• Addressing combined effects of chemicals in environmental safety assessment under REACH - A thought starter

      van Broekhuizen FA; Posthuma L; Traas TP; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-02-13)
      In de huidige beoordeling van stoffen en producten worden de risico's voor mens en milieu veelal per stof bekeken. In het milieu zijn echter altijd meerdere chemische stoffen tegelijk aanwezig. Het is daarom van belang om mee te wegen welke effecten deze stoffen samen kunnen hebben. De Europese Commissie concludeerde in 2009 dat in de huidige risicobeoordelingen van stoffen en producten onvoldoende rekening wordt gehouden met deze combinatie-effecten. Het RIVM reikt in dit discussiestuk een optie aan voor het meewegen van combinatie-effecten in de milieurisicobeoordeling van stoffen onder de REACH regelgeving. Voorgesteld wordt om bij de beoordeling van de risico's van stoffen een zogenoemde Mixture Assessment Factor (MAF) toe te passen die is afgeleid op basis van veldgegevens. De factor drukt uit hoeveel stoffen bij de risicobeoordeling moeten worden meegewogen om voor een enkele stof te beoordelen of de productie en het gebruik uiteindelijk veilig zijn. Op deze manier wordt beoogd te bereiken dat alle stoffen samen, na emissie naar het milieu, geen milieurisico veroorzaken. Naast deze generieke aanpak onder REACH is er de ruimte om lokale situaties waar nodig individueel aan te pakken. Het voorstel voor een mogelijke methode om combinatie-effecten van stoffen in het milieu mee te nemen in de risicobeoordeling is niet nieuw. Hij wordt binnen Nederland al geruime tijd gebruikt om risicogrenzen voor stoffen in het milieu te bepalen. De precieze invulling van de MAF moet nog nader worden uitgewerkt. Aandachtspunt hierbij is in welke mate milieueffecten acceptabel worden gevonden, bijvoorbeeld omdat het ecosysteem ervan kan herstellen. Ook is het van belang te bepalen tot op welke hoogte er binnen REACH op generiek Europees niveau rekening gehouden dient te worden met combinatie-effecten. Zo kan het bijvoorbeeld efficiënter zijn om locatie specifieke risico's lokaal, of nationaal aan te pakken
    • Advies voor een handreiking met afwegingskader risicoanalyse ZZS in afval

      Zweers PGPC; Verhoeven JK; Wassenaar PNH; Spijker J; Luit RJ; Ganzevles JH; Janssen MPM; ICH; ICH; VSP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Veel initiatieven zijn gaande, zowel in beleid als in de praktijk, om afval te hergebruiken (op weg naar een meer circulaire economie). Afval kan schadelijke stoffen bevatten die niet in het milieu mogen komen. Om te voorkomen dat dat gebeurt, gelden voorschriften. Voor afval dat zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat gelden extra regels op basis waarvan wordt afgewogen of het afval kan worden hergebruikt of moet worden vernietigd. Deze voorschriften maken deel uit van een nieuwe versie van het landelijke afvalbeheerplan (LAP3), dat eind 2017 is verschenen. Een onderdeel van het afvalbeheerplan is een risicoanalyse van de ZZS in afval, als de stoffen niet van het afval kunnen worden gescheiden. Het RIVM geeft in een handreiking en afwegingskader adviezen hoe de risicoanalyse van de ZZS in afval uit te voeren. De handreiking bestaat uit een stappenschema op basis waarvan een vergunninghouder kan afwegen of het afval veilig te recyclen is. Daarvoor moet de vergunninghouder eerst nagaan of de ZZS afgescheiden kunnen worden van de afvalstroom. Dit heeft de voorkeur. Als dat niet kan, is een risicoanalyse nodig van het ZZS-houdende afval voor de beoogde toepassing. De uitkomst daarvan geeft uitsluitsel of de risico's van de aanwezige ZZS aanvaardbaar zijn of niet. Uitgangspunt voor de risicoanalyse zijn de aspecten die volgens LAP3 dienen te worden meegewogen. Een voorbeeld is de mate waarin de ZZS uit het beoogde product vrijkomt. Als de risico's nog onvoldoende helder zijn, biedt het stappenplan een mogelijkheid om ze nader te bepalen. Als de risico's dan nog onaanvaardbaar blijken, kan geen vergunning worden afgegeven voor de toepassing. Er zal dan naar een minder risicovolle toepassing van het ZZS-houdende afval gezocht moeten worden, waarbij de risico's wel aanvaardbaar blijken. Het afwegingskader geeft wat meer achtergrondinformatie over enkele aspecten uit LAP3. Daarnaast biedt het overwegingen en aanbevelingen om de risicoanalyse verder te ontwikkelen.
    • Advies voor een handreiking met afwegingskader risicoanalyse ZZS in afval

      Zweers PGPC; Verhoeven JK; Wassenaar PNH; Spijker J; Luit RJ; Ganzevles JH; Janssen MPM; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Veel initiatieven zijn gaande, zowel in beleid als in de praktijk, om afval te hergebruiken (op weg naar een meer circulaire economie). Afval kan schadelijke stoffen bevatten die niet in het milieu mogen komen. Om te voorkomen dat dat gebeurt, gelden voorschriften. Voor afval dat zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) bevat gelden extra regels op basis waarvan wordt afgewogen of het afval kan worden hergebruikt of moet worden vernietigd. Deze voorschriften maken deel uit van een nieuwe versie van het landelijke afvalbeheerplan (LAP3), dat eind 2017 is verschenen. <br> <br>Een onderdeel van het afvalbeheerplan is een risicoanalyse van de ZZS in afval, als de stoffen niet van het afval kunnen worden gescheiden. Het RIVM geeft in een handreiking en afwegingskader adviezen hoe de risicoanalyse van de ZZS in afval uit te voeren. <br> <br>De handreiking bestaat uit een stappenschema op basis waarvan een vergunninghouder kan afwegen of het afval veilig te recyclen is. Daarvoor moet de vergunninghouder eerst nagaan of de ZZS afgescheiden kunnen worden van de afvalstroom. Dit heeft de voorkeur. Als dat niet kan, is een risicoanalyse nodig van het ZZS-houdende afval voor de beoogde toepassing. De uitkomst daarvan geeft uitsluitsel of de risico's van de aanwezige ZZS aanvaardbaar zijn of niet. <br> <br>Uitgangspunt voor de risicoanalyse zijn de aspecten die volgens LAP3 dienen te worden meegewogen. Een voorbeeld is de mate waarin de ZZS uit het beoogde product vrijkomt. Als de risico's nog onvoldoende helder zijn, biedt het stappenplan een mogelijkheid om ze nader te bepalen. Als de risico's dan nog onaanvaardbaar blijken, kan geen vergunning worden afgegeven voor de toepassing. Er zal dan naar een minder risicovolle toepassing van het ZZS-houdende afval gezocht moeten worden, waarbij de risico's wel aanvaardbaar blijken. <br> <br>Het afwegingskader geeft wat meer achtergrondinformatie over enkele aspecten uit LAP3. Daarnaast biedt het overwegingen en aanbevelingen om de risicoanalyse verder te ontwikkelen. <br>
    • Bisphenol A : Part 1. Facts and figures on human and environmental health issues and regulatory perspectives

      Bakker J; te Biesenbeek JD; Boon PE; Bos P; van Broekhuizen FA; Geertsma R; Geraets L; de Jong W; Mennes W; Palmen NGM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-02)
      Bisfenol A (BPA) is een industrieel gefabriceerde stof die in veel producten zit, zoals verschillende soorten kunststof die worden toegepast in onder meer bouwmaterialen, verpakkingsmateriaal van voedsel, speelgoed en medische hulpmiddelen, kassabonnetjes en verven en coatings. BPA heeft effect op het hormoonsysteem, waardoor er momenteel discussie is over mogelijke schadelijke effecten. Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van de belangrijkste afgeronde en nog lopende nationale en internationale beoordelingen van mogelijke risico's van BPA voor mens en milieu, en de onzekerheden daarin. Op basis van wetenschappelijke studies die tot nu toe zijn gepubliceerd is niet duidelijk of BPA bij de huidige blootstellingsniveaus schadelijk is voor mensen. De blootstelling aan BPA via consumentenproducten, voeding en medische hulpmiddelen is lager dan de huidige waarde die acceptabel wordt geacht. Er zijn wel indicaties dat blootstellingen van werknemers die met BPA werken, een risico kunnen vormen. Vervolgonderzoek is nodig om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Ook kunnen de nog lopende beoordelingen van BPA leiden tot een bijstelling van de nu gehanteerde waarde waaronder blootstelling acceptabel wordt geacht. Daarnaast kunnen hormoonverstorende effecten bij organismen in het milieu optreden. Het is alleen niet duidelijk in welke mate en bij welke concentratie dat gebeurt. In het laboratorium zijn effecten waargenomen nadat waterorganismen direct aan hoge concentraties zijn blootgesteld. De voortplanting en de ontwikkeling van onder meer vissen en waterslakken raakt dan verstoord. In de praktijk zijn de concentraties in water lager en worden zulke effecten niet gezien. Wetenschappers verschillen van inzicht over de mogelijkheid dat deze effecten ook bij zeer lage blootstellingen optreden. Wel is zeker dat BPA zich ophoopt in sediment, waardoor lokaal hoge concentraties kunnen ontstaan die mogelijk schadelijk zijn voor in sediment levende organismen, zoals wormen. In sommige wetenschappelijke studies wordt bezorgdheid geuit over mogelijke risico's van huidige blootstellingniveaus voor het ongeboren kind, baby's en jonge kinderen. Naar verwachting zijn zij gevoeliger voor hormoonverstorende effecten dan volwassenen doordat hun lichaam nog niet volgroeid en sterk in ontwikkeling is. Daarbij kunnen zij aan relatief hogere concentraties blootstaan, bijvoorbeeld door te sabbelen op speelgoed, en vanwege hun geringe lichaamsgewicht. Het is echter onzeker of deze blootstelling een gezondheidsrisico veroorzaakt. De kennis over de mogelijke hormoonverstorende effecten van BPA op de gezondheid is sterk in ontwikkeling. In de EU en in verschillende Europese landen waaronder Nederland zijn preventief maatregelen genomen om de risico's op nadelige gezondheidseffecten te verminderen. Eind 2014, begin 2015 zullen verschillende belangrijke nu lopende Europese beoordelingen van BPA worden afgerond. In de loop van 2015 zal het RIVM de uitkomsten van deze nog lopende beoordelingen meenemen in een vervolgstudie waarin de risico's van BPA nader zullen worden geduid. Hierop wordt een beleidsadvies gebaseerd waarin zal worden aangegeven of eventuele aanvullende maatregelen in Nederland nodig zijn om de mogelijke risico's van BPA voor mens en milieu te beperken.
    • Bisphenol A : Part 2. Recommendations for risk management

      Bakker J; Hakkert BC; Hessel EVS; Luit RJ; Piersma AH; Sijm DTHM; Rietveld AG; van Broekhuizen FA; van Loveren H; Verhoeven JK; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-03)
      In 2014 en 2015 zijn de Europese normen voor een veilige blootstelling aan Bisfenol A (BPA) van werknemers en consumenten aangescherpt. Het RIVM concludeert dat nieuwe inzichten voldoende aanleiding vormen om verdere aanscherping van de normen te overwegen en stelt voor op korte termijn aanvullende maatregelen te treffen die de blootstelling aan BPA verder verminderen. Bisfenol A (BPA) is een stof die in veel producten zit, zoals kassabonnen, bouwmaterialen (verf en coatings), verpakkingsmateriaal van voedsel, speelgoed en medische hulpmiddelen. BPA is bij een te hoge blootstelling schadelijk voor de vruchtbaarheid en kan effect op het hormoonsysteem hebben. Nieuwe studies laten zien dat BPA het immuunsysteem van de ongeboren vrucht of jonge kinderen kan schaden bij een lager blootstellingsniveau dan het niveau waarop de huidige normen zijn gebaseerd. Dit lagere blootstellingsniveau is van ongeveer dezelfde grootte als de dagelijkse blootstelling van consumenten en werknemers aan BPA. Als gevolg van deze blootstelling hebben mensen mogelijk meer kans om voedselintoleranties te ontwikkelen en kunnen ze gevoeliger voor infectieziekten worden. Op basis van deze nieuwe inzichten wordt de rijksoverheid geadviseerd waar mogelijk op korte termijn de blootstelling aan BPA te verminderen. De bescherming van kleine kinderen, zwangeren en vrouwen die borstvoeding geven verdient hierbij bijzondere aandacht. Kleine en ongeboren kinderen zijn namelijk gevoeliger dan volwassenen voor de effecten van BPA doordat hun lichaam sterk in ontwikkeling is. De blootstelling kan bijvoorbeeld worden verminderd door veilige alternatieven te ontwikkelen, of ervoor te zorgen dat er minder BPA vrijkomt uit producten waar deze stof in wordt gebruikt. Daarnaast kunnen werknemers tegen blootstelling aan BPA worden beschermd. Een lagere blootstelling is ook van belang voor dieren in waterbodems, die nadelige effecten ondervinden bij de huidige BPA-concentratie- niveaus.
    • Evaluatie programma Van Afval naar Grondstof (VANG) 2014 - 2016

      Ganzevles JH; Hollander A; Traas TP; Zwart MH; Zwartkruis JV; ICH; ICH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-09-25)
      Tussen 2014 en 2016 is het programma Van Afval naar Grondstof (VANG) uitgevoerd, als voorloper van het rijksbrede programma 'Nederland circulair in 2050'. De acties van VANG zijn ondertussen afgerond óf opgenomen in het rijksbrede programma, dat in 2016 van start ging. Voor het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) heeft het RIVM geëvalueerd welke doelen en ambities van het VANG-programma in 2016 zijn bereikt. Hieruit blijkt dat veel zaken in gang zijn gezet, maar niet alle doelen zijn behaald. Een versnelling is nodig om ze alsnog te realiseren. Een belangrijk doel was (en is) om minder afval te storten of te verbranden en meer te recyclen. De planning om in tien jaar tijd de hoeveelheid gestort en verbrand afval te halveren (2012 - 2022), blijkt niet op koers te liggen. Inspanningen hiervoor van bedrijven, (lokale) overheden en consumenten blijven nog achter. De hoeveelheid gestort of verbrand afval daalde eerst, maar is daarna weer gestegen (van 86 procent in 2015 naar 92 procent in 2016, vergeleken met de situatie in 2012). Ook het doel om 75 procent van het huishoudelijk afval in 2020 te scheiden, is nog een stevige uitdaging: in 2016 stond de teller op 54 procent. De afvalcijfers vanaf 2017 vielen buiten de kaders van deze evaluatie. Met VANG zijn ook op andere fronten stappen gezet. Een groot deel van het programma was erop gericht om innovatieve oplossingen voor duurzame productie en consumptie te stimuleren. Een voorbeeld is producten slimmer te ontwerpen en te gebruiken, zodat ze minder afval veroorzaken. Producten kunnen bijvoorbeeld langer meegaan door ze geschikter te maken voor reparatie. Het RIVM kan niet aangeven of de doelstellingen voor duurzamere productie en consumptie zijn bereikt, omdat deze algemeen zijn geformuleerd en niet in getallen uitgedrukt. Het RIVM raadt dan ook aan om deze doelstellingen bij nieuw beleid specifieker en beter meetbaar te maken. Deze evaluatie levert bouwstenen voor de formele Beleidsevaluatie Duurzaamheid, die gepland staat voor 2019.
    • Evaluatie programma Van Afval naar Grondstof (VANG) 2014 - 2016

      Ganzevles JH; Hollander A; Traas TP; Zwart MH; Zwartkruis JV; ICH; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-09-25)
      Tussen 2014 en 2016 is het programma Van Afval naar Grondstof (VANG) uitgevoerd, als voorloper van het rijksbrede programma 'Nederland circulair in 2050'. De acties van VANG zijn ondertussen afgerond óf opgenomen in het rijksbrede programma, dat in 2016 van start ging.<br> <br>Voor het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) heeft het RIVM geëvalueerd welke doelen en ambities van het VANG-programma in 2016 zijn bereikt. Hieruit blijkt dat veel zaken in gang zijn gezet, maar niet alle doelen zijn behaald. Een versnelling is nodig om ze alsnog te realiseren. Een belangrijk doel was (en is) om minder afval te storten of te verbranden en meer te recyclen. De planning om in tien jaar tijd de hoeveelheid gestort en verbrand afval te halveren (2012 - 2022), blijkt niet op koers te liggen. Inspanningen hiervoor van bedrijven, (lokale) overheden en consumenten blijven nog achter. De hoeveelheid gestort of verbrand afval daalde eerst, maar is daarna weer gestegen (van 86 procent in 2015 naar 92 procent in 2016, vergeleken met de situatie in 2012). Ook het doel om 75 procent van het huishoudelijk afval in 2020 te scheiden, is nog een stevige uitdaging: in 2016 stond de teller op 54 procent. De afvalcijfers vanaf 2017 vielen buiten de kaders van deze evaluatie.<br> <br>Met VANG zijn ook op andere fronten stappen gezet. Een groot deel van het programma was erop gericht om innovatieve oplossingen voor duurzame productie en consumptie te stimuleren. Een voorbeeld is producten slimmer te ontwerpen en te gebruiken, zodat ze minder afval veroorzaken. Producten kunnen bijvoorbeeld langer meegaan door ze geschikter te maken voor reparatie. Het RIVM kan niet aangeven of de doelstellingen voor duurzamere productie en consumptie zijn bereikt, omdat deze algemeen zijn geformuleerd en niet in getallen uitgedrukt. Het RIVM raadt dan ook aan om deze doelstellingen bij nieuw beleid specifieker en beter meetbaar te maken.<br> <br>Deze evaluatie levert bouwstenen voor de formele Beleidsevaluatie Duurzaamheid, die gepland staat voor 2019.<br>
    • Evaluation of substances used in the GenX technology by Chemours, Dordrecht

      Beekman M; Zweers P; Muller A; de Vries W; Janssen P; Zeilmaker M; ICH; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-12)
      Sinds 2012 gebruikt fabrikant Chemours (Dordrecht) de GenX-technologie om plastics (fluorpolymeren) te maken. Bij deze technologie zijn de omstreden PFOA-verbindingen vervangen door de stoffen FRD-902 en FRD-903 en E1. Naar verwachting vormt de uitstoot van deze stoffen door de fabriek via de lucht geen risico voor de gezondheid van omwonenden. <br> <br>Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) is onderzocht in hoeverre de drie stoffen schadelijk zijn voor omwonenden van de fabriek. Hiervoor is in de wetenschappelijke literatuur en de informatie in de Europese stoffenwetgeving REACH onderzocht wat bekend is over de eigenschappen van de genoemde stoffen. Daarnaast is op basis van zowel de maximaal vergunde hoeveelheid als de emissiegegevens die Chemours heeft verstrekt, berekend in welke mate ze zijn vrijgekomen. <br> <br>FRD-903 wordt gebruikt om FRD-902 te maken. E1 ontstaat tijdens het productieproces. FRD-903 en E1 worden via de fabrieksschoorsteen naar de lucht uitgestoten. Net als PFOA zijn geperfluorideerde koolwaterstoffen FRD-902 en FRD-903 en E1 slecht afbreekbaar in het milieu. Ook veroorzaken FRD-903 en FRD-902 vergelijkbare schadelijke effecten als PFOA (zoals kankerverwekkend en effecten op de lever). Deze stoffen zijn wel minder schadelijk voor de voortplanting dan PFOA; bij PFOA is dit aspect juist de reden om deze stof als zeer zorgwekkend te beschouwen. In tegenstelling tot PFOA lijken FRD-903 en FRD-902 zich niet in de mens op te hopen. <br> <br>Voor FRD-903 en FRD-902 heeft het RIVM een veilige grenswaarde voor de algemene bevolking afgeleid op basis van een worst-case scenario. De concentratie FRD-903 in lucht blijft onder deze grenswaarde. Voor E1 ontbreekt informatie om een grenswaarde te kunnen bepalen. Op basis van de beperkt beschikbare informatie wordt verondersteld dat deze stof waarschijnlijk minder schadelijk is dan PFOA.<br>
    • Historisch overzicht van openbare informatie over de gezondheidseffecten, classificatie en normstelling voor PFOA en DMAC toegespitst op blootstelling van werknemers

      Visser MJ; ter Burg W; Muller JJA; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-23)
      Berichtgeving over de chemiefabriek Dupont/Chemours in Dordrecht heeft naar voren gebracht dat werknemers in het verleden mogelijk zijn blootgesteld aan de stoffen PFOA (perfluoroctaanzuur) of de bijbehorende zouten en aan DMAC (N,N-dimethylacetamide). Dit was voor de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding om een eenmalig diepgaand onderzoek naar de feiten te laten uitvoeren. Om de feiten in hun juiste context te kunnen bezien, heeft het RIVM de opdracht gekregen om de destijds bekende gezondheidsrisico's en geldende normstelling voor de stoffen in kaart gebracht. Met dit overzicht wordt het mogelijk de feiten omtrent het gebruik van deze stoffen door Dupont, de destijds gehanteerde werkprocessen en de daarbij behorende risicobeheersingsmaatregelen in perspectief te plaatsen. In dit rapport geeft het RIVM met behulp van een tijdlijn weer wanneer welke wetenschappelijke kennis over de gezondheidseffecten van deze stoffen openbaar is geworden. Daarnaast wordt aangegeven wanneer welke nationale en internationale maximale concentraties golden voor blootstelling aan deze stoffen op de werkplek (grenswaarden). De tijdlijn bevat ook de ontwikkeling van de gevaarsindeling van de stoffen in de (Europese) regelgeving. Voor dit overzicht is de openbare wetenschappelijke literatuur doorzocht op informatie over de gezondheidseffecten van de genoemde stoffen, evenals de evaluaties van deze stoffen door gezaghebbende instanties. Ook is geïnventariseerd op welk moment de studies voor het eerst openbaar zijn gemaakt. Dit is niet altijd met zekerheid vast te stellen. De kwaliteit van de wetenschappelijke onderzoeken is niet beoordeeld.
    • Jaarverslag Bureau REACH 2016 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-13)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij, van weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen tot oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is er Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM de uitvoering van deze Europese wetgeving. Dit jaarverslag beschrijft de activiteiten in hoofdlijnen over 2016 en belicht enkele specifieke cases. Bureau REACH stelt onder andere dossiers op om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof te vragen, of om de stof te identificeren als zeer ernstige zorgstof. Ook kan de classificatie van een stof Europees worden vastgesteld. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Bureau REACH 2017 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; van Goor-Gras J; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij. Voorbeelden zijn weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen en oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) en (buitenlandse) overheden bij de uitvoering van REACH en CLP. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2017 en belicht enkele specifieke cases. Zo was er in 2017 veel aandacht voor nieuwe stoffen waarover zorgen bestaan in bijvoorbeeld drinkwater (zoals GenX) en risico's als mensen aan verschillende stoffen tegelijk bloot worden gesteld. Als de risicoanalyse van stoffen nog vragen oproepen, kan Bureau REACH de producent of importeur om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof vragen. Op basis van de uitkomst wordt bepaald of een stof als zeer ernstige zorgwekkende stof (ZZS) moet worden getypeerd. Ook kan Bureau REACH voorstellen indienen om stoffen in te delen op basis van Europees vastgestelde gevaren (classificatie volgens CLP). Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de gevaarseigenschappen van een stof op etiketten aangeduid moeten worden zodra deze boven de grenswaarde in een product aanwezig is. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers van stoffen die door andere landen en de industrie worden ingediend.
    • Jaarverslag Bureau REACH 2017 : Grip op chemische stoffen

      Beekman M; Zweers P; van Goor-gras J; ICH; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-01)
      Chemische stoffen zijn niet weg te denken uit onze maatschappij. Voorbeelden zijn weekmakers in plastic, brandvertragers in matrassen en oplosmiddelen in verf. Om ervoor te zorgen dat veilig met deze stoffen wordt omgegaan, zowel tijdens de productie als bij het gebruik, is Europese wetgeving opgesteld. De belangrijkste zijn twee Europese verordeningen: REACH (registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen) ) en CLP (classificatie, labelling en packaging van stoffen en mengsels). <br> <br>In opdracht van de ministeries I&M, VWS en SZW ondersteunt en adviseert Bureau REACH van het RIVM het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) en (buitenlandse) overheden bij de uitvoering van REACH en CLP. Dit jaarverslag beschrijft in hoofdlijnen de activiteiten in 2017 en belicht enkele specifieke cases. Zo was er in 2017 veel aandacht voor nieuwe stoffen waarover zorgen bestaan in bijvoorbeeld drinkwater (zoals GenX) en risico's als mensen aan verschillende stoffen tegelijk bloot worden gesteld. <br> <br>Als de risicoanalyse van stoffen nog vragen oproepen, kan Bureau REACH de producent of importeur om aanvullende informatie over de schadelijkheid van een stof vragen. Op basis van de uitkomst wordt bepaald of een stof als zeer ernstige zorgwekkende stof (ZZS) moet worden getypeerd. Ook kan Bureau REACH voorstellen indienen om stoffen in te delen op basis van Europees vastgestelde gevaren (classificatie volgens CLP). Daarbij worden afspraken gemaakt over hoe de gevaarseigenschappen van een stof op etiketten aangeduid moeten worden zodra deze boven de grenswaarde in een product aanwezig is. Verder beoordeelt Bureau REACH dossiers van stoffen die door andere landen en de industrie worden ingediend. <br>
    • Ketenanalyse brandstoffen en brandstofadditieven

      Bakker J; Theodori D; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-06)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van Nederlandse bedrijven die brandstoffen en brandstofadditieven produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken. Daarnaast is informatie over brandstoffen en de hieraan toegevoegde additieven verzameld zoals welke chemische stoffen hiervoor worden gebruikt, wat de gevaarseigenschappen van deze stoffen zijn en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving. De ILT wil dit overzicht gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving. Het rapport concentreert zich vooral op de toeleveringsketen van brandstoffen die gemaakt zijn van aardolie. Brandstoffen op basis van aardolie worden in alle sectoren van de economie gebruikt, het meeste in de transportsector. De keten voor brandstoffen en additieven is complex en bestaat uit veel schakels. Sommige schakels in de keten vervullen tegelijkertijd meerdere rollen, bijvoorbeeld die van producent, bereider van mengsels (formuleren) en importeur. Als aardolieproducten en additieven schadelijke (kankerverwekkende) eigenschappen hebben, kunnen ze op internationale stoffenlijsten komen te staan die het gebruik ervan verbieden of beperken. Tegenwoordig worden veel brandstoffen op basis van minerale aardolie niet meer als kankerverwekkend en mutageen geclassificeerd. Ze zijn vaak dusdanig geraffineerd dat ze slechts weinig ongewenste stoffen bevatten. Een uitzondering hierop zijn bijvoorbeeld bunkeroliën voor de scheepvaart en zware stookoliën. Een belangrijk aandachtspunt is dat de kwaliteit van de informatie in de zogeheten veiligheidsinformatiebladen over stoffen en componenten te wensen over laat; producenten van brandstoffen en brandstofadditieven ontvangen deze informatiebladen van hun leveranciers en verwerken die in de veiligheidsinformatiebladen die ze opstellen voor de volgende schakel in de keten. Enkele producenten van brandstoffen en brandstofadditieven hebben daarom aangegeven zelf de juistheid van de informatie te toetsen. Alleen grote bedrijven hebben echter genoeg deskundigheid in huis om dat te kunnen doen.
    • Ontgassen van MTBE-vervoerende schepen

      Bouwman T; Zandveld P; Raben I; Hulskotte J; van der Maas W; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-03)
      Bij het ontgassen van binnenvaartschepen die de stof MTBE (methyltert- butylether) vervoeren, kunnen restanten MTBE vrijkomen. Het ontgassen gebeurt als de schepen varen, in principe buiten woonwijken. Van MTBE is bekend dat het een hinderlijke geur verspreidt die klachten als hoofdpijn kan veroorzaken. Mensen aan wal kunnen last hebben van de geur, die al bij lage concentraties optreedt. Vanwege de korte blootstellingsduur wordt de kans klein geacht dat bij hen andere directe gezondheidseffecten optreden. Dit blijkt uit een kleinschalig onderzoek van het RIVM dat in samenwerking met TNO is uitgevoerd. Hiervoor is de berekende blootstelling vergeleken met de grenswaarden voor MTBE. Bij de berekeningen die voor dit onderzoek zijn uitgevoerd, is telkens uitgegaan van worst case-scenario's. Daarbinnen zijn de grenswaarden zelden overschreden. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van Kamervragen die in 2013 zijn gesteld over de (geur)overlast bij mensen die in de regio Rijnmond aan de wal wonen. De Tweede Kamer wilde ook weten of het ontgassen van MTBEvervoerende schepen de oorzaak is van de verhoogde MTBEconcentraties die in Nederlands oppervlaktewater zijn aangetroffen. Dat blijkt niet het geval te zijn. MTBE is een stof die wordt toegevoegd aan benzine om de kwaliteit ervan te verbeteren ('antiklopmiddel'). In Nederland vervoeren binnenvaartschepen ongeveer 600 scheepsladingen MTBE per jaar. Wanneer een schip overgaat op een andere scheepslading, wordt het schip gereinigd en ontgast.
    • Progress report on New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs)

      Bakker J; Bruinen de Bruin Y; Hogendoorn E; Kooi M; Palmen N; Salverda J; Traas T; Sijm D; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-26)
      Nationale en internationale wetgeving is erop gericht dat chemische stoffen veilig worden geproduceerd, verwerkt en gebruikt. Zo is in de Europese wetgeving REACH (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen) vastgelegd dat de industrie verantwoordelijk is dat de chemische stoffen die ze op de markt brengen, veilig kunnen worden geproduceerd en gebruikt. Toch kunnen er op korte of lange termijn nieuwe risico's van stoffen voor mens of milieu ontstaan. Van stoffen die al langer worden gebruikt, kunnen ongewenste effecten aan het licht komen als de stof via een andere blootstellingsroute (bijvoorbeeld inhalatie) bij de mens binnenkomt. Ook nieuw op de markt gebrachte stoffen die bijvoorbeeld niet voldoende zijn getest, kunnen de gezondheid van mens en milieu schaden. Voor zowel bestaande als nieuwe stoffen geldt bovendien dat een screening vooraf nooit alle mogelijke schadelijke effecten kan onderkennen. Sinds 2012 doet het RIVM onderzoek naar methoden om dergelijke nieuwe risico's van stoffen, ook wel New or Emerging Risks of Chemicals (NERCs) genoemd op te sporen, zodat tijdig maatregelen kunnen worden genomen. Het gaat hierbij om de blootstelling en nadelige effecten van stoffen voor werkers, consumenten en het milieu. Daarbij kan het gaan om onbekende risico's van bestaande stoffen of risico's van nieuwe stoffen. Dit rapport is een voortgangsrapportage van de onderzoeksresultaten die tot nu toe voor de drie beschermingsgroepen verkregen zijn. In dit onderzoek zijn methodieken ontwikkeld voor het vinden van potentiële NERCs. Een voorbeeld hiervan is de signalering van diacetyl als nieuw risico voor Werkers. Blootstelling van werkers via de lucht aan smaakstoffen die diacetyl bevatten kan zeer ernstige luchtwegaandoeningen veroorzaken en kan bijvoorbeeld vrijkomen bij de productie van popcorn. Als maatregel hiervoor wordt aanbevolen om een veilig blootstellingsniveau op te stellen, en beschermingsmaatregelen te treffen, zoals het gebruik van luchtfilters, om de gevolgen te beperken. Een strategie is in ontwikkeling waarbij de methodieken geïntegreerd worden om na te gaan in hoeverre een gesignaleerde NERC ook voor de andere beschermingsgroepen schadelijk kan zijn.
    • REACHing out to the bio-based economy : Perspectives and challenges of EU chemicals legislation

      Luit RJ; Waaijers-van der Loop SL; Heugens EHW; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-22)
      The Dutch National Institute for Public Health and the Environment (hereafter: RIVM) recently investigated how the bio-based economy, more specifically the bio-based chemistry sector, relates to the EU REACH Regulation on chemicals. From this investigation, RIVM learnt that REACH may actually be an opportunity rather than the administrative hurdle that it is often perceived to be. To conduct their analysis, RIVM provided an overview of the daily practice issues encountered by bio-based companies with respect to their roles and obligations under REACH. The analysis was performed on the bio-based economy-related queries received by the Dutch REACH helpdesk between 2013 and 2015. The issues were grouped and discussed under the REACH process categories that they pertain to, namely: registration, authorisation and restriction. The majority of questions submitted focussed on registration and exemption opportunities. It is well known that smaller companies, in particular, perceive REACH as a hurdle and often do not have enough knowledge about the consequences that this legislation can have on their own business situation. For aspects like the scope and applicability of REACH exemptions, what is most important is that better clarifications are provided which give companies insight into their duties and show what possibilities there are for them to use exemption clauses. The more complex issues, such as those concerning substance identity and resource recovery from waste, require attention from policy makers. Details about the borderlines between waste, which is covered by specific legislation, and the substances and products which fall under the remit of REACH, need to be more clearly elaborated. From a legal and safety perspective it is useful, and understandable, that 'a chemical is a chemical' under the REACH regulation, irrespective of the source feedstock. However, from a practical point of view, it is noted that some registration exemptions may be specifically applicable to bio-based manufacturers. This means that if certain conditions are met, the REACH registration obligations will be less of a burden to some of the bio-based manufacturers. REACH also offers all bio-based manufacturers the opportunity to develop safe bio-based alternatives to substances which are currently of very high concern.
    • Risicoschatting van de toevoeging van Gasodor S-Free aan aardgas

      van Kesteren PCE; de Knecht JA; van Iersel P; te Biesebeek JD; Palmen NGM; Bakker J; Puts CF; Guichelaar SK; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-31)
      Om te herkennen wanneer te veel aardgas vrijkomt, en zo explosies te voorkomen, wordt er een geurstof aan toegevoegd. De huidige geurstof (tetrahydrothiofeen) bevat zwavel. Om de uitstoot van zwavel naar het milieu verder te verminderen onderzoekt Gasunie Transport Services de mogelijkheid om een andere, zwavelvrije geurstof, toe te voegen: Gasodor S-Free. Vanwege het omvangrijke gebruik van aardgas is het van belang voldoende zicht te hebben op mogelijke risico's van dit product. Het RIVM heeft onvoldoende informatie kunnen vinden om vast te stellen of het gebruik van Gasodor S-Free als geurstof in aardgas veilig is. De zorg bestaat dat dit product allergische reacties kan veroorzaken als het wordt ingeademd. Het gebruik van Gasodor S-Free wordt afgeraden totdat meer duidelijk is over het mogelijke risico op allergische reacties. Het RIVM geeft aanbevelingen voor vervolgonderzoek om het risico op deze reacties beter te kunnen beoordelen. Gasodor S-Free is een mengsel van drie stoffen, voornamelijk ethylacrylaat en methylacrylaat (samen 95 procent of meer), en een kleine fractie 2-ethyl-3-methylpyrazine. Mogelijke gevolgen van de twee hoofdbestanddelen zijn op basis van de huidige kennis niet goed te beoordelen. Bekend is dat ethylacrylaat en methylacrylaat de luchtwegen kunnen irriteren, maar door de lage concentraties worden geen normen overschreden. Ook zijn ze niet kankerverwekkend. Het is bekend dat beide stoffen allergische reacties kunnen veroorzaken bij huidcontact. Vergelijkbare effecten zouden ook kunnen optreden als de stof wordt ingeademd, maar dit kan op basis van de beschikbare informatie niet worden beoordeeld. Over nadelige effecten van de derde stof (2-ethyl-3-methylpyrazine) is onvoldoende informatie beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over mogelijke effecten op mens en milieu.
    • Risk assessment of an increased concentration limit of benzene in natural gas

      van Kesteren PCE; te Biesebeek JD; Palmen NGM; Bakker J; Muller JJA; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-09-05)
      Benzeen is een vluchtige vloeistof die kankerverwekkend is. Om te voorkomen dat het risico's voor de gezondheid vormt, is het gebruik van benzeen wettelijk beperkt. Voor de huidige Europese stoffenwetgeving REACH wordt de maximaal toegestane aanwezigheid van benzeen in aardgas aangegeven als een gewichtspercentage (0,1 procent overeenkomend met 1 g benzeen per 1000 g aardgas). Er bestaan plannen om deze duiding gelijk te trekken met de duiding voor gassen in andere wettelijke kaders. Daarin wordt de maximale hoeveelheid als een volumepercentage aangegeven (0,1 procent overeenkomend met 1 liter benzeen per 1000 liter aardgas). Volgens het RIVM is het onwaarschijnlijk dat deze omzetting gezondheidsrisico's kan veroorzaken bij reguliere situaties waarin mensen via aardgas blootstaan aan benzeen. Dit geldt bijvoorbeeld voor consumenten thuis bij het gebruik van aardgas in de keuken, of voor werknemers die werkzaamheden uitvoeren bij gasleidingen, meetstations en dergelijke. In deze situaties blijft de blootstelling aan benzeen onder de grenswaarde. Voor enkele situaties is het niet bekend of er gezondheidsrisico's ontstaan. Volgens de huidige gegevens zou er een risico voor de gezondheid kunnen ontstaan bij kleine lekkages van aardgas in huis die niet worden opgemerkt, of bij industrieel gebruik, zoals onderhoudswerkzaamheden. Dit geldt echter zowel voor de huidige limiet als voor de 'nieuwe' limiet op basis van volume. Er zit echter veel onzekerheid in de geschatte blootstellingsniveaus en de kans dat zulke blootstellingssituaties zich voordoen is klein. Meer informatie is nodig over de daadwerkelijke blootstelling bij dergelijke situaties om een realistischere schatting te kunnen maken.
    • Wetted surface area of recreational boats

      Bakker J; van Vlaardingen PLA; ICH; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-18)
      The wetted surface area of recreational craft is often treated with special paint that prevents growth of algae and other organisms. The active substances in this paint (antifouling) are also emitted into the water. The extent of this emission is among others determined by the treated surface area. The RIVM has developed a method to calculate the wetted surface area of recreational craft based on boat length. This is essential to assess the environmental effects associated with these emissions. The final result of this study is a weighted average value for the wetted surface area of recreational craft in Dutch marinas, including separate values for salt water, transitional waters, and fresh surface water. Paints sold with this purpose are known as biocides. The safety of biocides for both humans and the environment is assessed during the authorisation phase of biocidal products. The active substance in antifouling paint may also be toxic to organisms other than those on the ship's hull.
    • Zeer Zorgwekkende Stoffen : Screening op aanwezigheid in het milieu

      van Leeuwen LC; ICH; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-11-25)
      De Nederlandse overheid pakt Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) met voorrang aan. Het RIVM heeft daarom onderzocht welke stoffen binnen de ZZS direct aandacht vragen. Dat is het geval als ze vrijkomen of in Nederland in het milieu aanwezig zijn. Bij het merendeel van de onderzochte ZZS kan dat niet op voorhand worden uitgesloten. Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn gevaarlijk voor mens en milieu, bijvoorbeeld omdat ze kankerverwekkend kunnen zijn, het voortplantingsproces kunnen schaden of zich in de voedselketen kunnen ophopen. Voorbeelden van ZZS zijn het oplosmiddel benzeen en broomhoudende vlamvertragers. Doel van het overheidsbeleid is om deze stoffen zoveel mogelijk uit de Nederlandse leefomgeving te weren. Dit gebeurt onder meer door ZZS door minder gevaarlijke stoffen te vervangen, of door in vergunningen regels te stellen om lozingen op water en uitstoot naar de lucht te beperken. Voor Nederland relevante ZZS vragen als eerste aandacht. Deze stoffen worden gemeten in het milieu, of komen mogelijk vrij als gevolg van productie en gebruik, of ze ontstaan en komen vrij als onbedoeld bijproduct. Ze kunnen op allerlei plaatsen worden ingezet in de keten van ontwikkeling, productie en gebruik van producten en op uiteenlopende manieren. Dit maakt het moeilijk om aan te geven welke specifieke stoffen of stofgroepen direct aandacht vanuit het beleid vragen om zo risico's voor mens en milieu te verminderen. Het RIVM draagt daarom verschillende suggesties voor vervolgonderzoek aan. Dit betreft onder andere onderzoek naar de beleidsmogelijkheden om mogelijke risico's verder te beperken van ZZS in het algemeen, en de groep (grondstoffen voor) kleurstoffen in het bijzonder. Ook stelt het RIVM voor om de diverse prioriteringsmethoden die nu voor verschillende categorieën stoffen bestaan (zoals consumentenproducten en stoffen op de werkvloer) te combineren. Op die manier zou preciezer kunnen worden aangegeven welke ZZS voor Nederland relevant zijn. Op verzoek van de opdrachtgever zijn voor deze screening uitsluitend openbare bronnen over stoffengegevens gebruikt en is de industrie niet om bedrijfsgevoelige informatie gevraagd.