• Achtergronden bij vervanging van de zoneringafstanden hoge druk aardgastransportleidingen van de N.V. Nederlandse Gasunie

      Laheij GMH; van Vliet AAC; Kooi ES; CEV; EMI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGasunie, 2008-11-13)
      In Nederland ligt ongeveer 12.000 kilometer aan aardgasleidingen waardoor de Nederlandse Gasunie onder hoge druk aardgas transporteert. Naar aanleiding van nieuwe inzichten is een nieuwe methodiek voor deze transportleidingen ontwikkeld om de risico's ervan te analyseren. Hierbij is zowel de kans dat een leiding beschadigd raakt en breekt, als het effectmodel herzien. Het RIVM heeft het onderzoek in samenwerking met de Gasunie uitgevoerd. Onderwerpen van onderzoek waren de mate waarin bebouwde omgeving bijdraagt aan de ontstekingskans en de gevolgen van de zogeheten grondroerdersregeling. Deze wetgeving, die 1 juli 2008 in werking is getreden, stelt gravers verplicht de graafwerkzaamheden te melden en zorgvuldig te graven. Daarnaast stelt zij eisen aan de wijze waarop de leidingbeheerder de melding afhandelt. De wet moet de kans dat een leiding wordt geraakt, terugbrengen. Een van de consequenties van de nieuwe rekenmethode is dat de zoneringafstanden rondom de buisleidingen veranderen. Hierdoor zullen op circa honderd locaties woningen te dicht op een leiding staan. Er bestaan evenwel maatregelen die in zulke situaties toch kleinere zoneringafstanden toestaan. Voorbeelden zijn afspraken met grondeigenaren over het grondgebruik en het plaatsen van fysieke barrieres boven de leiding, zoals een hekwerk of paaltjes die de leiding beschermen. In het rapport wordt de effectiviteit van deze maatregelen geschat. Ook is gekeken hoe de invloed van corrosie op de kans op een ramp met meer dan tien slachtoffers kan worden beperkt.
    • Afstandentabel ammoniak koelinstallaties

      Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-09-22)
      An operator of an establishment using large quantities of dangerous substances, like ammonia, is obliged to carry out a risk assessment, in which the mortality risk to the surrounding population in the case of an accident has to be calculated. The results of the assessment are used to derive an acceptable distance between the establishment and the neighbouring dwellings. Such establishments in the Netherlands include refrigerating installations using ammonia as cooling medium. To avoid carrying out large numbers of similar risk analyses, a few representative installations have been defined. Risk analyses were carried out for these installations and results summarized in conversion tables relating the type of installation to the acceptable risk distance. The conversion table is set up for installations with a maximum of 10,000 kg of ammonia as cooling medium and a limited pump flow of less than 2 kg/s. The installations must also be in compliance with the safety recommendations of the Committee for the Prevention of Disasters. The risk to the surroundings is caused mainly by the installation parts situated outside the engine room. Therefore installations are distinguished into three types with different combinations of installation parts situated outside the engine room. Calculations show the acceptable distance to vary between zero metres for a small installation completely situated in an engine room to 95 metres for a large installation situated completely in open air. The acceptable risk distances calculated here were implemented in Dutch legislation in 2004.
    • Afstandentabel ammoniak koelinstallaties

      Uijt de Haag PAM; CEV (2005-09-22)
      Bedrijven met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen, zoals ammoniak, moeten een risicoanalyse maken voor de externe veiligheid. In deze analyse wordt berekend wat de risico's voor de omwonenden zijn ten gevolge van een mogelijk ongeval bij het bedrijf. De resultaten van de risicoanalyse worden vergeleken met de risiconormering en hieruit wordt een acceptabele afstand tussen het bedrijf en de omwonenden bepaald.In Nederland is een groot aantal ammoniakkoelinstallaties in gebruik. Om te voorkomen dat voor elke installatie afzonderlijk een risicoanalyse moet worden gemaakt, zijn voor een aantal representatieve installaties berekeningen uitgevoerd en is een afstandentabel samengesteld. Voor de meest voorkomende ammoniakkoelinstallaties worden nu geen aparte risicoberekeningen meer uitgevoerd, maar wordt de acceptabele afstand tot woningen uit de tabel afgelezen. De afstandentabel is opgesteld voor een ammoniakkoelinstallatie met maximaal 10.000 kg systeeminhoud, die voldoet aan de CPR richtlijnen en met een beperkt pompdebiet (minder dan 2 kg/s). Het externe veiligheidsrisico wordt voornamelijk bepaald door de onderdelen van de installatie die buiten liggen. Daarom is er onderscheid gemaakt in verschillende typen installaties, afhankelijk van de onderdelen van de installatie die buiten zijn opgesteld. De resultaten van de berekeningen laten zien dat de acceptabele afstand tussen een ammoniak koelinstallatie en woningen varieert van nul meter voor een kleine installatie die volledig in een machinekamer is opgesteld tot 95 meter voor een grote installatie die volledig buiten is opgesteld.De resultaten van de berekeningen zijn opgenomen in de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatscourant 23 september 2004, nr 183).
    • Benchmark study for a flammable liquid depot : comparison of two risk assessments

      Lenoble CJA; Kooi ES; Antoine FN; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMIneris, 2012-07-12)
      In Frankrijk en in Nederland is regelgeving van kracht om te bepalen wat het risico is van bedrijven met giftige, ontvlambare of explosieve stoffen voor de omgeving. De uitkomsten van risicoberekeningen worden gebruikt voor vergunningverlening en voor ruimtelijke ordening. De wijze waarop deze landen risico's berekenen, verschilt aanzienlijk. De beleidsmatige context verschilt en technische aannames lopen uiteen. Desalniettemin komen de uitkomsten voor een fictieve opslag van ontvlambare vloeistoffen op hoofdlijnen grotendeels overeen. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM en het Franse INERIS. Beleidsmakers kunnen de bevindingen van het onderzoek gebruiken om de uitgangspunten voor het maken van risicoberekeningen nader te evalueren. Voor het onderzoek is het risico van een fictief opslagdepot met ontvlambare vloeistoffen berekend volgens de Franse en de Nederlandse regelgeving. Hierbij zijn meerdere significante verschillen geconstateerd. Beleidsmatig verschillen de normstelling en de manier waarop uitkomsten worden gebruikt in de vergunningverlening en de ruimtelijke ordening. Verder is de te gebruiken rekenmethodiek in Nederland in regelgeving vastgelegd, terwijl in Frankrijk de vergunningaanvrager de rekenmethodiek kiest en verantwoordt. In technisch opzicht verschillen de ongevalsscenario's die worden gehanteerd, de veronderstelde kansen voor verschillende typen ongevallen en de omvang van het gebied waar schade optreedt. In de uitkomsten voor de twee landen is het gebied waar bestaande kwetsbare objecten ongewenst zijn en waar toekomstige kwetsbare objecten vermeden moeten worden grotendeels gelijk. Ook het totale gebied waarin rekening gehouden moet worden met ernstige gevolgen van een eventueel incident is vergelijkbaar.
    • Blootstelling aan risicovolle situaties op het werk in 2006 en 2011

      Damen M; Sol VM; Wouters R; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIGO, 2012-11-21)
      In opdracht van het ministerie van SZW heeft het RIVM in 2006 en 2011 uitgezocht welke kans werknemers in Nederland tijdens hun werk lopen op een ongeval. Hiervoor is in kaart gebracht hoe lang mensen blootstaan aan risicovolle situaties, zoals werken op hoogte, werken met elektriciteit of machines, vallende voorwerpen en agressieve mensen. Het doel is te identificeren welke werknemers een groter risico lopen op een ongeval. Op die manier kan het ministerie, maar ook de werkgever, beter prioriteiten stellen in zijn beleid en indien nodig de juiste beschermende maatregelen treffen. Ten opzichte van 2006 is het aantal uren per jaar dat een werknemer werd blootgesteld aan risicovolle situaties met 3,7 procent gedaald. Uit het onderzoek blijkt dat een werknemer in een jaar gemiddeld aan 4,6 risicovolle situaties tegelijk blootstaat. Deze aantallen verschillen sterk per beroepsgroep. Bovenaan, met een blootstelling aan gemiddeld 10,5 risicovolle situaties, staan de machinebankwerkers, monteurs, instrumentmakers en reparateurs. Onderaan staan de beroepsgroepen van verzekeringsagenten, boekhouders, makelaars en dergelijke, met 2,5 risicovolle situaties. Effectief arbeidsveiligheid verbeteren Er lijkt een extra risico te schuilen in de combinatie van risicovolle situaties. Werknemers die aan een groot aantal van deze situaties blootstaan, blijken er het meest bij gebaat te zijn als dat aantal afneemt. Dit heeft meer effect dan het totaal aantal uren waarin zij aan risicovolle situaties blootstaan te verminderen. Veel variatie in blootstelling op het werk Per risicovolle situatie varieert bovendien de mate waarin werknemers eraan blootstaan. Zo is voor 90 procent van hen struikelen en uitglijden een van die risicovolle situaties; in totaal stond de Nederlandse beroepsbevolking daaraan in 2011 4,3 miljard uur blootgesteld. Vallen van een vaste trap of helling staat op de tweede plaats, met een aandeel van 62 procent van de werknemers en een totale blootstelling van 353 miljoen uur. Dat is per traploper gemiddeld 80 uur per jaar. Slechts 2 procent van de werkzame beroepsbevolking staat bloot aan het risico op stofexplosies, maar dat betreft per persoon wel een groot aantal uren (gemiddeld 910 uur per jaar). Grote verschillen tussen werknemers Voor het onderzoek is aan 25.000 mensen, representatief voor de werkzame beroepsbevolking, gevraagd of zij in de week voorafgaand aan het onderzoek met risicovolle situaties te maken hebben gehad. Door de informatie over blootstelling en letsel en verzuim als gevolg van ongevallen te combineren, was het bovendien mogelijk te duiden binnen welke groep werknemers bijna alle ongevallen met verzuim plaatsvinden. Deze groep beslaat circa 20 procent van de werkzame beroepsbevolking. Dit betreft vooral personen onder de 25, vrouwen, deeltijders en lager opgeleiden. Als sector is de horeca hierin oververtegenwoordigd, als beroepsgroep zijn dat verpleegkundigen.
    • Evaluation of the Dutch QRA directives for storage and transportation of flammable liquids

      Kooi ES; Spoelstra MB; Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-16)
      Voor opslag en transport van brandbare aardolieproducten moet volgens de Nederlandse wetgeving worden bepaald of er ongevallen kunnen optreden waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Als onderdeel hiervan moet ook de grootte en de ligging worden vastgesteld van het gebied waarbinnen mensen kunnen overlijden in geval van een ernstig ongeval. Voor deze risicobeoordeling is een methodiek vastgesteld. In deze methodiek blijkt de mogelijkheid van een explosie bij activiteiten met brandbare aardolieproducten voldoende te zijn verdisconteerd. Wel zijn enkele verbeteringen in de methodiek gewenst. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was een onverwacht grote explosie bij een opslagfaciliteit van aardolieproducten in Hemel Hempstead, Engeland, in 2005. Een goede rekenmethodiek is gewenst omdat op basis van de berekende risico's afstanden worden vastgesteld voor bebouwing in de omgeving van dergelijke bedrijven. Met dergelijke afstanden wordt voorkomen dat kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen, op locaties staan waar de kans op overlijden door dergelijke ongelukken groot is. Aanbevolen wordt om in de rekenmethodiek beter te specificeren hoe de effecten van vrijkomende mengsels moeten worden berekend en om de voorschriften voor opslag en transport van brandbare vloeistoffen beter op elkaar af te stemmen. Ook zijn verbeteringsvoorstellen gedaan voor enkele specifieke modelonderdelen. In de evaluatie zijn naast het genoemde ongeval in Hemel Hempstead, ook andere ongevallen bij opslag en transport van brandbare aardolieproducten meegenomen.
    • Evaluation of the Dutch QRA directives for storage and transportation of flammable liquids

      Kooi ES; Spoelstra MB; Uijt de Haag PAM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-08-16)
      Voor opslag en transport van brandbare aardolieproducten moet volgens de Nederlandse wetgeving worden bepaald of er ongevallen kunnen optreden waarbij dodelijke slachtoffers kunnen vallen. Als onderdeel hiervan moet ook de grootte en de ligging worden vastgesteld van het gebied waarbinnen mensen kunnen overlijden in geval van een ernstig ongeval. Voor deze risicobeoordeling is een methodiek vastgesteld. In deze methodiek blijkt de mogelijkheid van een explosie bij activiteiten met brandbare aardolieproducten voldoende te zijn verdisconteerd. Wel zijn enkele verbeteringen in de methodiek gewenst. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was een onverwacht grote explosie bij een opslagfaciliteit van aardolieproducten in Hemel Hempstead, Engeland, in 2005. Een goede rekenmethodiek is gewenst omdat op basis van de berekende risico's veiligheidsafstanden worden vastgesteld voor bebouwing in de omgeving van dergelijke bedrijven. Met dergelijke veiligheidsafstanden wordt voorkomen dat kwetsbare bestemmingen, zoals woningen en scholen, op locaties staan waar de kans op overlijden door dergelijke ongelukken groot is. Aanbevolen wordt om in de rekenmethodiek beter te specificeren hoe de effecten van vrijkomende mengsels moeten worden berekend. Ook zijn verbeteringsvoorstellen gedaan voor enkele specifieke modelonderdelen. In de evaluatie zijn naast het genoemde ongeval in Hemel Hempstead, ook andere ongevallen bij opslag en transport van brandbare aardolieproducten meegenomen.
    • Groepsrisico en gebiedsgerichte benadering

      Vliet AAC van; Kooi ES; Post JG; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      In November 2003 the Dutch Ministry of Transport promised the relevant parliamentary standing committee to conduct an exploratory study on the area-specific approach to societal risk (the probability of accident with a large number of victims) in relation to Amsterdam Schiphol Airport in view of the intended adaptation of the Dutch Aviation Law. This study, targeted at assessing alternatives for the current societal risk policy for the surroundings of Schiphol, led to an initial exploratory investigation on how local societal risk policy could be modelled. At present, the societal risk caused by aviation activities around Schiphol is calculated for an area of 56 by 56 kilometres, making balanced assessments of local environmental planning and safety in the municipalities around the airport impossible. Therefore societal risk was examined from municipal perspective to answer the questions on how different local risks relate to each other and how one can visualize the change in societal risk when new spatial plans are realized? The approach tested in this report is concluded to offer good opportunities, or at least pretexts, for an area-specific approach to societal risk. However, further studies or a follow-up investigation should reveal if a practical and valuable instrument can indeed be developed.
    • Groepsrisico en gebiedsgerichte benadering

      van Vliet AAC; Kooi ES; Post JG; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-05-02)
      De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in november 2003 aan de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat een verkenning toegezegd naar een 'gebiedsgerichte benadering' van het groepsrisico (de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers) in relatie tot Schiphol. De aanleiding hiervoor is de voorgenomen aanpassing van de Luchtvaartwet. Dit rapport onderzoekt de mogelijkheid van een alternatief voor het huidige groepsrisicobeleid voor de omgeving van Schiphol. In de huidige praktijk wordt het groepsrisico namelijk berekend voor een gebied van 56 bij 56 kilometer. Afwegingen over ruimtelijke ordening en veiligheid op lokaal (gemeentelijk) niveau zijn op die schaal niet mogelijk. Onderzocht is een benadering vanuit gemeentelijk perspectief: hoe verhouden verschillende lokale risico's zich tot elkaar en hoe verandert het groepsrisico als nieuwe ruimtelijke plannen worden gerealiseerd in beeld te brengen? De conclusie is dat de in dit rapport voorgestelde benadering goede aangrijpingspunten biedt voor een gebiedsgerichte benadering van het groepsrisico. Een verdere uitwerking moet uitwijzen hoe dit tot een praktisch en bruikbaar instrument uitgebouwd kan worden.
    • Groepsrisico op de kaart gezet. Hoofdrapport

      Wiersma T; Gooijer L; van Vliet AAC; Boot H; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Bouw en Ondergrond, 2007-11-06)
      Het RIVM heeft in samenwerking met TNO twee methoden uitgewerkt om in een bepaald gebied de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers (het groepsrisico) inzichtelijker te maken. Uitgangspunt is een zogeheten gebiedsgerichte benadering. Het groepsrisico wordt veroorzaakt door de aanwezige gevaarlijke stoffen in een gebied, zoals bij bedrijven en tijdens het transport ervan. De nieuwe benadering maakt het groepsrisico op een kaart inzichtelijk. In de oorspronkelijke, wetenschappelijke weergave in een grafiek ontbreekt dit overzicht. De methoden geven het groepsrisico (GR) weer op twee kaarten: de GR-gebiedskaart en de GR-bijdragekaart. De GR-gebiedskaart geeft inzicht in de grootte van het groepsrisico in een bepaald gebied. De GR-bijdragekaart zoomt in op de deelgebieden die het meeste bijdragen aan het groepsrisico. De twee kaarten zijn een aanvulling op de oorspronkelijke weergave, die het groepsrisico in een grafiek weergeeft. De kaarten worden bij voorkeur samen gebruikt bij het maken van beleid, zoals vergunningaanvragen of bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen de kaarten worden ingezet bij de ontwikkeling van veiligheidsbeleid en de verantwoording van het groepsrisico door overheden. De methoden zijn in drie casussen getoetst op hun bruikbaarheid. Een voorbeeld is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor in Dordrecht. De resultaten van het onderzoek zijn in workshops voorgelegd aan betrokken partijen. Het onderzoek is in twee rapporten weergegeven. Het hoofdrapport beschrijft hoe je de methoden kunt toepassen. Het toelichtende rapport gaat in op de onderzoeksmethode.
    • Groepsrisico op de kaart gezet. Toelichtend rapport

      Wiersma T; van Vliet AAC; Gooijer L; Boot H; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Bouw en Ondergrond, 2007-11-06)
      Het RIVM heeft in samenwerking met TNO twee methoden uitgewerkt om in een bepaald gebied de kans op een ongeval met een groot aantal slachtoffers (het groepsrisico) inzichtelijker te maken. Uitgangspunt is een zogeheten gebiedsgerichte benadering. Het groepsrisico wordt veroorzaakt door de aanwezige gevaarlijke stoffen in een gebied, zoals bij bedrijven en tijdens het transport ervan. De nieuwe benadering maakt het groepsrisico op een kaart inzichtelijk. In de oorspronkelijke, wetenschappelijke weergave in een grafiek ontbreekt dit overzicht. De methoden geven het groepsrisico (GR) weer op twee kaarten: de GR-gebiedskaart en de GR-bijdragekaart. De GR-gebiedskaart geeft inzicht in de grootte van het groepsrisico in een bepaald gebied. De GR-bijdragekaart zoomt in op de deelgebieden die het meeste bijdragen aan het groepsrisico. De twee kaarten zijn een aanvulling op de oorspronkelijke weergave, die het groepsrisico in een grafiek weergeeft. De kaarten worden bij voorkeur samen gebruikt bij het maken van beleid, zoals vergunningaanvragen of bestemmingsplannen. Daarnaast kunnen de kaarten worden ingezet bij de ontwikkeling van veiligheidsbeleid en de verantwoording van het groepsrisico door overheden. De methoden zijn in drie casussen getoetst op hun bruikbaarheid. Een voorbeeld is het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor in Dordrecht. De resultaten van het onderzoek zijn in workshops voorgelegd aan betrokken partijen. Het onderzoek is in twee rapporten weergegeven. Het hoofdrapport beschrijft hoe je de methoden kunt toepassen. Het toelichtende rapport gaat in op de onderzoeksmethode.
    • Integrale beoordeling verdovingstechnieken pluimveeslachterijen. Indicatieve beoordeling van milieu- en andere aspecten op basis van literatuurstudie

      Morgenstern PP; Lambooij E; Baltussen WHM; IMG; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWUR, 2009-10-16)
      In veel slachterijen in Nederland wordt pluimvee verdoofd met behulp van een elektrisch waterbad. Een alternatieve methode is een verdoving in twee concentratiestappen met het gas kooldioxide. De grootste voordelen van deze techniek liggen op het gebied van dierenwelzijn en arbeidsomstandigheden. Voor andere aspecten, zoals milieu en economie, kent gasverdoving zowel voor- als nadelen. Dit blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en de Animal Sciences Group van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR). Op het gebied van dierenwelzijn is het voordeel van gasverdoving dat de dieren niet bij bewustzijn worden aangehaakt en er geen kans is op onvolledige verdoving. Het aanhaken van verdoofde in plaats van onverdoofde vogels is ook gunstig voor de arbeidsomstandigheden, zowel wat de fysieke arbeid betreft als de hoeveelheid stof. Voor het milieu is gasverdoving gunstiger, omdat ze minder watergebruik en stof- en geuroverlast veroorzaakt. Wel is het energiegebruik ervan hoger. De gasverdovingstechniek brengt ook hogere investeringskosten en operationele kosten (energiekosten) met zich mee dan elektrisch waterbadverdoven. Daar staat tegenover dat gasverdoving minder botbreuken en bloedingen veroorzaakt waardoor een betere kwaliteit van het eindproduct ontstaat. Hierdoor kunnen voor bepaalde marktsegmenten hogere opbrengsten worden gerealiseerd. Grotere slachterijen kunnen de investeringskosten in de gasverdovingstechniek sneller terugdienen dan kleinere slachterijen. Economisch gezien zal het vervangen van het elektrisch waterbad door gasverdoving geen hogere consumentenprijzen veroorzaken. De aanleiding voor het onderzoek is dat gasverdoving in een Europese milieurichtlijn (IPPC) is opgenomen als Best Beschikbare Techniek (BBT) om kippen te verdoven, zonder in detail te treden over de gevolgen voor het milieu van deze verdovingstechnieken. Daarom zijn, op verzoek van de VROM-Inspectie, de milieu- en andere vraagstukken van verschillende gastechnieken in de literatuur geinventariseerd en vergeleken met die van elektrisch verdoven.
    • An international comparison of four quantitative risk assessment approaches : Benchmark study based on a fictitious LPG plant

      Gooijer L; Cornil N; Lenoble CL; CEV; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMFaculté Polytechnique de MonsIneris, 2012-01-30)
      De methoden die in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Wallonië (België) en Nederland worden gebruikt om externe veiligheidsrisico's te bepalen verschillen sterk van elkaar. Dat betreft zowel de manier waarop de berekeningen worden uitgevoerd als de aard van de effecten die worden berekend (zoals dodelijke slachtoffers of gezondheidsschade aan personen). Desondanks liggen de veiligheidsafstanden die met deze methoden zijn berekend dicht bij elkaar. Dit blijkt uit een risicoanalyse die door experts uit deze landen is uitgevoerd van een fictief opslagbedrijf met lpg. Gelijksoortige uitkomsten kunnen overigens per land tot uiteenlopend beleid leiden. Zo gelden de veiligheidsafstanden in Nederland en Frankrijk als limietwaarden, maar in België en het Verenigd Koninkrijk als advieswaarden.
    • Kwantitatieve risicoanalyse voor arbeidsveiligheid. De ontwikkeling van een risicomodel en software

      Aneziris O; Baedts E de; Baksteen J; Bellamy LJ; Bloemhoff A; Damen M; Eijk V van; Kuiper JI; Leidelmeijer K; Mud M; et al. (WORM Metamorphosis ConsortiumNCSR DemokritosEDBCRondas Safety ConsultancyWhite Queen BVConsumer Safety InstituteRIGORPS Advies BVMinisterie SZWNIFVHCRM Ltd., 2009-08-27)
      Er is een model ontwikkeld om arbeidsrisico's tijdens het werk in Nederland te berekenen. Per activiteit, baan, bedrijf of industrietak kan het risico op ongevallen of overlijden worden berekend. Werkgevers kunnen vervolgens maatregelen kiezen die het risico hierop beperken. Ook kunnen de kosten van deze maatregelen en de behaalde risicobeperking met het model worden berekend. Hiermee is een optimale afweging mogelijk van de kosten en de baten van maatregelen die risico's verminderen. Het model is ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Het RIVM gaf leiding aan het internationale onderzoeksconsortium. Voor het onderzoek is een groot aantal arbeidsongevallen geanalyseerd, op basis van de ongevalrapporten van de Arbeidsinspectie. Deze gegevens zijn in een database gezet, waarbij de arbeidsongevallen werden verdeeld naar 36 typen ongevalscenario's. De ongevalscenario's werden gebruikt om zogenoemde 'vlinderdasmodellen', bow ties, te construeren. Aan de ene kant van dit model staan de onderliggende oorzaken van een ongeval vermeld en aan de anders kant de gevolgen ervan (gewond raken of dodelijk letsel). In een bow tie worden de maatregelen genoemd die een ongeval helpen voorkomen, dan wel helpen om de gevolgen te beperken. De bow ties geven eveneens getalsmatig aan hoe vaak dergelijke maatregelen kunnen falen. Vervolgens is een analyse gemaakt van de activiteiten en arbeidsomstandigheden van de gemiddelde werknemer. Daarmee is bepaald in welke mate werkende personen aan risicovolle activiteiten blootstaan en hoe goed de risicobeperkende maatregelen op de werkplek zijn.
    • A literature review on safety performance indicators supporting the control of major hazards

      Bellamy LJ; Sol VM; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWhite Queen BV, 2012-07-25)
      Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Deze bedrijven moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Daarnaast staan deze bedrijven onder toezicht van o.a.de Inspectie SZW (voorheen de Arbeidsinspectie). De Inspectie richt zich op de risico's voor werknemers en beoordeelt onder andere of er binnen de desbetreffende bedrijven een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem is. Daarbij is het van belang of dit systeem is toegesneden op de aanwezige risico's en of het goed werkt. Indicatoren: hoe goed beheert een bedrijf gevaren Het RIVM heeft daarom bekeken of het mogelijk is om de veiligheid van een bedrijf te beoordelen op basis van veiligheidsprestatie-indicatoren. Veiligheidsprestatie-indicatoren zijn bedoeld om informatie te leveren over de veiligheidsprestaties van een bedrijf. Ze kunnen managers en werknemers van het bedrijf helpen om te focussen op de belangrijkste risico's. Daarnaast kunnen indicatoren de inspectie helpen vast te stellen hoe goed het bedrijf met risico's omgaat en of dit zonodig verbetert. Indicatoren moeten op maat worden gemaakt als ze worden gebruikt door een bedrijf. Voor de inspectie zijn juist indicatoren nodig die algemeen toepasbaar, communiceerbaar en ondubbelzinnig zijn, zodat bedrijven met elkaar kunnen worden vergeleken. Indicatoren kunnen zich door de tijd heen ontwikkelen op basis van de ervaringen met indicatoren die het meest effectief en efficiënt informatie geven over de mogelijkheid op een zwaar ongeval bij een bedrijf. Criteria voor de ontwikkeling van veiligheidsprestatie-indicatoren Aanbevolen wordt om indicatoren te ontwikkelen op basis van een lijst van 30 criteria. Zo moet een indicator een oorzakelijk verband hebben met het onderdeel dat daadwerkelijk een risico kan vormen. Daarnaast moet er een concrete actie aan de indicator kunnen worden verbonden, zoals een verbeteractie. Om trends te kunnen waarnemen is een set van indicatoren nodig die voldoende frequent worden gemeten. Voor het onderzoek is de wetenschappelijke literatuur onderzocht, evenals richtlijnen van industrie en inspecties.
    • Occupational health or occupational safety: which impact is larger?

      Uijt de Haag PAM; Bellamy LJ; Burdorf A; ter Burg W; Eysink P; Heederik DJJ; Klein Entink RH; Manuel HJ; Papazoglou IA; Pronk A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWhite Queen BVErasmus MCRotterdamIRASUtrecht UniversityTNODemokritosGreece, 2012-03-30)
      Werknemers kunnen op hun werk blootgesteld worden aan verschillende soorten risico's, zoals schadelijke stoffen, fysieke belasting en ongevallen. In 2010 is het 'Occupational Health Impact Assessment' (OHIA)-model ontwikkeld, dat de arbeidsveiligheid kan vergelijken met de arbeidsgezondheid. Dit is mogelijk door de te berekenen in welke mate de risico's bijdragen aan het verlies van gezondheid van werknemers (ziektelast). Model uitgebreid met ziektelast handeczeem: In 2011 is het model uitgebreid met een berekening van de ziektelast van handeczeem. Daarnaast zijn enkele onduidelijkheden ingevuld en zijn specificaties opgesteld om van het model een instrument te maken dat door meerdere partijen kan worden gebruikt. Aanbevolen wordt te onderzoeken in hoeverre er draagvlak is bij de sectoren om het OHIA-instrument te gebruiken. Risico's berekend met onzekerheden: Het model houdt bovendien rekening met onzekerheden in de data, waardoor nauwkeurigere vergelijkingen kunnen worden gemaakt. Om het belang hiervan te illustreren, zijn de risico's voor vier beroepsgroepen berekend met én zonder deze onzekerheden. Gekozen is voor beroepsgroepen waarvoor het grootste verlies van gezondheid te verwachten is: tegelzetter, straatmaker, betonboorder en timmerman. Hierbij is gekeken naar de risico's van ongevallen, het tillen van zware voorwerpen en de blootstelling aan silica, een stof die bijvoorbeeld vrijkomt bij het bewerken van beton. Voor tegelzetters en straatmakers draagt de blootstelling aan silica zonder onzekerheden veruit het meeste bij aan het verlies van gezondheid; als onzekerheden worden inbegrepen blijkt het gezondheidsverlies als gevolg van silica daarentegen vergelijkbaar te zijn met dat van het tillen van zware voorwerpen en arbeidsgerelateerde ongevallen. Voor betonboorders en timmermannen hebben de inbegrepen onzekerheden geen invloed op de resultaten. Het OHIA-model is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met een consortium van deskundigen van de Universiteit Utrecht (IRAS), TNO, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, en twee consultants.
    • On-site natural gas piping : Scenarios and failure frequencies

      van Vliet AAC; Gooijer L; Laheij GMH; CEV; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-20)
      Het RIVM heeft in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu ongevalskansen van scenario's bepaald voor bovengrondse aardgasleidingen op aardgasinrichtingen. Dit zijn onderdelen van de aardgasinfrastructuur waarbij apart is gekeken naar 'flensverbindingen', die leidingdelen met elkaar verbinden. De scenario's en ongevalskansen kunnen worden gebruikt om de risico's voor de omgeving in kaart te brengen. Dit gebeurt met de rekenmethodiek voor aardgasinrichtingen die momenteel wordt ontwikkeld. Deze methodiek zal deel uitmaken van de Handleiding risicoberekeningen bij het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het onderzoek is uitgevoerd omdat aardgasinrichtingen onder dit Besluit komen te vallen, maar de bijbehorende Handleiding nog niet specifiek op deze inrichtingen ingaat. Er zijn twee standaardscenario's onderzocht: lekken en breuken. De ongevalskansen van de leidingen zijn afgeleid uit Europese gegevens van transportleidingen. Hiervoor is gekozen omdat er geen bruikbare specifieke gegevens voor de bovengrondse hogedruk aardgasleidingen in literatuur of databanken aanwezig zijn. Bovendien bevatten de gegevens van de Nederlandse gasindustrie geen relevante lekken of breuken. Voor flenslekkages is de ongevalskans gebaseerd op de statistieken van de Nederlandse gasindustrie. Flensverbindingen zelf kunnen niet breken. Wel kan een lekkage van een flensverbinding tot een breuk van een leiding leiden, waardoor wordt aanbevolen dit domino-effect mee te nemen in een risicoberekening. Verder blijkt uit dit onderzoek dat de bijdrage van externe gebeurtenissen, zoals aanrijdingen en hijswerkzaamheden, moet worden meegenomen in de ongevalskansen en scenario's. Hier vloeit de aanbeveling uit voort om de huidige modellen voor deze gebeurtenissen te valideren. Een andere aanbeveling is om de Nederlandse ongevalsdatabanken zo te verbeteren dat ze ook geschikt zijn om incidenten gedetailleerder te analyseren, en om ongevalskansen te bepalen.
    • Ontwikkeling van het groepsrisico rond Schiphol, 1990-2010

      Post JG; Kooi ES; Weijts J; Nationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium NLR; MNP; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-14)
      The possibility of an aircraft accident with a large number of casualties on the ground in the Schiphol area is expected to be about twice as much in 2005 as it was in 1990. The risk can be expected not to grow much until 2010. This is because there is no substantial growth to be expected in air traffic, and building developments in risky locations can be controlled with recently developed policy instruments. A study on the risk for a large number of casualties, the socalled societal risk, has been carried out for the years 1990, 2005 and 2010. The increase in societal risk is due to the increase in air traffic risks in almost the same measure as to the increase in buildings, mainly those belonging to companies. Furthermore, societal risk is highly concentrated (i.e. 90% of the risk occurs in 3 % of the built area). In earlier studies the safety situation was always considered for the whole area (56 times 56 km) around Schiphol. In this usual approach the possibilities of there being casualties are summed for the whole area. This gives a good insight into the number of casualties; however, there is no information about the risk for specific locations. Therefore, in this study a method has been developed to determine the 'local societal risk'. The increase in societal risk is not really a big surprise: in November 2003 the Deputy Minister of the Department of Public Health, Spatial Planning and the Environment stated in the Dutch Parliament that given this large growth of air traffic, the standstill policy had never been realistic. He also promised to have this matter investigated. This study fulfils this promise. In the study, great care is given to population data and especially the population in industry, offices, schools, hotels and hospitals. In combination with the 'local societal risk' approach, this report will present a better and more reliable picture of the risk situation in relation to spatial planning than was done in earlier studies
    • Ontwikkeling van het groepsrisico rond Schiphol, 1990-2010

      Post JG; Kooi ES; Weijts J; MNP; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNationaal Lucht en Ruimtevaartlaboratorium NLR, 2005-01-14)
      De kans dat er een groot aantal (een groep) slachtoffers valt onder omwonenden, door een vliegtuigongeluk in de regio's rond Schiphol, zal in 2005 ongeveer verdubbeld zijn ten opzichte van 1990. Naar verwachting zal dit risiconiveau de komende jaren, tot 2010, niet veel toenemen. Want er wordt geen substantiele groei van de luchtvaart verwacht en een grote toename van de bebouwing, op risicovolle locaties, kan met de huidige beleidsinstrumenten worden voorkomen. Een onderzoek naar het risico op een groot aantal slachtoffers, het zogeheten "groepsrisico", is onderzocht voor de jaren 1990, 2005 en 2010. De toename van het groepsrisico wordt ongeveer in gelijke mate veroorzaakt door de toename van de risico's van het vliegverkeer als door de toename van gebouwen, met name van bedrijven. Ook blijkt het groepsrisico sterk geografisch geconcentreerd (90 % van het risico is gelocaliseerd in 3 % van het bebouwde gebied). In voorgaande studies over Schiphol is de veiligheidssituatie steeds beoordeeld voor het hele studiegebied (56 bij 56 km). In die overigens gebruikelijke benadering wordt de kans op slachtoffers in de regio's rond de luchthaven bij elkaar geteld. Dit geeft een goed inzicht in de kans op een groep slachtoffers, maar geen inzicht waar die kansen groter of juist minder groot zijn. In deze studie is daarom tevens een benadering ontwikkeld voor de bepaling van het "lokale groepsrisico". Die resultaten geven goed inzicht in de risicosituatie van specifieke locaties. De toename van het groepsrisico is geen grote verrassing: in november 2003 heeft de Staatssecretaris van VROM in de Kamer al verklaard dat het streven naar een stand-still voor risicos ten opzichte van 1990 niet reeel zou zijn, gezien de groei van de luchtvaart en de ruimtelijke ontwikkeling. De Staatssecretaris heeft daarbij toegezegd dit nader te laten onderzoeken. Deze studie vult deze toezegging in. Hierbij is veel aandacht besteed aan het bevolkingsbestand en vooral ook de aanwezigen bij bedrijven, scholen, hotels en zorginstellingen. In combinatie met de 'lokale groepsrisico' benadering geeft dit rapport een veel beter en betrouwbaarder beeld van de risico situatie in relatie tot ruimtelijke ordening dan voorgaande studies.
    • Op weg naar een protocol voor het waarderen van maatregelen in een kwantitatieve risicoanalyse

      Uijt de Haag PAM; Mahesh S; Heezen PAM; Wolting AG; Reinders JEA; Ham JM; Vijgen L; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNODCMR, 2009-03-27)
      De risico's van de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de externe veiligheid worden in Nederland bepaald aan de hand van kwantitatieve risicoanalyses. De huidige rekenmethodiek voor deze risicoanalyse voorziet niet in een protocol om verschillende veiligheidsmaatregelen te kunnen waarderen. In dit rapport is een protocol ontwikkeld waarmee veiligheidsmaatregelen op een eenduidige, transparante en robuuste wijze kunnen worden gewaardeerd en vervolgens vertaald kunnen worden naar de kwantitatieve risicoanalyse. Het protocol is verder uitgewerkt aan de hand van een voorbeeldsysteem, namelijk de opslag van lpg onder druk in bollen. Daarbij is nagegaan in hoeverre de vereiste informatie momenteel beschikbaar en bruikbaar is voor toepassing van het protocol. De volgende relevante elementen zijn beschouwd: stand der techniek van technische voorzieningen, waardering van organisatorische voorzieningen (veiligheidsbeheerssysteem) en mogelijke faaloorzaken. Uit het onderzoek komt, voor zover betrokken op het voorbeeldsysteem, het volgende naar voren. Er is een duidelijk inzicht in de stand der techniek en die is de afgelopen decennia niet wezenlijk veranderd. De onderzochte opslagen in Nederland zijn conform de richtlijn Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 18 voorzien van technische veiligheidsvoorzieningen. De invloed van organisatorische voorzieningen kunnen vooralsnog niet op een eenduidige en transparante wijze worden beoordeeld. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig. Er kan vooralsnog geen betrouwbare inschatting worden gemaakt van de relatieve bijdragen van de verschillende faaloorzaken. Daarom is het momenteel niet mogelijk de invloed van een maatregel op een betrouwbare wijze te vertalen naar een reductie in de faalkans. Het Centrum Externe Veiligheid heeft dit onderzoek uitgevoerd in samenwerking met DCMR Milieudienst Rijnmond en de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek TNO. Er zijn verschillende aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek met als doel de toepasbaarheid van het protocol te verhogen.