• Aanvullend onderzoek naar concentraties koper, chroom en arseen in luchtstof, bodem en gras bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland

      Mennen MG; Knol-de Vos T; Fortezza F; van de Beek ACW; Ritsema R; Piso S; Kliest JJG; LAC; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-02)
      Beschreven wordt een aanvullend onderzoek naar de luchtconcentraties en de verspreiding van koper, arseen en chroom bij twee van de circa dertig houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Het aanvullend onderzoek had tot doel meer duidelijkheid te krijgen omtrent enkele onzekerheden in de conclusies van het eerder uitgevoerd onderzoek. Het aanvullend onderzoek bestond uit concentratiemetingen van grof stof en daarin aanwezig koper, chroom en arseen bij de houtopslag van een houtverduurzamingsbedrijf tijdens een periode van warm, droog weer met hoge windsnelheden (zo'n periode had zich tijdens het eerder uitgevoerd onderzoek niet voorgedaan). Daarnaast zijn enkele bodem- en grasmonsters genomen in de directe omgeving van twee houtverduurzamingsbedrijven. Deze monsters zijn geanalyseerd op koper, chroom en arseen. Doel hiervan was de resultaten van verspreidings- en depositieberekeningen uit het voorafgaande onderzoek te verifieren. Bij de grof stof metingen bij droog, winderig weer werden benedenwinds van de houtopslag concentraties aerosoldeeltjes en daarin aanwezig koper, arseen en chroom gemeten die vergelijkbaar waren met de waarden die in het eerder onderzoek zijn gemeten tijdens meer vochtige dan wel windstille perioden. In de meeste bodem- en grasmonsters werden vrijwel geen aantoonbaar verhoogde gehaltes koper, chroom en arseen gemeten ten opzichte van waarden die op achtergrondlocaties zijn gevonden. Hieruit werd afgeleid dat verspreiding en depositie van koper-, chroom- en arseenhoudende aerosoldeeltjes afkomstig van de houtverduurzamingsbedrijven niet leidt tot aantoonbare verontreiniging van bodem en gras rond de bedrijven. Dit is in overeenstemming met de resultaten van de verspreidings- en depositieberekeningen uit het voorafgaande onderzoek. Op een locatie zijn wel hoge gehaltes koper, chroom en arseen gevonden in de bodem, maar gebleken is dat deze verontreiniging zeer waarschijnlijk een gevolg is van vroegere activiteiten. Op basis van dit aanvullend onderzoek blijven de conclusies betreffende risico's voor omwonenden en milieu uit het eerder uitgevoerde onderzoek ongewijzigd, d.w.z. dat de gemiddelde concentraties koper, chroom en arseen in de lucht aan de rand van de bedrijfsterrein en daaromheen beneden de toxicologische adviesgrenswaarden en Maximaal Toelaatbare Risicoconcentraties voor langjarige inhalatoire blootstelling liggen. De verspreiding en depositie van koper-, chroom- en arseenhoudende aerosoldeeltjes afkomstig van de houtverduurzamingsbedrijven leidt niet tot aantoonbare verontreiniging van bodem, gewassen en oppervlaktewater rond de bedrijven.
    • De aanwezigheid van methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Morgenstern PP; Korte GAL de; Hogendoorn EA; Versteegh JFM; LWD; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-21)
      In 2001 the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) in the Netherlands conducted a drinking water measurement programme in co-operation with the Netherlands Waterworks Association (VEWIN) for methyl tert-butyl ether (MTBE) in drinking water and the corresponding sources. This study, consisting of two sampling periods, shows a generally low concentration of MTBE in drinking water at the selected drinking water plants. The selection of sampling locations was based on the vulnerability of the water catchment area. Measurements in the June/July period showed a concentration of <0.01 ug/l in 22 samples of raw water; the average concentration was 0.07 ug/l and the highest 0.42 ug/l. The average concentration in drinking water in September/October was 0.09 ug/l and the maximum 2.9 ug/l. This maximum concentration was unusual, considering that the second highest value was 0.14 ug/l MTBE. The raw water (both groundwater and surface water) samples registered a concentration of <0.5 ug/l; the highest concentration in surface water was 3.2 ug/l. However, at one location a relatively high concentration (11.9 ug/l) was found in an individual groundwater well. This contamination could be attributed to a local source. The main conclusion here is that MTBE occurs in drinking water, although the concentrations are generally very low (<0.14 ug/l), with a maximum value of 2.9 ug/l. There are no effects on health expected. It is, however, recommended to screen for MTBE in groundwater at locations with a history of or experience with soil contamination. Taking precautions for future spills at petrol stations remains priority number one.
    • De aanwezigheid van methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Morgenstern PP; de Korte GAL; Hogendoorn EA; Versteegh JFM; LWD; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-21)
      Het RIVM heeft in samenwerking met VEWIN in 2001 een meetprogramma uitgevoerd voor de stof methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen. In de periode juni/juli 2001 is een orieenterend meetprogramma uitgevoerd. De concentratie MTBE in ruwwater van 22 pompstations (in totaal werden 63 pompstations bemonsterd) was lager dan de rapportagegrens (0.01) ug/l. De overige ruwwatermonsters hadden waarden tussen 0.01 ug/l en 0.42 ug/l. De gemiddelde concentratie was 0.07 ug/l. Naar aanleiding van deze resultaten werden in de periode september/oktober de pompstations met een waarde boven de rapportagegrens bemonsterd. De concentratie MTBE in ruwwater was gemiddeld 0.13 ug/l. In totaal werden 51 pompstations bemonsterd. De concentraties in de monsters oppervlaktewater waren relatief hoog, met als hoogste waarde 3.2 ug/l (oppervlaktewatermonster uit het Lekkanaal bij Nieuwegein). De hoogste concentratie in de grondwatermonsters was 11.9 ug/l in een individuele grondwaterput nabij een benzinestation in Zutphen. De overige ruwwatermonsters (zowel grondwater als oppervlaktewater) bevatten oncentraties MTBE lager dan 0.5 g/l. De gemiddelde concentratie MTBE in reinwater (drinkwater) was 0.09 ug/l. De hoogste waarde was 2.9 ug/l bij het pompstation in Zutphen. Hiervoor is een aanwijsbare oorzaak, namelijk een verontreiniging in het waterwingebied. De gevonden waarde is lager dan de uit de literatuur bekende geur- en smaakgrens (range: 5 - 40 ug/l). De concentratie van 2.9 ug/l wordt uit gezondheidsoogpunt als veilig beschouwd. In alle overige reinwatermonsters was de concentratie MTBE lager dan 0.2 ug/l. Uit het onderzoek blijkt dat de concentratie MTBE in het Nederlandse drinkwater in het algemeen erg laag is. Voor de gevonden concentraties zijn, op basis van verschillende studies, geen gezondheidskundige effecten te verwachten.<br>
    • Bodemluchtonderzoek met de Gassonde

      Knol - de Vos T; Fortezza F; Kliest JJG; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      The method of soil-air gas-sampling and -analysis was used to investigate the effect of measured increase in the concentration of tetrachloroethylene emission from a soil site. Specifically, the method was to dertemine if a measured increased concentration of this compound in air was caused by the emission of this compound from the soil of former dumping sites consisting of ground boring sludge and/or of domestic wastes. A soil-airgas probe was bored into the ground, after which soil-airgas was sampled through a capillary tube. The soilgas was analysed then with a portable gaschromatograph equipped with a photo-ionisation detector. It does not seems very likely, that the increased tetrachloroethylene concentration of this compound in the air was caused by its emission from the soil. This is beacause of the low concentrations of this compound tetrachloroethylene measured in the sampled soil air gas.
    • Bodemluchtonderzoek met de Gassonde

      Knol-de Vos T; Fortezza F; Kliest JJG; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-10-26)
      De methode van bodemluchtbemonstering en -analyse is gebruikt om na te gaan of een vastgestelde verhoogde concentratie tetrachlooretheen in de buitenlucht veroorzaakt wordt door uitdamping van deze verbinding uit de bodem van een boorslibdepot en/of een voormalige huisvuilstortplaats. Een bodemsonde wordt in de grond gebracht, waarna via een capillaire buis lucht uit de bodem wordt aangezogen. Deze lucht is met een draagbare gaschromatograaf met fotoionisatiedetector geanalyseerd op tetrachlooretheen. Gezien de lage concentraties tetrachlooretheen die in de bodemlucht zijn gemeten, is het onwaarschijnlijk dat de concentratieverhoging van deze component in de buitenlucht wordt veroorzaakt door uitdamping ervan uit de bodem.<br>
    • Concentraties van totaal en zeswaardig chroom, arseen en koper in de lucht bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Evaluatie van de risico's voor omwonenden

      Mennen MG; Knol-Vos de T; Fortezza F; Piso S; Koot W; Ritsema R.; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; LLO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      Air emissions and concentrations of copper, arsenic and chromium (both hexavalent and total chromium) were studied at wood preservation plants in the Netherlands. The aim of the study was to obtain a broad idea of the emissions and immissions of these components in air at wood preservation plants, as well as to assess the possible human health risks and contamination of the soil and surface water in the plant's surroundings. The concentrations of total chromium, copper and arsenic near the autoclaves, the fixation tanks, at the edge of the enclosure, leeward of the stored woodpiles, and at the reference locations were below the detection limit. Two successive measurements near a pile of freshly treated wood yielded concentrations of 21, 7, 108 and 83 ng m-3 for arsenic, hexavalent chromium, total chromium and copper, respectively. The chromium emitted from the autoclaves was mainly hexavalent, while at the fixation tanks approximately 10% of the chromium was hexavalent. At the edge of the enclosure and near the woodpiles this was less than 5%. The emitted chromium, copper and arsenic were found mainly in the inhalable (< PM10) aerosol fraction. These concentrations were below the advised healthy levels and maximum permissible risk levels for inhalable exposure of these compounds. The estimates for oral and dermal exposure were found negligible. Relatively high levels of hexavalent chromium and arsenic were found for a few short measurements near one of the autoclaves. From the occupational health point of view, this might require more specific focus. The concentrations of copper, arsenic and total chromium in the soil and surface water near the plants were calculated using an atmospheric transport model. These calculated concentrations did not exceed the Dutch target, intervention and background values for soil, and the limit and background values for surface water.
    • Concentraties van totaal en zeswaardig chroom, arseen en koper in de lucht bij houtverduurzamingsbedrijven in Nederland. Evaluatie van de risico&apos;s voor omwonenden

      Mennen MG; de Knol-Vos T; Fortezza F; Piso S; Koot W; Ritsema R; Janssen PJCM; Kliest JJG; IEM; LLO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      Het doel van dit onderzoek was om een zo breed mogelijk beeld te krijgen van: de luchtemissies en -concentraties van koper, arseen en totaal en zeswaardig chroom bij houtverduurzamingsbedrijven; de mogelijke gezondheidsrisico's voor omwonenden; de milieubelasting van bodem en oppervlaktewater in de omgeving van de bedrijven. De concentraties totaal chroom, koper en arseen bij de autoclaven, de fixeerinstallaties en op de terreingrens, benedenwinds van de houtopslag en de referentielocaties bleken beneden de detectielimiet. Bij twee opeenvolgende metingen vlakbij een partij vers behandeld, nog nadampend hout werd gemiddeld 21, 7, 108 en 83 ng m-3 voor resp. arseen, zeswaardig chroom, totaal chroom en koper gevonden. Het uit de autoclaven geemitteerde chroom was grotendeels zeswaardig. Bij de fixeerinstallaties was ongeveer 10% van het geemitteerde chroom zeswaardig, bij de terreingrens en benedenwinds van de houtopslag was dit minder dan 5%. Het koper, chroom en arseen bevonden zich vooral in inadembare aerosoldeeltjes (de zgn. PM10 fractie). Deze concentraties lagen gemiddeld beneden de adviesgrenswaarden en Maximaal Toegestane Risico concentraties van de onderzochte componenten voor langjarige blootstelling. De orale en dermale blootstelling zijn gering. Met behulp van een atmosferisch transportmodel zijn de concentraties berekend van koper, chroom (totaal) en arseen in de bodem en het oppervlaktewater in de omgeving van de bedrijven. Ook deze concentraties liggen beneden de streef-, interventie- en achtergrondwaarden voor bodem en de grens- en achtergrondwaarden voor oppervlaktewater in Nederland.<br>
    • Consequenties van ijzercyanidecomplexen in strooizout

      Brinkmann FJJ; Fortezza F; Willemsen WH; IEM; LWD (1997-01-31)
      Op grond van een vraag over de implicaties van het gebruik van complexe ijzercyaniden als antiklonteringsmiddel in strooizout, zijn zowel de humaan-toxicologische als de eco-toxicologische risico's van dergelijk gebruik nader ge-evalueerd. Directe risico's bleken niet aanwezig. Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de cyanidegehalten in monsters zuiveringsslib uit plaatsen met een gemengd rioolstelsel. Deze monsters werden genomen kort na afloop van de vorstperiode en de be-eindiging van de gladheidsbestrijding begin 1996. Uit dit onderzoek is gebleken dat de cyanidegehalten in dit slib de grenswaarde benaderen, waarbij het slib moet worden beschouwd als een gevaarlijke afvalstof. Onder speciale omstandigheden, zoals een extra hoge dosering strooizout, zullen zich dus moeilijkheden kunnen voordoen bij de afzet en de verwerking van slib afkomstig van zuiveringsinstallaties die gekoppeld zijn aan een gemengd rioolstelsel.
    • Consequenties van ijzercyanidecomplexen in strooizout

      Brinkmann FJJ; Fortezza F; Willemsen WH; IEM; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-01-31)
      As a prevention of lumping small quantities of iron-cyanide-complexes (15-60 mg CN/kg) are added to the salt for icy roads. It is shown that these concentrations pose no risks to health or ecosystems. After a winterperiod however, sludge from waste-water treatment plants may contain concentrations close to 50 mg CN/kg, the Dutch limit for chemical waste.
    • Eindrapportage. Invoering en gebruik van een geautomatiseerd registratiesysteem voor binnenmilieuklachten t.b.v. gezondheidsdiensten

      Bruggen M van; Fast T; Pronk CW; IEM; GGenGD ASD (1995-01-31)
      In dit rapport wordt een beschrijving gegeven van bij gezondheidsdiensten (ggd's) gemelde klachten over de kwaliteit van het binnenmilieu. Het gaat om klachten gemeld bij die ggd's die tussen 1991 en 1994 gebruik maakten van het geautomatiseerde registratiesysteem BIMI. Circa 40% van de klachten waren gezondheidsklachten, gevolgd door fysisch-chemische klachten (25%). De gezondheidsklachten bestonden voor 33% uit aspecifieke klachten, hoofdpijn, misselijkheid, moeheid, en voor circa 25% uit klachten die verband houden met CARA of hoesten. Van de fysisch-chemische klachten betreft circa 64% klachten over de aanwezigheid van vocht en schimmels. Na huisbezoek en indien nodig verder onderzoek, blijkt zo'n 20% van de klachten uiteindelijk ongegrond. In het rapport wordt verder nog ingegaan op de implementatie van dit systeem en de omstandigheden die gebruik door een meerderheid van ggd's in de weg hebben gestaan.
    • Eindrapportage. Invoering en gebruik van een geautomatiseerd registratiesysteem voor binnenmilieuklachten t.b.v. gezondheidsdiensten

      Bruggen M van; Fast T; Pronk CW; IEM; GGenGD ASD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      An overview is presented of complaints on Indoor Air Quality as submitted to the Municipal Health Services (MHS) between 1991 and 1994. Only results from MHS that were running BIMI (a computerized registration system) were considered. Some 40% of complaints were health related, with major contributions from non-specific complaints like headache and nausea (33%) and complaints related to COLD or coughing (25%). Immediately following health complaints came those on adverse physico-chemical characteristics of the buildings (25%), with emphasis on moulds and moisture (64%). After expert judgment some 20% of all complaints appeared to be unfounded. Additional information is given on the process of implementation of this system among all Dutch MHS, and the problems that were encountered.
    • Emissie en verspreiding van geur en toxische stoffen in de omgeving van de Tweede en Derde Merwedehaven te Dordrecht en de hiermee samenhangende gezondheidsaspecten

      Mennen MG; Bruggen M van; Kliest JJG; Bloemen HJThM; Zwartjes RJW; Fortezza F; Regts TA; Bos HP; Putten EM van; Wiese CJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-10-05)
      Public concern about potential health effects triggered an extensive study into the emissions in an industrial area in Dordrecht. This area houses such structures as an industrial waste dump, a chemical plant, a waste incinerator, a sewage treatment plant and several other industrial plants, emitting mainly VOCs, combustion compounds, odourous components (such as hydrogen sulphide) and heavy metals. As a first step, data from emission inventories and emission measurements were used for dispersion modelling; the resulting environmental exposure data were then compared to - health based - guidelines for air quality. In addition, a monitoring programme was started to measure long-term average and hourly concentrations of several relevant compounds in ambient air. The results served primarily to support the technical assumptions of the dispersion model. Among the conclusions the most important were found to be: 1) that the results of the measurements and the dispersion model calculations were consistent in showing that environmental exposure levels of the emitted contaminants did not even come close to international guidelines for the prevention of long-term health effects; 2) that modelling of odour concentrations demonstrated that odour nuisance could not be excluded, in spite of previous technical measures to suppress emissions from the waste dump. It was proposed that current health complaints of the exposed population might be shaped by episodes of serious odour annoyance in the past.
    • Emissie en verspreiding van geur en toxische stoffen in de omgeving van de Tweede en Derde Merwedehaven te Dordrecht en de hiermee samenhangende gezondheidsaspecten

      Mennen MG; van Bruggen M; Kliest JJG; Bloemen HJThM; Zwartjes RJW; Fortezza F; Regts TA; Bos HP; van Putten EM; Wiese CJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO MilieuEnegie en ProcesinnovatieApeldoorn, 2000-10-05)
      Klachten en bezorgdheid van omwonenden over mogleijke effecten op de gezondheid vormen de aanleiding voor uitgebreide studie naar de emissies in een industrigebied in Dordrecht. In dit gied zijn een stortplaats voor industrieel afval, een chemische fabriek, een vuilverbrandingsinstallatie, een waterzuiveringsinstallatie en diverse andere industrien gevestigd, welke vnl. vluchtige organische verbindingen (VOCs), resten van de vuilverbranding, geuren (zoals H2S) en zware metalen uitstoten. Als een eerste stap zijn de gemeten emissiegegevens gebruikt voor berekeningen met behulp van verspreidingsmodellen; de resultaten van de verspreidingsberekeningen en van de metingen zijn en onderling en met gezondheidskundige grenswaarden en achtergrondconcentraties vergeleken. Bovendien werd een monitoringsprogramma gestart waarin tijdsgemiddelde gehalten van verschillende relevante componenten in de lucht per uur en over een langere termijn werden bepaald. De resultaten zijn in de eerste plaats gebruikt om de technische aannames in het verspreidingsmodel te onderbouwen. De belangrijkste conclusies waren 1: dat de resultaten van zowel de metingen als van de berekeningen met behulp van verspreidingsmodellen lieten zien dat blootstellingniveaus van uitgestoten contaminanten ver onder de internationale richtlijnen voor de preventie van effecten op de gezondheid op lange termijn liggen; 2) dat modelberekeningen van geurconcentraties laten zien dat geurhinder niet uitgesloten kan worden ondanks voorgaande technische maatregelen om de emissies van de stortplaats te verminderen. Het is denkbaar dat de huidige gezondheidsklachten van de blootgestelde bevolking zijn ontstaan in perioden met ernstige geurhinder in het verleden.<br>
    • Emissieonderzoek bij de polyesterverwerkende industrie in het Noorden des Lands

      Kliest JJG; Kroes A; Beek AIM van de; Coenen PWHG; IEM; LAE; RIMH/Gr-Fr-D; TAUW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      In October and November 1994 nine polyester producing plants in the northern part of Holland were visited to assess the emissions of styrene, acetone and dichloromethane. The results of the measurements were compared with the NER-guidelines. On the basis of the results emissionfactors were calculated. The NER-guidelines were met by only 2 of the 9 plants. The use of the present types of 'Low Styrene Emittant Resins' appeared to be insufficient to meet the NER-guidelines. Moreover a more strict definition of 'LSE resins' in which the level of styrene emission is included appeared to be useful. To achieve an important reduction of the emission of styrene however, other measures will be necessary, like closed production techniques, 'good housekeeping' and the development and use of LSE-resins which give a reduced styrene emission not only during the period of drying, but also during the production.
    • Emissieonderzoek bij de polyesterverwerkende industrie in het Noorden des Lands

      Kliest JJG; Kroes A; van de Beek AIM; Coenen PWHG; IEM; LAE; RIMH/Gr-Fr-D; TAUW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      In de periode van oktober tot en met november 1994 is in opdracht van de Regionale Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiene Noord (RIMH-Noord) in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe een onderzoek uitgevoerd naar de luchtemissies bij negen polyesterverwerkende bedrijven. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met TAUW Milieu BV en het RIVM. De doelstellingen van het emissieonderzoek zijn:-Het verkrijgen van inzicht in de emissies naar de lucht van de polyesterverwerkende industrie in de drie noordelijke provincies. - Toetsing van de gevonden emissiewaarden aan de Nederlandse Emissie Richtlijnen (NER). - Evaluatie van de invloed van de verschillende maatregelen (o.a. KWS2000) en technieken op de emissies. Op basis van het onderzoek is gebleken dat de bedrijven naast een substantiele styreenemissie tevens een emissie aan reinigingsmiddelen (aceton en dichloormethaan) hebben, die in dezelfde orde van grootte ligt als die van styreen. De emissies van de vluchtige organische stoffen styreen, dichloormethaan en aceton varieren, afhankelijk van de bedrijfsgrootte en activiteiten, van circa 1 tot 100 kg/uur. Uit berekeningen op basis van de meetresultaten blijkt dat de emissie-richtlijnen uit de NER voor styreen bij de meeste bedrijven (7 van de 9) worden overschreden. De emissies van dichloormethaan (DCM) en aceton blijven in het algemeen onder de grensmassastroom uit de NER. Daar echter de sommatiebepaling uit de NER van toepassing is, kan worden geconcludeerd, dat alleen bij kleine bedrijven de emissievrachten lager zijn dan de richtlijnen uit de NER. Het gebruik van Lage styreen emissie (LSE)-hars, als enige "zekere" KWS2000 maatregel lijkt slechts van beperkt belang bij het verder terugdringen van de styreenemissies. De grootste vracht aan styreen komt vrij tijdens de fase van het aanbrengen van de hars. In dit stadium heeft het gebruik van LSE-hars slechts weinig invloed. Met de huidige harssoorten lijkt de grootste winst te kunnen worden behaald door de overgang naar andere technieken van aanbrengen (waarbij met name gedacht moet worden aan gesloten technieken) en door middel van "good-housekeeping". Met betrekking tot het gebruik van reinigingsmiddelen kan worden geconcludeerd, dat sinds 1989 bij de meeste bedrijven slechts zeer weinig vooruitgang is geboekt bij het terugdringen van de emissies naar de lucht. De resultaten van het onderzoek wijzen erop, dat het in overeenstemming brengen van de emissies bij de polyesterverwerkende industrie met de richtlijnen uit de NER een aanzienlijke inspanning zal vergen. Hierbij dient te worden aangetekend, dat het huidige pakket maatregelen op basis van de beschikbare gegevens onvoldoende lijkt om op termijn te kunnen voldoen aan de richtlijnen uit de NER, dan wel aan de emissiereductie doelstellingen zoals opgenomen in KWS2000. Uit indicatieve metingen welke op de werkplek zijn uitgevoerd wordt geconcludeerd, dat bij verschillende bedrijven overschrijding van de MAC-waarde voor styreen kan plaatsvinden. Aangezien de MAC-waarde binnenkort verder zal worden verlaagd, is de arbeidshygienische situatie binnen de polyesterverwerkende industrie een punt van aandacht. Op grond van het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan: - Het begrip "LSE-hars" blijkt onvoldoende eenduidig gedefinieerd. Aangezien het gebruik van LSE-hars als een van de belangrijkste maatregelen is opgenomen in de afspraken die door de branche in het kader van KWS2000 zijn gemaakt verdient het aanbeveling te komen tot een kwaliteitscertificering van LSE-hars, op basis van de efficiency van beperking van styreenemissie in aanbreng- en uithardingsfase. - Toepassing van gesloten technieken kan de styreenemissie waarschijnlijk sterk terugdringen, maar deze technieken worden niet in alle gevallen toepasbaar geacht. Onderzoek naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van de toepassing van gesloten technieken lijkt zinvol - Er dient een plan van aanpak te komen voor het terugdringen van het gebruik van reinigingsmiddelen binnen de polyesterverwerkende industrie.<br>
    • Geurhinder als gevolg van de stortplaats aan de Derde Merwedehaven te Dordrecht: evaluatie van de maatregelen en het klachtenpatroon

      Kliest JJG; Oonk H; Knol - de Vos T; Steunenberg C; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-07-20)
      In June 1993 a dumping site has been put in operation on the 'Derde Merwedehaven' at Dordrecht. The dumping site is in ownership by the Province of Zuid Holland and operated by de 'Afvalverwerkingsinrichting Derde Merwedehaven' (AVM). The dumping site is situated at a short distance from residential areas. For this reason strict conditions have been formulated for the operation of the dumping site. In course of time however the amount of biological degradable material, that has been dumped, was much larger than planned, resulting in a higher production of odour and methane than was expected. For this reason a methane extraction system was realised in parts of the dumping site. From the moment the dumping site was put into use there were complaints about an unpleasant smell. The number of complaints showed a very high increase from November 17th. 1998. This was the result of the malfunctioning of the methane extraction system as a result of the unusual high amount of precipitation in the autumn of 1998. A second increase in the number of complaints took place in the period starting on January 30th 1999. In this situation RIVM was asked by the Province of Zuid Holland to answer the following questions: 1. What is the opinion of RIVM about the technical aspects of the methane extraction system 2. What is the opinion of RIVM about the measures taken to reduce the odour emission 3. How does RIVM evaluates the pattern of complaints in the period from November 17th 1998 till march 31st 1999. With regard to the methane extraction system the opinion is, that the philosophy and technical realisation from the existing part of the system are good. In the part of the system that has been constructed recently, the distance between the extraction units is possibly to high. From the measures that can be taken to reduce emission of odour most have been realised. A number of improvements however are suggested. The pattern of complaints shows that the increase in the number of complaints is associated with the occurrence of two special circumstances: the malfunctioning of the methane extraction system in November 1998 and the activities related to the construction of a new part of the methane extraction system, which started in January 1999. There are however structural causes for the annoyance caused by the dumping site also. These are the unfavourable location of the dumping site, the fact that more gas is produced than was anticipated and the relatively high hydrogen sulphide concentration in this gas. For these reasons emission of odour will take place relatively soon and these emission will relatively quick lead to odour complaints. Regarding the pattern of complaints in former years the conclusion could be drawn that it is possible to limit the number of complaints. Much will depend however on the possibility of the AVM to avoid unfavourable conditions for odour emission.
    • Geurhinder als gevolg van de stortplaats aan de Derde Merwedehaven te Dordrecht: evaluatie van de maatregelen en het klachtenpatroon

      Kliest JJG; Oonk H; Knol-de Vos T; Steunenberg C; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-07-20)
      Sinds 1 juni 1993 is op de locatie Derde Merwedehaven te Dordrecht een afvalberging in bedrijf. Ter realisering van de afvalberging is het Provinciaal Afvalverwijderingsbedrijf Zuid-Holland N.V. (PROAV) opgericht, terwijl de inrichting en exploitatie van de afvalberging opgedragen werd aan de v.o.f. afvalverwerkingsinrichting Merwedehaven (AVM). De stortplaats is gelegen op enkele honderden meters afstand ten zuiden en zuidoosten van woonbebouwing welke zich bevindt in Sliedrecht aan de overzijde van de Beneden-Merwede. Ook in de straten aangrenzend aan de stortplaats komt woningbouw voor. Mede om deze reden zijn voorschriften opgenomen in de vergunning met betrekking tot incidentele en permanente geurhinder. Tevens is in de vergunning een meetverplichting met betrekking tot de geuremissies opgenomen. In de loop der jaren is er op de stortplaats een aanzienlijk grotere hoeveelheid verbrandbare afvalstoffen gestort, dan waarmee bij de aanleg van de stortplaats rekening was gehouden. De hoeveelheid grond en baggerspecie bleef sterk bij de verwachting achter. Sinds de in gebruikname hebben zich klachten over geurhinder voorgedaan. Vanaf 1994 tot nov. 1998 vertoonden deze klachten een aflopende reeks. Vanaf 17 nov. 1998, heeft zich een sterke stijging van het aantal klachten voorgedaan. De oorzaak hiervan wordt door Provincie en PROAV gezocht in het uitvallen van het stortgasonttrekkingssysteem en het versneld produceren van stortgas in het onder exploitatie zijnde compartiment 4 van de stortplaats. In verband met deze hernieuwde geurhinder zijn diverse onderzoeksopdrachten uitgezet. Zo is door de Gemeente Dordrecht een opdracht verleend aan de GG&GD Zuid-Holland Zuid te Dordrecht om een onderzoek in te stellen dat meer inzicht moet geven in aard en omvang van eventuele gezondheidsklachten. Daarnaast is door de Prov. Zuid-Holland aan Tauw B.V. te Deventer opdracht verleend voor ondermeer het uitvoeren van verspreidingsberekeningen en het maken van een risicobeoordeling. Daarnaast zijn aan het RIVM de volgende vragen voorgelegd: 1. Het beoordelen op technische merites, waaronder de capaciteit, de dimensionering en de uitvoering van het stortgasonttrekkingssysteem voor de afvalberging naar het ontwerp van Haskoning. 2. Het beoordelen en leveren van commentaar op de activiteiten tot het bergen van afvalstoffen op de Afvalverwerkingsinrichting Derde Merwedehaven alsmede het in beschouwing betrekken van de aanvullende maatregelen tot het vermijden van overlast in het algemeen en het vermijden van geurhinder in het bijzonder. 3. Het opstellen van een analyse van het klachtenpatroon in de periode nov. 1998 t/m mrt 1999. Ten aanzien van dit onderdeel werd uitdrukkelijk opgemerkt dat een relatie dient te worden gelegd tussen storten en stankklachten. Ten aanzien van het reeds functionerende deel van stortgasonttrekkingssysteem op de Derde Merwedehaven luidt het oordeel, dat de filosofie goed is en beter dan wat op veel Nederlandse stortgasprojecten gebruikelijk is: men maximaliseert de gasonttrekking naar wat met het bronnensysteem technisch mogelijk is, benut wat de benuttingscapaciteit toelaat en fakkelt het restant af. De bronafstand op het nieuw aangelegde onttrekkingssysteem op compartiment 4 is mogelijk te hoog. Het feitelijk rendement van het onttrekkingssysteem kan echter pas in de eindsituatie worden vastgesteld. Ten aanzien van de geuremissie beperkende maatregelen geldt naar onze mening, dat een aanzienlijk deel van de mogelijke maatregelen op de stortplaats zijn doorgevoerd. Op een aantal punten zijn nog verbeteringen mogelijk. Deze verbeteringen betreffen met name: het identificeren en tegengaan van geuremissie uit voorkeurskanalen - het toepassen van een betere kwaliteit afdekmateriaal voor tijdelijke afdekking - het toepassen van een meer permeabele en homogene afdeklaag bij de permanente afdekking - het beplanten van de tijdelijke en permanente afdekking. Voor toepassing als afdek- en afdichtingsmateriaal zou op grond van de gestelde eisen compost in aanmerking kunnen komen. Aan de hand van het klachtenpatroon kan naar onze mening de conclusie worden getrokken dat de sterke stijging van het aantal klachten in de onderzoeksperiode in vergelijking met de periode daaraan voorafgaand voor een belangrijk deel verband houdt met het optreden van twee min of meer bijzondere gebeurtenissen. Het betreft hierbij het uitvallen van het stortgasonttrekkingssysteem begin nov. 1998 en de werkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding van het stortgasonttrekkingssysteem op compartiment 4 die van eind jan. tot begin april hebben geduurd. Toch zijn er naast deze bijzondere aanleidingen ook structurele oorzaken aan te wijzen die een bijdrage leveren aan het ontstaan van geurhinder vanaf de stortplaats in de Derde Merwedehaven: 1. De stortplaats in de Derde Merwedehaven is ongunstig gelegen ten opzichte van een aantal woonwijken in Sliedrecht. Deze woonwijken bevinden zich op enkele honderden meters afstand en benedenwinds van de stortplaats, uitgaande van de in Nederland meest voorkomende windrichtingen. 2. Op de stortplaats is een aanzienlijk grotere hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval gestort dan in het maximaal scenario van de MER was voorzien. Hierdoor wordt ook meer stortgas geproduceerd dan waarmee rekening was gehouden. 3. Het stortgas dat zich in de stortplaats ontwikkeld bevat een relatief hoog gehalte aan H2S en daarmee een groot aantal geureenheden. Bovengenoemde factoren zorgen er voor, dat er bij het optreden van bijzondere omstandigheden relatief snel sprake zal zijn van een verhoogde geuremissie, terwijl deze geuremissie ook snel aanleiding zal geven tot geurhinder. Bij normaal bedrijf van de stortplaats, dat wil zeggen in de afwezigheid van bijzondere omstandigheden en calamiteiten en het strikt naleven van de vergunningsvoorwaarden, blijkt het op grond van het klachtenpatroon in de jaren voorafgaand aan de onderzochte periode mogelijk om de overlast beperkt te houden. Tot nov. werden er over het gehele jaar 1998 23 klachten gemeld, elk met een duidelijk aanwijsbare incidentele oorzaak. Ook in de jaren ervoor was het aantal klachten beperkt, hoewel er, zoals ook het evaluatieverslag van de MER wordt gesteld, geen sprake was van een hindervrije situatie. Het optreden van bijzondere omstandigheden, zoals het wegvallen van het onttrekkingssysteem in nov. 1998 en de werkzaamheden tbv de uitbreiding van de stortgasonttrekking vanaf jan. 1999, blijkt tot een forse stijging van het aantal klachten te leiden. Een belangrijke factor lijkt echter op dit moment de mate waarin de AVM in staat is om bijzondere omstandigheden en calamiteiten te voorkomen, dan wel de gevolgen er van tegen te gaan. Naar mededeling van de AVM wordt een hiertoe strekkend beheersplan op dit moment opgesteld. Dit plan is echter nog niet gereed en derhalve niet in deze beoordeling meegenomen. Bij eventuele werkzaamheden in het afvalpakket, zoals bij de aanleg van het stortgasonttrekkingssysteem, lijkt geurhinder zeer moeilijk te voorkomen.<br>
    • Gezondheidsrisico&apos;s brand EL AL-Boeing

      van Bruggen M; Janssen PJCM; Kliest JJG; Meulenbelt J; Smetsers RCGM; Uijt de Haag PAM; de Mik G; Elzinga G; IEM; CSR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-30)
      Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM onderzoek verricht naar mogelijke gezondheidsrisico's van de verbranding of verspreiding van stoffen en goederen die zich aan boord bevonden van de in 1992 verongelukte El Al-Boeing. Allereerst heeft het RIVM de in de ladinglijst genoemde stoffen geevalueerd en de overige in het vliegtuig aanwezige stoffen, zoals verarmd uranium, kerosine, kunststoffen en vlamvertragers. Vervolgens is, met behulp van verspreidingsmodellen, de concentratie van die stoffen op leefniveau berekend. Op basis van deze concentraties kon worden vastgesteld dat van de blootstelling geen blijvende gezondheidsschade verwacht mag worden. Wel is het aannemelijk dat er acute effecten zijn opgetreden, zoals irritatie van ogen en ademhalingswegen en gevoelens van benauwdheid. De kans op het ontstaan van kanker is als gevolg van de ramp wel toegenomen. Voor verarmd uranium met een extra geval van kanker op 100.000.000 blootgestelden. Voor de pak's en zware metalen met een tot twee extra gevallen van kanker per 10.000 blootgestelden. Dit laatste getal is vergelijkbaar met het niveau van het Maximaal Toelaatbaar Risico dat in het Nederlandse milieubeleid voor chemische stoffen wordt gehanteerd. Het "bij gebrek aan meetgegevens" grote aantal aannames en de lange periode die verlopen is tussen de brand en het onderzoek, maken dat de resultaten met het nodige voorbehoud moeten worden bezien.<br>
    • Gezondheidsrisico's brand EL AL-Boeing

      Bruggen M van; Janssen PCJM; Kliest JJG; Meulenbelt J; Smetsers RCGM; Uijt de Haag PAM; Mik G de; Elzinga G; IEM; CSR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-30)
      In May 1998, the Dutch government asked RIVM to make an assessment of the human exposure that could have resulted from the 1992 airplane crash in Amsterdam. The request was prompted by persistent health complaints of the bystanders of the crash. Starting point of the health risk assessment was the latest version of the list of Airway Cargo Bills. In addition to this , the amount of kerosine at the moment of the crash was calculated and the quantity of depleted uranium that was not recovered after the crash. These data were completed with an estimate of the amount of synthetics, heavy metals and flame retardants in the plane. After dispersion-modelling it was concluded that environmental concentrations immediately following the crash could have resulted in acute effects, like irritation of eyes and bronchi , but that no persistent health complaints had to be expected. There was however an increased risk to develop cancer as a result of the exposure. For depleted uranium this amounted to 1 additional case of cancer per 1 x 109 persons exposed and for PAH's and heavy metals to 1 - 2 additional cases of cancer per 1 x 104 persons exposed. Caution is needed in interpreting these data, due to the lack of measurements in the acute phase and the long period between exposure and the study.
    • Hexavalent chromium in ambient air in the Netherlands. Results of measurements near wood preservation plants and at a regional site

      Mennen MG; Koot W; van Putten EM; Ritsema R; Piso S; Knol-de Vos T; Fortezza F; Kliest JJG; LLO; LAC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      Concentraties van Cr(VI) in buitenlucht zijn gemeten door lucht te bemonsteren met vier parallelle impinger-denuder systemen. De impingers bevatten een alkalische bufferoplossing om Cr(VI) af te vangen. Na monstername werd Cr(VI) in de oplossingen bepaald met grafietoven atoom absorptie spectrometrie na complexering in een organisch oplosmiddel en fasescheiding. Mogelijke omzetting van Cr(III) in Cr(VI) of andersom werd gecontroleerd door aan twee van de vier impingeroplossingen vooraf een hoeveelheid Cr(III) resp. Cr(VI) toe te voegen. De detectielimiet was 0,1 ng m exp. -3 bij 24 uur monstername. Het verschil tussen duplo meetwaarden was gemiddeld 10%. De aanzuigefficiency voor inadembare deeltjes werd bepaald met behulp van gegenereerd aerosol. Met de systemen zijn Cr(VI) concentraties gemeten bij drie houtverduurzamingsbedrijven en op een achtergrondlocatie. Nabij de bronnen varieerden de Cr(VI) concentraties van 0,02 tot 4 mug m exp. -3, terwijl op de terreingrens van de bedrijven piekwaarden voorkwamen van ten hoogste 20 ng m exp. -3. De daggemiddelde Cr(VI) concentraties op de achtergrondlocatie lagen vrijwel alle beneden de detectielimiet van 0,1 ng m exp. -3. Uit de meetresultaten werd afgeleid dat in het algemeen de Maximaal Toelaatbare Risico concentratie voor Cr(VI) in Nederland (2,5 ng m exp. -3) waarschijnlijk niet wordt overschreden. Ook werd gemeten dat de verhouding Cr(VI) ten opzichte van totaal Cr, behalve nabij bronnen, ten hoogste 5% is.<br>