• Adverse events following vaccination against human papillomavirus : Results of the 2010 campaign in the Netherlands

      van 't Klooster TM; Kemmeren JM; Vermeer-de Bondt PE; Oostvogels B; Phaff T; de Melker HE; van der Maas NAT; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-12-28)
      In 2010, less AEs were reported after vaccination against HPV compared with 2009. Furthermore, as in 2009, no unexpected or Serious Adverse Events were reported after vaccination against HPV that were considered causally related to the vaccination. During 2010, girls born in 1997 were vaccinated against HPV. Furthermore, girls born in 1993-1996, who were not or not fully vaccinated in 2009, were invited again. Intensified surveillance of AEs was performed. Immediate AEs on mass vaccination locations were registered. Spontaneous reports through the enhanced passive surveillance system were collected and a study on the tolerability of the vaccine was performed. Immediate AEs on locations of mass vaccination occurred in 7.7/10,000 administered doses. Presyncope or syncope was most frequently reported. The reporting rate of spontaneous reports was 5.4/10,000 administered doses overall. The reporting rates of both immediate AEs and spontaneous reports were lower compared with the 2009 campaign. No differences in reporting rates of spontaneous reports were found between the girls born in 1997 (regular NIP) and girls born in 1993-1996 (catch-up campaign). Twenty-three percent of the reports concerned a major AE, including fainting, migraine and convulsions. Of all reports, 67.4% was assessed to be causally related to the vaccination. In the study on tolerability, at least one questionnaire was returned by 2308 girls (65%). Local reactions were reported in 82.4%, mostly pain at the injection site and/or reduced use of the arm. Of all local reactions, 14.8% was classified as pronounced. In 78.7% any systemic AE was reported, in which myalgia was reported the most often. The reported proportions of local reactions and systemic AEs were lower than in the 2009 campaign. Some local reactions and systemic AEs increasing with age, and most incidences were lower after the second and third dose than after the first dose. The GP was visited by 17 girls (0.4%) within one week after the vaccination, but none visited the hospital. Results are used to inform public and professionals on the safety profile of the HPV vaccine observed in the period post introduction of mass vaccination.
    • Airborne dispersion of Q fever : A modelling attempt with the OPS-model

      Sauter FJ; van Pul A; Swart A; ter Schegget R; Hackert V; van der Hoek W; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMMunicipal Health Service 'Brabant Zuidoost'Eindhoventhe NetherlandsPublic Health Service South LimburgHeerlenthe Netherlands and Maastricht University Medical CenterMaastrichtthe Netherlands, 2012-04-02)
      Met het rekenprogramma OPS (Operationele Prioritaire Stoffen) kan de verspreiding van verontreinigende stoffen in de lucht worden nagebootst. Het OPS-model lijkt ook geschikt om de overdracht van Q-koorts-bacteriën van bedrijf naar de mens in kaart te brengen. Dit blijkt uit een studie van het RIVM, die vanuit het Strategisch Onderzoek RIVM (SOR) is uitgevoerd. Het model heeft laten zien de overdracht rond twee besmette geitenbedrijven goed te kunnen beschrijven. Er zijn nog wel veel onzekerheden, bijvoorbeeld over de mate waarin bacteriën vrijkomen bij een uitbraak. Meer data zijn nodig voordat het model routinematig kan worden ingezet voor de overdracht van ziekteverwekkers door de lucht vanuit besmette bedrijven. Besmette geitenbedrijven worden gezien als bron van de Q-koorts-epidemie in Nederland tussen 2007 en 2010. Voor een groot deel is nog onbekend welke factoren de transmissie van de Q-koorts-bacterie van dierbedrijven naar de mens veroorzaken en hoe de besmette stofdeeltjes zich door de lucht verspreiden. Met een geschikt model kunnen beleidsmakers advies geven over het plaatsings- en spreidingsbeleid van veehouderijen. Trefwoorden:
    • Betekenis van Legionella-soorten voor preventiebeleid van leidingwaterinstallaties

      Versteegh JFM; Brandsema PS; Lodder WJ; de Roda Husman AM; Schalk JAC; van der Aa NGFM; IMG; LZO; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-18)
    • Chlamydia Screening Implementation Netherlands : impact evaluation and cost effectiveness

      Evaluation team RIVM; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-07-03)
      The National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) evaluated the Chlamydia Screening Implementation (CSI), a large scale programme offering annual screening to more than 300,000 young people in Amsterdam, Rotterdam and South-Limburg. This was the first time such a large group of young people was invited to get tested for STI in the Netherlands. Testing and treating for Chlamydia at large scale aims to bring down the transmission. This trial implementation was set-up to evaluate whether the screening programme was feasible, effective to bring down the prevalence of infections and cost effective. On the basis of this evaluation, the Minister of Health will decide upon a national roll-out of screening. In anticipation of this decision, the program will continue for one year, also enabling further data collection. The percentage of young people that participated was lower than expected from the start (one out of eight participated) and decreased in subsequent rounds. In the first round 4.2% of participants tested positive for Chlamydia and this decreased to 3.5% in the third year. Predictive modeling showed that screening for ten years will only lead to a small decline in Chlamydia prevalence. If participation rates decrease further, the prevalence will go back towards baseline levels under regular STI-care. The screening is unlikely to be cost effective. Invitees received a letter explaining how to request a testkit via the internet and send a sample to the laboratory. The programme proved to be technically feasible and participants were enthusiastic about the set-up. 'High-risk-groups' such as young people under 20 years, of non- Dutch ethnic background or from high-risk areas, were less likely to participate, but were more likely to test positive. Questionnaire surveys showed that non-responders often had a plausible reason not to participate (not yet sexually active, not been at risk, tested recently). Participants reported more frequently higher risk sexual behaviour.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2013

      Bouwknegt M; Mangen MJ; Friesema IHM; van Pelt W; Havelaar AH; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers daalde van ongeveer 6.600 in 2012 tot 5.800 DALY's in 2013. Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost of illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, als ook de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen bedroegen in 2013 172 miljoen euro. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' daalde ook, van 14.000 DALY in 2012 naar 13.200 DALY in 2013. De totale kosten werden geschat op 424 miljoen euro en waren daarmee vergelijkbaar met voorgaande jaren. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvaten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2014

      Bouwknegt M; Mangen MJ; Friesema IHM; van Pelt W; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal verloren DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers is in 2014 geschat op 5900, en is daarmee vergelijkbaar met de schatting voor 2013 (5.800 DALY's). Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost of illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten van patient en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen daalde met 4% van 172 miljoen euro in 2013 naar 165 miljoen euro in 2014. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' daalde van ongeveer 13.000 DALY in 2013 naar 12.600 DALY in 2014. De totale kosten werden geschat op 379 miljoen euro en waren daarmee lager dan voorgaande jaren. Een belangrijke oorzaak hiervan is een halvering van aantal rotainfecties ten opzichte van 2013. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2015

      Mangen MJ; Friesema IHM; Bouwknegt M; van Pelt W; EPI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-06-29)
      Het RIVM onderzoekt jaarlijks hoeveel mensen ziek worden van 14 ziekteverwekkers die via voedsel in het menselijk lichaam terechtkomen (darmpathogenen). Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year), een internationaal gehanteerde maat voor het aantal gezonde levensjaren die verloren gaan aan ziekte of overlijden. Het aantal verloren DALY's als gevolg van de 14 ziekteverwekkers is in 2015 geschat op 5,800, en is daarmee iets lager dan in 2014 (5.900 DALY's). Daarnaast wordt geschat welke kosten hieraan verbonden zijn (cost-of-illness). Deze omvatten directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, als ook de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De gerelateerde kosten van de 14 ziekteverwekkers die mensen via voedsel opliepen was met 168 miljoen euro iets hoger dan in 2014 (166 miljoen euro). De verschillen zijn grotendeels een gevolg van schommelingen in de infecties die zich voordoen, de ziektelast die ze veroorzaken en uiteenlopende kosten per infectie. De onderzochte ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (circa 40 procent), maar ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), dieren, en van mens op mens. De verhouding verschilt per ziekteverwekker. De totale ziektelast van alle 'routes' is geschat op 12.800 DALY, en daarmee iets hoger dan in 2014 (12.600 DALY). De totale kosten werden geschat op 409 miljoen euro en waren daarmee hoger dan in 2014 (385 miljoen). Een belangrijke oorzaak hiervan is een verdubbeling van aantal rotainfecties ten opzichte van 2014. VWS is opdrachtgever van dit onderzoek. De resultaten bieden handvatten om meer zicht te krijgen op het daadwerkelijke aantal voedselinfecties dat mensen jaarlijks oplopen en de bijbehorende ziektelast.
    • Draaiboek hepatitis B-vaccinatie bij zuigelingen van hepatitis B-draagsters

      Geraedts JLE; BBA; LIS; EPI; LCI (2009-03-12)
      Abstract not available
    • Evaluatie legionellapreventie Waterleidingwet

      Versteegh JFM; Brandsema PS; van der Aa NGFM; Dik HHJ; de Groot GM; IMD; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-07-04)
      Since the decline in the number of drinking-water installations with collective pipe networks that contain Legionella is not marked, no effect of the regulations on the prevention of Legionella can be determined. This was shown in a RIVM investigation performed under the authority of the Dutch Ministry for Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM).<br>Between 2000 and 2005 the number of patients with Legionnaire's disease increased from 172 to 280. In 2006 this number rose to as high as 440 patients, and in the same year, the mortality of patients infected within the Netherlands exceeded the maximum permissible mortality of 1 per million inhabitants. Noteworthy here is that only for 3% of the infections (19 patients) could the source be identified with confidence. Half of these 19 patients were infected through water from a drinking-water installation supplying a hospital.<br>If the regulations with respect to the prevention of Legionella had been better observed, this would probably have led to fewer drinking-water installations containing Legionella, made possible by having fitters install drinking-water installations meeting the requirements. This also holds for owners who should have implemented the regulations on the prevention of Legionella. Currently, this is not the case.<br>This five policy options described vary from continuation of the existing regulations to a policy that focuses on the elimination of Legionella pneumophila only. Especially for the second option it is important to improve the implementation of the regulations. For example, closure of showers in a swimming pool or complete hospital wards could not be necessary if only the non-hazardous Legionella non-pneumophila is detected.<br>Recommendations are given for fitters, water-supply companies, policy-makers and regional inspectors from VROM, as well as recommendations for follow-up research. Attention should also be paid to other potential infection sources that produce aerosols, including cooling towers.<br>
    • Evaluatie Preventie Perinatale HBV transmissie. Cohort 1.1.2003 -31.12.2005 (HBIG 0,vaccin 2,4,11 mnd)

      Hahne SJM; Zomer T; van Heiningen FM; Boot H; Holty L; Abbink F; de Melker HE; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-12)
    • Evaluatie regeling aanvullende curatieve Soa-bestrijding

      Koornneef C; de Boer AS; van der Sande MAB; BBA; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-02)
    • Evaluatie RIVM hiv-surveys hoogrisicogroepen

      van Veen MG; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD Rotterdam-Rijnmond, 2008-01-08)
      Van 1994 tot 2002 zijn zestien sero- en gedragssurveillance studies (zogenaamde hivsurveys) uitgevoerd onder injecterende druggebruikers. Tussen 2002 en 2006 zijn verschillende hiv-surveys uitgevoerd onder andere potentiele hoogrisicogroepen (prostituees, prostituanten en migranten uit hiv-endemische gebieden). Er zijn geen hivsurveys opgezet onder homoseksuele mannen (MSM) omdat deze er door middel van cohortonderzoeken in Amsterdam (en Rotterdam) reeds structurele gedragssurveillance plaatsvindt bij deze hoogrisicogroep. Daarnaast is de verwachting dat MSM geen brugpopulatie vormen voor de verspreiding van hiv naar de algemene bevolking. Om een uitspraak te kunnen doen over hoe toekomstige surveillance van hiv bij hoogrisicogroepen vorm te geven is het belangrijk de hiv-surveys te evalueren. De resultaten van deze evaluatie worden in dit briefrapport beschreven.
    • Evaluatie van ISIS-MML

      Benthem BHB van; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-07-09)
      Het infectieziektensurveillance-informatiesysteem dat gegevens verzamelt van medisch microbiologische laboratoria (ISIS-MML) is niet geschikt voor het tijdig signaleren van uitbraken van infectieziekten. Wel is het systeem bruikbaar voor het volgen van trends in antibioticaresistentie. Dat blijkt uit een evaluatie dat in dit rapport wordt beschreven. Aanleiding voor de evaluatie zijn technische problemen en de twijfel over het rendement en het nut van het systeem voor het Centrum voor Infectieziektenbestrijding. ISIS-MML is een systeem dat tien jaar geleden is ontwikkeld door het RIVM om actuele informatie via internet te verschaffen over het voorkomen van infectieziekten. Een belangrijk doel was om tijdig uitbraken te signaleren om verdere verspreiding tegen te gaan en de negatieve gevolgen voor de volksgezondheid te beperken. Hiervoor moesten alle 85 medisch-microbiologische laboratoria in Nederland dagelijks gegevens aanleveren. Uit de evaluatie blijkt dat slechts 18 laboratoria momenteel zijn aangesloten op het systeem. Hierdoor ontbreekt een landelijke dekking en worden uitbraken gemist. Zo miste ISIS de uitbraak van Clostridium difficile geassocieerde diarree van ribotype 027 in juni 2005. Ook zorgt het systeem regelmatig voor vals alarm omdat lang niet iedere stijging van een bepaald micro-organisme om bestrijdingmaatregelen vraagt. Dat betekent niet dat ISIS onbruikbaar is en moet worden gestopt. Het systeem vormt de belangrijkste gegevensbron voor antibioticaresistentie in Nederland, waarbij bacterien steeds ongevoeliger raken voor antibiotica. De Europese Unie beveelt het volgen van deze trend sterk aan. RIVM adviseert om hiervoor het huidige ISIS, waarvan de hard- en software is verouderd, aan te passen.
    • Hiv-survey onder Surinamers, Antillianen en Kaapverdianen in Rotterdam 2006

      Veen MG van; Wagemans MAJ; Gotz HM; Zwart O de; GGD Rotterdam-Rijnmond; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-22)
      Het aantal hivbesmettingen onder Antillianen, Surinamers en Kaapverdianen laat zien dat hiv een blijvend probleem is binnen deze gemeenschappen. De nieuwe cijfers van een gezamenlijk onderzoek van het RIVM en de GGD Rotterdam Rijnmond tonen dit aan. Bij Surinamers komt hivbesmetting bij 0,8 % van de mensen voor, bij Kaapverdianen 0,7%. Deze cijfers zijn gelijk aan die uit eerder onderzoek in 2002-2003. Bij de Antillianen is het 0,8 tot 3,2%.
    • Human papillomavirus vaccination catch-up campaign in 2009 for girls born 1993 to 1996 in the Netherlands in 2009 : Results of the post-marketing safety suveillance

      van 't Klooster TM; Kemmeren JM; Vermeer-de Bondt PE; Oostvogels B; PHaff TAJ; de Melker HE; van der Maas NAT; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-01)
      In 2009, no serious adverse events were reported after vaccination against human papillomavirus (HPV) that were considered causally related to the vaccination. Research on adverse events in this year implies that the HPV vaccination catch-up campaign has been a safe intervention on the short-term. Girls experienced frequently pain at the injection site and myalgia, but mostly mild and all were transient. Vaccination against HPV, the virus that can cause cervical cancer, was newly introduced in 2009 in the Netherlands. In 2009, girls born in 1993 to 1996 were invited for vaccination. From 2010, yearly 12-year-old girls were invited. Vaccination includes three doses, administered on mass vaccination locations. In total 558,226 doses were administered in 2009. In intensified safety surveillance, all immediate occurring adverse events on locations of mass vaccination were registered. Besides that, spontaneous reports were collected through the enhanced passive surveillance system. Furthermore, a questionnaire study was performed on the tolerability of the vaccine. The reporting rate of immediate occurring adverse events on locations of mass vaccination was 27.1/10,000 administered doses. Most frequently reported was presyncope and syncope (62.1%). The reporting rate of spontaneous reports was 11.6/10,000 administered doses. In 13.4% it concerned major adverse events, for instance fainting, migraine, and convulsions. Of these major adverse events, 75.6% were assessed causally related to the vaccination. In the survey on tolerability, 85% of the girls, on average after the three successive doses, reported local reactions, such as pain at the injection site or reduced use of the arm. Of these reactions 16% were classified as pronounced. Systemic adverse events, for instance myalgia, fatigue, or headache, were experienced by 83% of the girls on average.
    • Incidentie en moleculaire epidemiologie hepatitis B virus, Nederland, 2004 - 2007

      Koedijk FDH; Op de Coul ELM; Cremer J; Hahne S; Coutinho RA; Boot HJ; van den Houdt R; Bruisten SM; van den Hoek JAR; Schutten M; Veldhuijzen IK; Richardus JH; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-08-11)
      Het ministerie van VWS heeft het RIVM de opdracht gegeven het Hepatitis B risicogroepen vaccinatiebeleid te evalueren. Het doel hierbij is om de effectiviteit te bepalen door te onderzoeken of de transmissie van hepatitis B in Nederland is verminderd en de incidentie van acute hepatitis B is gedaald. In dit rapport worden de resultaten na vier jaar (2004-2007) gegevensverzameling beschreven en wordt ingegaan op de HBV genotypenverdeling en de verdeling van de risicogroepen over Nederland
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2005/2006

      Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Brandsema P; Du Ry van Beest Holle M; Meijer A; van der Lubben IM; Wilbrink B; van der Sande MAB; EPI; LIS; LCI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-02-19)
      Respiratoire infectieziekten uiten zich vooral door een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ) en pneumonie. Om de bestrijding van deze ziektelast meer te kunnen ondersteunen en voorbereid te zijn op nieuwe uitbraken, moet de surveillance van IAZ worden geintensiveerd en van pneumonie worden uitgebreid. Verder neemt het aantal meldingen van legionellose en psittacose toe. Dat vraagt om hernieuwde aandacht voor surveillance van besmettingsbronnen en identificatie van risicofactoren. Dat staat te lezen in de jaarlijkse rapportage van de projectgroep Respiratoire Infecties van het CIb, die de algemene surveillance van respiratoire infectieziekten in Nederland coordineert.
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2006/2007

      EPI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMProjectgroep respiratoire infectieziektenCentrum voor Infectieziektenbestrijding, 2008-02-19)
      Respiratoire aandoeningen hebben het afgelopen respiratoire jaar (mei 2006 tot en met april 2007) tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als in eerdere jaren was ongeveer 10% van alle sterfte gerelateerd aan een pneumonie, duidend op een onveranderd grote ziektelast. Ook legionellose werd het afgelopen jaar veel vaker gediagnosticeerd. Naast een uitbraak gerelateerd aan een besmette koeltoren, kwamen er over het hele land verspreid meer patienten voor zonder duidelijke aanwijzing voor een gemeenschappelijke bron. Mogelijk spelen klimatologische factoren hierbij een rol. In 2006/2007 kwam het influenza seizoen laat, duurde kort, en leidde tot een relatief geringe ziektelast.
    • Jaarrapportage respiratoire infectieziekten 2007/2008

      Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Brandsema P; Friesema IHM; Robert-Du Ry van Beest Holle M; van der Lubben IM; Wilbrink B; Meijer A; van der Hoek W; van der Sande MAB; EPI; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-11-06)
      Luchtweginfecties hebben in de periode mei 2007 tot en met april 2008 opnieuw tot aanzienlijke ziektelast geleid. Net als voorgaande jaren werd longontsteking bij circa 10% van alle sterfte als doodsoorzaak geregistreerd. Dit wijst wederom op een groot effect van luchtweginfecties op de volksgezondheid. Het meest opvallende in 2007 was de uitbraak van Q koorts, een ziekte die door dieren (met name geiten en schapen) wordt overgebracht. Ook in 2008 heeft Q-koorts tot een groot aantal ziektegevallen geleid. Een eenduidige bron is nog niet aangetoond. Een andere opvallende ontwikkeling was een grote uitbraak van papegaaienziekte gerelateerd aan een vogelshow in Weurt (nabij Nijmegen). Daarnaast was opmerkelijk dat in 2007/2008 bij ruim een kwart van de griepvirussen van het subtype A(H1N1) resistentie tegen het antivirale middel oseltamivir werd gevonden. Het aantal meldingen van legionella was in 2007/2008 in lijn met de licht stijgende trend sinds 2003. Het aantal tuberculose-patiknten daalde in 2007 naar 960, het laagste aantal dat ooit in Nederland werd geregistreerd. De rol die specifieke virussen en bacterien bij luchtweginfecties spelen is slechts voor een deel bekend. Ook is nog weinig bekend over de andere factoren die mogelijk een rol spelen bij het ontstaan van luchtweginfecties. Daarom blijft het noodzakelijk verder onderzoek te doen naar oorzaken van ziekte en sterfte door luchtweginfecties en naar preventiemaatregelen en behandelingen.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2008

      Dijkstra F; Brandsema P; van Gageldonk-Lafeber AB; van der Hoek W; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-28)
      Deze rapportage beschrijft ontwikkelingen op het gebied van respiratoire infectieziekten in 2008 op basis van surveillance data. Opvallend waren vooral de ongekend grote Q-koorts uitbraak en het spontane ontstaan van influenzavirussen die resistent zijn tegen oseltamivir en die zich makkelijk verspreiden.Samen met de ontwikkelingen die zich inmiddels in 2009 hebben voorgedaan met een aanhoudend Q-koorts probleem en een influenza pandemie toont dit het belang aan van een goede surveillance van respiratoire infecties