• Age-related effects in rat lungs following acute and repeated ozone exposure

      Dormans JAMA; van Bree L; Boere AJF; van Loveren H; Rombout PJA; Marra M; PAT; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Studies in de mens laten een afname van de longfunctierespons zien voor ozon met het ouder worden, ofschoon de symptomenincidentie dezelfde blijft. Het beperkt aantal experimentele dierstudies laat een diffuse respons zien zonder een duidelijke relatie met leeftijd. Deze data suggereren dus dat jonge dieren niet gevoeliger zouden zijn dan volwassen dieren. Beschikbare toxiciteitsdata bij mens en dier hebben niet afdoende aangetoond dat er geslachtsverschillen bestaan ten aanzien van de gevoeligheid voor ozon. Deze dierstudie onderzocht mogelijke leeftijds- en geslachts- afhankelijke verschillen van de respons van de long op een eenmalige en herhaalde blootstelling aan ozon. Ratten van verschillende leeftijdsgroepen (1, 3, 9 en 18 maanden, overeenkomend met gespeende, jong volwassen, volwassen en relatief oude dieren) werden acuut blootgesteld aan 800 mug/m3 ozon gedurende een dag (12h) of herhaaldelijk blootgesteld (7 dagen, 12 h/d). Verscheidene parameters gerelateerd aan longfunctie, ontsteking en weefselschade, werden gehanteerd voor evaluatie van de ozongevoeligheid. Longfunctietesten lieten geen leeftijdsafhankelijke, noch ozoneffecten zien. Er werden geen leeftijdsafhankelijke effecten gezien in de volume gecorrigeerde compliance van controle dieren. Waarschijnlijk werd door het experimentele regime het niet optimale meettijdstip gekozen om een maximale respons te meten. Zowel morfologisch als morfometrisch werden leeftijdsafhankelijke effecten van ozonblootstelling in de longen waargenomen. Vanaf de leeftijd van 3 maanden bleken de dieren statistisch significant minder gevoeliger te worden voor ozon. Met betrekking tot de biochemische parameters bleek de basale antioxidant capaciteit in de longen van controle dieren vanaf de leeftijd van 3 maanden af te nemen. Toch stegen de enzymactiviteiten in de longen bij dieren van 9 en 18 maanden na ozonblootstelling. Er was geen statistisch significant leeftijdsafhankelijk effect van ozon. De afname van de percentuele toename van het eiwit- en albuminegehalte in longspoelvloeistof (een maat voor capillaire-alveolaire permeabiliteit) in aan ozonblootgestelde ratten vanaf 1 maand veronderstelt een afname in gevoeligheid met toenemende leeftijd. De geleidelijke afname van het netto percentage polymorfkernigen in de longspoelvloeistof na ozonblootstelling in mannelijke dieren naar mate de dieren ouder zijn, versterkt de veronderstelling van een afnemende gevoeligheid in oude ratten. Het resultaat van Listeria infectie proeven liet een bevestiging zien van vorige studies m.b.t. een statistisch significant ozoneffect. Doch er was geen statistisch significant verschil tussen de verschillende leeftijdgroepen in de weerstand tegen een Listeria infectie na ozonblootstelling. Concluderend blijkt dat enkele parameters zoals weefselschade en longonsteking duiden op een toegenomen reactie in jonge dieren. Andere parameters zoals weerstand tegen een Listeria infectie, longfunctie en antioxidant enzym respons wijzen op geen onderlinge verschillen tussen de leeftijdsgroepen in hun gevoeligheid voor ozon. Er werden bij alle onderzochte parameters geen geslachts- gerelateerde verschillen waargenomen ten aanzien van de respons op ozon. Eventuele verschillen van de respons op ozon van de diverse leeftijdsgroepen zouden verklaard kunnen worden door de biologische gevoeligheid voor ozon van de target-plaats, of door de verschillen in longdosimetrie bij dieren van verschillende leeftijden. De resultaten van deze kortdurende ozonblootstellingen zijn moeilijk te interpreteren voor wat betreft de leeftijd-gerelateerde gezondheidseffecten.<br>
    • De allergene potentie van geneesmiddelen: literatuurstudie

      van Amsterdam JGC; Vleeming W; de Wildt DJ; van der Laan JW; de Waal EJ; van Loveren H; Garssen J; TOX; LGM; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van de allergische reacties, die het gevolg zijn van geneesmiddelengebruik. De nadruk is gelegd op ernstige allergische reacties. Een overzicht -ingedeeld volgens de classificatie van Gell en Coombs wordt gegeven van geneesmiddelen met een allergene potentie. Daarnaast worden in een apart hoofdstuk enkele geneesmiddelen beschreven geselecteerd met ernstige of frequente allergische reacties. Voorts wordt ingegaan op de diagnostische mogelijkheden en de daarmee samenhangende problematiek ten einde de grote individuele variatie m.b.t. de gevoeligheid voor geneesmiddelen te schetsen. Tenslotte wordt een kort overzicht gegeven van diermodellen, waarin geneesmiddel-geinduceerde allergische reacties bestudeerd kunnen worden.<br>
    • Assessment of allergic potential of chemicals for respiratory allergy

      Garssen J; Loveren H van; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      At least 10% of the population of the western world is suffering from respiratory syndromes with characteristics of asthma or COPD (Chronic Obstructive Pulmonary Disease). In addition to inheritable components, it is well known that exaggerated immune responses against inhaled compounds can lead to respiratory allergy. More than 50% of the number of asthma cases are induced by type I hypersensitivity immune reactions (i.e. allergic or extrinsic asthma). The asthma cases that are not induced by these type I hypersensitivity reactions can be non-immunologically mediated (i.e. intrinsic asthma) or induced by other types of hypersensitivity reactions such as type III or IV hypersensitivity. Predictive tests with respect to the capacity of chemicals to induce one or more types of respiratory hypersensitivity are necessary in order to estimate the risk for exposure to these chemicals. The majority of the predictive tests are restricted to tests which are aimed to test the capacity of chemicals to induce skin-type hypersensitivity reactions (type IV). The applicability of these tests for predictive testing regarding the capacity of chemicals to induce respiratory hypersensitivity is restricted. In the present report a step-by-step approach is proposed for the identification and characterization of small molecular weight compounds as potential allergens, pertaining to the skin and the respiratory tract.
    • Assessment of allergic potential of chemicals for respiratory allergy

      Garssen J; van Loveren H; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Geschat wordt dat ongeveer 10% van de westerse wereld regelmatig CARA (Chronische Aspecifieke Respiratoire Aandoeningen) waaronder astmaklachten heeft. Naast een erfelijke component is bekend dat immunologische overgevoeligheidsreacties tegen ingeademde stoffen (allergenen) een belangrijke rol spelen bij respiratoire aandoeningen zoals CARA. Bij meer dan de helft van het aantal astma patienten betreft dit type I overgevoeligheidsreacties (allergische astma). Astma dat niet door type I reacties wordt geinduceerd kan niet-immunologisch geinduceerd zijn (intrinsieke astma, niet-allergische astma) of geinduceerd zijn door andere typen van immunologische overgevoeligheidsreakties. Voorbeelden van dergelijke typen overgevoeligheidsreacties zijn type III en IV overgevoeligheid. Om het risico van blootstelling aan chemische stoffen te schatten zijn voorspellende testen noodzakelijk. Deze testen moeten dan aangeven of een bepaalde klein-moleculaire verbinding een of meerdere typen van overgevoeligheid kan induceren. De meerderheid van de beschikbare testen zijn beperkt tot testen voor de inductie van huidovergevoeligheid (type IV). De toepasbaarheid van dit type (huid)testen met betrekking tot voorspellende inductie van luchtwegovergevoeligheid is beperkt. In dit rapport wordt een getrapt systeem voorgesteld voor de identificatie en karakterisatie van klein-moleculaire verbindingen als potentieel allergeen ten aanzien van de huid of de ademhalingswegen.<br>
    • Biomerkers in neuslavage voor effecten van luchtverontreiniging bij gezonde personen en patienten met allergische en astmatische aandoeningen. (Een literatuurstudie)

      Steerenberg PA; Dormans JAMA; Fischer PH; van Bree L; van Loveren H; PAT; CCM; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      Several times per year the one-hour maximum ozone concentration of 240 mug/m3, which is the Dutch air quality guideline, is exceeded. Epidemiological studies show a relation between photochemical episodes, like ozone, and an increase in respiratory symptoms. It is important to show which effects ozone has on the respiratory tract and at which concentration these effects occur. In experimental studies in which humans are exposed to ozone, the lower airway is investigated by studying biopsies and bronchial lavage fluid (BAL). These techniques can not be applied in epidemiological studies with large healthy human populations, because the techniques are very time consuming and invasive. The nose is the prime port of entry for inspired air, and therefore, the first region of the respiratory tract that comes into contact with airborne pollutants. Nasal lavage (NAL) has helped to analyse the stage of infection, immune response or allergic reaction. A literature search was undertaken to investigate whether or not NAL is useful to determine effects of photochemical air pollution and biomarkers predicting the presence of effects of pollution in the lower respiratory tract. This literature search showed that in experimental studies to ozone and in epidemiological studies at increased concentrations of photochemical air pollution the number of polymorphonuclear cells (PMN's), like neutrophils, and to a lower extent eosinophils is increased in NAL. These were not only shown in NAL, but also in BAL.<br>
    • Fish as biomarkers in immunotoxicology

      Wester PW; Vethaak AD; Muiswinkel WB van; Leewis RJ; PAT; LWD; VW/Dienst Getijdewateren; LUW (1993-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Immunotoxiciteit van natuurlijke toxinen. Een literatuur overzicht

      Deijns AJ; van Egmond HP; Speijers GJA; van Loveren H; ACT; ARO; TOX; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-02-28)
      The data about the possible toxicity of natural toxins indicate that many of these toxins are immunotoxic. This was found in various animal species and in man. The effects on the immune system often involve clinical implications, i.e. reduced resistance towards infections. For many of the natural toxins, however, investigations on the immunotoxic effects are far from complete. The relation of the observed effects on the immune system to other toxic effects is often not clear. On several occasions effects on one or more immunological parameters have been described, whereas the significance for the ultimate functionality remains unclear. This means that the knowledge about the potential immunotoxicity is fragmentary for the majority of the natural toxins. The knowledge on the toxicological profile of many less well investigated natural toxins would be desirable. In particular attention should be given to the immune system as a possible target for toxicity. The mycotoxins Fumonisin B1 and Ochratoxin A should be considered for further immune toxicity studies, in view of the toxicological significance, the gaps in the knowledge and the possibilities to have enough material available for (immune-)toxicity studies.<br>
    • An immunotoxicity screening study on Salmeterol in rats

      van Loveren H; de Jong WH; van de Vliet H; Verlaan B; de la Fonteyne-Blankestijn LJ; Hoejenbos-Spithout HHM; de Waal EJ; PAT; LGM; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Salmeterol, een lang werkzame Beta2-adrenoreceptor agonist, werd bestudeerd in een 28-daagse toxiciteitstest in de Wistar rat. Aandacht werd daarbij geschonken aan parameters voor immunotoxiciteit. Het doel was verder bij te dragen in de validatie van deze immunotoxiciteitstesten voor geneesmiddelen. Mannelijke ratten werden oraal behandeld met 0, 0.2, 2 of 20 mg Salmeterol/kg lichaamsgewicht per dag. Gedurende de loop van het experiment bleek dat de hoogste dosering die was gekozen te hoog was. Om deze reden werd de hoogste dosering teruggebracht tot 10 mg/kg/dag, vanaf dag 9 van de behandeling. Lichaamsgewicht en beenmergcellulariteit werden door de behandeling niet beinvloed. Ook hematologische parameters waren niet veranderd in de behandelde dieren, behalve de aantallen bloedplaatjes, die in alle doseringsgroepen significant verlaagd waren. Ook de gewichten van de levers waren in alle doseringsgroepen afgenomen. Het thymusgewicht was afgenomen in de groepen die waren behandeld met 2 en met 20/10 mg/kg/dag. Er werden geen (histo)pathologische lesies waargenomen in (niet)lymfoide organen, die te relateren waren aan de behandeling. Serum immunoglobuline G spiegels waren toegenomen in de groepen behandeld met 2 en 10/20 mg/kg/dag. Percentages B cellen in de milt waren afgenomen in alle doseringsgroepen. De gegevens van deze studie geven aan dat het panel van immunotoxiciteitstesten zoals hier gebruikt om Salmeterol te onderzoeken in staat is om geringe immunotoxische potentie zoals die uit de literatuur naar voren komt te identificeren. Verder onderzoek zal moeten aangeven wat de functionele consequenties van deze geringe immunotoxiciteit van Salmeterol zijn.<br>
    • Laboratory maintenance, topographical anatomy and histology of flounder, Platichthys flesus

      Grinwis GCM; Wester PW; Kamstra A; van den Brandhof EJ; van Dijk JE; Leewis RJ; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; PAT; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Diverse veldonderzoeken suggereren een relatie tussen watervervuiling en enkele ziekten (b.v. huidzweren, vin-rot, lymphocystis infectie en levertumoren) bij vissen. Onderzoeken met de bot (Platichthys flesus), gehouden onder semi-veld (mesocosmos) condities, wijzen op een mogelijk causaal verband tussen watervervuiling, de inductie van lever tumoren en lymphocystis virus infectie. Onderzoek onder gecontroleerde laboratorium omstandigheden blijft echter noodzakelijk om een causaal verband tussen vervuiling met specifieke xenobiotische stoffen en de inductie van deze ziekten aan te tonen. Voor gebruik in laboratorium onderzoek is de bot gedurende anderhalf jaar zonder grote problemen gehouden en opgekweekt. Er wordt een korte beschijving gegeven van de huisvesting en verzorging van de botten onder laboratoriumomstandigheden. De botten worden in een multi-stress project (chemische- en microbiologische stress) gebruikt om de carcinogene- en immunotoxische effecten van polyclisch aromatische koolwaterstoffen te evalueren. In dit rapport wordt de normale histologie van de bot beschreven om pathologische veranderingen te kunnen interpreteren waarbij de nadruk wordt gelegd op de organen die betrokken zijn bij de immunologische afweer (thymus, nier, milt, melanomacrofagen-centra en het bloed), de lever, huid en kieuwen. Verschillen in anatomie en histologie tussen de bot, andere teleosta en zoogdieren worden beschreven aan de hand van literatuurgegevens en eigen waarnemingen.<br>
    • Liver histopathology of flounder (Platichthys flesus) in Dutch coastal and estuarine waters, with particular reference to neoplastic disease and their relationship with environmental factors

      Vethaak AD; Wester PW; RIKZ; PAT (1994-07-31)
      Dit rapport beschrijft het histopathologisch onderzoek van levers van platvis (bot, Platichthys flesus) afkomstig van de Nederlandse kustwateren en estuaria welke bemonsterd zijn in de periode 1985-89. Bemonstering vond plaats op een 10-tal lokaties waarbij 210 levers zijn verzameld met waarneembare knobbels (diameter > 2 mm); daarnaast zijn 315 ogenschijnlijke normale levers onderzocht. Van de 210 levers met waarneembare afwijkingen bleek 67% inderdaad tumoren te bevatten, de meeste waren goedaardig (hepatocellulair adenoom). Bij 13.6% bleek sprake van een kwaadaardig tumor (hepatocellulair carcinoom). De meeste overige afwijkingen bleken te bestaan uit zgn. "foci of cellular alteration" (fca). welke wel worden beschouwd als voorstadia van tumoren. Levertumoren komen het meest frequent voor bij bot langs de Hollandse en Zeeuwse kust, prevalenties kunnen hier oplopen tot 30% in vissen van 6 jaar en ouder. Verder werd de tumorziekte vaker bij vrouwelijke dan bij mannelijke botten waargenomen. Histopathologisch onderzoek van de ogenschijnlijk normale levers gaf niettemin een scala van veranderingen te zien, waaronder hepatocellulair adenoom, fca's, ontstekingen, vervalshaardjes, regeneratieve haardjes,hydropische degeneratie van lever- en galgangcellen en fibrillair veranderde levercellen waarvan de betekenis onduidelijk is. Daarnaast werd stapeling (vacuolisatie) van glycogeen en vet gezien, alsmede zgn. melanomacrofagen centra. De laatste twee veranderingen vallen binnen het normale beeld, maar werden gekwantificeerd (semikwantitatief). Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat een geringe fractie van de tumoren zou worden gemist als het onderzoek zich zou beperken tot alleen de zichtbare afwijkende levers. De verspreiding van de fca's kwam goed overeen met die van de tumoren hetgeen de hypothese ondersteund dat deze veranderingen tot hetzelfde proces behoren. Van de overige veranderingen en parameters vertoonde alleen de hydropische galgangdegeneratie ene overeenkomstige verspreiding. Gezien de ruimtelijke en temporele verdeling van de zichtbare afwijkingen over de diverse meetpunten en de gegevens van de histopathologische bevestiging kan geconcludeerd worden dat het voorkomen van levertumoren bij bot als integrale indicator van chemische vervuiling (potentiele carcinogene stoffen) kan dienen. Gezien de lange latentietijd echter zal er behoefte zijn aan vroege indicatoren (waaronder mogelijk fca's), hetgeen in verder laboratoriumonderzoek dient te worden uitgewerkt.
    • Milieurapportage 1993. II. Integratierapport, &apos;Aantasting ozonlaag en blootstelling UV&apos;

      Aben JMM; Aldenkamp FJ; Bordewijk JA; Eggink GJ; Garssen J; Heij GJ; van Liere L; van Loveren H; Matthijsen AJCM; Olivier JGJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      The report deals with compounds which are known or supposed to deplete the stratospheric ozone layer (such as CFC's). The entire chain is discussed, starting with production and emission of these compounds. Emissions are followed by dispersion in the atmosphere which results in depletion of the ozone layer. UV exposure at the earth surface increases, because of reduced absorption by ozone. The effects on aquatic ecosystems and public health are discussed, and an estimate is given of the additional risk for the population.<br>
    • Preventie van kanker, een rol voor anticarcinogene stoffen in de voeding

      van Kreijl CF; Mohn GR; Hertog MGL; Bueno de Mesquita HB; Steerenberg PA; Derks HJ; LCM; CCM; PAT; BFT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Op basis van epidemiologisch en (dier)experimenteel onderzoek is reeds langer bekend dat de meest voorkomende vormen van humane kanker waarschijnlijk te wijten zijn aan levensstijl factoren (inclusief voedingsgewoontes), in combinatie met genetische factoren die verantwoordelijk zijn voor individuele verschillen in gevoeligheid. Daarnaast heeft dit onderzoek meer recent ook geleid tot de identificatie (of postulatie) van een aantal (klassen van) stoffen, met name in de voeding, waaraan een beschermende werking tegen kanker kan worden toegeschreven. Stoffen die kanker veroorzaken worden carcinogene stoffen genoemd terwijl de tegen kanker beschermende stoffen als anticarcinogeen worden aangeduid. Dit zijn bijvoorbeeld vitamine C, beta-caroteen en vezels, maar ook non-nutrienten zoals bijvoorbeeld flavonoiden. Ten aanzien van deze beschermende stoffen is tot op heden nog weinig bekend over de rol en het belang van de afzonderlijke componenten, over hun mogelijke werkingsmechanismen en over mogelijke synergistische of antagonistische effecten ervan. In dit rapport wordt een beknopt overzicht gegeven van het mechanisme van de tumorontwikkeling en de mogelijke werking van carcinogene stoffen en anticarcinogene stoffen hierop. Tevens wordt de epidemiologische kennis over voeding en kanker, met name de beschermende effecten van groenten en fruit, samengevat. Aan de hand hiervan worden voorstellen gedaan voor verder onderzoek in het RIVM op het gebied van de anticarcinogenese die nauw aansluiten bij de reeds lopende projecten en de aanwezige expertise. Gezien de huidige lacunes in de wetenschappelijke kennis op dit terrein omvat dit: (i) bepalen van de antimutagene werking (in vitro systemen ; AMES test), immunomodulerende effecten van potentiele anticarcinogene verbindingen (voorlopig o.a. flavonoiden), (ii) het uitvoeren van anticarcinogeniteits studies in proefdieren met specifieke aandacht voor colon- en huidtumoren (iii) op basis van het voorafgaande het ontwikkelen van biomerkers van blootstelling, biologisch effect en respons, subklinische aandoeningen en verschillen in individuele gevoeligheid die toepasbaar zijn in epidemiologisch onderzoek. Hiermee geintegreerd loopt het epidemiologisch onderzoek (o.a. EPIC-studie) dat een informatieinstrument vormt t.b.v. stofkeuzes in (i) en (ii) en dat gericht is op (a) het kwantitatief onderzoeken van de relatie tussen de hoge consumptie van groenten en fruit en het ontstaan van diverse vormen van kanker en (b) de verdere differentiatie hiervan naar typen groenten en fruit. Geconcludeerd wordt dat vanuit volksgezondheidsbeleid en specifiek de kankerpreventie-doelstelling het onderzoek naar beschermende factoren van belang is aangezien dit zou kunnen leiden tot aanbevelingen voor de consumptie van (a) voedingsmiddelen die rijk zijn aan anticarcinogene verbindingen en/of (b) afzonderlijke stoffen met kankerbeschermende werking. Gezien de aanwezige expertise in verschillende afdelingen (CCM, LCM, BFT, PAT) van het RIVM is het wenselijk om de thans lopende onderzoekslijnen op genoemde wijze op elkaar af te stemmen en te integreren in een bovensectoraal multidisciplinair onderzoekprogramma.<br>
    • Report on predictive testing with respect to the capacity of chemicals to induce respiratory allergy

      Garssen J; Loveren H van; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-07-31)
      At least 10% of the population of the western world is suffering from respiratory syndroms with characteristics of asthma or COPD (chronic obstructive pulmonary disease). The prevalence and severity of asthma like diseases is increasing and even in some countries mortality has risen. In the United Kingdom asthma is responsible for about 2000 deaths per year. In addition to inheritable components, it is known that exaggerated immune responses against inhaled compounds can lead to pulmonary diseases (respiratory allergy). More than half of the number of asthma cases are induced by type I hypersensitivity immune reactions (i.e. extrinsic asthma). The asthma cases that are not induced by these type I hypersensitivity reactions can be non-immunological mediated (i.e. intrinsic asthma) or induced by other subtypes of hypersensitivity reac- tions such as type III or IV hypersensitivity. Predictive tests with respect to the capacity of chemicals to induce one or more types of respiratory hypersensitivity are necessary. Unfortunately there are almost no tests available in order to test the sensitizing capacity of compounds leading to respiratory allergy. The majority of the predictive tests are restricted to the capacity of chemicals to induce skin-type hypersensitivity reactions. The applicability of these tests for predictive testing regarding the capacity of compounds/chemicals to induce respiratory hypersensitivity is restricted.
    • Risk assessment on the carcinogenic potential of hybridoma cell DNA. Implications for residual contaminating cellular DNA in biological products

      Dortant PM; Claassen IJTM; Kreyl CF van; Steenis G van; Wester PW; PAT; LCB; KRZ; LCM (1995-12-31)
      Dit rapport beschrijft een onderzoek naar mogelijk tumor-inducerend vermogen van rest DNA afkomstig van geimmortaliseerde en mogelijk tumorigene cellijnen door de aanwezigheid van geactiveerde oncogenen. Deze cellijnen worden gebruikt voor produktie van bijv. monoclonale antistoffen, lymphokines en vaccins. DNA, afkomstig van Balb/c hybridoma-cellen, werd gebruikt als model. De lokale (s.c.) tumorigene capaciteit werd onderzocht in Balb/c muizen (speenlingen, n=200, 250 mug DNA) en pasgeboren Riv:TOX ratten (n=9, 50 mug DNA). Doses van 5 mug plasmide pPy1 DNA (Polyoma-virus genoom als positieve controle), werden s.c. geinjecteerd 20 muizen en 9 ratten. Op de hybridoma DNA injectieplaats werd bij geen van de 9 ratten en bij 1 van de 200 muizen een (haemangiomateuze) laesie aangetroffen. Na pPy1 toediening werd bij 1 van de 20 muizen en bij 3 van de 9 ratten lokale tumorvorming waargenomen. Lokale tumorontwikkeling na toediening van uitsluitend de oplosbuffer werd bij twee van de 200 muizen en 0 van de 9 ratten waargenomen. De conclusie is dat toediening van zeer hoge doses hybridoma DNA niet leidt tot lokale tumorvorming op de injectieplaats. Tevens werden geen aanwijzingen voor systemische tumorigene effecten gevonden. Uitgaande van het meest ongunstige scenario, werd het oncogene risico van 100 pg rest DNA op 2*10 macht-9) berekend. Deze waarde is gelegen tussen de risicoschattingen van de WHO (5*10 macht-11) en de Gezondheidsraad (2*10 macht-7). Het is daarom niet aannemelijk, dat toediening van 100 pg DNA afkomstig van andere geimmortaliseerde cellijnen het algemeen geaccepteerde carcinogene risico van 10 macht-6 overschrijdt.
    • A search for biomarkers in nasal lavage as a tool for the assessment of health effects of photochemical air pollution. A feasibility study with volunteers

      Steerenberg PA; Fischer PH; Gmelig Meyling F; Willighagen J; Geerse E; van de Vliet H; Ameling C; Boink ABTJ; Dormans JAMA; van Bree L; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      In Nederland wordt jaarlijks regelmatig de grenswaarde voor ozon (1 uur maximale ozonconcentratie van 240 mug/m3) overschreden. Door de Gezondheidsraad is een indeling gemaakt van de mogelijke responsen bij blootstelling aan fotochemische luchtverontreiniging tijdens zomersmogepisoden, waarbij ozon de belangrijkste component is. Uit recent epidemiologisch onderzoek in Nederland blijkt dat een reductie in longfunctie te meten is, terwijl de grenswaarde voor Nederland, zijnde 240 mug/m3, niet werd overschreden. Het is onbekend of herhaalde ozonblootstelling uiteindelijk resulteert in chronische ziekten van de long. Om de epidemiologische studies voort te zetten, zal in een soortgelijk protocol de aanwezigheid van ontstekingsreacties worden bestudeerd in neuslavagevloeistof. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat ontstekingsreacties in de neus, veroorzaakt door ozon, relevante informatie geven over effecten in de long. Dit rapport bevat de resultaten van een vooronderzoek waarin bij 12 volwassen vrijwilligers van het RIVM gedurende de maanden oktober tot december 1993 neuslavages zijn uitgevoerd. In deze voorstudie werd het aantal leukocyten, de concentratie immunomediatoren en biomerkers voor exsudatie in neuslavagevloeistof bepaald. Deze voorproef met 12 vrijwilligers heeft duidelijk aangetoond dat het mogelijk is voor ontstekingsreacties relevante biomerkers in de NAL te meten en dat deze studie de weg opent voor epidemiologisch onderzoek in kinderen, waarbij zowel longfunctie als ontstekingsreactie kunnen worden bestudeerd.<br>
    • Studies on the applicability of short-term genetic endpoints in the risk evaluation of carcinogenous substances. Progress report on the direct comparison between genetic and neoplastic effects in rats exposed to MNU

      van Benthem J; Hoebee B; Jansen JG; van Kranen HJ; Kroese ED; Myers BR; Parry JM; Suzen S; de Stoppelaar JM; Dortant PM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      De betrokkenheid van somatische genetische veranderingen in het meerstaps proces van kanker wordt steeds duidelijker. Het hier beschreven onderzoek is gericht op (1) de ontwikkeling cq. verfijning van technieken om onder in vivo omstandigheden in de rat verschillende types van genetische schade te detecteren en (2) het bepalen van de correlatie tussen kortdurende genetische en neoplastische effecten in ratten die eenmalig werden blootgesteld aan de methylerende carcinogene verbinding N-methyl-N-nitrosoureum (MNU). Als modelsysteem werd de granuloma pouch assay gebruikt. De granuloma pouch wordt geinduceerd door een subcutane injectie met steriele lucht. Dit heeft tot gevolg dat de subcutane fibroblasten worden aangezet tot celdeling en zo een goed doelwit weefsel vormen voor studies naar mutagene en carcinogene effecten. De meerwaarde van deze assay ten opzichte van bestaande testen is dus dat zowel kortdurende als chronische eindpunten tegelijkertijd in een en hetzelfde doelwit weefsel voor tumorvorming kwantitatief vergeleken kunnen worden. Een eenmalige intra-pouch blootstelling aan MNU resulteerde niet alleen in dosis-afhankelijke kortdurende effecten zoals DNA adducten, mutaties in het HPRT-gen en chromosoom afwijkingen maar eveneens in een relatie tussen de hoeveelheid tumoren (kwaadaardige mesenchymale tumoren) en de MNU dosis. Met behulp van de "restriction site mutation" techniek werden in andere weefsels van de rat genetische veranderingen door MNU aangetoond. Vergelijking tussen de kortdurende en chronische effecten wezen uit dat alle eindpunten door MNU werden geinduceerd binnen dezelfde doseringreeks. Bovendien vertoonde de kinetiek van de dosis-effect curves voor alle eindpunten een lineariteit.<br>
    • Toxicity of ergot alkaloids: ergometrine maleate

      Peters-Volleberg GWM; Janssen GB; van Loenen HA; de la Fonteyne-Blankestijn LJJ; Beems RB; Elvers LH; van Egmond HP; Timmerman A; Speijers GJA; LGM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Er zijn onvoldoende toxicologische gegevens over ergot alkaloiden om een risicoschatting te maken. Daarom werd het volgende experiment uitgevoerd. Sprague Dawley (SD) ratten (6 dieren/geslacht/groep) werden gedurende 4 weken blootgesteld aan ergometrine maleaat, in doseringen van 0, 2, 10, 50 of 250 mg/kg voer. Er waren twee controle groepen: een groep kreeg het SSP-tox voer ad libitum, en een groep (groep 1) werd 'pair-fed' gevoerd met dehoogste doseringsgroep. In week 4 zijn bloed monsters verzameld voor hematologische en klinisch-chemische bepalingen, en werd gedurende 24 uur urine verzameld. In week 5 werden de dieren opgeofferd waarbij bloed is verzameld voor biochemische en endocrinologische bepalingen. En aantal organen zijn gewogen, gefixeerd en er is een uitgebreid histopathologisch onderzoek verricht. Concentraties van 2, 10, 50 en 250 mg ergometrine maleaat/kg voer resulteerde in een gemiddelde opname van circa 0,2, 1, 5 en 25 mg/kg lichaamsgewicht. De homogeniteit en stabiliteit van ergometrine maleaat in het voer was goed. Er werden geen klinische symptomen gerelateerd aan de behandeling waargenomen bij de dieren. Plasma glucose spiegels waren significant gedaald in vrouwtjes behandeld met 50 en 250 mg/kg. Bij mannetjes werd eveneens een tendens tot verlaging van glucose spiegels waargenomen, maar dit effect was niet significant in de multiple-comparison test. In mannelijke ratten waren T4 spiegels verlaagd in de hoogste doseringsgroep (250 mg/kg), en FT4 spiegels bij 50 en 250 mg/kg. Bij vrouwtjes was er een (niet significante) tendens tot verlaging van T4 spiegels. Serum prolactine was verlaagd bij 50 en 250 mg/kg (mannetjes en vrouwtjes).Er werden geen behandelings gerelateerde effecten gezien op hematologische parameters. Het absolute en relatieve (alleen vrouwtjes) gewicht van het hart was verhoogd bij 250 mg/kg. Het relatieve hersenen gewicht van de pair-fed controle groep was hoger dan dat van de controle groep. Het absolute gewicht van de lever was verhoogd in vrouwtjes (250 mg/kg), en het relatieve gewicht van de lever was verhoogd bij 50 en 250 mg/kg in beide sexes. Het gewicht van de ovaria (absoluut en relatief) was verhoogd bij 250 mg/kg, en het absolute gewicht van de nieren was verhoogd bij 250 mg/kg (mannetjes). Macroscopisch werd in mannetjes een lichte dosis-gerelateerde vergroting van de mediastinale lymfeklieren gezien, en een vergroting van de parathymale lymfeklieren. Histopathologisch werden bij mannetjes behandeld met een dosis van 250 mg/kg bleke hepatocyten gezien die in sommige gevallen gezwollen waren. Dit fenomeen werd geinterpreteerd als een toegenomen glycogeen opslag in de lever. Mineralisatie en nefrose in de nier werd in alle groepen (inclusief controle) gezien. Histopathologisch werden geen veranderingen in het hart en de ovaria gezien. De no-effect level is 10 mg/kg. Binnen het RIVM zijn reeds sub-acute en sub-chronische studies met ergotamine tartraat uitgevoerd (Speijers, 1992 en 1993). De subacute toxiciteit van ergotamine tartraat en ergometrine maleaat in de SD rat worden vergeleken. Effecten die met beide stoffen gezien zijn: verlaging van thyroxine spiegels, verhoogde relatieve gewichten van het hart, lever en ovaria. Nefrotoxiciteit en necrosis van de staartpunt werden uitsluitend met ergotamine tartraat gezien. Aanwijzingen voor een verstoring van het koolhydraat metabolisme werden uitsluitend met ergometrine maleaat verkregen. Er wordt nog een experiment met een derde ergot alkaloid (ergocryptine) uitgevoerd. Dan kan de toxiciteit van de modelstoffen uit drie verschillende categorieen ergot alkaloiden vergeleken worden en een risico evaluatie m.b.t. humane blootstelling worden gemaakt.<br>
    • Virologic examination of gastro-enteritis outbreaks 1994-1995

      Koopmans MPG; Lewis D; Burger M; Tijmensen A; Vinje J; LIO; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      "Small-round-structured viruses" (SRSV) kunnen explosies van gastro-enteritis veroorzaken. Om te onderzoeken in welke mate dit ook in Nederland het geval is, werden alle explosies van gastro-enteritis waarbij diagnostische ondersteuning werd gevraagd van het laboratorium voor Virologie (RIVM) gedurende twee jaar onderzocht op aanwezigheid van SRSV met behulp van een nieuw ontwikkelde test op basis van RT-PCR. Daarnaast werden de gevonden SRSV stammen met behulp van immuno-electronenmicroscopie en sequentie-analyse onderzocht om de antigene en genetische variabiliteit in kaart te brengen. Om dit te kunnen doen werd een generische RT-PCR ontwikkeld waarmee 85% van de SRSV uit de tot nu toe bekende antigene groepen kon worden aangetoond. SRSV werden met electronenmicroscopie en met deze RT-PCR aangetoond in 91% van de gemelde explosies (n=22). Sequentie-analyse van de PCR producten liet zien dat de explosie stammen sterk geclusterd waren. Het merendeel van de SRSV stammen in 1994 is nauw verwant met de twee recent beschreven antigene typen SRSV Toronto virus en Mexico virus. In 1995 vond er een shift plaats naar circulatie van een ander antigeen type (Grimsby), dat genetisch sterk verschilt van de 1994 stammen (27% nt sequentie divergentie). Een vergelijkbare indeling werd gemaakt op basis van antigene typering van de stammen met behulp van immuno-EM. De waargenomen clustering is een sterke aanwijzing voor epidemische verspreiding van SRSV door Nederland.<br>