• Annex to: A model for environmental risk assessment and standard setting based on biomagnification. Top predators in terrestrial ecosystems

      Jongbloed RH; Pijnenburg J; Mensink BJWG; Traas TP; Luttik R; ACT; LWD; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Bodemverontreinigende stoffen kunnen via accumulatie in voedselketens toxische effecten hebben op vogels en zoogdieren (doorvergiftiging). In de huidige procedure voor doorvergiftiging in de normstelling wordt de maximaal toelaatbare concentratie (MTR) van een stof in de bodem alleen gebaseerd op de voedselketen: bodem --> worm --> vogel/zoogdier en berekend met MTR(bodem) = NOEC(vogel of zoogdier) / BAF(voedsel), waarbij BAF de bioaccumulatiefactor is, en NOEC is de hoogste concentratie in het voedsel waarbij nog geen effect optreedt. In het onderhavige onderzoek is het bovengenoemde algoritme uitgebreid met: 1. de belangrijkste terrestrische voedselketens, 2. correctiefactoren voor de NOECs met betrekking tot verschillen tussen laboratorium en veld omstandigheden, 3. het genereren van een kansverdeling voor de MTR uit stochastische, in plaats van constante, BCFs, BAFs en NOECs. Voedselwebben zijn gemodelleerd voor acht soorten roofvogels en twee soorten roofdieren met onderling verschillende voedselkeuze. Zes stoffen zijn geselecteerd op basis van de beschikbaarheid van gegevens voor bioaccumulatie en toxiciteit: DDT, dieldrin, lindaan, pentachlorofenol (PCP), cadmium en (methyl)kwik. Modelberekeningen zijn uitgevoerd met gemiddelde waarden voor voedselkeuze en correctiefactoren. Het model kan aangepast worden aan specifieke locaties, seizoenen en levensstadia door deze inputparameters te varieren. Uit literatuurgegevens kan afgeleid worden dat er gecorrigeerd moet worden voor calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen, en bovendien voor metabolische snelheid (energieverbruik) van vogels en zoogdieren. Van de assimilatie-efficientie van stoffen en van soortsgevoeligheid is erg weinig bekend. De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te corrigeren voor deze beide factoren. Soorten die zich voor een belangrijk deel voeden met vogels (sperwer, havik) en kleine carnivore zoogdieren (buizerd, kerkuil) worden in grotere mate blootgesteld dan de soorten die zich bijna uitsluitend voeden met kleine herbivore zoogdieren (torenvalk, ransuil). De volgende aanbevelingen kunnen worden gedaan met betrekking tot de huidige procedure voor afleiding van normen op basis van het risico van doorvergiftiging. De voedselketen bodem --> worm --> vogel/zoogdier kan worden gebruikt voor de risicoschatting van doorvergiftiging. Daarnaast moet bij persistente en sterk lipofiele stoffen aandacht worden gegeven aan toppredatoren, vooral vogels, blootgesteld via de routes bodem --> worm en insekt --> vogel --> toppredator. De risico-analyse voor toppredatoren wordt voor de meeste stoffen echter bemoeilijkt door een gebrek aan QSARs en experimentele gegevens voor bioaccumulatie in zowel ongewervelde als gewervelde dieren. Correcties moeten worden aangebracht voor verschillen tussen laboratorium- en veldomstandigheden met betrekking tot metabolische snelheid, calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen. De correctie voor assimilatie-efficientie is kwantitatief veel minder belangrijk dan de correcties voor metabolische snelheid en calorische waarde. NOECs, BCFs, BAFs moeten wanneer mogelijk als stochastische variabelen worden gebruikt, hetgeen waardevolle informatie over de variatie in de MTR oplevert.<br>
    • Kortdurende toxiciteit van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK&apos;s) in de bot (Platichthys flesus): orienterende studies met benzo[a]pyreen en 7,12-dimethylbenz[a]anthraceen

      Grinwis GCM; van den Brandhof EJ; Leewis RJ; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; LWD; LPI; ECO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      Dit rapport beschrijft een aantal pilot studies waarin de bot (Platichthys flesus) onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden kortdurend werd blootgesteld aan twee PAK's, te weten benzo[a]pyreen (BaP) en 7,12-dimethylbenz[a]anthraceen (DMBA). Blootstelling vond plaats met hoge concentraties in de waterfase of via injectie in de lichaamsholte. Effecten op uiterlijk en gedrag werden geregistreerd. Met behulp van histopathologisch onderzoek werd een inventarisatie gemaakt van de effecten op diverse organen waaronder kieuwen, thymus, hepatopancreas, maagdarmkanaal, pro- en mesonephros, milt, ovaria of testikels. Hierbij werd tevens gekeken naar inductie van het enzym cytochroom P450 1A1 (CYP 1A1) als maat voor de biotransformatie van de PAKþs en de vorming van biologisch actieve metabolieten. Blootstelling van de botten aan de PAK's resulteerde ondanks de hoge concentraties in de waterfase niet in sterke effecten. Slechts een geringe toename van immunoreactiviteit voor CYP 1A1 in levercellen van geinjecteerde botten werd geconstateerd. De bot blijkt dus bij deze experimentele opzet weinig gevoelig voor PAK's te zijn. Daarom spelen de PAK's mogelijk een weinig belangrijke rol bij het ontstaan van ziektes bij botten in het veld.<br>
    • Laboratory maintenance, topographical anatomy and histology of flounder, Platichthys flesus

      Grinwis GCM; Wester PW; Kamstra A; van den Brandhof EJ; van Dijk JE; Leewis RJ; Vaal MA; Vethaak AD; Vos JG; PAT; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Diverse veldonderzoeken suggereren een relatie tussen watervervuiling en enkele ziekten (b.v. huidzweren, vin-rot, lymphocystis infectie en levertumoren) bij vissen. Onderzoeken met de bot (Platichthys flesus), gehouden onder semi-veld (mesocosmos) condities, wijzen op een mogelijk causaal verband tussen watervervuiling, de inductie van lever tumoren en lymphocystis virus infectie. Onderzoek onder gecontroleerde laboratorium omstandigheden blijft echter noodzakelijk om een causaal verband tussen vervuiling met specifieke xenobiotische stoffen en de inductie van deze ziekten aan te tonen. Voor gebruik in laboratorium onderzoek is de bot gedurende anderhalf jaar zonder grote problemen gehouden en opgekweekt. Er wordt een korte beschijving gegeven van de huisvesting en verzorging van de botten onder laboratoriumomstandigheden. De botten worden in een multi-stress project (chemische- en microbiologische stress) gebruikt om de carcinogene- en immunotoxische effecten van polyclisch aromatische koolwaterstoffen te evalueren. In dit rapport wordt de normale histologie van de bot beschreven om pathologische veranderingen te kunnen interpreteren waarbij de nadruk wordt gelegd op de organen die betrokken zijn bij de immunologische afweer (thymus, nier, milt, melanomacrofagen-centra en het bloed), de lever, huid en kieuwen. Verschillen in anatomie en histologie tussen de bot, andere teleosta en zoogdieren worden beschreven aan de hand van literatuurgegevens en eigen waarnemingen.<br>
    • Liver histopathology of flounder (Platichthys flesus) in Dutch coastal and estuarine waters, with particular reference to neoplastic disease and their relationship with environmental factors

      Vethaak AD; Wester PW; RIKZ; PAT (1994-07-31)
      Dit rapport beschrijft het histopathologisch onderzoek van levers van platvis (bot, Platichthys flesus) afkomstig van de Nederlandse kustwateren en estuaria welke bemonsterd zijn in de periode 1985-89. Bemonstering vond plaats op een 10-tal lokaties waarbij 210 levers zijn verzameld met waarneembare knobbels (diameter > 2 mm); daarnaast zijn 315 ogenschijnlijke normale levers onderzocht. Van de 210 levers met waarneembare afwijkingen bleek 67% inderdaad tumoren te bevatten, de meeste waren goedaardig (hepatocellulair adenoom). Bij 13.6% bleek sprake van een kwaadaardig tumor (hepatocellulair carcinoom). De meeste overige afwijkingen bleken te bestaan uit zgn. "foci of cellular alteration" (fca). welke wel worden beschouwd als voorstadia van tumoren. Levertumoren komen het meest frequent voor bij bot langs de Hollandse en Zeeuwse kust, prevalenties kunnen hier oplopen tot 30% in vissen van 6 jaar en ouder. Verder werd de tumorziekte vaker bij vrouwelijke dan bij mannelijke botten waargenomen. Histopathologisch onderzoek van de ogenschijnlijk normale levers gaf niettemin een scala van veranderingen te zien, waaronder hepatocellulair adenoom, fca's, ontstekingen, vervalshaardjes, regeneratieve haardjes,hydropische degeneratie van lever- en galgangcellen en fibrillair veranderde levercellen waarvan de betekenis onduidelijk is. Daarnaast werd stapeling (vacuolisatie) van glycogeen en vet gezien, alsmede zgn. melanomacrofagen centra. De laatste twee veranderingen vallen binnen het normale beeld, maar werden gekwantificeerd (semikwantitatief). Uit de resultaten kan worden geconcludeerd dat een geringe fractie van de tumoren zou worden gemist als het onderzoek zich zou beperken tot alleen de zichtbare afwijkende levers. De verspreiding van de fca's kwam goed overeen met die van de tumoren hetgeen de hypothese ondersteund dat deze veranderingen tot hetzelfde proces behoren. Van de overige veranderingen en parameters vertoonde alleen de hydropische galgangdegeneratie ene overeenkomstige verspreiding. Gezien de ruimtelijke en temporele verdeling van de zichtbare afwijkingen over de diverse meetpunten en de gegevens van de histopathologische bevestiging kan geconcludeerd worden dat het voorkomen van levertumoren bij bot als integrale indicator van chemische vervuiling (potentiele carcinogene stoffen) kan dienen. Gezien de lange latentietijd echter zal er behoefte zijn aan vroege indicatoren (waaronder mogelijk fca's), hetgeen in verder laboratoriumonderzoek dient te worden uitgewerkt.
    • Milieurapportage 1993. I. Integrale rapportage stikstof

      Aben JMM; Bollen MJS; Boumans LJM; Bouwman AF; van Dijk GM; van Drecht G; van de Eertwegh G; van Grinsven JJM; Heij GJ; Heinhuis A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Dit rapport bevat een integrale beschrijving van de rol van stikstof in het milieu. Emissies van verschillende stikstofverbindingen worden gegeven en het transport van stikstof door het milieu (lucht, bodem, grond- en oppervlaktewater) wordt beschreven. Ook worden de ecologische effecten op zowel terrestrische als aquatische ecosystemen besproken, alsmede de risico's voor de volksgezondheid. De consequenties voor de drinkwatervoorziening worden eveneens behandeld.<br>
    • A model for environmental risk assessment and standard setting based on biomagnification. Top predators in terrestrial ecosystems

      Jongbloed RH; Pijnenburg J; Mensink BJWG; Traas TP; Luttik R; ACT; LWD; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Soil contaminants accumulating through food chains may exert toxic effects on birds and mammals (secondary poisoning). In the current procedure for setting soil quality objectives, the maximum permissable concentration for a chemical in the soil (MPC) for secondary poisoning is based solely on the food chain soil --> worm --> bird/mammal, and calculated with MPC(soil) = NOEC(bird or mammal) / BAF(worm), in which: BAF is the bioaccumulation factor and NOEC is the no-observed effect concentration. In the present study the above-mentioned algorithm is extended by: 1. including the major terrestrial food chains, 2. applying correction factors for NOECs to account for differences between laboratory and field conditions, 3. generating probability distributions for MPCs by treating BCFs, BAFs and NOECs as stochastic variables. Food webs are constructed for eight bird of prey species and two beast of prey species with different food choice. Six compounds are selected based on the availability of bioaccumulation and toxicity data: DDT, dieldrin, lindane, pentachlorophenol (PCP), cadmium and methyl mercury. Model calculations are made with average values for food choice and correction factors. The model can be adjusted to specific locations, seasons and life-stages by varying these input parameters. Literature data reveal that it is appropriate to correct for caloric content and assimilation efficiency of food types, as well as for metabolic rate of birds and mammals. The scarce information about pollutant assimilation efficiency and species sensitivity does not indicate the necessity to correct for these factors. Species feeding on birds (Sparrowhawk, Goshawk) and small carnivorous mammals (Buzzard, Barn Owl) are exposed to a much higher extent to the contaminants than species feeding on small herbivorous mammals (Kestrel, Long-eared Owl). The following recommendations can be made for procedures for derivation of environmental quality objectives based on the risk of secondary poisoning. The food chain soil --> worm --> bird/mammal can be used for terrestrial ecosystems. In case of persistent and highly lipophilic compounds, attention should be paid to top predators, especially birds, exposed through the pathways soil --> worm and insect --> birds --> top predator. It should be realized that for most chemicals, the risk-analysis for top predators is seriously hampered by a lack of QSARs and experimental data on bioaccumulation in invertebrate and vertebrate species. Corrections should be applied for differences between laboratory and field conditions concerning metabolic rate, caloric content and assimilation efficiency of food types. The correction for assimilation efficiency is quantitatively much less important as compared to corrections for metabolic rate and caloric content. NOECs, BCFs and BAFs should be used as stochastic variables when possible, providing valuable information about the variation in the calculated MPCs.
    • A model for environmental risk assessment and standard setting based on biomagnification. Top predators in terrestrial ecosystems

      Jongbloed RH; Pijnenburg J; Mensink BJWG; Traas TP; Luttik R; ACT; LWD; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Bodemverontreinigende stoffen kunnen via accumulatie in voedselketens toxische effecten hebben op vogels en zoogdieren (doorvergiftiging). In de huidige procedure voor doorvergiftiging in de normstelling wordt de maximaal toelaatbare concentratie (MTR) van een stof in de bodem alleen gebaseerd op de voedselketen: bodem --> worm --> vogel/zoogdier en berekend met MTR(bodem) = NOEC(vogel of zoogdier) / BAF(voedsel), waarbij BAF de bioaccumulatiefactor is, en NOEC is de hoogste concentratie in het voedsel waarbij nog geen effect optreedt. In het onderhavige onderzoek is het bovengenoemde algoritme uitgebreid met: 1. de belangrijkste terrestrische voedselketens, 2. correctiefactoren voor de NOECs met betrekking tot verschillen tussen laboratorium en veld omstandigheden, 3. het genereren van een kansverdeling voor de MTR uit stochastische, in plaats van constante, BCFs, BAFs en NOECs. Voedselwebben zijn gemodelleerd voor acht soorten roofvogels en twee soorten roofdieren met onderling verschillende voedselkeuze. Zes stoffen zijn geselecteerd op basis van de beschikbaarheid van gegevens voor bioaccumulatie en toxiciteit: DDT, dieldrin, lindaan, pentachlorofenol (PCP), cadmium en (methyl)kwik. Modelberekeningen zijn uitgevoerd met gemiddelde waarden voor voedselkeuze en correctiefactoren. Het model kan aangepast worden aan specifieke locaties, seizoenen en levensstadia door deze inputparameters te varieren. Uit literatuurgegevens kan afgeleid worden dat er gecorrigeerd moet worden voor calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen, en bovendien voor metabolische snelheid (energieverbruik) van vogels en zoogdieren. Van de assimilatie-efficientie van stoffen en van soortsgevoeligheid is erg weinig bekend. De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te corrigeren voor deze beide factoren. Soorten die zich voor een belangrijk deel voeden met vogels (sperwer, havik) en kleine carnivore zoogdieren (buizerd, kerkuil) worden in grotere mate blootgesteld dan de soorten die zich bijna uitsluitend voeden met kleine herbivore zoogdieren (torenvalk, ransuil). De volgende aanbevelingen kunnen worden gedaan met betrekking tot de huidige procedure voor afleiding van normen op basis van het risico van doorvergiftiging. De voedselketen bodem --> worm --> vogel/zoogdier kan worden gebruikt voor de risicoschatting van doorvergiftiging. Daarnaast moet bij persistente en sterk lipofiele stoffen aandacht worden gegeven aan toppredatoren, vooral vogels, blootgesteld via de routes bodem --> worm en insekt --> vogel --> toppredator. De risico-analyse voor toppredatoren wordt voor de meeste stoffen echter bemoeilijkt door een gebrek aan QSARs en experimentele gegevens voor bioaccumulatie in zowel ongewervelde als gewervelde dieren. Correcties moeten worden aangebracht voor verschillen tussen laboratorium- en veldomstandigheden met betrekking tot metabolische snelheid, calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen. De correctie voor assimilatie-efficientie is kwantitatief veel minder belangrijk dan de correcties voor metabolische snelheid en calorische waarde. NOECs, BCFs, BAFs moeten wanneer mogelijk als stochastische variabelen worden gebruikt, hetgeen waardevolle informatie over de variatie in de MTR oplevert.<br>
    • Monitoring of radiation in the environment in the Netherlands - Results in 2003.

      Knetsch GJ; LSO; IMD; RIZA; RIKZ; VWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-01-10)
      This report presents the results of radioactivity measurements in the Dutch environment in 2003. Radioactivity measurements were carried out on important compartments of the environment like airborne particles, deposition, surface water, seawater, drinking water, milk and food. The Dutch government is compelled to measure radioactivity in the environment under terms of the Euratom Treaty of 1957. The results of the radioactivity measurements are within range of previous years. The Dutch monitoring program does not fully comply with the recommendations of the European Union, mainly concerning the measurement of drinking water, milk and food.
    • Monitoring of radiation in the environment in the Netherlands. Results in 2000

      Knetsch GJ; LSO; RIZA; RIKZ; Keuringsdienst van Waren (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-08)
      Dit rapport presenteert de resultaten van radioactiviteitsmetingen in het Nederlandse milieu in 2000 uitgevoerd door RIVM, RIZA, RIKZ en Keuringsdienst van Waren. Radioactiviteitsmetingen zijn uitgevoerd in luchtstof, depositie, oppervlaktewater, zeewater, drinkwater en voedsel (honing, wild, bosbes en paddestoelen). Omgevingsdosisequivalenttempi werden verkregen van het Nationale Meetnet Radioactiviteit. Er zijn geen metingen verricht aan melk. In 2000 werden er geen verhoogde hoeveelheden radioactiviteit gevonden in het Nederlandse milieu.
    • Natuurverkenning 2, evaluatie van inhoud, vorm en proces

      Eggink GJ; Wiertz J; NLB; LEI-DLO; Alterra; IZA; RIKZ (2003-07-18)
      Dit rapport bevat een evaluatie van het project Natuurverkenning 2, naar inhoud, vorm en proces. Het is geschreven door de projectleiders die daarbij gebruik hebben gemaakt van commentaar van leden van hun projectteam. Het rapport is bedoeld voor het projectteam dat een volgende Verkenning gaat maken, maar het kan ook van belang zijn bij het maken van andere planbureauproducten en het programmeren van onderzoek. Speciale aandacht wordt geschonken aan de scenario-methodiek in het bijzonder de mogelijke synthese tussen de modelmatige en de ontwerpende scenario-verkenningsmethodiek. Het rapport sluit af met een aantal aanbevelingen. Meer gedetailleerde aanbevelingen voor meetnetten, modellen, graadmeters en scenario-kaarten worden gegeven in de desbetreffende achtergrondrapporten en evaluaties per deelproject. Het product NVK2 valt op door de brede beleidsanalyse (ook milieu-, water en ruimtelijke plannen), de graadmetersystematiek, de interactief tot stand gekomen scenario- en grondgebruikkaarten, en de doorrekening van effecten. Het proces NVK2 kenmerkt zich door een zoektocht naar een goede combinatie van integrale en thematische verkenning, model en ontwerpbenadering, gesloten en interactieve werkprocessen, wetenschappelijke en aansprekende visuele presentatie. In de aanbevelingen wordt benadrukt dat het planbureau in deze helder keuzes moeten maken en dat in geval in 2006 een volgende integrale scenariostudie voor de Natuurverkenning 3 moet verschijnen, in 2003 de eerste stappen genomen moeten worden
    • Natuurverkenning 2, evaluatie van inhoud, vorm en proces

      Eggink GJ; Wiertz J; NLB; LEI-DLO; Alterra; IZA; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-18)
      This report evaluating the Second National Nature Outlook focuses on the product, form and process. Written by de project managers, the report, which incorporates the project team's comments, is directed to future teams. However, it may also be useful for those who are involved in creating other primary products of the Office for Environmental Assessment (MNP in Dutch) or planning future research to be carried out by this Office. The National Nature Outlook contains a broad analysis of nature, water and land-use policy, along with four integrated scenarios, and their effects both on land use (with maps) and on nature and landscape. Calculations were performed using several models. The process which took place here can be characterised as a search for the optimal combination of integrated and thematic exploratory methods, for model-based and design-oriented scenario development, for closed and open interactive working processes and, finally, for a scientific and visually attractive presentation of information. The evaluation emphasises the value of synthesising different scenario techniques, both model-based and design-oriented. The report also comprises several recommendations. More detailed recommendations are found in other background documents to National Nature Outlook 2. Those given here emphasise that the Office for Environmental Assessment should make clear choices. This means that an Outlook to be published in 2006 requires the first steps to be taken in 2003.
    • Risk assessment of bioaccumulation in the food webs of two marine AMOEBE species: common tern and harbor seal

      Jongbloed RH; Mensink BJWG; Vethaak AD; Luttik R; Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ); ACT; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      A model has been developed for calculating Maximum Permissible Concentrations (MPCs) in water for chemicals accumulating in food webs of sea birds and mammals. Calculations are carried out for two marine AMOEBE species: common tern (Sterna hirundo) and harbor seal (Phoca vitulina), and five chemicals: cadmium, methyl mercury, lindane, dieldrin and PCB153. Laboratory data are collected for toxicity for birds and mammals, as well as for bioaccumulation in the most important aquatic food types. NOECs are extrapolated from laboratory to field conditions by correcting for differences in metabolic rate of birds and mammals, and caloric content of food. It is not clear whether sea birds and sea mammals differ in 'internal' sensitivity to the selected chemicals as compared to other birds and mammals. In vitro enzyme tests suggest that the common tern is less sensitive to PCB153 than the domestic chicken. The total bioaccumulation in food webs is calculated by combining uptake from water, food and sediment: processes called bioconcentration, biomagnification and bio-sediment accumulation, respectively. The common tern is exposed to chemicals via a single food chain: water - phytoplankton - zooplankton - planktonivorous fish - common tern. The harbour seal heads an extensive food web, including sediment organisms, bivalves, crustaceans, phytoplankton and zooplankton, planktonivorous fish, piscivorous fish and omnivorous fish. The uncertainty in the exposure assessment of chemicals is higher for harbour seal than for common tern due to the scarcity of biomagnification factors (BMFs) and bio-sediment accumulation factors (BSAFs). Comparison with mesocosm and field data shows the model to predict the bioaccumulation of PCB153 fairly well, whereas it underestimates the bioaccumulation of Cd by some organisms. It can be concluded that the current integrated MPCs for the selected chemicals in the Dutch marine environment have to be adjusted to lower values in order to protect common tern and harbor seal against toxic concentrations in the food (secondary poisoning). The MPCs have to be considered as provisional. For improvement of the reliability of MPCs for sea bird and mammal species, more research is required on BMFs, BSAFs, NOECs and specific species sensitivity.
    • Risk assessment of bioaccumulation in the food webs of two marine AMOEBE species: common tern and harbor seal

      Jongbloed RH; Mensink BJWG; Vethaak AD; Luttik R; ACT; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ), 1995-04-30)
      Een model is ontwikkeld voor de berekening van Maximaal Toelaatbare Risiconiveau's (MTR's) in water voor stoffen die accumuleren in voedselketens van zeevogels en zeezoogdieren. Berekeningen zijn uitgevoerd voor twee zoutwater AMOEBE soorten: visdief (Sterna hirundo) en zeehond (Phoca vitulina) en vijf stoffen: cadmium, methylkwik, lindaan, dieldrin en PCB153. Laboratoriumgegevens zijn verzameld met betrekking tot de toxiciteit voor vogels en zoogdieren en de bioaccumulatie in de meest belangrijke aquatische voedseltypen. NOEC's worden ge-extrapoleerd van laboratorium naar veldomstandigheden door correctie voor verschillen in metabolische snelheid van vogels en zoogdieren en calorische waarde van voedsel. Er is zeer weinig informatie beschikbaar om te onderzoeken of de interne gevoeligheid van zeevogels en zeezoogdieren voor de geselecteerde stoffen afwijkt van die van andere vogels en zoogdieren. In vitro enzym testen doen vermoeden dat de visdief minder gevoelig is voor PCB153 dan de kip. De totale bioaccumulatie in voedselwebben is berekend uit de combinatie van opname via water, voedsel en sediment, achtereenvolgens aangeduid als bioconcentratie, biomagnificatie en bio-sediment accumulatie. De visdief wordt voornamelijk blootgesteld via een enkele voedselketen: water - fytoplankton - zooplankton - planktonetende vis - visdief. De zeehond staat aan de top van een uitgebreid voedselweb met sedimentsorganismen, tweekleppigen, kreeftachtigen, fyto- and zooplankton, planktonetende vis, visetende vis en omnivore vis. De onzekerheid in de blootstellingsschatting van stoffen is hoger voor de zeehond dan voor de visdief door het gebrek aan gegevens voor biomagnificatie factoren (BMF's) en bio-sediment accumulatie factoren (BSAF's). Vergelijking met mesocosmos en velddata maakt duidelijk dat het model de bioaccumulatie van PCB153 redelijk voorspelt, terwijl voor sommige organismen de bioaccumulatie van Cd wordt onderschat. Geconcludeerd wordt dat de huidige ge-integreerde zoutwater MTR's in Nederland bijgesteld moeten worden naar lagere waarden om visdief en zeehond te beschermen tegen toxische concentraties in het voedsel (doorvergiftiging). De met het onderhavige model berekende MTR's moeten worden beschouwd als voorlopige MTR's. Voor verbetering van de betrouwbaarheid van deze MTR's voor zeevogels en zeezoogdieren is meer onderzoek nodig voor de bepaling van BMF's, BSAF's, NOEC's and specifieke soortsgevoeligheid.<br>
    • Short term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder(Platichthys flesus) ; pathology and immune function

      Grinwis GCM; Brandhof EJ van den; Dormans JAMA; Engelsma M; Kuiper R; Leewis R; Loveren H van; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Field studies in various polluted coastal areas in Europe and the United States of America clearly indicate a relation between pollution and the increase in prevalence of tumours and infectious diseases in fish. One of the chemicals of interest in the myriad of xenobiotics found in polluted waters and sediments is the organotin compound tributyltin (TBT), originating mainly from antifouling paints used on the hulls of ships. This report describes a study in which flounders (Platichthys flesus) were exposed to bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) in the water under controlled laboratory conditions. The possible histopathological effects on several organs (gill, skin, eye, liver, mesonephros, ovary/testis, spleen, and gastrointestinal tract) were examined and morphometric analysis of the thymus was performed to assess the target organ(s) for TBTO in this fish species. Also the function of the non specific and specific resistance was studied using ex vivo/ in vitro immune function tests. Exposure of flounder to TBTO, in concentrations which are in the same order of magnitude as maximum TBT levels measured in the field (experiment: 17.3 mug TBT ; field: 7.2 mug TBT), caused mortality after 7-12 days, decreased the condition factor, resulted in gill lesions, and induced significant reduction of the non specific resistance. No marked effects on the relative thymus volume, or the specific immune system were noted after exposure to TBTO.
    • Short term toxicity of bis(tri-n-butyltin)oxide in flounder(Platichthys flesus) ; pathology and immune function

      Grinwis GCM; van den Brandhof EJ; Dormans JAMA; Engelsma M; Kuiper R; Leewis R; van Loveren H; Wester PW; Vaal MA; Vethaak AD; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-03-31)
      Veldonderzoeken uitgevoerd in diverse verontreinigde kustwateren in zowel Europa als de Verenigde Staten laten een duidelijke relatie tussen vervuiling en een toegenomen prevalentie van tumoren en infectieziekten bij vissen zien. Een van de chemische verbindingen in de veelheid van xenobiotica die gevonden kunnen worden in vervuilde wateren en sedimenten is de organotinverbinding tributyltin (TBT), hoofdzakelijk afkomstig van verf waarmee scheepshuiden worden behandeld om ongewenste aangroei van onder andere algen en schelpdieren tegen te gaan. Dit rapport beschrijft een onderzoek waarin botten (Platichthys flesus) via het water werden blootgesteld aan bis(tri-n-butyltin)oxide (TBTO) onder gecontroleerde laboratoriumomstandigheden. De mogelijke histopathologische effecten aan diverse organen (kieuw, huid, ogen, lever, buiknier, ovarium/testikel, milt en maagdarmkanaal) werden onderzocht en tevens werd er een morfometrisch onderzoek van de thymus (zwezerik) uitgevoerd om de doelorganen van TBTO bij de bot vast te stellen. Daarnaast werd het functioneren van zowel de specifieke- als aspecifieke afweer onderzocht door gebruik te maken van ex vivo / in vitro immuun functietesten. Blootstelling van botten aan TBTO gehaltes in dezelfde orde van grootte als de maximaal gemeten TBT gehaltes in de veldsituatie (experiment: 17.3 mug TBT ; veld: 7.2 mug TBT) veroorzaakte sterfte na 7-12 dagen, een vermindering van de conditiefactor, kieuwlaesies en een significante onderdrukking van de aspecifieke weerstand. Er werden geen duidelijke effecten waargenomen op het relatieve volume van de thymus en op het specifieke immuunsysteem na blootstelling aan TBTO.<br>
    • Stroomlijning NatuurPlanBureau modellen. Inventarisatie van en keuze voor modellen voor Natuur, Landschap en Bos

      Hinsberg A van; Dijkstra HL; Hinssen PJW; Kramer K; Leus FMR; Reiling R; Tol MWM van der; Wiertz J; LBG; MNV; et al. (Staringcentrum SC-DLOInstituut voor Bos- en Natuuronderzoek IBN-DLORijksinstituut voor Kust en Zee RIKZRijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA, 1999-08-30)
      Dit rapport beschrijft het voorstel voor de inrichting van het kerninstrumentarium van het Natuurplanbureau voor fysieke aspecten van Natuur (waaronder terrestrisch, aquatisch en marien), Landschap en Bos. Scenario modellen, abiotische modellen en modellen voor het sociale domein zijn buiten beschouwing gelaten, hoewel de toeleverende abiotische modellen wel behandeld zijn voor zover deze informatie leveren aan de beschouwde groep van (ecologische) modellen. De samenstelling van een kerninstrumentarium is de eerste stap die uiteindelijk zal moeten resulteren in de bouw van een gestroomlijnde, consistente en samenhangende set van modellen en/of modelketens, waarmee het planbureau adequaat invulling kan geven aan haar functies. De gemaakte keuze is gebaseerd op de gegevens van een uitgebreide inventarisatie van bestaande en in ontwikkeling zijnde modellen. Deze modelbeschrijvingen zijn geconfronteerd met de modeleisen zoals die voor het vervullen van de natuurplanbureaufuncties noodzakelijk worden geacht.
    • Stroomlijning NatuurPlanBureau modellen. Inventarisatie van en keuze voor modellen voor Natuur, Landschap en Bos

      Hinsberg A van; Dijkstra HL; Hinssen PJW; Kramer K; Leus FMR; Reiling R; Tol MWM van der; Wiertz J; Staringcentrum SC-DLO; Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek IBN-DLO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      This report describes the proposal for the set of (ecological) models to be used as the prime tools in the analysis of the Nature, Landscape and Woodland policy by the Dutch Nature Policy Assessment Office. The identification of the key models is regarded as the first step towards the construction of a consistent set of well-tuned models, enabling a high-quality policy analysis by the Nature Policy Assessment Office. The eventual choice for the key models was based on the results of a thorough inventory of ecological models brought face to face with the demands on the use of policy analysis tools by the Assessment Office. Models for scenario construction and analysis of social aspects were beyond the scope of the present study, while abiotic environmental models are described only when relevant for the input of the ecological models mentioned.
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA (eds); LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.
    • Watertypegerichte normstelling voor nutrienten in oppervlaktewater

      Liere E van; Jonkers DA; LWD; RIZA; RIKZ; Alterra; STOWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-08)
      Kentallen zijn geevalueerd, die aangeven bij welke waarde van het kental een verandering optreedt van de geeutrofieerde toestand van een watertype naar de heldere gewenste ecologische toestand. Bij het onderzoek is aangenomen dat nutrienten-reductie de enige sturende factor was. De keuze voor een gewenste ecologisch toestand is gemaakt door de auteurs die het betreffende watertype beschreven. Om benedenstroomse kwetsbare wateren te beschermen werden er tevens voor enige gevallen "afwentelingswaarden" berekend. De belangrijkste resultaten zijn weergegeven in een overzichtstabel. De waarden van de kentallen waren in het algemeen zeer laag. Een indicatie om naast nutrientenreductie ook andere aanvullende maatregelen te bestuderen, om sneller herstel te bewerkstelligen.