• Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: Winter 2016/2017

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus SD; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-09-21)
      During the 2016/2017 winter season, the influenza epidemic in the Netherlands lasted for 15 weeks. This was longer than the nine-week average duration of epidemics in the twenty previous seasons. Influenza subtype A(H3N2) was the dominant influenza virus throughout the season. In general, baseline natural immunity against A(H3N2) is relatively low among the elderly. Indeed, the number of patients older than 65 years, who visited a general practitioner (GP) for influenza-like symptoms, was higher than last year when influenza A(H1N1)pdm09 predominated. In nursing homes, the number of patients with influenza-like symptoms was also high. In total, an estimated 500,000 patients had symptomatic influenza in the period between the beginning of October 2016 and the end of May 2017 and 6,500 patients were admitted to hospital for influenza-related symptoms. During the epidemic, there were 7,500 more deaths than expected in this 15-week period. The effectiveness of the influenza vaccine against the A(H3N2) virus was 47 per cent. The circulating Dutch A(H3N2) viruses displayed a good to moderate match with the strain that was used in the 2016 vaccine. The WHO has recommended that the same strain be used for the trivalent vaccine for the 2017/2018 season in the northern hemisphere. The B component in the 2017 trivalent vaccine also remains the same as it was in 2016, but the A(H1N1)pdm09 component will be replaced with a more recent virus. The effectiveness of the vaccine varies every season because it is never known which influenza virus(es) will dominate in the next influenza season. Also, the circulating influenza viruses can evolve over time and deviate from the chosen vaccine viruses. There were more reports of the notifiable respiratory infectious diseases made in the 2016 calendar year than in previous years: tuberculosis (889 notifications), psittacosis (60 notifications) and legionellosis (454 notifications). The increase in legionellosis notifications may be associated with the warm, wet weather conditions in 2016. However, several geographic clusters were observed whose existence could not be explained by heavy rainfall or other weather conditions and for none of these clusters could the source of infection be found. The number of notifications for Q fever (14 notifications) is still decreasing. However, the notifiable infectious diseases that present as pneumonia are notoriously underreported because most cases of community-acquired pneumonia are managed in primary care without specific diagnostic laboratory tests being made.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections: Winter 2017/2018

      Reukers DMF; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Dam-Deisz WDC; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus S; Broek I van den; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-09-04)
      Influenza In the winter of 2017/2018 the influenza epidemic lasted 18 weeks. This is longer than the average over the last 20 years (nine weeks). Between October 2017 and May 2018, an estimated 900,000 people had symptomatic influenza and 340,000 people consulted their general practitioner with influenza-like symptoms. Hospitals were also temporarily overstretched as many patients had to be admitted due to complications of flu (usually pneumonia); this number is estimated to have been over 16,000. Also, during the epidemic, 9,500 more people died than would normally be the case in the influenza season (October to May). Throughout the entire epidemic, people mostly became ill due to an influenza type B virus of the Yamagata lineage. This is the first time that an influenza type B virus has been dominant right from the start of the epidemic. Influenza vaccine effectiveness In the current season, vaccination prevented 44% of the vaccinated people from getting the influenza B virus. This is despite the fact that the Yamagata lineage of influenza virus type B was not included in the vaccine. Apparently, the other B virus in the vaccine provided a reasonable level of cross-protection. The long duration of the flu epidemic can therefore not be explained by a low effectiveness of the vaccine. The effectiveness of the vaccine can differ greatly from season to season. This is because the composition of the vaccine is decided upon six months in advance and is determined based on the viruses that dominated in the previous season all over the world. However, influenza viruses can change and when the influenza season breaks out in the Netherlands other viruses may dominate. This is why it is not possible to predict exactly which viruses will be dominant. Notifiable respiratory infections Some respiratory infections have to be notified to the Public Health Services in order to prevent any further spread. In 2017, there was a striking increase in the number of notifications of legionella; at 561 this was the highest number ever reported. The number of reports of tuberculosis dropped to 787. The number of reports of Q fever (23) and psittacosis (52) remained stable. Q fever, psittacosis and legionella generally manifest themselves in the form of pneumonia. The number of reported cases is an underestimation of the real number as these diseases are normally not tested for when people have pneumonia.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections: Winter 2017/2018

      Reukers DFM; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus S; Teirlinck AC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-09-04)
      Griep<br>In de winter van 2017/2018 duurde de griepepidemie 18 weken. Dat is langer dan het gemiddelde van de afgelopen 20 jaar (negen weken). In totaal zijn tussen oktober 2017 en mei 2018 ongeveer 900.000 mensen ziek geworden door het griepvirus. Naar schatting bezochten 340.000 mensen de huisarts met griepachtige klachten. Daarnaast waren ziekenhuizen tijdelijk overbelast door de vele patiënten die vanwege complicaties van griep (meestal longontsteking) moesten worden opgenomen; naar schatting ruim 16.000. Ook zijn er tijdens de epidemie 9.500 meer mensen overleden dan gebruikelijk is in het griepseizoen (oktober tot mei). Tijdens de gehele epidemie zijn mensen vooral ziek geworden van het type B (Yamagata-lijn) griepvirus. Het is niet eerder voorgekomen dat een type B-griepvirus vanaf het begin van de epidemie overheerst. <br> <br>Effectiviteit griepvaccin<br>In het onderzochte seizoen heeft het vaccin bij 44 procent van de mensen die zich tegen de griep hebben laten vaccineren, voorkomen dat ze griepvirus B kregen. De Yamagata-lijn van griepvirus type B zat niet in het vaccin van het afgelopen seizoen. De redelijke bescherming die het vaccin bood komt doordat er wel een ander type B in zat. De lange duur van de griepepidemie kan dan ook niet verklaard worden door de lage effectiviteit van het vaccin.De effectiviteit van het vaccin kan per seizoen sterk verschillen. Dat komt omdat de samenstelling van het griepvaccin een half jaar van tevoren wordt bepaald op basis van de virussen die het seizoen ervoor in de wereld heersten. Griepvirussen kunnen echter veranderen of andere virussen kunnen overheersen tegen de tijd dat het griepseizoen in Nederland aanbreekt. Daardoor kan van tevoren nooit precies worden voorspeld welke virussen zullen overheersen. <br> <br>Meldingsplichtige luchtweginfecties<br>Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Opvallend in 2017 was de toename van het aantal meldingen van legionella naar 561, het hoogste aantal ooit gerapporteerd. Het aantal gemelde gevallen van tuberculose (787) is gedaald. Het aantal meldingen van Q-koorts (23) en psittacose (52) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella ziekten uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Het aantal gemelde gevallen is een onderschatting van het werkelijke aantal, omdat vaak niet op deze ziekten wordt getest als mensen een longontsteking hebben. <br>
    • Annual report. Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2015/2016 : Surveillance van influenza en andere luchtweginfecties: winter 2015/2016

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Marbus SD; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-27)
      In de winter 2015/2016 was er een griepepidemie in de eerste elf weken van 2016.Dit griepseizoen week niet sterk af van een gemiddeld griepseizoen, met naar schatting ruim 200 duizend huisartsbezoeken voor griepachtige klachten, 96 duizend huisartsbezoeken voor longontstekingen en 3900 doden bovenop het verwachte aantal doden gedurende de elf weken van de epidemie. In de eerste weken van de epidemie werd vooral het influenzavirus A(H1N1)pdm09 aangetroffen. Later was dat vooral het influenzavirus B (Victoria-lijn). De effectiviteit van het griepvaccin (44 procent) leek beter dan vorig jaar, hoewel het influenzavirus B van de Victoria-lijn er niet in was opgenomen. Daar was voor gekozen omdat in voorgaande jaren vooral een ander influenzavirus B (Yamagata-lijn) circuleerde. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft geadviseerd om volgend jaar de Victoria-lijn te gebruiken in plaats van de Yamagata-lijn. Het influenzavirus A(H1N1)pdm09 had wel een goede match met het vaccin van dit jaar. Het RIVM heeft dit jaar voor het eerst in twee ziekenhuizen geregistreerd hoeveel mensen zijn opgenomen vanwege complicaties van de griep. Vanuit andere ziekenhuizen is via de media vernomen dat een ongewoon hoog aantal relatief jonge patiënten was opgenomen met ernstige luchtwegklachten. Dit was niet terug te zien in de RIVM-data, maar onderstreept het belang van een uitgebreidere surveillance in ziekenhuizen. Van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten kwam in 2015 zowel tuberculose (867 meldingen) als legionellose (419 meldingen) meer voor dan voorgaande jaren. Bij tuberculose heeft dit vooral te maken met het toegenomen aantal asielzoekers. Bij legionellose komt dit waarschijnlijk door het warme en natte weer. Het aantal meldingen van psittacose (47) en Q-koorts (20) was niet opvallend. Dit aantal is echter een onderschatting van het werkelijke aantal, omdat bij longontsteking vaak de oorzaak niet wordt vastgesteld.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2012

      Brandsema P; Dijkstra F; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; de Lange MMA; Meijer A; Slump E; van der Hoek W; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMStreeklaboratorium voor de Volksgezondheid KennemerlandHaarlem., 2013-11-22)
      Er waren in 2012 geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfecties legionellose, psittacose, Q-koorts en tuberculose. Wel duurde de influenza (griep)epidemie van het seizoen 2012/2013 uitzonderlijk lang: met 18 weken was het de langstdurende epidemie in de afgelopen 25 jaar. Mogelijk heeft dit geleid tot meer longontsteking en meer sterfgevallen. Griep en longontsteking leiden jaarlijks tot veel ziekteverzuim en huisartsenbezoeken. Ook zijn ze een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. De meldingsplichtige luchtweginfecties komen veel minder voor dan griep of longontsteking in het algemeen. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM voert met partners continue surveillance uit om ontwikkelingen in luchtweginfecties tijdig te signaleren. Meldingsplichtige longontstekingen De meldingsplichtige longontstekingen vormen een klein deel van het totaal aantal longontstekingen. In 2012 was het aantal longontstekingen veroorzaakt door de legionellabacterie (veteranenziekte) met 304 meldingen vergelijkbaar met vorig jaar. Bijna de helft van de patiënten had tijdens de incubatietijd een reis gemaakt; vooral bij een reis naar Italië was het risico op een legionella-infectie hoger. Er waren 46 meldingen van psittacose, een vorm van longontsteking waarbij vooral vogels de bron van infectie zijn. Dit is het laagste aantal sinds 2004. Er was echter wel een uitbraak van psittacose bij medewerkers van een vogelopvang. Met slechts 66 meldingen was er weinig acute Q-koorts, wat bevestigt dat de grote Q-koortsepidemie van 2007-2010 voorbij is. In Friesland werden echter meer Q-koortspatiënten gezien dan voorgaande jaren, zonder dat hier een bron van infectie gevonden werd. Tuberculose Het aantal tuberculosepatiënten in Nederland is sinds 2002 met een derde gedaald. Na een tijdelijke toename in 2009 tot 1158 meldingen, zette de daling in de jaren erna door tot 958 meldingen in 2012. Evenals voorgaande jaren is in 2012 bijna driekwart van het aantal tbc patiënten geboren in het buitenland. Vooral onder Somaliërs komt relatief vaak tuberculose voor. Griep In het griepseizoen van 2012-2013 circuleerden er vier verschillende griepvirussen: twee verschillende influenzavirussen type A, en twee soorten influenzavirus type B. De effectiviteit van het influenzavaccin was voor één virustype zeer laag en voor de andere drie soorten virussen redelijk tot goed. Tijdens de influenza-epidemie werd langdurig een verhoogd aantal sterfgevallen waargenomen, dat mogelijk deels aan de griep kan worden toegeschreven.
    • Jaarrapportage Surveillance Respiratoire Infectieziekten 2013

      Teirlinck AC; van Asten L; Brandsema PS; Dijkstra F; Donker GA; Euser SM; van Gageldonk-Lafeber AB; Hooiveld M; de Lange MMA; Meijer A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-26)
      Het griepseizoen (influenza) 2013/2014 was erg mild, na de uitzonderlijk langdurende epidemie in het seizoen 2012/2013. Ook was het een mild seizoen wat betreft het aantal mensen dat een longontsteking (pneumonie) opliep. In 2013 waren er geen grote uitbraken van de meldingsplichtige luchtweginfectieziekten legionellose (308 meldingen), papegaaienziekte (psittacose; 51 meldingen), Q-koorts (19 meldingen) en tuberculose (848 meldingen). Deze aantallen waren in het verslagjaar vergelijkbaar of lager dan het aantal meldingen in voorgaande jaren. Dit blijkt uit de jaarlijkse surveillance luchtweginfectieziekten 2013 van het RIVM. Griep en longontsteking leiden tot veel ziekenhuisopnames en sterfte in Nederland, waardoor het RIVM ze actief volgt. In vergelijking met griep komen de meldingsplichtige luchtweginfecties in Nederlands maar weinig voor. Ze zijn meldingsplichtig, omdat tijdige maatregelen, zoals de besmettingsbron opsporen, belangrijk kunnen zijn om uitbraken of verdere verspreiding van de ziekte te voorkomen. Het RIVM volgt ook potentieel gevaarlijke nieuwe luchtweginfecties die elders in de wereld voorkomen. In mei 2014 werden voor het eerst in Nederland twee patiënten gediagnostiseerd met het MERS coronavirus. In het seizoen 2013/2014 lag het aantal mensen dat met griepachtige klachten bij de huisarts kwam begin 2014 gedurende vier weken boven de grens waarmee een griepepidemie wordt geduid. Bij de patiënten met griepachtige klachten kwam naast influenzavirus vaak RSV (respiratoir syncytieel virus) en neusverkoudheid (rhinovirus) voor. Er kwamen minder mensen met een longontsteking bij de huisarts dan voorgaande seizoenen, maar het aantal longontstekingpatiënten in verpleeghuizen bleef gelijk.
    • Kosteneffectiviteit van een screeningsprogramma naar chronische Q-koorts

      de Boer PT; Broek I van den; Wielders CCH; Broek I van den; Schneeberger PM; van der Hoek W; RES; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-19)
      In Nederland was tussen 2007 en 2010 een grote epidemie van Q- koorts. Bij ongeveer twee op de 100 patiënten die Q-koorts hebben doorgemaakt blijft de bacterie in het lichaam aanwezig. Dit kan na maanden of jaren een ernstige ziekte veroorzaken, namelijk chronische Q-koorts. Chronische Q-koorts komt vooral voor bij mensen met specifieke hart- en vaataandoeningen of met een verzwakt immuunsysteem. Als het op tijd wordt opgemerkt, kunnen deze personen worden behandeld met een antibioticakuur die ten minste anderhalf jaar moet duren. Diverse maatschappelijke groepen hebben gevraagd om een bevolkingsonderzoek op te zetten zodat mensen op tijd kunnen worden opgespoord en behandeld vóórdat ze chronisch ziek worden. Het RIVM heeft onderzocht of een dergelijk bevolkingsonderzoek kosteneffectief is. Dat is het geval voor de genoemde risicogroepen (mensen met een specifieke hart- of vaataandoening of een verzwakt immuunsysteem) die in een gebied wonen waar tijdens de epidemie Q-koorts voorkwam. Het screenen van ouderen of volwassenen zonder risicofactor voor chronische Q-koorts is niet kosteneffectief. In dit onderzoek is gekeken wat het kost en oplevert om chronische Q- koorts op te sporen bij verschillende groepen mensen. Bij dit soort analyses wordt gerekend met de eenheid 'levensjaar in goede gezondheid', meestal aangeduid met de Engelse afkorting 'QALY' (Quality-Adjusted Life Year). Met deze maat kan het effect van verschillende behandelingen of preventieve ingrepen met elkaar worden vergeleken. In de berekeningen wordt gekeken naar kosten (zoals die voor het onderzoek zelf en voor behandeling) en baten (zoals gezondheidswinst, minder mensen met ernstige complicaties en benodigde behandelingen). Het eindresultaat is het aantal euro's dat het kost om één QALY te winnen. Dit wordt vervolgens afgewogen tegen een bedrag tot aan waar het programma als kosteneffectief wordt gezien. Een screening om patiënten vroegtijdig op te sporen, kan ook nadelen hebben. Zo kan onterecht de diagnose chronische Q-koorts worden gesteld. Ook kan het soms onduidelijk zijn of het zinvol is om een behandeling te starten of niet. Verder kan het, behalve veel onrust, voor lichamelijke schadelijke effecten zorgen, zoals bijwerkingen van langdurig gebruik van antibiotica.
    • Tuberculose in Nederland 2012

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; van Rest JF; Schimmel HJ; van Soolingen D; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKNCV Tuberculosefonds, 2014-06-05)
      In 2012 werden 958 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,7 per 100.000 inwoners. Ten opzichte van 2011 en 2010 is de incidentie met respectievelijk vier procent en tien procent afgenomen. Sinds 2002 is het aantal tbc-patiënten in Nederland met 32% gedaald. In 2012 werd bij 53 procent van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd. Het aantal patiënten met longtuberculose (pulmonale tbc) daalt sneller dan het aantal met extrapulmonale tbc (tuberculose buiten de longen). Het percentage extrapulmonale gevallen was het hoogste onder tbc-patiënten die in het buitenland zijn geboren. De meest voorkomende vorm van extrapulmonale tuberculose was tuberculose van de perifere lymfklieren. Achttien procent (177) van de tbc-patiënten in 2012 had sputumpositieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. De incidentie van sputumpositieve longtuberculose in 2012 was 1,1 per 100.000 inwoners. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna drie kwart van het aantal tbc-patiënten in 2012 was geboren in het buitenland (73%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland was de groep Somaliërs net als voorgaande jaren het grootste (170). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië was daarmee even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (18 procent), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is bijna 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders (respectievelijk 1,3 en 691 per 100.000 inwoners). Multiresistente tuberculose Het aantal patiënten met multiresistente tuberculose (MDR-tbc) in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen tien en twintig patiënten; dat is 1-2% van het totaal aantal patiënten. In 2012 werden elf patiënten met multiresistente tuberculose gediagnosticeerd. Eén van de elf patiënten met mulitresistente tuberculose was afkomstig uit Nederland, de tien andere patiënten uit het buitenland. Resultaat van de behandeling Van alle in 2011 geregistreerde tbc-patiënten voltooide 87% de tbc-behandeling met succes. Bij nieuwe patiënten met longtuberculose was dit percentage iets lager (85%). Patiënten met multiresistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de elf MDR-tbc-patiënten gediagnosticeerd in 2010 voltooiden zeven (64%) de behandeling met succes, één patiënt (9%) brak de behandeling voortijdig af, één patiënt zette de behandeling in het buitenland voort, één patiënt is overleden aan een andere oorzaak dan tuberculose en van één patiënt is het behandelresultaat (nog) niet bekend. Sterfte aan tuberculose Van de tbc-patiënten geregistreerd in het NTR in 2011 en 2012 overleden respectievelijk achttien (1,8%) en zes personen (0,6%) aan tuberculose. Patiënten met ernstige comorbiditeit hebben grotere kans op sterfte aan tuberculose. In 2012 overleed één persoon met diabetes, twee personen met een maligniteit en één persoon met nierinsufficiëntie aan tuberculose. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2012 zijn 1.293 nieuwe gevallen van LTBI geregistreerd. Bij 855 personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2011 startten in totaal 1.027 van de 1.297 personen (79%) een preventieve behandeling. Van hen voltooide 84% de LTBI-behandeling met succes. Delay Op grond van de gegevens in het NTR is de gemiddelde duur van het diagnostisch delay in de periode 2005-2012 niet toegenomen, hoewel bij illegalen, dak- en thuislozen, en drugs- en alcoholverslaafden wel aanwijzingen zijn voor een langer patient delay. Bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden is wel sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Voor doctor delay geldt hetzelfde: er is bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Case finding In totaal 15% van alle tbc-patiënten werd in 2012 gevonden door actieve opsporing door de afdeling tbc-bestrijding van de GGD. Het percentage tbc-patiënten dat gevonden wordt door screening van risicogroepen zoals nieuwe immigranten, asielzoekers, drugsverslaafden en dak- en thuislozen neemt al langere tijd af. In de jaren 1993-1998 werd 14% van de tbc-patiënten gevonden door screening, maar in 2012 was dit nog maar 8%. Het percentage patiënten gevonden via bron- en contactonderzoek was in 2012 hetzelfde als in voorgaande jaren (7%). Tbc-patiënten met verminderde weerstand Het percentage tbc-patiënten met een co-infectie met hiv was 3% in 2012. Het percentage tbc-patiënten die op co-infectie met hiv werden getest nam toe van 28% in 2008 naar 49% in 2011, maar is in 2012gestagneerd (47%). Van patiënten uit risicogebieden zoals sub-Sahara Afrika was in 59% van de gevallen de hiv-status bekend. Het aantal tbc-patiënten die behandeld worden met TNF-alfaremmers neemt toe. In 2012 betrof het achttien (1,9%) patiënten. Transmissie en clustersurveillance Van de patiënten met kweekpositieve tuberculose clusterde de helft met een voorgaande patiënt. Bij een derde van de clusterende patiënten was sprake van recente clustering, een mogelijk gevolg van recente transmissie in Nederland. In 2012 vertoonden vier van de clusters een groei van meer dan vijf patiënten. De laatste jaren zijn er minder snelgroeiende clusters, een teken dat transmissie van M. tuberculosis in Nederland afneemt of dat de bestrijdingsmaatregelen effectief zijn.
    • Tuberculose in Nederland 2012

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; van Rest JF; Schimmel HJ; van Soolingen D; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKNCV Tuberculosefonds, 2014-06-05)
      In 2012 werden 958 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,7 per 100.000 inwoners. Ten opzichte van 2011 en 2010 is de incidentie met respectievelijk vier procent en tien procent afgenomen. Sinds 2002 is het aantal tbc-patiënten in Nederland met 32% gedaald. In 2012 werd bij 53 procent van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd. Het aantal patiënten met longtuberculose (pulmonale tbc) daalt sneller dan het aantal met extrapulmonale tbc (tuberculose buiten de longen). Het percentage extrapulmonale gevallen was het hoogste onder tbc-patiënten die in het buitenland zijn geboren. De meest voorkomende vorm van extrapulmonale tuberculose was tuberculose van de perifere lymfklieren. Achttien procent (177) van de tbc-patiënten in 2012 had sputumpositieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. De incidentie van sputumpositieve longtuberculose in 2012 was 1,1 per 100.000 inwoners. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna drie kwart van het aantal tbc-patiënten in 2012 was geboren in het buitenland (73%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland was de groep Somaliërs net als voorgaande jaren het grootste (170). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië was daarmee even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (18 procent), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is bijna 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders (respectievelijk 1,3 en 691 per 100.000 inwoners). Multiresistente tuberculose Het aantal patiënten met multiresistente tuberculose (MDR-tbc) in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen tien en twintig patiënten; dat is 1-2% van het totaal aantal patiënten. In 2012 werden elf patiënten met multiresistente tuberculose gediagnosticeerd. Eén van de elf patiënten met mulitresistente tuberculose was afkomstig uit Nederland, de tien andere patiënten uit het buitenland. Resultaat van de behandeling Van alle in 2011 geregistreerde tbc-patiënten voltooide 87% de tbc-behandeling met succes. Bij nieuwe patiënten met longtuberculose was dit percentage iets lager (85%). Patiënten met multiresistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de elf MDR-tbc-patiënten gediagnosticeerd in 2010 voltooiden zeven (64%) de behandeling met succes, één patiënt (9%) brak de behandeling voortijdig af, één patiënt zette de behandeling in het buitenland voort, één patiënt is overleden aan een andere oorzaak dan tuberculose en van één patiënt is het behandelresultaat (nog) niet bekend. Sterfte aan tuberculose Van de tbc-patiënten geregistreerd in het NTR in 2011 en 2012 overleden respectievelijk achttien (1,8%) en zes personen (0,6%) aan tuberculose. Patiënten met ernstige comorbiditeit hebben grotere kans op sterfte aan tuberculose. In 2012 overleed één persoon met diabetes, twee personen met een maligniteit en één persoon met nierinsufficiëntie aan tuberculose. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2012 zijn 1.293 nieuwe gevallen van LTBI geregistreerd. Bij 855 personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2011 startten in totaal 1.027 van de 1.297 personen (79%) een preventieve behandeling. Van hen voltooide 84% de LTBI-behandeling met succes. Delay Op grond van de gegevens in het NTR is de gemiddelde duur van het diagnostisch delay in de periode 2005-2012 niet toegenomen, hoewel bij illegalen, dak- en thuislozen, en drugs- en alcoholverslaafden wel aanwijzingen zijn voor een langer patient delay. Bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden is wel sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Voor doctor delay geldt hetzelfde: er is bij ruim een kwart van de patiënten die passief worden gevonden sprake van een 'te lang' of 'ongunstig delay'. Case finding In totaal 15% van alle tbc-patiënten werd in 2012 gevonden door actieve opsporing door de afdeling tbc-bestrijding van de GGD. Het percentage tbc-patiënten dat gevonden wordt door screening van risicogroepen zoals nieuwe immigranten, asielzoekers, drugsverslaafden en dak- en thuislozen neemt al langere tijd af. In de jaren 1993-1998 werd 14% van de tbc-patiënten gevonden door screening, maar in 2012 was dit nog maar 8%. Het percentage patiënten gevonden via bron- en contactonderzoek was in 2012 hetzelfde als in voorgaande jaren (7%). Tbc-patiënten met verminderde weerstand Het percentage tbc-patiënten met een co-infectie met hiv was 3% in 2012. Het percentage tbc-patiënten die op co-infectie met hiv werden getest nam toe van 28% in 2008 naar 49% in 2011, maar is in 2012gestagneerd (47%). Van patiënten uit risicogebieden zoals sub-Sahara Afrika was in 59% van de gevallen de hiv-status bekend. Het aantal tbc-patiënten die behandeld worden met TNF-alfaremmers neemt toe. In 2012 betrof het achttien (1,9%) patiënten. Transmissie en clustersurveillance Van de patiënten met kweekpositieve tuberculose clusterde de helft met een voorgaande patiënt. Bij een derde van de clusterende patiënten was sprake van recente clustering, een mogelijk gevolg van recente transmissie in Nederland. In 2012 vertoonden vier van de clusters een groei van meer dan vijf patiënten. De laatste jaren zijn er minder snelgroeiende clusters, een teken dat transmissie van M. tuberculosis in Nederland afneemt of dat de bestrijdingsmaatregelen effectief zijn.
    • Tuberculose in Nederland 2013 : Surveillancerapport

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; de Vries G; Schimmel HJ; van Soolingen D; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-12-18)
      In 2013 werden 848 patiënten met tuberculose gemeld aan het Nederlands Tuberculose Register (NTR). Dit komt overeen met een incidentie van tuberculose van 5,1 per 100.000 inwoners. Het aantal tbc-patiënten in Nederland is in de laatste tien jaar met 38% gedaald. In 2013 werd bij 54% van de gemelde patiënten longtuberculose geconstateerd; 23% procent (199) van de tbc-patiënten in 2013 had sputum en/of BAL ZN positieve longtuberculose, de meest besmettelijke vorm van tuberculose. Dit betekent een afname van 15% van het aantal patiënten met besmettelijke tuberculose ten opzichte van 2012. Tuberculose komt in Nederland vaker voor bij personen geboren in het buitenland (eerstegeneratieallochtonen) en tweedegeneratieallochtonen. Bijna driekwart van het aantal tbc-patiënten in 2013 was geboren in het buitenland (74%). Van de groep eerstegeneratieallochtonen met tuberculose in Nederland is de groep Somaliërs, net als voorgaande jaren, het grootst (147). Het percentage tbc-patiënten afkomstig uit Somalië is even groot als het percentage autochtone Nederlanders met tuberculose (17%), maar de incidentie onder Somaliërs in Nederland is meer dan 500 maal hoger dan onder autochtone Nederlanders. Tbc-patiënten behorend tot een risicogroep Het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep was in 2013 lager (36%) dan in 2012 (40%). Vooral het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'tbc-contacten' nam af. Ook het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'immigranten korter dan 2,5 jaar in Nederland' en het aantal tbc-patiënten behorend tot de risicogroep 'asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland' was in 2013 lager dan in voorgaande jaren. Bijna de helft van het aantal tbc-patiënten in 2013 in Nederland is immigrant langer dan 2,5 jaar in Nederland en afkomstig uit endemisch gebied. Vanwege de duur van het verblijf worden zij niet (meer) als risicogroep beschouwd. Tuberculose en hiv Het percentage tbc-patiënten dat op hiv wordt getest is ook in 2013 veel lager (51%) dan de richtlijn voor tuberculose en hiv aanbeveelt (100%). Het percentage tbc-patiënten van wie de hiv-status bekend was, nam toe van 28% in 2008 tot 51% in 2013. Het percentage tbc-patiënten geïnfecteerd met hiv daalde de laatste tien jaar in Nederland tot 2,0% in 2013. Dit is 3,9% van de patiënten waarbij de hiv-status bekend is. Multiresistente (MDR) tuberculose Het aantal patiënten met MDR-tbc in Nederland schommelt de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig patiënten. Door de afname van het totaal aantal tbc-patiënten in 2013 nam MDR-tbc in verhouding toe ten opzichte van voorgaande jaren tot 2,8% van het totaal aantal kweekpositieve tuberculose. MDR-tbc komt vaker voor bij patiënten die eerder zijn behandeld. Alle MDR-tbc-patiënten in 2013 waren afkomstig uit het buitenland Resultaat van de behandeling Van alle patiënten met rifampicine gevoelige tuberculose gediagnosticeerd in 2012, voltooide 85% de tbc-behandeling met succes. Patiënten met resistente tuberculose voltooiden minder vaak de behandeling. Van de negentien patiënten met rifampicine resistente tuberculose gediagnosticeerd in 2011, voltooiden veertien (74%) de behandeling met succes. Sterfte aan tuberculose Van de zestien personen die in 2012 en 2013 aan tuberculose overleden waren er dertien ouder dan 65 jaar. Twee patiënten waren hiv-positief. Bij zeven van de 16 overleden tbc-patiënten werd de diagnose tuberculose pas na het overlijden gesteld. Latente tbc-infectie (LTBI) In 2013 zijn 1.344 personen met LTBI gemeld aan het NTR. Bij 771 (57%) personen werd de diagnose bij bron- en contactonderzoek vastgesteld. In 2013 startte 72% van de gemelde personen een preventieve behandeling. Van de personen gemeld in 2012 voltooide 87% de LTBI-behandeling met succes. Transmissie en clustersurveillance Op grond van de genetische typering van de tbc-bacterie is aangetoond dat bij ongeveer een derde van de patiënten met een kweekpositieve tuberculose in 2013 er sprake is van recente clustering, dat wil zeggen dat de patiënt eenzelfde bacterie heeft als een andere tbc-patiënt die de afgelopen twee jaar in Nederland is vastgesteld. Bij de overige patiënten die tot een cluster behoorden kan het gaan om import van de ziekte met een VNTR-typering die veel voorkomt in het land van herkomst of om een re-activatie van een in het verleden opgedane infectie. Regionale surveillance Met ingang van 1 januari 2015 zal de tbc-bestrijding georganiseerd worden vanuit vier regio's: de tbc-regio Noord Oost, de tbc-regio Noord West, de tbc-regio Zuid-Holland en de tbc-regio Zuid. Het aantal tbc-patiënten (en de tbc-incidentie) is in de periode 1993-2013 gedaald in alle tbc-regio's. Per regio zorgen regionale uitbraken voor schommelingen in het aantal patiënten over de jaren. De regio Zuid-Holland had in 2013 het grootste aantal tbc-patiënten (265) en de hoogste incidentie (7,4 per 100.000 inwoners). In de regio Noord Oost was de incidentie het laagste (3,4 per 100.000) maar was het percentage tbc-patiënten behorend tot een risicogroep het hoogste (46%). Dit waren vooral immigranten en asielzoekers korter dan 2,5 jaar in Nederland. De regio Zuid had in 2013 het kleinste aantal tbc-patiënten (156). De incidentie in de regio Zuid was 3,9 per 100.000 inwoners.
    • Tuberculose in Nederland 2014. Surveillance rapport : inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; van Soolingen D; Teirlinck AC; de Vries G; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-17)
      Het aantal patiënten met tuberculose in Nederland neemt sinds 1994 gestaag af. In 2014 zijn 823 patiënten met tuberculose geregistreerd. Als tuberculose in de longen zit, kan het besmettelijk zijn maar dat hoeft niet. De meest besmettelijke vorm (open tuberculose) kwam in 2014 voor bij 201 patiënten. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze bacteriële infectieziekte veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. De grootste groep patiënten is, net als voorgaande jaren, afkomstig uit Somalië (105), gevolgd door Marokko (82) en Eritrea (53). Dit blijkt uit de cijfers over 2014. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, in aansluiting op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd te elimineren. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tbc én tbc is vaak het eerste teken van een hivinfectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Bij 48 procent van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 57 in 2013. Het percentage tbc-patiënten dat hiv-positief bleek, daalde de laatste tien jaar in Nederland van 4 naar 2,8 in 2014. Multiresistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor bepaalde medicijnen, is sprake van resistente tuberculose. Bij multiresistentie is resistentie ontstaan tegen meerdere soorten medicijnen. In Nederland komt dit nog maar weinig voor: het aantal patiënten met multiresistente tuberculose schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2014 waren het er zes, allen geboren in het buitenland. Resultaat van de behandeling Om tuberculose te behandelen moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) tegelijkertijd verschillende medicijnen innemen. De cijfers van 2014 zijn nog niet bekend op het moment dat deze rapportage uitkomt. Van de tbc-patiënten uit 2013 zonder enkele vorm van resistentie voltooide 91 procent de behandeling met succes. Dit is een zeer goed resultaat.
    • Tuberculose in Nederland 2015 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump E; Erkens CGM; van Hunen R; Schimmel HJ; van Soolingen D; de Vries G; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-12-08)
      Na een jarenlange daling is in 2015 het aantal tuberculosepatiënten in Nederland met 6 procent toegenomen. Er zijn dat jaar in Nederland 867 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 814 in 2014. De oorzaken zijn de toegenomen instroom van asielzoekers uit landen waar tuberculose veel voorkomt, en een iets hoger aantal autochtone Nederlanders met tbc in 2015. Dit blijkt uit de cijfers over 2015. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, in aansluiting op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd te elimineren. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) kwam in 2015 voor bij een kwart van de patiënten. Bijna driekwart (72 procent) van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze bacteriële infectieziekte veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. In 2015 was de grootste groep patiënten afkomstig uit Eritrea en Ethiopië. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tuberculose én tuberculose is vaak het eerste teken van een hiv-infectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Van een groot deel van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 60 in 2015, maar is nog steeds lager dan de 80 procent die de WHO adviseert. Resultaat van de behandeling Voor de behandeling moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) tegelijkertijd verschillende medicijnen innemen. Van de tbc-patiënten uit 2014 zonder enkele vorm van resistentie tegen de medicijnen en waarvan het behandelresultaat gerapporteerd is, voltooide 88 procent de behandeling met succes. Dit is iets minder dan in 2013 (91 procent). Van vijf procent is het behandelresultaat nog niet gerapporteerd. De behandelresultaten van 2015 zijn nog niet bekend.
    • Tuberculose in Nederland 2016 : Surveillancerapport inclusief rapportage monitoring van interventies

      Broek I van den; Bregman IM; Erkens CGM; van Hunen R; Schimmel HJ; Broek I van den; de Melker HE; RES; EPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-12-12)
      In 2016 is het aantal tbc-patiënten in Nederland voor het tweede jaar op rij toegenomen. Er zijn in dat jaar 889 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 814 in 2014. De belangrijkste oorzaak is de toegenomen instroom van migranten uit landen waar tuberculose veel voorkomt, zoals delen van Afrika en Azië. In 2016 was de grootste groep patiënten afkomstig uit Eritrea en Ethiopië. Daarnaast komt de toename door een hoger aantal patiënten geboren in het buitenland die al langer dan tien jaar in Nederland zijn. Dit blijkt uit de cijfers over 2016. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks, aansluitend op het doel van de WHO om tuberculose wereldwijd uit te bannen. Tuberculose is een meldingsplichtige infectieziekte die door een bacterie wordt veroorzaakt. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2016 bij een vijfde van de patiënten geconstateerd. Tuberculose en hiv Een infectie met hiv verhoogt het risico op tuberculose en omgekeerd is tuberculose vaak het eerste teken van een hiv-infectie. Het is daarom belangrijk om een hiv-infectie zo vroeg mogelijk vast te stellen en te behandelen. Van een groot deel van de tbc-patiënten is onbekend of zij met hiv besmet zijn. Het percentage tbc-patiënten dat getest werd op hiv steeg van 28 in 2008 naar 74 in 2015, maar is nog steeds lager dan de 100 procent die de WHO adviseert. De behandeling Voor de behandeling moeten patiënten een langere periode (vaak zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. Van de tbc-patiënten uit 2015 zonder enkele vorm van resistentie tegen de medicijnen en waarvan het behandelresultaat gerapporteerd is, voltooide 88 procent de behandeling met succes. Dit percentage was hetzelfde in 2014. De behandelresultaten van 2016 zijn nog niet bekend. Rifampicine-resistentie Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor het belangrijkste medicijn tegen tuberculose, rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. De behandeling van een patiënt met rifampicine-resistente tuberculose is zeer complex en langdurig. In Nederland komt dit regelmatig voor. Het aantal patiënten schommelde de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2016 waren het er vijftien.
    • Tuberculose in Nederland 2017 : Surveillancerapport - inclusief rapportage monitoring van interventies

      Slump E; Blijboom L; Bregman IM; Erkens CGM; van Hunen R; Schimmel HJ; van Soolingen D; de Vries G; RES; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      In 2017 is het aantal tuberculosepatiënten in Nederland aanzienlijk afgenomen, na een toename in de twee jaar ervoor. In 2017 zijn 787 tbc-patiënten gerapporteerd, ten opzichte van 862 in 2015 en 887 in 2016. Bijna driekwart van het totale aantal tbc-patiënten in Nederland komt uit gebieden waar deze infectieziekte veel voorkomt, zoals Afrika en Azië. Net als in de voorgaande jaren kwam de grootste groep patiënten uit Eritrea (94), gevolgd door Marokko (73) en Somalië (58). Meerdere factoren zorgden voor de daling. Dat zijn onder andere de afnemende instroom van migranten in 2016 en 2017 en de afname van tuberculose onder de Nederlandse bevolking. <br> <br>Tuberculose wordt door een bacterie veroorzaakt en moet gemeld worden bij de GGD in de woonplaats van de patiënt. Het merendeel van de patiënten (tachtig procent) ging zelf naar een dokter; tien procent werd gevonden via de screening van een risicogroep en acht procent door personen in de omgeving van besmettelijke patiënten te onderzoeken. Door besmette contacten zo vroeg mogelijk op te sporen en te behandelen, kon worden voorkomen dat meer mensen tuberculose kregen. Tuberculose kan besmettelijk zijn, bijvoorbeeld als het in de longen zit, maar dat hoeft niet. De besmettelijkste vorm (open tuberculose) is in 2017 bij een kwart van de patiënten geconstateerd. <br> <br>Dit blijkt uit de cijfers over 2017. Het RIVM rapporteert deze cijfers jaarlijks om de voortgang te monitoren van maatregelen om tuberculose in Nederland terug te dringen. Hiertoe is in 2016 het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 opgesteld. Volgens dit plan moeten bijvoorbeeld alle tbc-patiënten een hiv-test aangeboden krijgen, omdat een hiv-infectie het risico op tuberculose verhoogt. In Nederland steeg het percentage tbc-patiënten dat op hiv werd getest van 28 in 2008 naar 75 in 2017. In 2017 hadden 23 tbc-patiënten een hiv-infectie. <br> <br>Een ander doel van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding 2016-2020 is dat 90 procent van tbc-patiënten de behandeling met medicijnen voltooit en dus niet voortijdig stopt. Voor een succesvolle behandeling moeten patiënten namelijk een lange periode (zes maanden of meer) verschillende medicijnen tegelijk innemen. In 2016 is dit doel behaald bij de patiënten die niet resistent zijn tegen het belangrijkste medicijn tegen tuberculose (rifampicine). De behandelresultaten van 2017 zijn nog niet bekend. <br> <br>Wanneer de tbc-bacterie ongevoelig is voor rifampicine, is er sprake van rifampicine-resistente tuberculose. Dan is een complexe en langdurigere behandeling nodig. In Nederland schommelde het aantal patiënten de laatste vijf jaar tussen de tien en de twintig. In 2017 waren het er elf. <br>