• Report of the Bilthoven Symposium: Advancement of epidemiological studies in assessing the human health effects of immunotoxic agents in the environment and the workplace

      Loveren H van; Germolec D; Koren HS; Luster MI; Nolan C; Repetto R; Smith E; Vos JG; Vogt RF; LPI-RIVM; et al. (1998-07-22)
      Van 12-14 november 1997 werd in Bilthoven een wetenschappelijk symposium gehouden, getiteld 'Epidemiology of Immunotoxicity'. De aanleiding voor dit symposium was een publicatie van een rapport van een WHO/IPCS Task Group meeting getiteld 'Principles and methods for assessing direct immunotoxicity associated with exposure to chemicals' (WHO, 1996), een rapport van het World Resources Institute (WRI 1996) dat inging op mogelijke immuunsuppressieve effecten van pesticiden in de bevolking van ontwikkelingslanden, en een workshop getiteld 'Environment and Immunity' georganiseerd door de Europese Unie (EU, 1997). Het thema van deze activiteiten was de behoefte aan goed opgezette epidemiologische studies van immunotoxiciteit. Experts op het gebied van de epidemiologie, klinische immunologie en immunotoxicologie die aan het symposium deelnamen werd gevraagd om consensus te bereiken ten aanzien van de meest adequate aanpak om immunotoxicitiet in de mens vast te stellen. Het symposium illustreerde de meerwaarde van 'kruisbestuiving' - het samenkomen van ideeen - i.e. het beste resultaat in termen van design, uitvoering en interpretatie van een complexe wetenschappelijke vraagstelling. De conclusie van het symposium was dat epidemiologie een essentiele methode is om immunotoxiciteit in mensen vast te kunnen stellen. Elke epidemiologische studie dient gepaard te gaan met valide informatie ten aanzien van blootstelling, gezondheidseffecten, en 'confounders'. Hoewel vragenlijsten en dagboeken belangrijke middelen zijn in de epidemiologie, zijn directe en kwantitatieve biologische metingen te prefereren. Indien mogelijk zijn longitudinale studies, waarbij de personen gedurende een tijd die lang genoeg is om gezondheidseffecten die verband houden met veranderingen in immuunfuncties vast te stellen worden vervolgd, te prefereren. Hoewel dergelijke studies prospectief van aard zijn, zijn retrospectieve studies, waarbij gebruik wordt gemaakt van monsters die verkregen zijn van personen die ziekten ontwikkelen die een immunologische achtergrond hebben, eveneens bruikbaar. Een longitudinale studie design is vooral van toepassing indien infecties het gevolg zullen zijn van immunotoxiciteit, maar dergelijke studies zijn over het algemeen tijdrovender en duurder indien kanker het verwachte gevolg is van de expositie. Twee biologische methoden werden als het meest geschikt gezien om immunotoxiciteit in epidemiologische studies vast te stellen. In de eerste plaats kan het immuunsysteem het best worden bestudeerd voor wat betreft de invloed van blootstelling aan chemische verbindingen op overgevoeligheid met behulp van de zogenaamde 'skin prick test', of antigeen specifieke IgE ELISA of RAST testen. In de tweede plaats kan onderdrukking van het immuunsysteem het best worden vastgesteld door vaccinatieresponsen te bestuderen, waarbij een antigeen moet worden gebruikt waarmee geen eerder contact is geweest. Een algemene conclusie daarbij was dat, indien kinderen die aan hoge concentraties van een bepaalde verbinding werden blootgesteld geen afwijkende antilichaamrespons vertonen en er evenmin klinische aanwijzingen voor toegenomen infecties zijn, de betreffende verbinding naar alle waarschijnlijkheid geen immunotoxische effect sorteert. Om deze reden wordt een aanbeveling gedaan om gebruik te maken van (pediatrische) vaccinatieprogramma's voor dit type onderzoek. Hoewel een dergelijke aanpak de nadruk legt op onderzoek in kinderen, is deze ook toepasbaar bij volwassenen. De waarde van dergelijke metingen zijn in overeenstemming met waarnemingen die in het proefdier zijn gedaan en waarbij de meest voorspellende indicatoren van immunotoxiciteit worden gevormd door primaire antilichaamresponsen tegen T-cel afhankelijke antigenen. Studies naar infectieuze aandoeningen in kinderen en naar kanker kunnen wellicht meer nadruk krijgen in ontwikkelingslanden, terwijl studies naar allergische aandoeningen en kanker wellicht meer nadruk kunnen krijgen in meer ontwikkelde landen, hetgeen de belangrijkste volksgezondheidsproblematiek in dergelijke verschillende landen representeert.