• HIV-Surveillance onder intraveneuze druggebruikers en Surinaamse/Antilliaanse harddruggebruikers in Amsterdam 1996

      Wiessing LG; van Rozendaal CM; Scheepens JMFA; Fennema JSA; Dorigo-Zetsma JW; Houweling H; CIE; LIS; GG&GD; Amsterdam (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGemeentelijke Geneeskundige en GezondheidsdienstAmsterdam, 1997-08-31)
      In dit project wordt de prevalentie vastgesteld van HIV onder intraveneuze druggebruikers (IVDs), en onder druggebruikers van Surinaamse/Antilliaanse afkomst (SUR/ANT) in Amsterdam. Het risico wordt ingeschat op verdere verspreiding van HIV binnen beide groepen en naar de algemene bevolking. Tussen 22 mei en 17 juli 1996 zijn een speekselmonster en korte vragenlijst naar risicogedrag afgenomen bij 200 IVDs en 151 SUR/ANT in Amsterdam. Van de IVDs waren 51 seropositief, onder de SUR/ANT werden drie infecties gevonden. Achttien procent van de IVDs zei in de laatste 6 maanden een spuit of naald van een ander te hebben gebruikt ; dit niveau van riskant gedrag is vergelijkbaar met dat in andere steden in Nederland. Aangetroffen infecties onder IVDs die zeggen sinds 1991 voor het eerst gespoten te hebben of negatief getest te zijn vormen een aanwijzing voor beperkte maar continue HIV-transmissie onder de IVDs. Een op de negen IVDs heeft een niet-druggebruiker als vaste seksuele partner. Bij seksueel contact tussen vaste partners worden weinig condooms gebruikt. Concluderend is de prevalentie van HIV onder IVDs in Amsterdam is ongeveer 26%, vergelijkbaar met het niveau in 1993. De prevalentie onder SUR/ANT is 2%, en is niet significant verschillend van die in 1993. Onder IVDs blijft spuitgerelateerd risicogedrag voorkomen en er zijn tevens aanwijzingen voor een beperkte maar continue HIV-transmissie in deze groep.<br>