekende' bron(nen) van besmetting met Pasteurellaceae. Opvallend was tenslotte het soms sterk kooigebonden voorkomen van besmetting met Pasteurellaceae binnen een dierkamer. Het verkleinen van de microbiologische eenheid tot op het niveau van de dierkamer en de ongelijkmatige verdeling van infecties binnen een dierkamer maakt een sterke toename van het aantal verklikkerdieren voor monitoring van dierexperimenten noodzakelijk.<br>
    • Evaluatie en validatie van de single dilution assay in het RIVM difterie en tetanus werkzaamheidsonderzoek

      Akkermans AM; Hendriksen CFM; LCB; CDL (1999-02-19)
      De op het RIVM geproduceerde batches DKTP worden op hun werkzaamheid gecontroleerd middels een door de Europese Pharmacopee voorgeschreven procedure, of een daarvan afgeleide testprocedure. Dit document behandelt de evaluatie van de beschikbare difterie- en tetanusvaccin werkzaamheidstest data afkomstig uit deze serologische multi-dilution test met als doel de mogelijkheden van de introductie van de zgn. single-dilution assay op het RIVM te onderzoeken. Hierbij is de door de WHO voorgestelde procedure als richtlijn genomen. Onderzocht is de consistentie van de resultaten uit de huidige werkzaamheidstesten, de te kiezen verdunningen voor de single-dilution assay en het benodigde aantal dieren. Voor de bepaling van de werkzaamheid van difterie vaccins kan met de single-dilution assay gewerkt worden, op voorwaarde dat de gebruikte diergroepen voldoende groot zijn. Hiermee kan een aanzienlijke besparing aan proefdieren bereikt worden (-62% per batch). Door gebrek aan data uit het tetanus vaccin werkzaamheidsonderzoek is voor tetanus vaccins geen volledige evaluatie uitgevoerd
    • The evaluation of humane endpoints in pertussis vaccine potency testing

      Steen BVL; Hendriksen CFM; Visser J; Cussler K; Morton D; Streijer F; CDL (1999-02-01)
      De introductie van humane eindpunten is gericht op het verminderen van pijn en ongerief bij proefdieren. Vaccin controle testen, zoals vastgelegd in de Europese Farmacopee, zijn vaak gebaseerd op immunisatie-challenge procedures in proefdieren, waarbij de parameter "overleving" gebruikt wordt om de werkzaamheid van de vaccinbatch vast te stellen. Een voorbeeld van een letale challenge procedure is te vinden in het werkzaamheidsonderzoek van het kinkhoestvaccin. In de hier gerapporteerde studie hebben wij onderzocht of in het kinkhoest werkzaamheidsonderzoek gebruik gemaakt kan worden van klinische verschijnselen, patho-fysiologische verschijnselen als afname van lichaamstemperatuur en lichaamsgewicht, als alternatief voor sterfte als eindpunt. Een eerste verschijnsel van een kinkhoestinfectie is een afname in lichaamsgewicht, echter deze parameter heeft een slechte voorspellende waarde voor een letaal verloop van de infectie. Aan de hand van de resultaten van deze studie wordt geconcludeerd dat een afname van de spiercordinatie van het dier en een daling van de lichaamstemperatuur (onder de 34,5 graden Celcius) gebruikt kunnen worden als eindpunt
    • Health Risks in relation to air quality, especially particulate matter. Interim report

      Rombout PJA; Bloemen HJTh; Bree L van; Buring E; Cassee FR; Fischer PH; Freijer JL; Kruize H; Marra M; Opperhuizen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-31)
      A quantitative risk assessment of health effects associated with particulate matter (PM), especially ambient PM10 levels, for the Netherlands has indicated premature mortality among approximately 1000 persons. Local information, including air pollution mix and health status of the population, has proven to be essential in such a risk assessment. One of the questions not answered yet is if smaller particles (PM2.5) are more toxic than PM10. According to the particle dosimetry models developed for the project, the local dose in the lungs of groups with a less than optimal health status may differ substantially when compared to healthy adults; this may partly explain differences in susceptibility. Modelling the Dutch and European emissions of PM and precursor gasses with an air pollution dispersion model has indicated that part (nearly half) of the Dutch yearly PM10 averages are still unaccounted for. A monitoring programme has been started to determine the composition of the missing PM10 and its sources. An extensive programme of experimental inhalation toxicology using a mobile particle concentrator has also been developed to conform to epidemiological associations and more specifically to the discovery of causative fractions (and their sources). In vitro tests with lung tissue taken from a variety of individuals demonstrated great variability between these individuals in their susceptibility to collected ambient PM of different-sized fractions at the different locations. A scientific workshop, envisaged for mid-2001, will allow a wider application of the results, with answers to the questions of the Ministry of Housing, Spatial Planning and Environment possibly expected by the beginning of 2002.
    • Health Risks in relation to air quality, especially particulate matter. Interim report

      Rombout PJA; Bloemen HJTh; van Bree L; Buring E; Cassee FR; Fischer PH; Freijer JL; Kruize H; Marra M; Opperhuizen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-31)
      Een kwantitatieve risicoschatting leverde op dat een voortijdige strefte van duizend mensen in Nederland geassocieerd is met de huidige PM10 niveaus. Lokale informatie (over het mengsel aan luchtverontreiniging en gegevens over de gezondheidstoestand van de bevolking) blijken essentieel te zijn voor het uitvoeren van een adequate risicoschatting. Een van de overblijvende vragen is bijvoorbeeld of kleinere deeltjes (PM2.5) nu gevaarlijker zijn dan PM10. Longdosimetrie modellen voor deeltjes die voor het programma zijn ontwikkeld, laten zien dat de lokale depositie en dosis in de longen van een COPD patient behoorlijk kunnen verschillen met die van een gezonde volwassene. Verontreiniging op grond van de Nederlandse en buitenlandse emissies van PM10 en precursor gassen bleek dat een deel (bijna de helft) van de Nederlandse jaargemiddelde niveaus vooralsnog niet verklaard wordt. Er is een meetprogramma gestart om de samenstelling van de ontbrekende massa en bronnen op te sporen. Er is een experimenteel inhalatie toxicologisch programma met een mobiele fijn stof concentrator ontwikkeld om de epidemiologische associaties te bevestigd te krijgen en zo meer aan de weet te komen over de causale stof fracties en hun bronnen. In-vitro testen van deeltjes op longweefsel van humane patienten laat zien dat er een grote inter-individuele variatie is in de reactie op deeltjes verzameld in verschillende groottefracties en op verschillende plaatsen in Nederland. Om de resultaten een wijdere verspreiding te geven is in het midden van 2001 een wetenschappelijke workshop gepland. De verwachte antwoorden kunnen begin 2002 tegemoet worden gezien.<br>
    • Ontwikkeling van COMParative Adjuvant Selection System

      Leenaars PPAM; Hendriksen CFM; CDL (1999-06-30)
      Voor immunisatie experimenten in proefdieren wordt veelvuldig gebruik gemaakt van Freund's Compleet Adjuvant (FCA). Echter de ernstige nevenreacties die FCA kan veroorzaken hebben ertoe geleid dat in veel landen, waaronder Nederland, beperkingen zijn opgelegd ten aanzien van het gebruik van dit adjuvant. Dit rapport beschrijft de resultaten van een haalbaarheidsstudie naar het ontwikkelen van een systeem voor adjuvantselectie en optimalisatie van immunisatie protocollen, het zogenaamde COMPASS (COMParative Adjuvant Selection System). In de literatuur worden zeer veel artikelen gepubliceerd over immunisaties bij proefdieren. Door de gegevens van deze artikelen uitgebreid in te voeren ontstaat een systeem dat zeer veel extra informatie bevat ten opzichte van bestaande literatuurbestanden. Om het systeem uit te breiden met niet-gepubliceerde data werd een enquete verstuurd naar een groot aantal personen in binnen en buitenland die veelvuldig immunisaties uitvoeren. De response op deze enquete was ongeveer 30%, terwijl zeer weinig van de respondenten niet-gepubliceerde data gaven. De technische mogelijkheden van het opzetten van een dergelijk informatiesysteem werden beoordeeld aan de hand van een speciaal voor dit doel gemaakte demo. Uit de demo blijkt dat het opzetten van een dergelijk systeem technisch goed mogelijk is. Om COMPASS volledig op te zetten, moeten de gegevens uit zeer veel artikelen worden ingevoerd. Dit is tijdrovend en specialistisch werk. Het volledig opzetten en up-to-date houden van COMPASS hangt dan ook af van de beschikbaarheid van financiele middelen en capaciteit.
    • The Pertussis Serological Potency Test collaborative study to evaluate the replacement of the Mouse Protection Test

      Ark A van den; Straaten-van de Kapelle van I; Enssle K; Jadhay S; Olander R-M; Donk H van de; Hendriksen C; LCB; CDL; Chiron Bering/Quality Control; et al. (1999-05-31)
      De Pertussis Serological Potency Test (PSPT) is gebaseerd op het in vitro meten van de humorale afweerrespons tegen Bordetella pertussis bacterikn en ontwikkeld als een alternatief voor de muisbeschermingstest (MBT) voor het kinkhoest "whole cell" vaccin (WCV). Middels een internationale ringstudie van beperkte omvang (5 laboratoria) is de relevantie en betrouwbaarheid van de PSPT bestudeerd. De studie is opgedeeld in drie verschillende fases met elk hun eigen doelstelling. De pre-fase is toegevoegd als trainingssessie voor de participanten, die geen ervaring hadden met de antilichaam detectie assay, de 18323-whole cell ELISA (18323-WCE). Zestien serumpools zijn op 5 verschillende dagen getest, hetgeen resulteerde in significante verschillen in de extinctie-waarden en antilichaamconcentraties tussen de laboratoria. Tijdens de fase I studie werd de herhaalbaarheid (plaat en dagverschil) en de reproduceerbaarheid (verschil tussen laboratoria) bestudeerd. De gewenste precisie van minder dan 20% niet altijd werd gehaald en significante verschillen in antilichaamconcentraties werden gedurende de hele fase I-studie gevonden. Echter, de rangschikkingen van de serumpools op basis van de antilichaamconcentraties van de laboratoria komen goed met elkaar overeen, waardoor een betrouwbare potency bepaling van WCV's in de PSPT gewaarborgd lijkt. In fase II werd de PSPT met MBT vergeleken. Door vier van de vijf participanten werden 4 WCV's van verschillende herkomst tweemaal in beide modellen getest. De gemiddelde antilichaamconcentratie per vaccindosis in de PSPT, maar ook de overleving van de muizen in de MBT verschilde significant binnen en tussen de laboratoria. Desalniettemin, zijn er voor de vaccins in beide werkzaamheidstesten geen significante verschillen in de potencies gevonden. Met behulp van de c2-test is aangetoond dat de PSPT en de MBT goed correleren zowel binnen als tussen de laboratoria. Echter, de PSPT is beter reproduceerbaar en verlaagt de kans op hertesten van het vaccin omdat de betrouwbaarheidsintervallen kleiner zijn dan bij de MBT. Met deze studie hebben we aangetoond dat de PSPT een valide test is voor het bepalen van de werkzaamheid van kinkhoest WCV's, afkomstig van verschillende producenten.
    • The Pertussis Serological Potency Test collaborative study to evaluate the replacement of the Mouse Protection Test

      Ark A van den; Straaten-van de Kapelle van I; Enssle K; Jadhay S; Olander R-M; Donk H van de; Hendriksen C; LCB; CDL; Chiron Bering/Quality Control; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-00)
      The Pertussis Serological Potency Test (PSPT) - based on in vitro assessment of the humoral immune response against Bordetella pertussis - was developed as an alternative for the Mouse Protection Test (MPT). A small-scale collaborative study was carried out in five laboratories to evaluate the relevance and reliability of the PSPT. The study has been divided into three separate phases, each with its own objective. A pre-phase study of the antibody detection assay, the 18323-whole cell ELISA (WCE) was included for training purposes. Sixteen serum samples were tested on 5 different days, resulting in significant differences in absorbance and antibody concentrations between the laboratories. In the Phase I study, the intra-assay, inter-assay and inter-laboratory precision of the 18323-WCE was assessed. The 5 participants assayed sixteen other serum pools 5 times on 5 different days. Although a precision of less than 20% was not always established and significant differences in antibody concentrations were found at random throughout the Phase I study, the ranking of the antibody concentrations corresponded well between the laboratories and should warrant a reliable potency estimation of whole cell vaccines (WCV's) in the PSPT. Phase II was a comparative study of the PSPT and the MPT to evaluate the implementation of the PSPT, to demonstrate correlation and to compare the reproducibility and reliability of both tests. Four out of the 5 participant have tested 4 different WCV's twice in the PSPT and the MPT. The mean antibody concentrations per vaccine dose in the PSPT and the survival of mice in the MPT differed significantly within and between the laboratories. Nevertheless, the potencies of the vaccines under test estimated in both test models did not differ significantly (p > 0.05). The PSPT and MPT correlated well in a c2-test of homogeneity within and between the laboratories. The potencies were almost similar (overall ratio = 0.877), but the PSPT is more reproducible and reduces the chance of re-testing due to the smaller 95% confidence intervals. In conclusion, the PSPT is a valid model to estimate the potencies of pertussis WCV's of different manufacturers.
    • Telemetrie: toepassing in dierexperimenteel onderzoek

      Vleeming W; van de Kuil A; Timmerman A; te Biesebeek JD; LEO; CDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      Dit rapport beschrijft een telemetriesysteem voor het continu registreren van de bloeddruk, hartfrequentie, lichaamstemperatuur, ECG en bewegingsactiviteit in vrijbewegende ratten. Naast een beschrijving van het systeem en de operatieprocedure die ontwikkeld is voor het implanteren van zenders in ratten zijn richtlijnen geformuleerd voor de anesthesie en de postoperatieve behandeling met antibiotica , pijnstillers en anticoagulantia. De effecten van de operatieve ingreep op de genoemde parameters kunnen voor het merendeel worden toegeschreven aan de anesthesie en zijn na 7 dagen niet meer meetbaar. Alle parameters laten een duidelijke dag/nachtvariatie zien. Na implantatie zijn de zenders 9 maanden bruikbaar. Een aantal pilotexperimenten laat de voordelen zien van het continu, stressvrij en simultaan registreren van bloeddruk, hartfrequentie, ECG, lichaamstemperatuur, en bewegingsactiviteit in wakkere vrijbewegende dieren.<br>
    • Toxicity of ergot alkaloids: ergometrine maleate

      Peters-Volleberg GWM; Janssen GB; van Loenen HA; de la Fonteyne-Blankestijn LJJ; Beems RB; Elvers LH; van Egmond HP; Timmerman A; Speijers GJA; LGM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Er zijn onvoldoende toxicologische gegevens over ergot alkaloiden om een risicoschatting te maken. Daarom werd het volgende experiment uitgevoerd. Sprague Dawley (SD) ratten (6 dieren/geslacht/groep) werden gedurende 4 weken blootgesteld aan ergometrine maleaat, in doseringen van 0, 2, 10, 50 of 250 mg/kg voer. Er waren twee controle groepen: een groep kreeg het SSP-tox voer ad libitum, en een groep (groep 1) werd 'pair-fed' gevoerd met dehoogste doseringsgroep. In week 4 zijn bloed monsters verzameld voor hematologische en klinisch-chemische bepalingen, en werd gedurende 24 uur urine verzameld. In week 5 werden de dieren opgeofferd waarbij bloed is verzameld voor biochemische en endocrinologische bepalingen. En aantal organen zijn gewogen, gefixeerd en er is een uitgebreid histopathologisch onderzoek verricht. Concentraties van 2, 10, 50 en 250 mg ergometrine maleaat/kg voer resulteerde in een gemiddelde opname van circa 0,2, 1, 5 en 25 mg/kg lichaamsgewicht. De homogeniteit en stabiliteit van ergometrine maleaat in het voer was goed. Er werden geen klinische symptomen gerelateerd aan de behandeling waargenomen bij de dieren. Plasma glucose spiegels waren significant gedaald in vrouwtjes behandeld met 50 en 250 mg/kg. Bij mannetjes werd eveneens een tendens tot verlaging van glucose spiegels waargenomen, maar dit effect was niet significant in de multiple-comparison test. In mannelijke ratten waren T4 spiegels verlaagd in de hoogste doseringsgroep (250 mg/kg), en FT4 spiegels bij 50 en 250 mg/kg. Bij vrouwtjes was er een (niet significante) tendens tot verlaging van T4 spiegels. Serum prolactine was verlaagd bij 50 en 250 mg/kg (mannetjes en vrouwtjes).Er werden geen behandelings gerelateerde effecten gezien op hematologische parameters. Het absolute en relatieve (alleen vrouwtjes) gewicht van het hart was verhoogd bij 250 mg/kg. Het relatieve hersenen gewicht van de pair-fed controle groep was hoger dan dat van de controle groep. Het absolute gewicht van de lever was verhoogd in vrouwtjes (250 mg/kg), en het relatieve gewicht van de lever was verhoogd bij 50 en 250 mg/kg in beide sexes. Het gewicht van de ovaria (absoluut en relatief) was verhoogd bij 250 mg/kg, en het absolute gewicht van de nieren was verhoogd bij 250 mg/kg (mannetjes). Macroscopisch werd in mannetjes een lichte dosis-gerelateerde vergroting van de mediastinale lymfeklieren gezien, en een vergroting van de parathymale lymfeklieren. Histopathologisch werden bij mannetjes behandeld met een dosis van 250 mg/kg bleke hepatocyten gezien die in sommige gevallen gezwollen waren. Dit fenomeen werd geinterpreteerd als een toegenomen glycogeen opslag in de lever. Mineralisatie en nefrose in de nier werd in alle groepen (inclusief controle) gezien. Histopathologisch werden geen veranderingen in het hart en de ovaria gezien. De no-effect level is 10 mg/kg. Binnen het RIVM zijn reeds sub-acute en sub-chronische studies met ergotamine tartraat uitgevoerd (Speijers, 1992 en 1993). De subacute toxiciteit van ergotamine tartraat en ergometrine maleaat in de SD rat worden vergeleken. Effecten die met beide stoffen gezien zijn: verlaging van thyroxine spiegels, verhoogde relatieve gewichten van het hart, lever en ovaria. Nefrotoxiciteit en necrosis van de staartpunt werden uitsluitend met ergotamine tartraat gezien. Aanwijzingen voor een verstoring van het koolhydraat metabolisme werden uitsluitend met ergometrine maleaat verkregen. Er wordt nog een experiment met een derde ergot alkaloid (ergocryptine) uitgevoerd. Dan kan de toxiciteit van de modelstoffen uit drie verschillende categorieen ergot alkaloiden vergeleken worden en een risico evaluatie m.b.t. humane blootstelling worden gemaakt.<br>
    • Toxicity of pneumolysin and rDNA derived pneumolysin mutants in rats

      Dortant PM; Jong WH de; Boink ABTJ; Bokken G; Loveren H van; Wester PW; Peeters CCAM; Dobbelsteen GPJM van den; LPI; LVR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-07)
      Pneumolysin is the major cytotoxin of Streptococcus pneumoniae . It has membrane toxicity, activates the complement systeme and determines pneumoccal virulence. Pneumolysin is considered as candidate vaccine. However, the pneumolysin toxicity may limit its application. Therefore, single and double mutants of pneumolysin (e.g. PdB and PdBD, respectively) were produced to reduce toxicity with conservation of protective immunity against the wild type pneumolysin. In male rats LD50 values after intravenous administration (IV) for both mutant products were 7 -10 x higher than for pneumolysin (appr. 300 ug/kg and 30-45 ug/kg, respectively), but much lower than expected, based of in vitro studies(haemolytic activity). With regard to the suspected primary targets of toxicity (i.e. blood cells and endothelium), no differences were observed between pneumolysin, PdB and PdBD. In a sub-acute toxicity study pneumolysin administration (5 weeks, 1 administration/ week, 5 or 15 ug/kg, IV or SC) had no effect on organ weights, haematology, bone marrow cell counts, clinical chemistry and immunological assays. Pneumolysin induced major kidney damage as result of membrane toxicity (e.g. for erythrocytes and bloodvessels). Female rats were found to be more susceptible to this nephrotoxicity. Minimal inflammatory reactions at the SC injection sites were observed too. Pneumolysin induced minor immunological changes (increase of serum IgM levels, changes in relative and absolute splenic B- and in T cell counts). Therefore, when using rDNA-derived pneumolysin toxoids in a vaccine, it seems to be warranted to use a product with a minimum of haemolytic activity with conservation of protective immunity.
    • Toxicity of pneumolysin and rDNA derived pneumolysin mutants in rats

      Dortant PM; de Jong WH; Boink ABTJ; Bokken G; van Loveren H; Wester PW; Peeters CCAM; van den Dobbelsteen GPJM; LPI; LVR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-07)
      Pneumolysine is het belangrijkste (cyto-) toxine van Streptococcus pneumoniae. Het is toxisch voor celmembranen, activeert het complement-systeem en bepaalt mede de virulentie van pneumococcen. Pneumolysine wordt daarom als kandidaatvaccin gezien. De toxiciteit van pneumolysine zelf beperkt echter de toepasbaarheid. Daarom werden er enkele mutanten en een dubbele mutant (o.a. respectievelijk PdB en PdBD) van pneumolysine gemaakt om de toxiciteit te verminderen met behoud van beschermende immuniteit tegen het wildtype. In mannelijke ratten bleek de LD50 waarde na intraveneuze toediening (IV) voor beide mutant producten 7-10 x hoger te zijn dan voor pneumolysine (ong. 300 ipv 30-45ug/kg), maar veel lager dan verwacht op grond van in vitro vooronderzoek naar haemolytische activiteit. Er werden geen verschillen waargenomen tussen pneumolysine, PdB en PdBD wat betreft de primaire doelorganen van toxiciteit (bloedcellen en -vaten). In een sub-acute toxiciteitonderzoek had pneumolysine toediening (5 weken, 1 maal/week 5 ug of 15 ug pneumolysine /kg intraveneus of subcutaan) geen effect op orgaangewichten, bloed- en beenmergparameters, klinische chemie en immunologische testen. Pneumolysine toediening leidde tot ernstige nierschade vanwege de membraantoxische (dus ook haemolytische) activiteit van pneumolysine. Vrouwelijke ratten bleken gevoeliger voor deze nefrotoxiciteit. Tevens werd een minimale ontstekingsreactie op de SC injectieplaats waargenomen en leidde toediening van pneumolysine tot geringe immunologische veranderingen (verhoging van IgM serumspiegels en veranderingen in absolute of relatieve aantallen B en T-cellen in de milt). Daarom moet bij gebruik van een rDNA geproduceerde pneumolysine mutant in een vaccin gestreefd worden naar een product met minimale haemolytische activiteit waarbij de beschermende immuniteit gehandhaafd blijft.<br>
    • The U-shaped dose-response curve of alpha-ergocryptine. Risk assessment ergot alkaloids

      Janssen GB; Boink ABTJ; Niesink RJM; Beekhof PK; Beems RB; te Biesebeek JD; van Egmond HP; Elvers LH; Jansen van &apos;t Land C; van Loenen HA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-02)
      In een voorgaand subacuut toxiciteits experiment met alpha- ergocryptine werd een U-vormige dosis respons relatie waargenomen voor voedselinname en enkele andere parameters. Weer andere parameters waren beinvloed op een dosis afhankelijke wijze. Een kwalitatieve risico beoordeling voor ergot alkaloiden kan niet uitgevoerd worden zolang het mechanisme van deze U-vorminge dosis-respons curve niet uitgezocht is. Het doel van dit onderzoek is het testen van de hypothese dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Een tweede doel is het verklaren van de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname, veroorzaakt door alpha-ergocryptine. In de huidige toxiciteits experimenten (subacuut en biotelemetrie systeem), uitgevoerd met beperkt gevoerde dieren, werd aangetoond dat de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname primair verantwoordelijk is voor de U-vormige dosis respons curve van de andere parameters. Op basis van literatuur onderzoek, statistische analyse van de data-set van het vorige toxiciteits experiment en de resultaten van de huidige studies werd geconcludeerd dat de dopaminerge eigenschappen van ergocryptine verantwoordelijk zijn voor de U-vormige dosis respons curve voor voedselinname. Na combinatie van alle toxiciteits data en op basis van de in Nederland gemeten maximale concentraties aan totaal ergot alkaloiden in granen kan er geconcludeerd worden dat de minimale veiligheidsmarge tussen inname door de mens t.o.v. de NOAEL 145 bedraagt en dat er geen reden tot bezorgdheid voor de volksgezondheid lijkt te zijn.<br>
    • Vaststellen reproduceerbaarheid van de nachtactiviteit van de Balb/c/rivm muis over de afgelopen vijf jaar

      Steen BVL; Jansen van &apos;t Land C; CDL (1999-06-23)
      Om de inschatting van de mate van ongerief onafhankelijk te maken van ervaring en interpretatie van de persoon die de observatie uitvoert, maken wij in onze studies gebruik van een volledig geautomatiseerde opstelling. Met deze geautomatiseerde opstelling kan de bewegingsactiviteit van individuele muizen 24 uur per dag gemeten worden. Met name de nachtactiviteit is zeer gevoelig voor gedragsveranderingen, waardoor deze parameter geschikt blijkt voor de inschatting van de mate van ongerief. Om de reproduceerbaarheid van het model aan te tonen, wordt in dit rapport de nachtactiviteit van vrouwelijke Balb/c/Rivm muizen die behandeld zijn met PBS of Freund's compleet adjuvants (FCA, Difco Laboratories, Detroit Michigan, USA) over de afgelopen jaren vergeleken. Uit de resulaten blijkt, dat het verloop van de nachtactiviteit van groepen muizen die dezelfde behandeling hebben gehad (PBS of FCA s.c. en i.p.), exact hetzelfde is over de jaren heen.Geconcludeerd kan worden dat de nachtactiviteit zoals wij die in ons model meten, in hoge mate reproduceerbaar is.