• 24-uurs urine-excretie van natrium. Voedingsstatusonderzoek bij volwassen Nederlanders

      van den Hooven C; Fransen H; Jansen E; Ocke M; CVG; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-07-09)
      De zoutinneming van volwassenen uit Doetinchem is gemiddeld bijna 9 gram per dag. Dit is 50% boven de aanbeveling van maximaal 6 gram per dag. Deze bevinding maakt het aannemelijk dat de zoutinneming voor de algemene Nederlandse bevolking ook ruim boven de aanbeveling ligt. Bij mannen en jongvolwassenen is de zoutconsumptie gemiddeld hoger dan bij vrouwen en personen van 50-70 jaar. Bij mannen is de zoutinneming gemiddeld 10,1 gram onder 19-49 jarigen en 9,7 gram onder 50-70 jarigen. Bij vrouwen is dit respectievelijk 8,6 en 7,5 gram. Bovengenoemde schattingen zijn gebaseerd op een onderzoek waarin 333 personen van 19-70 jaar in November 2006 24-uur hun urine verzamelden. Aan de hand van de natriumexcretie in de urines is de zoutinneming geschat. De deelnemers waren afkomstig uit Doetinchem of nabije omgeving. Door het reduceren van de huidige te hoge zoutinneming van de Nederlandse bevolking naar de aanbevolen hoeveelheid kan aanzienlijke gezondheidswinst behaald worden. Maatregelen worden dan ook geadviseerd.
    • Allergens in consumer products

      Wijnhoven SWP; Ezendam J; Schuur AG; van Loveren H; van Engelen JGM; SIR; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-10)
      Veel consumentenproducten bevatten stoffen die een allergische reactie van de huid kunnen veroorzaken (contact dermatitis of contacteczeem). Ook kan een reactie ontstaan bij blootstelling via de luchtwegen, maar hierover is weinig bekend. Grootste veroorzakers van contact dermatitis zijn nikkel in sieraden en geurstoffen in cosmetica. Daarnaast kunnen conserveermiddelen en harssoorten in producten een allergische reactie veroorzaken. Zowel de sterkte van de stof als de mate waarin de gebruiker eraan blootstaat zijn van belang voor de aard van de reactie. In opdracht van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) heeft het RIVM geinventariseerd in welke mate mensen last hebben van (huid)allergie door stoffen in consumentenproducten. Contact dermatitis komt in Nederland relatief veel voor vergeleken met astma, hooikoorts en voedselallergie. Allergische aandoeningen behoren tot de meest voorkomende chronische ziekten in Europa. In de wet zijn limietwaarden voor een aantal allergene stoffen in producten vastgesteld. Deze limietwaarden zijn vooralsnog niet gebaseerd op een kwantitatieve risicobeoordeling. Bij een kwantitatieve aanpak wordt vastgesteld bij welke dosis een reactie optreedt. Dit is essentieel om veilige limietwaarden van allergenen in een product af te leiden. Er zijn twee kwantitatieve methoden in ontwikkeling, die in de praktijk nog niet bruikbaar zijn. Het is vooral belangrijk dat blootstelling via meerdere producten (geaggregeerde blootstelling) op een adequate manier wordt meegenomen in deze methodiek.
    • Alternative methods in reproductive toxicity testing: state of the art

      Luijten M; de Vries A; Opperhuizen A; Piersma AH; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-08)
      Dit rapport geeft een overzicht van de in vitro testmethoden die de afgelopen decennia voor reproductie toxiciteit onderzoek zijn ontwikkeld. Het validatieproces van deze alternatieven voor dierproeven wordt hier eveneens beschreven. Daarnaast geeft het rapport aan wat de knelpunten zijn om deze methoden in internationale testrichtlijnen te kunnen invoeren. Inmiddels zijn voor embryotoxiciteit een aantal testen gevalideerd, die in de toekomst na verdere optimalisatie toegepast kunnen worden. Daarnaast kunnen individuele in vitro testen mogelijk ingezet worden bij het screenen van stoffen. Dit kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van het proefdiergebruik voor reproductie toxiciteitstesten. Hoewel verscheidene alternatieven voor dierproeven voor reproductie toxiciteitstesten voorhanden zijn, blijken veel van deze methoden nog onvoldoende ontwikkeld en niet gevalideerd te zijn. De huidige testrichtlijnen voor reproductie toxiciteit vergen een groot aantal proefdieren. De vereiste aantallen varieren van 560 - 6,000 proefdieren per chemische stof, afhankelijk van de hoeveelheid waarin de stof wordt geproduceerd of geimporteerd. Bovendien dreigt het gebruik van proefdieren sterk toe te nemen vanwege de invoering van REACH, de nieuwe Europese wetgeving voor registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen. Binnen REACH zullen naar verwachting miljoenen dieren gebruikt worden om 30.000 bestaande stoffen alsnog te registreren. In vitro testmethoden op het gebied van reproductie toxiciteit zijn sterk in ontwikkeling. Ze bevinden zich momenteel veelal in het stadium van validatie, waardoor ze nog niet inzetbaar zijn. Reproductie is een complex samenspel van zeer verschillende processen. Om het effect van chemische stoffen hierop te kunnen toetsen is een reeks van in vitro modellen nodig, die vervolgens samengevoegd worden in een teststrategie.
    • Are common intervention strategies to prevent a range of allergic conditions feasible?

      Janssen CM; Wijga A; van Loveren H; Ezendam J; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-01-30)
      Voedselallergie, hooikoorts, eczeem en astma zijn allemaal allergische aandoeningen. Deze aandoeningen ontstaan in verschillende stadia van het leven en zouden elkaar kunnen beïnvloeden. De betrokken allergenen zijn ook anders in de verschillende levensstadia. Of deze allergische aandoeningen een gemeenschappelijke etiologie hebben is tot op heden onopgehelderd. Als de etiologie hetzelfde is, of als risicofactoren voor deze aandoeningen overlappen, zou het wellicht mogelijk zijn om interventiestrategieën te ontwikkelen die het hele spectrum van allergische aandoeningen kunnen beïnvloeden. In een recente literatuurstudie zijn mogelijke risicofactoren voor voedselallergie onderzocht. In de huidige studie wordt geanalyseerd of borstvoeding, allergeenvermijding, introductie van vaste voeding, pre- en probioticagebruik, en meervoudig onverzadigde vetzuren (PUFA) inname een rol spelen bij de ontwikkeling van luchtwegallergieën. Deze factoren zijn geselecteerd op basis van hun mogelijke effect op ontwikkeling van voedselallergie. Daarnaast wordt de impact van geadviseerde interventiestrategieën bediscussieerd. De belangrijkste conclusies zijn: - Borstvoeding is een beschermende factor in de ontwikkeling van luchtwegallergie. Voor voedselallergie zijn de effecten minder consistent; - Er is enig bewijs dat inname van PUFA geassocieerd is met de ontwikkeling van luchtwegallergie en voedselallergie; - De andere bestudeerde risicofactoren hebben geen effect op ontwikkeling van luchtwegallergie; - Een strategie om ontwikkeling van allergie bij baby's te remmen is het uitstellen van de introductie van vaste voeding. De data in de literatuur geven aan dat dit de ontwikkeling van allergie niet kan voorkomen en mogelijk, zelfs een risicofactor is. Veelbelovende onderzoeksgebieden die wellicht zouden kunnen leiden tot de ontwikkeling van nieuwe interventiestrategieën zijn: vitamine D-, PUFA- en antioxidant- inname, beïnvloeding van de darmflora, en programmering van voedselallergie tijdens de ontwikkeling. Daarnaast moeten lopende studies over mogelijke nadelige effecten van het uitstellen van de introductie van vast voedsel, nauwkeurig gevolgd worden.
    • Het belang van een goed herstel

      van Amsterdam J; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-09-20)
      Het belang van een goed herstel na arbeid Mensen, die in ploegendiensten werken, lopen het risico zich slechter te kunnen concentreren als zij onvoldoende rust kunnen nemen na hun werk. Hierdoor kunnen zij op het werk fouten maken, waardoor onveilige situaties ontstaan. Daarnaast bestaat de kans dat medewerkers die tussen hun diensten door te weinig rusten, fysiek chronisch ontregeld raken, wat de kans op 'chronische' aandoeningen als 'burn-out', kanker, cardiovasculaire en psychiatrische aandoeningen vergroot. Dit blijkt uit beperkt literatuuronderzoek van het RIVM naar de benodigde rustperiodes bij ploegendienstmedewerkers. In Nederland werken 1,1 miljoen mensen 's nachts en circa 3 miljoen mensen 's avonds, zoals verpleegkundigen en vrachtwagenchauffeurs. Factoren voor onvoldoende herstel na arbeid In de Arbeidstijdenwet (ATW) staat onder meer per type werkrooster voorgeschreven hoeveel uren rust werknemers minimaal moeten krijgen. Ploegendienstmedewerkers verdienen daarbij extra aandacht, omdat zij regelmatig in avond- en nachtdiensten werken. Hierdoor raakt hun slaapritme verstoord of ontstaat een slaaptekort omdat ze bijvoorbeeld zorgtaken moeten uitvoeren of overdag slechter slapen als gevolg van geluid, licht en hun kinderen. Slaaptekort is een belangrijke risicofactor voor fysiologische ontregeling en werkgerelateerde ziektelast. Ook kunnen werkdagen van meer dan twaalf uur bij ploegendienstmedewerkers meer ziektelast veroorzaken. Behalve specifiek voor ploegendienstwerk heeft het RIVM andere risicofactoren voor onvoldoende herstel in kaart gebracht. Dat betreft een hogere leeftijd, overwerken, een zwaar beroep (zoals politieagent, arts of verpleegkundige), mantelzorg, 'op afroep'-diensten en een ongunstige thuis-werkbalans. Nieuwe werkvormen Nieuwe werkvormen De meeste werknemers ervaren nieuwe werkvormen, zoals zelfroostering, telewerken en Het Nieuwe Werken (HNW) als positief, onder andere vanwege de flexibele werktijden en de mogelijkheid om thuis te werken. Door deze werkvormen vervaagt echter de grens tussen 'werktijd' en 'privétijd', bijvoorbeeld als werknemers in privétijd achter de computer gaan zitten. De gezondheidseffecten hiervan op lange termijn zijn niet bekend. Ten slotte kan de herstelbehoefte bij werknemers toenemen als hun werkplek thuis niet optimaal is ingericht.
    • Current innovations in regulatory reproductive toxicity assessment

      Piersma AH; Hakkert B; Muller JJA; GBO; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-13)
      Chemische stoffen moeten getest worden op schadelijke effecten op de voortplanting van de mens. Dankzij innovaties zal dit steeds efficienter kunnen, waardoor ook minder proefdieren gebruikt hoeven te worden. Dit staat in dit rapport van het RIVM. Het rapport geeft een overzicht van actuele ontwikkelingen in het meten van reproductietoxiciteit, de schadelijke effecten van chemische stoffen op de voortplanting. Chemische stoffen kunnen schadelijke effecten op de voortplanting teweegbrengen, zoals een verminderde vruchtbaarheid en een verstoorde ontwikkeling van de ongeborene. Onder meer in het kader van het Europese testprogramma REACH moeten producenten van chemische stoffen deze schadelijke effecten vaststellen. De huidige methoden om reproductietoxiciteit in kaart te brengen stammen uit de jaren tachtig. Deze methoden zijn voornamelijk gebaseerd op studies met knaagdieren. Het gebruik van proefdieren ligt daarbij hoog. Dit komt voornamelijk doordat meer dan een generatie moet worden bestudeerd. Een verminderd proefdiergebruik is echter in aantocht. Onderzoek aan hormoonverstoring, proefdierwelzijn en het Europese testprogramma REACH hebben innovaties op dit gebied gestimuleerd. Hierdoor worden gestandaardiseerde testen aangepast en nieuwe testmethoden voorgesteld. Dit beinvloedt tevens teststrategieen, die individuele testen combineren op een getrapte manier. De innovaties moeten leiden tot een verhoogde efficiency en een verminderd proefdiergebruik.
    • Detection of sensitization to low molecular weight chemicals. Inventory and evaluation of ex vivo methods

      Ezendam J; van Loveren H; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-28)
    • Development and implementation of alternative methods in reproductive toxicology

      Piersma AH; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-02)
      Het RIVM probeert alternatieve testmethoden voor de zogeheten reproductietoxicologie zodanig te verbeteren dat ze betrouwbaar genoeg zijn om in de regelgeving te kunnen worden ingevoerd. Op die manier kan het aantal dierproeven worden verminderd. Reproductietoxicologie houdt zich bezig met mogelijke schadelijke effecten van stoffen op de vruchtbaarheid, de voortplanting, en de ontwikkeling van het ongeboren kind. In dit rapport heeft het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS, de stand van zaken beschreven van alternatieve testmethoden voor deze wetenschap. Onderzoek naar alternatieve testmethoden: Het RIVM ontwikkelt zelf alternatieve tests en teststrategieën waarvan de wetenschap verwacht dat ze schade aan de ontwikkeling kunnen voorspellen. De afgelopen vijf jaar is voortgang geboekt op het gebied van de embryonale stamceltest, de ratten-embryokweek, en de zebravis-embryotest. Deze embryo's zijn niet levensvatbaar, waardoor deze organismen, evenals de stamcellen, volgens Europese wetgeving niet als proefdieren worden beschouwd. Bij deze tests wordt gekeken naar de effecten die een stof op het niveau van genen veroorzaakt (genexpressie). Effecten op dit niveau kunnen mogelijk subtieler voorspellen of en in welke mate stoffen schadelijk zijn. Bovendien is de verwachting dat effecten op genniveau in deze testen beter te vertalen zijn naar effecten voor de mens. De huidige wijze waarop effecten van stoffen worden vastgesteld, is gebaseerd op gezondheidsschade in proefdieren. Modernisering regelgeving: Daarnaast is het RIVM actief in internationale verbanden om de regelgeving rond het gebruik van dierproeven en alternatieven te moderniseren. Het eigen onderzoek is een belangrijke ondersteuning hierbij.
    • Development of an experimental model for assessing adverse effects of juvenile chemical exposures

      Piersma AH; Tonk ECM; van Loveren H; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-02)
      Als kinderen aan chemische stoffen worden blootgesteld, kan dat grotere risico's hebben voor hun gezondheid dan bij volwassenen. Testmethoden voor gevaren van chemische stoffen houden onvoldoende rekening met deze verschillen. Het RIVM heeft daarom enkele dierstudies uitgevoerd om een optimaal protocol op te stellen om schadelijke effecten van stoffen op jonge kinderen te kunnen vaststellen. De voorlopige conclusie is dat een blootstelling bij ratten vlak na de geboorte (tussen de 10 en 50 dagen) het meest geschikt is om de risico's in kaart te brengen. Daarnaast blijken de effecten het meest zichtbaar te zijn in de fysieke ontwikkeling en op het immuunsysteem van het kind. Het protocol is in opdracht van het ministerie van VWS opgesteld. Vermoed wordt dat neurologische aandoeningen of afwijkingen in het immuunsysteem - van ADHD tot allergieën en diabetes - veroorzaakt kunnen worden door blootstellingen aan chemische stoffen op jonge leeftijd. Fysieke en gedragsmatige verschillen: De uiteenlopende risico's zijn te verklaren vanuit fysieke en gedragsmatige verschillen tussen kinderen en volwassenen. Kinderen stoppen bijvoorbeeld veel in hun mond (speelgoed, zand), waardoor zij via deze 'route' blootgesteld kunnen worden aan giftige stoffen. Door de onvolgroeide organen bij kinderen worden stoffen bijvoorbeeld minder snel uit het lichaam verwijderd dan bij volwassenen. Ook wijkt de ontwikkeling van organen af; bij jonge kinderen zijn onder meer het immuunsysteem en de hersenen sterk in ontwikkeling, wat hen gevoeliger kan maken voor schadelijke effecten van stoffen. Vervolgstudies zijn nodig voor een beter oordeel. Het is belangrijk hierbij de gevoeligheid van het zich ontwikkelende zenuwstelsel te betrekken. Internationale inbedding: De bevindingen van dit onderzoek zijn internationaal onder meer uitgedragen in het testrichtlijnenprogramma van de OESO (Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking). In dit programma worden testrichtlijnen wereldwijd afgestemd. Daarnaast is hierover een wetenschappelijk symposium georganiseerd.
    • The effect of REACH implementation on genotoxicity and carcinogenicity testing

      van Benthem J; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-02-01)
      Met het nieuwe Europese stoffenbeleid REACH blijft het mogelijk om stoffen efficient te testen op kankerverwekkende eigenschappen zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid. Dit blijkt uit onderzoek van RIVM beschreven in dit rapport. REACH staat voor Registratie, Evaluatie en Autorisatie van chemische stoffen. Het is een nieuwe regeling om de risico's in kaart te brengen van stoffen waaraan mensen bijna dagelijks worden blootgesteld. Het gaat niet alleen om circa 100.000 bestaande stoffen maar ook om nieuwe stoffen op de markt die moeten worden getest. Doel van REACH is om goedkoper en sneller de risico's te leren kennen en proefdieren te sparen. RIVM heeft onderzocht of een efficientieslag mogelijk is door de klassieke test voor carcinogeniteit te schrappen. Dit kan als andere testen de benodigde gegevens leveren. Voorbeelden van andere testen zijn (sub)chronische toxiciteitstesten of genotoxiciteitstesten die de DNA-schade meten die de stoffen veroorzaken. Een andere benadering is het Toxicological Threshold Concept (TTC), dat een vaste waarde aangeeft voor maximaal toelaatbare blootstelling waarbij het risico minder is dan een op de miljoen (aangeduid als verwaarloosbaar risico). Uitsluitend testen met gekweekte cellen (in vitro) geeft onvoldoende garantie of de stof in een levend organisme (in vivo) geen DNA-schade veroorzaakt. Om dit beter te kunnen beoordelelen moeten in vitro resultaten worden vergeleken met die uit in vivo experimenten. Dus blijven proefdieren nodig om DNA-schade te meten maar wel moet het gebruik van proefdieren tot een minimum worden beperkt door doordacht testen te kiezen.
    • Het effect van rookverboden op de incidentie van hart- en vaatziekten

      Talhout R; Opperhuizen A; GBO (2009-07-20)
      Abstract niet beschikbaar
    • Effects of prolonged exposure to skin sensitizers in concentrations below the EC3 value : Implications for quantitative risk assessment

      Ezendam J; Vermeulen J; van Loveren H; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-04)
    • Exposure to nanomaterials in consumer products

      Wijnhoven SWP; Dekkers S; Hagens WI; de Jong WH; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-09-04)
    • Fragrance allergens in scented consumer products on the Dutch market : Assessment of exposure levels and immune effects

      Ezendam J; ter Burg W; Vermeulen JP; Wijnhoven SWP; van Engelen J; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-04)
      Het RIVM is gevraagd te onderzoeken of consumenten die geurproducten als luchtverfrissers en kamerparfums gebruiken het risico lopen op luchtwegallergieën, zoals astma. Momenteel zijn er echter geen valide methoden beschikbaar om dit gezondheidsrisico in te schatten. Om toch iets over risico's te kunnen zeggen, is berekend in welke mate mensen blootstaan aan allergene geurstoffen bij het gebruik van geurproducten. Vervolgens zijn eventuele reacties op het immuunsysteem in kaart gebracht. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Geurproducten bevatten vaak allergene geurstoffen: Van 26 geurstoffen is bekend dat ze huidallergie kunnen veroorzaken, maar niet of ze luchtwegallergie veroorzaken. De NVWA heeft daarom 109 geurproducten gemeten of ze bekende allergene geurstoffen bevatten. Twintig van de 26 bekende allergene geurstoffen zijn in deze producten aangetroffen, vooral de stoffen limoneen en linalool. Vervolgens heeft het RIVM onder andere de blootstelling berekend voor deze twee stoffen bij het gebruik van geurproducten. Uit deze studie blijkt dat verstuivers en verdampers hogere blootstellingen aan deze geurstoffen veroorzaken dan spuitbussen en geurblokjes. Met behulp van inhalatiestudies in muizen is aangetoond dat een kortdurende inhalatie van limoneen en linalool het immuunsysteem niet activeert. De allergene geurstof isoeugenol doet dat in deze studies wel. Door lage blootstelling geringe kans op luchtwegallergie: De blootstelling aan isoeugenol is echter aanzienlijk lager dan die aan limoneen en linalool. Ook is deze blootstelling lager dan de blootstelling aan stoffen waarvan luchtwegallergische reacties bekend zijn, de diisocyanaten die beroepsastma kunnen veroorzaken. Op basis van deze vergelijking lijkt het onwaarschijnlijk dat limoneen, linalool en isoeugenol een verhoogd risico op luchtwegallergie geven. Vanwege het gebrek aan valide meetmethoden moet hierbij een slag om de arm worden gehouden. Ook is niet uitgesloten dat een langdurige blootstelling aan allergene geurstoffen in de beroepssfeer wellicht toch luchtwegallergie kan veroorzaken.
    • Genetic contribution to obesity: a literature review

      van den Berg SW; Dolle MET; Boer JMA; CVG; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-27)
      De kans op obesitas is voor een aanzienlijk deel erfelijk bepaald. Welke specifieke genetische factoren daarbij betrokken zijn, is nog niet bekend. Daarom is het op dit moment niet gerechtvaardigd om genetische informatie te gebruiken om obesitas te voorkomen of te behandelen. Dit is de conclusie van een literatuurstudie naar genetische factoren voor obesitas die in opdracht van het ministerie van VWS is uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het onderzoek heeft aangetoond dat ongeveer 40% van de variatie in het lichaamsgewicht tussen personen (uitgedrukt in de body mass index, BMI: gewicht / lengte-2) verklaard kan worden door genetische verschillen. Ook reageren mensen door hun erfelijk materiaal verschillend op veranderingen in energie-inname, -verbruik. Van een op de tien gevallen die op zeer jonge leeftijd extreem obees zijn, is een zeldzame genmutatie bekend. Van de minder extreme vormen van obesitas is hooguit 2,5% hiermee te verklaren. Veel onderzoek is gedaan naar variaties in genen die bij veel mensen voorkomen. Van vijf genvarianten die bekend zijn, is overtuigend bewezen dat ze van invloed zijn op de BMI en het risico op obesitas. Zij verklaren mogelijk 10% van de gevallen met overgewicht en 20% van de gevallen met obesitas. De genetische verschillen tussen personen zijn echter complexer dan voorheen werd gedacht. Daarom is naar verwachting de genetische bijdrage aan het ontstaan van obesitas groter dan momenteel bekend is. Dit rechtvaardigt lopend en toekomstig onderzoek op dit terrein.
    • De genetica van overgewicht: stap naar beleid en maatschappij. Resultaten van een expertmeeting

      van den Berg SW; Dolle MET; Tijhuis MJ; van der A DL; Boer JMA; CVG; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-14)
      Op dit moment is er te weinig concrete kennis over de erfelijke factoren van overgewicht beschikbaar om daar overheidsbeleid op te kunnen baseren. Dit blijkt uit een bijeenkomst georganiseerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) met experts afkomstig uit verschillende disciplines. Om hier meer inzicht in te krijgen zijn omvangrijke studies nodig met duizenden deelnemers van wie het voedings- en beweeggedrag nauwkeurig wordt gemeten. Hierin moeten ook de hoeveelheid lichaamsvet en de verdeling daarvan over het lichaam worden gemeten. Volgens de experts is het met deze verkregen inzichten in de toekomst mogelijk om nieuwe medicijnen te ontwikkelen die overgewicht voorkomen en behandelen. Verder zal het mogelijk zijn om te dikke mensen met een hoog risico op complicaties, zoals hart- en vaatziekten en diabetes mellitus, op basis van genetische informatie vroegtijdig te identificeren. Deze groep mensen kan vervolgens preventief worden behandeld met medicijnen en voedings- en beweegadviezen, afgestemd op hun genetisch profiel. Of deze toekomstverwachtingen werkelijkheid worden en zo ja wanneer is onbekend. De overheid kan nu wel alvast op deze toekomstige ontwikkelingen inspelen door algemene kennis over genetica onder burgers en medische professionals te vermeerderen. Voor burgers is deze kennis nodig om te kunnen omgaan met keuzes die deze ontwikkelingen met zich meebrengen. Medische professionals kunnen er vragen van hun patienten mee beantwoorden. De overheid kan ook al intern een discussie opzetten over de mogelijke gevolgen voor het beleid en over haar verantwoordelijkheden in deze.
    • Handhaving van een rookvrij binnenmilieu

      Talhout R; Sleijffers A; Opperhuizen A; GBO (2009-07-20)
      Abstract niet beschikbaar
    • Herziening EU-Tabaksproductrichtlijn 2001/37/EG

      Talhout R; Opperhuizen A; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-13)
      Publieke consultatie: De EU-Tabaksproductrichtlijn 2001/37/EG, die voorschriften bevat over de productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten, wordt mogelijk herzien. Het gaat daarbij om de vraag welke producten eronder vallen, consumenteninformatie op verpakkingen, rapportage, registratie en wetgeving van additieven, en toegang van consumenten tot tabaksproducten. Het RIVM heeft onderzocht of de voorgestelde aanpassingen wetenschappelijk kunnen worden onderbouwd. Informatie op verpakkingen rookwaar: Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat de gehalten van teer, nicotine en koolmonoxide (TNCO) op sigarettenpakjes doorgaans lager zijn dan de daadwerkelijke blootstelling van de roker, vooral bij light-sigaretten. Vermelding van deze gehalten is dus misleidend voor de consument. Ze kunnen bijvoorbeeld vervangen worden door informatie over de schadelijke, verslavingsversterkende en aantrekkelijkheidverhogende effecten van stoffen in rook en tabak. Verder kan de verpakking van rookwaar gestandaardiseerd worden. Een generieke vormgeving maakt het mogelijk minder aantrekkelijk om rookwaar te kopen en te consumeren, net als het gebruik van grote fotowaarschuwingen. Ook bij nieuwe nicotine- en tabaksproducten, zoals elektronische sigaretten, zijn waarschuwingen en productinformatieverstrekking van belang. Additieven: Bestaande regelgeving voor additieven in tabak, zoals geur- en smaaktoevoegingen, blijkt te zijn gebaseerd op criteria voor een veilig gebruik van voedingsadditieven. Hierdoor blijven bijvoorbeeld verbrandingsproducten buiten beschouwing. Voor een goede risicobeoordeling van tabaksproducten moeten ook de effecten hiervan mee worden gewogen. Daarnaast is het van belang of een additief het tabaksproduct aantrekkelijker maakt voor consumptie. De laatste jaren is in diverse landen regelgeving ingevoerd om het gebruik van toevoegingen die sigaretten aantrekkelijker maken, te beperken. Voor een goede risicobeoordeling is ook informatie over andere ingrediënten nodig, zoals de tabaksoort, over designkenmerken zoals het type filter en over andere stoffen in rook. In alle gevallen geldt dat wetgevers informatie gemakkelijker kunnen analyseren en openbaar maken als tabaksfabrikanten deze informatie elektronisch en uniform aanleveren.
    • Immune effects of inhalation exposure to fragrance allergens

      Ezendam J; de Klerk A; Vermeulen J; Fokkens PHB; van Loveren H; GBO; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)
    • Immune effects of probiotics in humans. Evaluation of efficacy and safety

      Ezendam J; van Loveren H; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-30)
      Er is momenteel onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat probiotica een positief effect hebben op het immuunsysteem. Evenmin is wetenschappelijk bewezen dat gebruik van dit type product veilig is. Er komen steeds meer producten op de markt die probiotica bevatten, zoals voedingssupplementen, zuiveldrankjes en zuigelingenvoeding. Van probiotica wordt beweerd dat ze een positief effect kunnen hebben op de darmflora, op de weerstand en dat ze allergieen kunnen voorkomen. De meeste van deze geclaimde effecten zijn echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Om de werkzaamheid en veiligheid van probiotica in kaart te brengen heeft het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd. Momenteel vindt veel onderzoek plaats naar de effecten van probiotica, bijvoorbeeld bij obstipatie of diarree. In deze studie ligt de nadruk op effecten op het immuunsysteem, ontleend aan klinische studies bij mensen. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen of onvoldoende bewijs is dat probiotica helpen bij hooikoorts, reuma of de ziekte van Crohn. Er zijn gegevens bekend over positieve effecten van sommige probiotica op de weerstand, atopisch eczeem en de chronische darmontsteking ulceratieve colitis. Meer onderzoek is nodig om deze effecten met wetenschappelijke bewijzen te staven. Het beste onderbouwd is momenteel de positieve uitwerking van probiotica bij twee darmaandoeningen, te weten diarree veroorzaakt door antibiotica en 'pouchitis' (een complicatie die optreedt nadat patienten met colitis zijn geopereerd). Er is nog weinig bekend over mogelijke negatieve effecten als mensen dit soort producten consumeren. Een recente publicatie heeft aangetoond dat gebruik van probiotica bij zuigelingen tot een ongewenste stimulatie van het immuunsysteem kan leiden. Het is aan te bevelen om zowel de veiligheid of werkzaamheid van dit soort producten nader te onderzoeken.