• Beleid rondom mentale gezondheid in de werksetting

      Pas LW; Busch MLM; Proper KI; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-06-30)
      Nederlandse werkgevers vinden de mentale gezondheid van hun werknemers belangrijk. Acht van de tien werkgevers beschouwen het als belangrijke indicator voor het succes van het bedrijf. Hier tegenover staat dat ongeveer vier van de tien Nederlandse bedrijven (continu of vaak) daadwerkelijk preventiemaatregelen treffen die gericht zijn op de mentale gezondheid van de werknemers. Werkgevers geven aan dat ze vooral geen actie ondernemen, omdat de effectiviteit en de kosten-baten van maatregelen niet bekend zijn. Inzicht hierin kan bevorderen dat dergelijk gezondheidsbeleid wel wordt uitgevoerd. Dit blijkt uit een enquête die ruim 3100 werkgevers uit verschillende sectoren hebben ingevuld en die in opdracht van de ministeries van VWS en SZW is uitgevoerd. Het voornaamste doel was in kaart te brengen hoeveel bedrijven binnen welke sectoren beleid voeren op het gebied van mentale gezondheid. Dit varieert van beleid dat gericht is op werkhervatting van zieke werknemers, tot het bevorderen van de mentale gezondheid van alle (gezonde) werknemers. In dit project ligt de focus op beleid dat erop gericht is om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen, zoals het tegengaan van werkdruk, agressie en pesten, en de mentale gezondheid te bevorderen, zoals het stimuleren van bevlogenheid, persoonlijke groei en veerkracht. De maatregelen die werkgevers treffen, zijn zeer divers en variëren van persoonlijke ontwikkelplannen, coaching, health-checks, aandacht voor balans werk-privé tot programma's om stress te verminderen, yoga, e-health of andersoortige structurele mentale gezondheidsprogramma's. Grote bedrijven treffen over het algemeen vaker maatregelen dan kleine bedrijven. Wat de sectoren betreft gebeurt dat het meest binnen het onderwijs en de gezondheidsen welzijnszorg. Binnen de sector 'vervoer en opslag' worden het minst vaak maatregelen getroffen. Gezondheid van de werknemers en goed werkgeverschap gelden voor werkgevers als de belangrijkste redenen om in maatregelen te investeren die de mentale gezondheid bevorderen. Financiële motieven, zoals minder ziekteverzuim, zijn ook veel genoemd.
    • Belemmeringen en drijfveren voor sport en bewegen bij ondervertegenwoordigde groepen

      Hoogendoorn MP; de Hollander EL; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-31)
      Bepaalde groepen mensen in Nederland bewegen en sporten minder vaak. Dit zijn vooral mensen met een lage opleiding en/of laag inkomen, met een migratieachtergrond, ouderen, chronisch zieken, en mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking. Stimulansen om meer in beweging te komen zijn onder meer aanmoediging en ondersteuning vanuit de directe omgeving (naasten en begeleiders), een goede trainer, en een op maat gemaakt aanbod waar de doelgroep van op de hoogte is. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Belemmeringen voor deze doelgroepen zijn onder andere een laag inkomen, culturele opvattingen over sport en bewegen, een gebrek aan ervaring met sporten, en gezondheidsklachten of beperkingen. Vooral mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen zijn vaak afhankelijk van anderen om te kunnen bewegen of naar de activiteit te kunnen gaan. Ook bleken de doelgroepen vaak niet op de hoogte te zijn van het beschikbare aanbod. Toegankelijke faciliteiten en goede trainers, die met (kleine) aanpassingen ervoor kunnen zorgen dat het aanbod aansluit bij de doelgroep, zijn belangrijk om het aanbod op maat te maken. Zo kan bewegen voor ouderen aantrekkelijker worden gemaakt door het sociale aspect ervan te benadrukken in plaats van het sportieve. Ook is het belangrijk dat er een verbindende partij is, bijvoorbeeld een buurtsportcoach, om de samenwerking tussen partijen rondom de doelgroep zoals de gezondheidszorg, school, sociale wijkteams en sportaanbieders te versterken en het aanbod bij hen kenbaar te maken. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Om te stimuleren dat mensen meer bewegen wilde de Directie Sport weten welke belemmeringen en drijfveren mensen hierbij ervaren. Hiervoor is literatuuronderzoek gedaan en zijn experts geraadpleegd.
    • Beweeg- en sportgedrag van mensen met een chronische aandoening of lichamelijke beperking

      de Hollander EL; Milder IE; Proper KI; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-23)
      Volwassenen met gezondheidsproblemen bewegen minder dan volwassenen zonder deze problemen. Ook doen zij minder vaak aan sport dan mensen die deze problemen niet hebben. Bij gezondheidsproblemen gaat het om chronische aandoeningen, zoals gewrichtsklachten en hart- en vaatziekten, en om een slechtere psychische gezondheid. Daarnaast gaat het om lichamelijke beperkingen, waaronder motorische, gezichts- en gehoorbeperkingen. Dit blijkt uit onderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Hierbij is gebruik gemaakt van zelfgerapporteerde data van ruim 380.000 volwassenen uit de Gezondheidsmonitor Volwassenen GGD'en, CBS en RIVM 2012. Voor een goede gezondheid geldt de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen (NNGB): tenminste vijf dagen per week gedurende dertig minuten matig intensief bewegen. De berekening van de NNGB heeft lagere afkapwaarden om te bepalen of een activiteit matig intensief is voor 55+'ers dan voor 19-54-jarigen. Daarom is het voldoen aan de NNGB voor 55+'ers minder streng dan voor 19-54-jarigen en zijn de resultaten apart gepresenteerd voor deze leeftijdsgroepen. Van mensen met gezondheidsproblemen in de leeftijd van 19 tot 55 jaar haalt, afhankelijk van het gezondheidsprobleem, 33 tot 52 procent deze beweegnorm, tegenover 55 procent van de gezonde mensen uit deze leeftijdsgroep. Dit percentage is voor mensen van 55 jaar en ouder met gezondheidsproblemen 42 tot 71 procent, tegenover 84 procent van de gezonde mensen van die leeftijd. Het aantal mensen dat wekelijks sport, neemt af naarmate ze ouder worden. Van de gezonde 55+'ers sport 54 procent wekelijks, versus 68 procent onder de gezonde 19- tot 54-jarigen. Dit is bij mensen met gezondheidsproblemen respectievelijk 22 tot 39 procent en 33 tot 56 procent. Fitness wordt door zowel gezonde mensen als mensen met gezondheidsproblemen het meest beoefend. Mensen met een motorische beperking sporten het minst, namelijk 33 en 22 procent (onder 19-54- respectievelijk 55+-jarigen). Ook voldoet deze groep mensen het minst aan de beweegnorm. Het beleid van het ministerie van VWS is erop gericht mensen te stimuleren om te bewegen en te sporten, ongeacht een aandoening of beperking. Nu duidelijk is geworden dat mensen met een aandoening of beperking minder bewegen en sporten, is het van belang om inzicht te krijgen in de redenen daarvan. Inzicht in hun behoeften aan sport of beweging en of het aanbod aansluit bij hun behoeften is van groot belang.
    • Eiwitkwaliteit en voedselveiligheidsaspecten van nieuwe eiwitbronnen en van hun producttoepassingen

      Seves M; Verkaik-Kloosterman J; Temme L; van Raaij J; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-02-23)
      Vanuit de samenleving is er steeds meer aandacht voor het gebruik van nieuwe eiwitbronnen in ons voedsel, zoals soja, lupine, insecten (meelworm en sprinkhaan) en algen. Dat komt onder andere door de ongunstige impact op het milieu van sommige gangbare, vooral dierlijke eiwitbronnen. Het RIVM heeft verkend of het gebruik van nieuwe eiwitbronnen in Nederland van invloed is op de totale hoeveelheid eiwit die we binnenkrijgen en op de kwaliteit ervan. Uit deze verkenning blijkt dat gangbare eiwitbronnen, zoals vlees, vis en ei, zelden volledig door nieuwe eiwitbronnen worden vervangen. Meestal betreft het een gedeeltelijke vervanging, of zijn ze een aanvulling op het menu. De totale hoeveelheid eiwit die mensen dagelijks binnenkrijgen lijkt daardoor niet af te nemen. De kwaliteit van het eiwit uit nieuwe eiwitbronnen is soms wat minder dan die van gangbare eiwitbronnen. Dat komt doordat de nieuwe eiwitbronnen iets minder optimaal door het lichaam worden opgenomen (een 'lagere verteerbaarheid' hebben) en een iets minder gunstige samenstelling aan aminozuren hebben. Door nieuwe eiwitbronnen in producten te combineren met gangbare of andere nieuwe eiwitbronnen, verandert echter de kwaliteit van het totaal aan eiwit dat we binnenkrijgen niet wezenlijk en blijft die hoogwaardig. Eiwitten zijn belangrijk voor de opbouw van het lichaam. Daarnaast zijn ze werkzaam als enzymen en hormonen, en vervullen ze functies bij het transport van stoffen door het lichaam en bij diverse reguleringsmechanismen. In deze verkenning gaat het om het gebruik van nieuwe eiwitbronnen als vervangers van vlees, van gangbare peulvruchten (lupinebonen) en van zuivel (soja). Daarnaast zijn toepassingen in brood (lupinemeel en algen) en in snacks (sprinkhanen en meelwormen) bekeken. Nieuwe eiwitbronnen vallen mogelijk onder de EU-Verordening voor Nieuwe Voedingsmiddelen voordat zij op de Europese markt mogen worden toegelaten. In dat geval zal eerst moeten worden beoordeeld of ze veilig zijn. In deze verkenning is vooral gekeken naar allergische reacties. Allergische reacties op soja en lupine zijn bekend en staan op verpakkingen vermeld. Voor andere nieuwe eiwitbronnen moet dit nog nader worden onderzocht.
    • The environmental sustainability of the Dutch diet : Background report to 'What is on our plate? Safe, healthy and sustainable diets in the Netherlands

      Broek I van den; Broek I van den; Zijp MC; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      De productie en consumptie van voedsel legt een grote druk op het milieu. Dit komt onder andere door intensief gebruik van landbouwgrond en door de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van voedsel. Ons dagelijks eten heeft dus grote invloed op het milieu. Wereldwijd is de voedselproductie en -consumptie verantwoordelijk voor ongeveer 25 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast is deze voor 60 procent verantwoordelijk voor het verlies aan de variatie van gewassen en dieren (biodiversiteit). Het RIVM heeft in dat verband beschreven hoe en in welke mate de productie voor de huidige Nederlandse voedselconsumptie een belasting voor het milieu vormt. Daaruit blijkt dat vlees, zuivel (inclusief kaas) en dranken het meest belastend zijn. Voor de meeste voedingsmiddelen zit dat vooral in de productiefase. Zo is veel land en water nodig om vlees- en zuivel te produceren. Ook zorgen deze producten voor de meeste verzuring/vermesting van de bodem en het oppervlaktewater. Voor de productie van fruit is relatief veel water nodig. Hoewel het primaire productieproces van de meeste voedingsmiddelen de grootste milieudruk veroorzaakt, is ook het gebruik van fossiele energie en grondstoffen voor het verpakken, transporteren, bewaren en bereiden van producten relevant; in welke mate verschilt per product. In dit rapport wordt de milieubelasting van ons voedingspatroon meer in detail beschreven. De milieubelasting kan worden verminderd door (technologische) innovaties die per voedingsmiddel de uitstoot van ongewenste emissies verlagen en/of overmatig gebruik van natuurlijke hulpbronnen verkleinen. Minder voedsel verspillen en niet teveel eten en drinken zorgen ook voor minder milieubelasting. De consument kan daarnaast een bijdrage leveren met zijn keuze voor bepaalde voedingsmiddelen, zoals minder vaak vlees en vaker kraanwater in plaats van frisdrank en alcohol. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Gehoorschade en geluidsblootstelling in Nederland : Inventarisatie van cijfers

      Gommer M; Hoekstra J; Engelfriet PM; Wilson C; Picavet HSJ; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-02-14)
      Cijfers gehoorschade en geluidsblootstelling onvoldoende Harde muziek in discotheken, tijdens concerten en via koptelefoons kan, net als lawaai op het werk, blijvende gehoorschade veroorzaken. Het gaat daarbij om minder goed horen, doofheid en blijvend oorsuizen (tinnitus). Er zijn aanwijzingen dat vooral jongeren steeds vaker en op jongere leeftijd worden blootgesteld aan een hoeveelheid geluid die een risico kan vormen. Door het gebrek aan harde gegevens is niet bekend hoe vaak gehoorschade precies voorkomt en of het toeneemt. Blootstelling op jonge leeftijd kan onomkeerbare gehoorschade veroorzaken die mogelijk pas op latere leeftijd aan het licht komt. Voor Nederland ontbreken metingen van blootstelling aan lawaai (in decibellen) en gehoorverlies (audiometrie) over een langere periode. De huidige aanwijzingen zijn gebaseerd op gegevens over blootstelling aan muziek en over gehoorproblemen. Deze zijn ontleend aan vragenlijsten onder jongeren en registraties in de gezondheidszorg. Uit de beschikbare gegevens is niet te ontlenen welke bronnen gehoorproblemen veroorzaken. Wel blijkt uit de vragenlijsten dat zowel de omvang van geluidsblootstelling als de frequentie van oorsuizen na een bezoek aan een muziekevenement hoog is. Oorsuizen is, ook als het tijdelijk is, vaak een eerste indicatie van gehoorschade. Aanbevolen wordt meer inzicht te krijgen in de individuele blootstelling bij jongeren, bronnen van hard geluid, en welke geluidniveaus gehoorschade veroorzaken. Het betrouwbaarste onderzoek naar een trend in de tijd is een Amerikaanse studie waaruit blijkt dat het gehoor bij jongeren van 12 tot en met 19 jaar tussen 1988 en 2006 duidelijk is verslechterd, vermoedelijk door hogere muziekblootstelling. Andere aanwijzingen voor een toegenomen blootstelling aan harde muziek zijn dat muziek makkelijker beschikbaar is door de opkomst van de MP3-speler, en de beleving daarvan ('de bas moet je voelen') veranderd is. Verder is het gebruik van koptelefoons toegenomen en is muziekapparatuur technisch verbeterd waardoor het geluid harder kan staan zonder dat het vervormd raakt. Door gehoorschade hebben mensen een slechtere kwaliteit van leven, beperkingen in het sociaal verkeer en een lagere arbeidsparticipatie.
    • Interacties tussen kruiden en geneesmiddelen : Sint Janskruid

      Tiesjema G; de Wit L; Brandon E; Jeurissen S; Kupper N; Noorlander C; van Kranen H; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-13)
      Mensen gebruiken steeds vaker kruidenpreparaten als voedingssupplement om hun gezondheid te bevorderen. Dit gebeurt als zelfmedicatie, soms als aanvulling op een behandeling met reguliere geneesmiddelen. De kruidenpreparaten mogen volgens de Warenwet in principe niet schadelijk zijn. In combinatie met reguliere medicijnen kan echter een interactie ontstaan die de werking van geneesmiddelen kan versterken of kan verminderen. Dit kan ongewenste gevolgen voor de gezondheid hebben. Het RIVM heeft in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) een top tien samengesteld van kruidenpreparaten waarvan de interactie met geneesmiddelen mogelijk gezondheidsrisico's kan veroorzaken. De lijst bevat onder andere Sint Janskruid, knoflook, ginkgo biloba, valeriaan, geelwortel en groene thee. Daarnaast worden voorstellen gedaan hoe de resultaten kunnen worden gecommuniceerd via de NVWA. In dit onderzoek zijn de effecten van de interactie van de nummer één van deze lijst onderzocht: Sint Janskruid - de overige negen volgen de komende jaren. Van Sint Janskruid, dat veelal wordt gebruikt tegen innerlijke onrust en neerslachtigheid, zijn de meeste en ernstigste interacties bekend. Concreet verminderen ze de werking van een aantal geneesmiddelen die worden voorgeschreven bij de behandeling van onder andere schimmel- of virusinfecties in het lichaam, bij kanker (chemotherapie), en van middelen die het afweersysteem (zoals bij transplantaties) onderdrukken. De werking van bepaalde bewustzijns verlagende en bewustzijns stimulerende middelen wordt juist (ongewenst) versterkt. De ernst van deze bijeffecten is afhankelijk van zowel de dosis van de geneesmiddelen als de dosis van het kruidenpreparaat. Uit voorzorg wordt geadviseerd geen Sint Janskruid te gebruiken (in de vorm van thee of supplementen) bij het gebruik van deze medicijnen. Vanwege de gevolgen van de interacties is het van belang dat consumenten, artsen en apothekers op de hoogte zijn van de eventuele risico's en elkaar hierover kunnen informeren. Hierin is verbetering gewenst om ongewenste interacties door het gebruik van kruidenpreparaten te kunnen voorkomen.
    • Mogelijkheden voor verhoging van vitamine D inname door verrijking van voedingsmiddelen : Scenario-analyses bij zelfstandig wonende ouderen en mensen van Surinaamse afkomst

      Brosens M; Beukers MH; Ocke MC; Verkaik-Kloosterman J; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-19)
      De meeste ouderen en mensen van niet-westerse afkomst in Nederland krijgen te weinig vitamine D binnen. Door een bepaalde hoeveelheid vitamine D toe te voegen aan een aantal voedingsmiddelen, zoals melk, yoghurt, vruchtendrank en margarine, is het mogelijk om deze inname te verhogen, zonder dat de maximale hoeveelheid in het merendeel van de algemene Nederlandse bevolking (2-70 jaar) wordt overschreden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Om voldoende vitamine D binnen te krijgen wordt ouderen en mensen met een donkere huidskleur geadviseerd om dagelijks supplementen met vitamine D te slikken, met respectievelijk 20 en 10 microgram. Een alternatief voor supplementen is het eten van voedingsmiddelen waaraan vitamine D is toegevoegd (verrijking). Het RIVM heeft scenario's doorgerekend waarbij verschillende hoeveelheden vitamine D zijn toegevoegd aan een aantal geselecteerde voedingsmiddelen. Deze scenario's geven inzicht in mogelijkheden om met verrijking van bepaalde voedingsmiddelengroepen de vitamine D inname te verhogen. In het onderzoek is gekeken naar een aantal risicogroepen voor een te lage vitamine D inname waarvan gegevens over de voedselconsumptie beschikbaar waren; namelijk zelfstandig wonende ouderen en mensen van Surinaamse afkomst. Op dit moment haalt vrijwel geen enkele oudere de geadviseerde vitamine D inname. Uit de scenario's blijkt dat ruim 80 procent van de ouderen de norm voor vitamine D zou kunnen halen als aan zowel melk als yoghurt 5 microgram vitamine D per 100 gram product wordt toegevoegd, en daarnaast aan margarine en halvarine 25 microgram per 100 gram product. Personen van Surinaamse afkomst kunnen hun vitamine D-inname aanzienlijk verhogen als zowel melk als vruchtendrank met 5 microgram vitamine D per 100 gram product wordt verrijkt. Voor mensen met een donkere huid geldt een ander type voedingsnorm, waardoor het niet mogelijk is te voorspellen bij welk percentage zij voldoende binnenkrijgen. In deze studie is een beperkt aantal scenario's doorgerekend. Voor zowel zelfstandig wonende ouderen als personen van Surinaamse afkomst, zou de strategie voor vitamine D verrijking verder geoptimaliseerd kunnen worden, waarbij de bovengrens bij de andere groepen in de Nederlandse bevolking nog steeds niet overschreden wordt. Bijvoorbeeld door het verrijken van meer voedingsmiddelengroepen of met een ander vitamine D gehalte.
    • Monitor Productsamenstelling voor zout, verzadigd vet en suiker : RIVM Herformuleringsmonitor 2014

      Temme EHM; Milder IEJ; Westenbrink S; Toxopeus IB; van den Bogaard CHM; van Raaij JMA; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Het zoutgehalte in brood is sinds 2011 met 21 procent gedaald. In kaas is het zoutgehalte met circa 11 procent ook afgenomen ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte verschilt echter aanzienlijk per soort kaas. In vleeswaren bedoeld als broodbeleg is het zoutgehalte in 2014 vergelijkbaar met dat van 2011 en 2013. De vleeswarensector heeft volgens afspraak tot in 2015 de tijd het gehalte aan zout en aan verzadigd vet te verlagen. Bewerkte groente en peulvruchten, zoals doperwten of bonen in blik of glas, hebben ook een lager zoutgehalte. Aangezien brood een grote bijdrage levert aan de inname van zout, draagt de daling van het zoutgehalte in deze productcategorie er in belangrijke mate aan bij dat mensen dagelijks minder zout binnenkrijgen. Voor verzadigd vet en suiker verschillen de productsamenstellingen niet. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Hierin wordt per productgroep gevolgd wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet zijn en hoe deze zich door de jaren heen ontwikkelen. Aanleiding hiervoor is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en de brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 getekend hebben. Hierin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen stapsgewijs te verlagen. Dit akkoord loopt tot 2020. Voor dit onderzoek worden diverse gegevens gebruikt over de samenstelling van producten: gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren aanleverden, en onafhankelijke analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (zout en verzadigd vet). Deze gegevens zijn gecombineerd en vervolgens vergeleken met gegevens uit de publicaties van het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO 2011 en 2013). In 2012 is de verandering van de productsamenstelling van voedingsmiddelen voor het eerst op deze manier in kaart gebracht. De 'Herformuleringsmonitor' was toen toegespitst op zout (natrium) en verzadigd vet. Sinds 2014 is dit uitgebreid met suiker (mono- en disachariden). De herformuleringsmonitor wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS.
    • Mono- en disacharidengehalten van voedingsmiddelen : Uitgangssituatie voor het bepalen van veranderingen in productsamenstelling

      Milder IEJ; Toxopeus IB; Westenbrink S; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-23)
      Zuivelproducten, (fris)dranken, banket en zoetwaren dragen het meeste bij aan de hoeveelheid toegevoegde suikers die mensen dagelijks binnenkrijgen. Het RIVM onderzoekt, in opdracht van het ministerie van VWS, hoe de suikergehalten in voedingsmiddelen zich in de komende jaren ontwikkelen. Hiervoor is nu eerst in kaart gebracht wat het suikergehalte van diverse productcategorieën is. Deze 'nulmeting' maakt het mogelijk om te kijken in hoeverre fabrikanten erin slagen om het gehalte aan toegevoegde suiker in producten in de komende jaren stapsgewijs te verlagen. Aanleiding voor de nulmeting is het 'Akkoord Verbetering Productsamenstelling', dat de minister van Volksgezondheid en vertegenwoordigers van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering begin 2014 hebben getekend en loopt tot 2020. Daarin is afgesproken de gehalten aan zout, (verzadigd) vet en energie (suiker, vet) in voedingsmiddelen te verlagen. De nulmeting is uitgevoerd bij productgroepen die meer dan drie procent bijdragen aan de dagelijkse inname van suikers in Nederland. Behalve zuivelproducten, (fris)dranken en banket en zoetwaren zijn dit broodbeleg, brood- en graanproducten, en bewerkte groenten en fruit. Het betreft producten die niet uitsluitend van nature aanwezige suikers bevatten. Binnen de productgroepen is aangegeven welke producten veel of weinig suiker bevatten. Bij de producten met een hoog suikergehalte, zoals zuivel waar suiker aan is toegevoegd, zijn immers aanpassingen mogelijk. De resultaten van de nulmeting kunnen door de voedingsmiddelenindustrie worden gebruikt worden bij het maken van (sectorbrede) afspraken om het suikergehalte in voedingsmiddelen te verlagen.
    • Natrium en verzadigd vet in beeld : Veranderingen in samenstelling van voedingsmiddelen in 2012

      Temme EHM; Westenbrink S; Toxopeus IB; Hendriksen MAH; Werkman AM; Klostermann VLC; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMVoedingscentrum Nederland, 2013-02-18)
      Dit rapport bevat een erratum op de laatste pagina (01-07-2013) De overheid heeft de voedingsmiddelensector opgeroepen om de gehalten aan natrium en verzadigd vet in voedingsmiddelen te verlagen. Uit de rapportage van het RIVM en het Voedingscentrum blijkt dat de natriumgehalten in brood en in groenteconserven in 2012 significant zijn afgenomen. Het gemiddelde natriumgehalte nam ook af voor kaas, koude sauzen, pindasauzen en chips, maar deze daling was niet significant. In vlees en soepen is geen verschil in het natriumgehalte waargenomen. Inspanningen om het verzadigd vetgehalte te verlagen waren afkomstig van de olie- en vetsector en de aardappelverwerkende industrie. Zij hebben het gebruik van vloeibare vetten gestimuleerd en de vetzuursamenstelling van hun producten verbeterd. Vanwege de negatieve gezondheidseffecten van een te hoge inname van natrium en verzadigd vet wil de minister van VWS dat het voor de consument makkelijker wordt om gezondere voedingsmiddelen te kiezen. In dat verband volgen het RIVM en het Voedingscentrum kritisch de gehalten van natrium en verzadigd vet van voedingsmiddelen. Dat gebeurt op basis van recente gegevens die fabrikanten en de desbetreffende sectoren vrijwillig aanleveren, plus onafhankelijke natriumanalyses door de NVWA. Deze gegevens zijn vervolgens vergeleken met de gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlandse Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011 (http://nevo-online.rivm.nl/). Voor de komende jaren bereiden bedrijven (producenten en een supermarktketen) zich erop voor de natriumgehalten van vleeswaren en vleesbereidingen, kaas, hartige snacks, diverse sauzen, soep, kant- en klaarmaaltijden, pizza's en bewerkte visproducten stapsgewijs (verder) aan te passen. Dit blijkt uit de plannen die zij tot eind 2015 hiervoor hebben opgesteld.
    • Post-launch monitoring of foods and supplements with Krill oil and oil from microalgae Schizochytrium sp.

      Brosens M; Niekerk M; Temme L; van Raaij J; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-18)
      Sinds enkele jaren zijn er voedingssupplementen en producten op de markt die olie uit de microalg Schizochytrium sp. bevatten en krillolie, afkomstig van een kreeftachtig schaaldier. Deze oliën zijn rijk aan de vetzuren EPA en DHA, ook wel bekend als 'gezonde' visvetzuren. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat het gebruik van supplementen of voedingsmiddelen met deze bestanddelen geen risico's voor de gezondheid heeft. Alleen bij een extreem hoge inname zou de strengste grens die voor deze ingrediënten bestaat bij 10 procent van de oudere kinderen en volwassenen kunnen worden overschreden. Dit scenario is echter niet realistisch. Het onderzoek betrof producten die op de Nederlandse markt beschikbaar zijn: per mei 2014 waren er 25 voedingssupplementen die hoofdzakelijk krillolie bevatten en 8 met microalgolie. Er zijn geen voedingsmiddelen met krillolie gevonden, wel drie met de DHA-rijke olie uit de genoemde microalg. Dit zijn voornamelijk maaltijdvervangers en -repen. De grens die de EFSA (European Food Safety Authority) hanteert (5 gram per dag) voor volwassenen is in de uitgewerkte scenario's niet bereikt. Het Duitse Federal Risk Assessment Agency werkt met een strengere aanvaardbare bovengrens van 1,5 gram per dag. Die werd alleen overschreden bij het worst case-scenario waarbij een consument de Nederlandse richtlijn voor visconsumptie volgt (450 milligram per dag), dagelijks een supplement met EPA en DHA inneemt (645 milligram), en alle beschikbare producten gebruikt die met EPA en DHA zijn verrijkt. Mogelijke schadelijke gevolgen van de veel EPA en DHA zijn bloedingen, verminderde immuunfunctie, en verminderde vet- en glucosestofwisseling. Voor dit onderzoek is de methode gebruikt die het RIVM heeft ontwikkeld om in kaart te brengen welke producten een bepaald ingrediënt bevatten en in welke hoeveelheden dat ingrediënt erin zit (post-launch monitoring). Deze procedure wordt gebruikt voor zogenoemde nieuwe voedingsmiddeleningrediënten. Dat zijn producten die na mei 1997 op de Europese markt zijn verschenen en waarvoor is beoordeeld of ze veilig zijn voordat ze op de markt mogen worden toegelaten. Met de post-launch monitoring wordt getoetst of de dagelijkse toelaatbare hoeveelheid van het toegestane ingrediënt daadwerkelijk niet wordt overschreden.
    • Post-launch monitoring of novel foods/ingredients (revised version) : Methodology applied to additive stevia

      Brosens M; Hendriksen M; Niekerk EM; Temme EHM; van Raaij JMA; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-30)
      Dit rapport is de herziene versie van het oorspronkelijke rapport (mei 2014). Op pagina 3 staat een erratum met uitleg over de wijzigingen Het RIVM heeft een methode ontwikkeld waarmee in kaart kan worden gebracht welke producten een bepaald ingrediënt bevatten, en zo ja in welke hoeveelheden ('post-launch monitoring'). Het gaat hierbij om producten die na mei 1997 op de Europese markt zijn verschenen en waarvoor beoordeeld moet worden of ze veilig zijn om op de markt te mogen worden toegelaten - zogenoemde nieuwe voedingsmiddelen en voedselingrediënten. De methode is in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) ontwikkeld. Als testcase is de aanwezigheid van het in de markt opkomende additief Stevia onderzocht. Deze natuurlijke zoetstof zit bijvoorbeeld in zoetjes, limonade en frisdranken en drinkyoghurt. De methode is bruikbaar gebleken en in totaal is in 37 merken het Stevia-extract steviolglycosiden geïdentificeerd. Vervolgens is met twee scenario's geschat hoeveel van deze stof mensen binnenkrijgen (inname): het worst-case scenario en het '25 procentmarktaandeel' scenario. Het worst-case scenario gaat ervan uit dat alle producten die in productcategorieën zitten waarin het nieuwe voedselingrediënt is geïdentificeerd, de stof ook daadwerkelijk bevatten en dan tot het hoogste niveau dat in het product gemeten is of dat producenten hierover hebben gerapporteerd. Bij dit scenario wordt de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) voor Stevia bij minder dan 5 procent van de kinderen overschreden, en bij minder dan 9 procent van de volwassenen. Het 25 procent-marktaandeel scenario is een realistischere schatting. Bij dit scenario wordt de ADI bij minder dan 3 procent van de kinderen en volwassenen overschreden. Het is niet duidelijk of deze mate van overschrijdingen concrete risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Regelmatige monitoring is gewenst, vooral omdat verwacht wordt dat Stevia aan meer producten en soms in hogere concentraties zal worden toegevoegd.
    • Public health genomics : Wat zijn de kansen voor preventie?

      van den Berg M; van Kranen HJ; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-03-28)
      In Nederland wordt op het genoom gebaseerde kennis en technologie nog weinig toegepast in de publieke gezondheidszorg. De ontwikkelingen op dit vakgebied, dat public health genomics wordt genoemd, gaan ook in Nederland langzamer dan verwacht. Deskundigen hebben hier verschillende verklaringen voor, waaronder de biologische complexiteit van het genoom en de interacties met de omgeving, en de vaak lage voorspellende waarde van genetische variaties voor chronische ziekten. Daarnaast ervaren deskundigen de trage besluitvorming en maatschappelijke discussies over nieuwe mogelijkheden op het gebied van public health genomics als vertragend. Toch zijn er veelbelovende ontwikkelingen voor toekomstige toepassingen van public health genomics. Dit geldt met name voor ziektepreventie, bijvoorbeeld het gebruiken van genetische risicoprofielen bij kankerscreening, het toepassen van prenatale testen die meer zekerheid en minder risico's bieden dan de huidige testen, en het screenen van paren met een kinderwens op dragerschap van erfelijke aandoeningen. Van genomics-toepassingen bij gezondheidsbevordering zijn minder hoge verwachtingen. Zo lijkt het communiceren van genetische risicoinformatie over ziekten als diabetes of hart- en vaatziekten maar beperkte toegevoegde waarde te hebben bij leefstijlinterventies. In opdracht van ZonMw heeft het RIVM de stand van zaken van public health genomics in Nederland en de kansen voor preventie in kaart gebracht. Het onderzoek bestond uit literatuurinventarisatie, deskundigenconsultatie en een viertal casestudies. Voor de deskundigenconsultatie werden deskundigen in Nederland op het gebied van public health genomics, of een gerelateerd vakgebied, uitgenodigd om aan een online discussieplatform deel te nemen. Hierbij konden zij reageren op stellingen over huidige toepassingen en toekomstverwachtingen van public health genomics.
    • Quickscan interventies voor sportblessurepreventie

      Hoogendoorn M; Wendel-Vos W; Schaars D; van den Berg M; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-14)
      Om het stijgende aantal sportblessures in Nederland terug te dringen is het van belang dat sporters gebruikmaken van goede preventieprogramma's waarvan de effectiviteit is bewezen. Om dit te bereiken is meer onderzoek naar de effectiviteit van interventies noodzakelijk. Daarnaast zijn inspanningen nodig om het bereik van dergelijke interventies te vergroten. Dit blijkt uit een quickscan die het RIVM in samenwerking met het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) heeft uitgevoerd. Driekwart van de Nederlanders sport minstens een keer per maand. Sporters lopen daarbij steeds meer risico op een blessure. Jaarlijks ontstaan meer dan 4,5 miljoen sportblessures. Om deze ongunstige trend te keren heeft het ministerie van VWS aan ZonMw gevraagd een programma Sportblessurepreventie te ontwikkelen. In dit kader hebben het RIVM en het NISB een beknopt overzicht gemaakt van recente (wetenschappelijke) literatuur en ervaringen van experts over sportblessurepreventie. Daarbij is gekeken naar de sporten waarbij de meeste blessures optreden: voetbal, hardlopen, fitness, tennis en volleybal. Het aanbod van goede, bewezen effectieve interventies blijkt klein; in Nederland maar ook in de internationale literatuur. Voor een succesvolle implementatie van blessure-interventies is het is belangrijk dat preventie aansluit bij de belevingswereld van de sporter. Denk hierbij aan preventieve oefeningen met een bal voor voetballers en oefeningen gericht op looptechniek voor hardlopers. Het lijkt erop dat er door een negatief imago van blessures weinig aandacht is voor sportblessurepreventie; in de sport staan plezier en prestatie immers centraal. Het verdient daarom aanbeveling om blessurepreventie positief te framen. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van trainingsprogramma's die niet alleen blessures voorkomen maar ook prestaties bevorderen. Of door te werken met interventies in spelvorm.
    • Veilige maximale dagdosering retinol in vitaminepreparaten

      Verkaik-Kloosterman J; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      Mensen die te veel retinol (de actieve vorm van vitamine A) binnenkrijgen, kunnen problemen krijgen aan hun lever. Zwangere vrouwen lopen het risico dat er problemen ontstaan bij de ontwikkeling van hun ongeboren kind. Daarom is voor verschillende leeftijdsgroepen een maximum bepaald voor de hoeveelheid retinol die ze mogen binnenkrijgen, de zogeheten aanvaardbare bovengrens. Retinol zit in bepaalde voedingsmiddelen, zoals producten die lever bevatten, maar kan ook via supplementen worden ingenomen. Het RIVM heeft voor de verschillende leeftijdsgroepen berekend hoeveel retinol zij via voeding binnenkrijgen. Op basis hiervan is vervolgens geschat hoeveel retinol deze leeftijdsgroepen maximaal via supplementen kunnen innemen totdat de aanvaardbare bovengrens wordt bereikt. Afhankelijk van de leeftijd ligt bij 5 tot 33 procent van de kinderen tot en met 3 jaar de retinolinname boven de aanvaardbare bovengrens; zij eten vaak producten die veel retinol bevatten, zoals smeerleverworst. Bij meer dan 95 procent van de kinderen van 4 tot en met 14 jaar blijft de retinolinname uit de voeding onder de bovengrens. Zij zouden, afhankelijk van de leeftijd, naast de voeding nog circa 100 tot 950 microgram retinol per dag kunnen binnenkrijgen uit supplementen totdat de bovengrens wordt bereikt. Voor jongens en mannen vanaf 15 jaar is deze 'ruimte' circa 1450 microgram per dag. Voor vrouwen die de overgang hebben doorgemaakt, is een lagere maximale inname vastgesteld vanwege het risico op botontkalking. Hun veilige maximale 'ruimte' uit supplementen komt op circa 400 microgram per dag. Voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd is er 'ruimte' voor maximaal 1200 microgram per dag. Voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven zijn te weinig voedselconsumptiegegevens bekend om deze 'ruimte' vast te stellen. Aanbevolen wordt om deze gegevens ook voor deze groepen regelmatig te verzamelen. Hetzelfde geldt voor kinderen onder de twee jaar, waarvoor geen recente voedselconsumptiegegevens beschikbaar zijn.
    • Veilige maximale dagdosering vitamine D in voedingssupplementen : aanvullende berekening bij een hogere vitaminering van smeerbare vetten

      Verkaik-Kloosterman J; Dekkers ALM; Ocke MC; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-19)
      Vitamine D is belangrijk voor sterke botten en tanden. Het lichaam maakt zelf vitamine D aan als de huid aan zon wordt blootgesteld. Daarnaast is voeding een bron. Sommige voedingsmiddelen bevatten van nature vitamine D, maar deze vitamine wordt ook aan producten toegevoegd, zoals aan smeerbare vetten. Mensen die het risico lopen te weinig vitamine D binnen te krijgen, wordt aanbevolen om vitamine D-supplementen te slikken. Het gaat om jonge kinderen, vrouwen van 50 jaar en ouder, mannen van 70 jaar en ouder, mensen met een donkere huidskleur, zwangere vrouwen en mensen die onvoldoende buiten komen. Een andere manier om de inname te verhogen is om meer vitamine D toe te voegen aan voedingsmiddelen. Het maximumgehalte vitamine D dat in supplementen mag zitten, moet daar dan op worden aangepast. Het RIVM heeft berekend wat het effect is op de maximale dagdosering vitamine D in supplementen als het vitamine D-gehalte in smeerbare vetten, zoals margarine en halvarine, wordt verhoogd tot het huidige maximale wettelijke niveau. De vitamine D inname van de Nederlandse bevolking zal in dit scenario substantieel toenemen. De veilige maximale dagdosering vitamine D uit supplementen zal hierdoor iets afnemen. Dit is een aanvullende berekening naast eerder onderzoek uit 2013. De onderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Op basis hiervan overweegt dit ministerie om de maximale gehaltes vitamine D in supplementen en/of verrijkte voedingsmiddelen te herzien. Sinds enkele jaren bestaat er een maximum voor de hoeveelheid vitamine D in supplementen, en voor de hoeveelheid die aan voedingsmiddelen mag worden toegevoegd. Deze maxima zijn bepaald om een te hoge inname te voorkomen. Een te hoge inname van vitamine D kan namelijk een te hoog calciumniveau in het bloed of de urine veroorzaken, wat bijvoorbeeld kan leiden tot nierstenen. De maximale gehalten zijn bepaald op basis van de 'aanvaardbare bovengrens'. In 2012 is de aanvaardbare bovengrens voor vitamine D door de European Food Safety Authority (EFSA) verhoogd voor personen vanaf 1 jaar.
    • Vergelijking van zout-, verzadigd vet- en suikergehalten in voedingsmiddelen tussen 2011 en 2016 : RIVM Herformuleringsmonitor 2016

      Brants HAM; Toxopeus IB; Westenbrink S; Temme EHM; P&V; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-06)
      Het RIVM heeft in kaart gebracht wat de gehalten aan zout, suiker en verzadigd vet in voedingsmiddelen zijn ten opzichte van 2011. Het zoutgehalte in brood is gemiddeld 19 procent lager dan in 2011. Ook bepaalde soorten sauzen, soepen, groenten en peulvruchten in blik of glas en chips hebben een lager zoutgehalte. De gehalten zijn tussen de 12 en 26 procent lager. Daarnaast hebben enkele productgroepen een lager verzadigd vetgehalte gekregen. Het suikergehalte is in alle onderzochte productgroepen gelijk gebleven. De afgelopen jaren zijn vanuit het Akkoord Verbetering Productsamenstelling afspraken gemaakt over het maximumgehalte aan zout, verzadigd vet en calorieën (suikers, vet) in voedingsmiddelen. De lagere gehalten zijn vooral te zien bij productgroepen waarvoor deze afspraken zijn gemaakt. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft dit akkoord begin 2014 afgesloten met brancheorganisaties van de voedingsmiddelenindustrie, retail, horeca en catering. Het doel is om het voor de consument gemakkelijker te maken voor gezonde producten te kiezen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Dergelijke onderzoeken zijn ook in 2012 en 2014 uitgevoerd, zodat kan worden gevolgd hoe deze gehalten zich ontwikkelen. Hiervoor zijn gegevens over de samenstelling van voedingsmiddelen gebruikt die afkomstig zijn van analyses door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA), de Levensmiddelendatabank (een database van het Voedingscentrum en het RIVM met etiketgegevens) en monitoring door brancheorganisaties. Deze gegevens zijn gecombineerd en vergeleken met de samenstelling van voedingsmiddelen in het Nederlands Voedingsstoffenbestand (NEVO) 2011.
    • Vitamine D uit voedingssupplementen : inname, persoons- en gebruikskenmerken

      Geurts M; Verkaik-Kloosterman J; Buurma-Rethans E; Brants H; van Rossum C; van Kranen H; Hoekstra J; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-12)
      In Nederland nemen weinig mensen meer vitamine D in dan het maximum dat wordt aanbevolen. Wel zijn er supplementen in omloop die meer vitamine D bevatten dan volgens de wet is toegestaan. De supplementen met een hoge dosering worden vooral via internet aangeschaft. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is uitgevoerd. Tot voor kort was weinig bekend over wie in welke mate supplementen met vitamine D gebruikt. Vitamine D stimuleert de opname van calcium uit de darm en zorgt voor sterke botten. Het wordt door de huid aangemaakt onder invloed van zonlicht, maar ook voeding is een bron van vitamine D, zoals vette vis en margarine. De laatste jaren wordt vitamine D in verband gebracht met bijvoorbeeld een verbeterde spierfunctie, een sterker immuunsysteem en een lager risico op (darm)kanker. Wanneer mensen lange tijd heel veel vitamine D innemen, kan dit schadelijk zijn voor de gezondheid. Er kunnen dan nierstenen ontstaan en kalkafzetting rondom organen en weefsels. De Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) heeft daarom bepaald dat volwassenen maximaal 100 microgram per dag mogen binnenkrijgen. In de Nederlandse wet is vastgelegd dat een voedingssupplement maximaal 25 microgram mag bevatten. Voor dit onderzoek hebben meer dan 55.000 volwassenen online een vragenlijst ingevuld. Hierbij is aanvullende informatie verzameld over persoons- en leefstijlkenmerken. Van de ondervraagden namen 43 mensen (0,08 procent) elke dag meer dan 100 microgram vitamine D in via supplementen. Het zijn vooral vrouwen, vaak met een gemiddeld opleidingsniveau (bijvoorbeeld MBO), die vaker alternatieve genezers bezoeken. Ze gebruiken vaak supplementen die meer dan de wettelijk toegestane hoeveelheid vitamine D bevatten.
    • De waarde van een voedselkeuzelogo voor het voedingsbeleid : Advies van de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo

      Hoogendoorn MP; van den Berg M; P&V; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-09)
      Voedselkeuzelogo's kunnen consumenten informeren over gezondere producten. Het is echter niet wetenschappelijk aangetoond dat voedselkeuzelogo's er aan bijdragen dat het productaanbod gezonder wordt en consumenten vaker voor gezondere producten kiezen. Dat concludeert de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo die op verzoek van het ministerie van VWS de wetenschappelijke literatuur over enkele voedselkeuzelogo's bestudeerde. Het eetpatroon van veel Nederlanders kan een stuk gezonder. Zo eten we gemiddeld te weinig groente en fruit, en te veel zout en verzadigd vet. Daarom is het Nederlandse voedingsbeleid erop gericht de gezonde keuze de makkelijke keuze te maken. Dat gebeurt onder andere door te stimuleren dat producenten het productaanbod gezonder maken en door consumenten heldere en betrouwbare informatie aan te bieden, bijvoorbeeld via de voorlichting van het Voedingscentrum. Ook het Vinkje was als voedselkeuzelogo de afgelopen jaren onderdeel van het voedingsbeleid. In het licht van de maatschappelijke discussie die was ontstaan over het Vinkje, heeft de minister van VWS in oktober 2016 aangekondigd dat het gebruik van het Vinkje beëindigd diende te worden. Het ministerie van VWS heeft de Onafhankelijke Commissie Voedselkeuzelogo ook gevraagd te adviseren over de waarde van een voedselkeuzelogo in het kader van de doelen van het Nederlandse voedingsbeleid. Hoewel de commissie geen overtuigende bewijslast voor effecten van voedselkeuzelogo's op consumentengedrag of productinnovatie vond, kan een voedselkeuzelogo wel passen in het doel van het voedingsbeleid om consumenten te informeren over gezonde voeding. Het is daarbij belangrijk een dergelijk logo onderdeel te laten zijn van een integrale aanpak die op een gezonder eetpatroon is gericht.