• Binnenvaart en zeescheepvaart. Volume- en ruimtelijke ontwikkelingen

      Harms L; Willigers J; RIM (2003-01-27)
      Dit rapport gaat in op de volume- en ruimtelijke ontwikkelingen in de binnenvaart en de zeescheepvaart. Gebruik is gemaakt van bestaande bronnen (data, literatuur, modelsimulaties). Het geeft de consequenties voor de bestaande RIVM-modellen aan. Uit de studie blijkt dat het vervoerde tonnage van de binnenvaart en de zeescheepvaart de aankomende decennia zal toenemen. Daarbij zal er een verschuiving optreden van bulkgoederen naar containers. Door een verschuiving naar grotere schepen neemt het aantal scheepvaartbewegingen minder toe dan het tonnage. Verder blijkt dat door veranderingen in de te vervoeren goederen er een voortgaande trend is naar concentratie van de binnenvaart op de hoofdvaarwegen c.q., maar dat door de landinwaartse verschuiving van havenfaciliteiten en het ontstaan van zogenoemde inlandterminals het gebruik van secundaire vaarwegen zal toenemen. Voor de zeescheepvaart treedt een relatieve verschuiving op naar het zuidelijk deel van het zogenoemde Continentale Plat. Het aandeel van de Rotterdamse haven binnen het totale Nederlandse zeescheepvaartverkeer zal naar verwachting toenemen. Door een verschuiving van de Rotterdamse havenfaciliteiten richting open zee zal de hoeveelheid landinwaartse scheepvaartbewegingen afnemen.
    • Binnenvaart en zeescheepvaart. Volume- en ruimtelijke ontwikkelingen

      Harms L; Willigers J; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-27)
      This report describes new developments in transport volumes, and locations of barge and ocean-going ships, on the basis of data sets, the literature and model simulations. Transport volumes of both barge and ocean-going ships, expressed in tonnes, will increase in the next two decades. A shift will occur from bulk goods to containers. Due to a shift to large ships, the increase in the number of shipping movements will be lower than the increase in shipping volume (tonnage). Changes in the type of goods to be transported will result in further concentration on the main rivers and canals. However, because inland harbours and terminals are expected to become more important, secondary rivers and canals will be used. Ocean-going ships will show an increased shift to sailing in the southern part of the Continental Platform compared to the rest of the Platform. Besides, due to a shift of harbour capacity in Rotterdam in the direction of the North Sea, the number of land-inward movements of ocean-going ships will decrease.
    • Definitiestudie voor de integratie LOV en RS

      Geertman S; Verschoor M; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      The Environment Explorer and the Land Use Scanner are both integrated land use models, used by the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM). Considering efficiency, the RIVM is trying to integrate both systems while their specific qualities should remain. This integration will lead to a toolbox, called LUMOS (Land Use Modelling System). Under the authority of the RIVM, a definition study was conducted by Nexpri / Utrecht University, resulting in a global functional model for LUMOS. The Environment Explorer and the Land Use Scanner show many similarities regarding the use of input data, and the presentation of results. The most important differences lie in their allocation mechanisms. In the Land Use Scanner a logit model is used where as the Environment Explorer system uses cellular automata for the simulation of spatial processes. These mechanisms differ fundamentally and can not simply be interchanged. Another important difference between both systems is the way in which expert judgements are being made during the modeling process. The Global Functional Model (GFM) for LUMOS basically describes the way in which integration between the Environment Explorer and Land Use Scanner systems can take place. The basic assumption is that allocation mechanisms of the Land Use Scanner and Environment Explorer system in their present form must be maintained, because of their unique character. Integration is possible mainly for the input of data, and the post processing and output of the results. Besides, a common user interface and control tool must be developed. Based on the GFM for LUMOS a whole range of steps are possible. Therefore, the report lists the most important choices and corresponding arguments for every functional part of the toolbox. These choices are largely determined by the degree of integration which is aimed for and by the system environment in which the toolbox is going to function.
    • Definitiestudie voor de integratie LOV en RS

      Geertman S; Verschoor M; RIM (2004-04-14)
      Het RIVM beschikt over twee instrumenten om ruimtelijke processen in de fysieke leefomgeving te modelleren: de Leef Omgevings Verkenner (LOV) en de Ruimtescanner (RS). Uit overwegingen van efficientie streeft het RIVM ernaar beide systemen te integreren, waarbij de specifieke eigenschappen van de modellen moeten worden gehandhaafd. Deze integratie zal leiden tot een toolbox, die onder de naam LUMOS (Land Use MOdelling System) verder door het leven zal gaan. In opdracht van het RIVM heeft Nexpri/Universiteit Utrecht een definitiestudie uitgevoerd, resulterend in een Globaal Functioneel Model (GFO). De Leef Omgevings Verkenner en de Ruimtescanner vertonen veel overeenkomsten als het gaat om de gebruikte basisgevens en de presentatie van resultaten. De belangrijkste verschillen tussen RS en LOV zijn gelegen in de allocatiemechanismen. De RS maakt gebruik van een logitmodel, terwijl de LOV voor het simuleren van ruimtelijke processen gebruik maakt van cellulaire automata. Deze mechanismen zijn fundamenteel verschillend en kunnen niet zonder meer als uitwisselbaar worden beschouwd. Een ander belangrijk verschil tussen beide instrumenten is de mate waarin gebruik gemaakt wordt van expertoordelen tijdens het modelproces. Het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS beschrijft op hoofdlijnen de vorm waarin integratie tussen RS en LOV kan plaatsvinden. Uitgangspunt bij het GFO is dat de allocatiemechanismen van RS en LOV in hun huidige vorm gehandhaafd blijve, gezien hun zeer specifieke karakter. Integratie is vooral mogelijk bij de invoer van gegevens, en de nabewerking en uitvoer van de resultaten. Daarnaast dient een gemeenschappelijke gebruikersinterface en beheertool te worden ontwikkeld. Op basis van het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS is een heel scala aan vervolgstappen mogelijk. Het rapport geeft daarom per functioneel onderdeel van de toolbox de belangrijkste keuzes en bijbehorende argumentaties weer. Deze keuzes worden sterk bepaald door de mate van integratie die wordt nagestreefd en door de systeemomgeving waarin de toolbox moet gaan functioneren.
    • The Dutch CAFE baseline: In or out of line?

      Jimmink BA; Folkert RJM; Thomas R; Beck JP; Eerdt MM van; Elzenga HE; Hoek KW van der; Hoen A; Peek CJ; LED; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-30)
      The European Commission is constructing a strategy on air pollution within the Clean Air For Europe (CAFE) programme. This strategy will be based on assessments using the RAINS model for different policy ambitions where the CAFE baseline scenario and control strategies are employed. The Netherlands Environment Assessment Agency verified the data in RAINS and the CAFE baseline. In this verification the CAFE baseline was shown to be unsuitable for determining the Dutch position in negotiations for new European air pollution policy (like the NEC review). The Netherlands will have to introduce a national scenario of its own to bring forward the Dutch expectations on future developments. While the RAINS model would seem appropriate for calculating abatement scenarios, contra-expertise will still be necessary during the CAFE process to assess differences in RAINS on calculated abatement costs and emission levels.
    • The Dutch CAFE baseline: In or out of line?

      Jimmink BA; Folkert RJM; Thomas R; Beck JP; van Eerdt MM; Elzenga HE; van der Hoek KW; Hoen A; Peek CJ; LED; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-30)
      De Europese Commissie zet een strategie op voor de aanpak van luchtverontreiniging in het Clean Air for Europe (CAFE) programma. De strategie wordt gebaseerd op beoordelingen met het RAINS model van verschillende beleidsambities met het CAFE scenario en bestrijdingsstrategieen. Het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM heeft de juistheid van gegevens in RAINS en het CAFE scenario gecontroleerd. Uit deze controle bleek dat voor de positiebepaling van Nederland in onderhandelingen over nieuw Europees luchtverontreinigingsbeleid het CAFE scenario niet volstaat. Er is een eigen nationaal scenario nodig om de Nederlandse toekomstverwachtingen goed in te brengen. Het RAINS model lijkt geschikt om beleidsscenario's uit te rekenen, maar contra expertise blijft nodig voor de beoordeling van verschillen in RAINS op berekende kosten en emissieniveaus in beleidsscenario's.
    • Environmental (in)equity in the Netherlands - A case study on the distribution of environmental quality in the Rijnmond region

      Kruize H; Bouwman AA; MGO; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-09-27)
      As a part of a broader investigation on environmental inequity in the Netherlands, an exploratory case study on the socio-economic distribution on (perceived) environmental quality was carried out in the Rijnmond (industrial and urbanised) region in the western part of the Netherlands. Disparities in local environmental quality with respect to noise, air pollution, availability of public green areas, safety risks, and presence of waste disposal sites, were analysed separately and accumulatively across income levels making use of postal codes. Inhabitants' perception of environmental quality with respect to spatial and income differences was also ascertained and analysed. Recent, available national and regional databases and literature were used for the analyses. Disparities in local environmental quality were found to be linked to income level, especially for air pollution and the availability of public green areas. In addition, accumulation of environmental 'goods' (high-quality environmental conditions) were found more often in high-income than in low-income areas. Inhabitants of Rotterdam also mentioned littering and dog mess to be the greatest environmental problem. All income categories experienced annoyance, but from different, often area-specific sources. Considering these results, policy-makers are advised to take the effects of their policy on different income categories into account.
    • Environmental (in)equity in the Netherlands - A case study on the distribution of environmental quality in the Rijnmond region

      Kruize H; Bouwman AA; MGO; RIM (2004-09-27)
      Als onderdeel van een breder onderzoek naar milieu en sociale ongelijkheid in Nederland is een verkennend casusonderzoek uitgevoerd naar de sociaal-economische verdeling van (ervaren) milieukwaliteit in de regio Rijnmond. Verschillen in milieukwaliteit tussen postcodegebieden met een verschillend inkomensniveau zijn geanalyseerd voor geluid, luchtverontreiniging, beschikbaarheid van groen, veiligheidsrisico's en aanwezigheid van afvalverwerkingsbedrijven, zowel voor de afzonderlijke aspecten als gecumuleerd. Verder is ervaren milieukwaliteit van bewoners vastgesteld en geanalyseerd op ruimtelijke en inkomensverschillen en de relatie van beleving met 'objectieve' milieukwaliteit. Dit is gedaan op basis van recente literatuur en bestaande nationale en regionale gegevensbestanden. Er bleken verschillen in lokale milieukwaliteit te bestaan tussen postcodegebieden met een verschillend inkomensniveau, met name voor luchtverontreiniging en beschikbaarheid van groen. Ook bleek stapeling van positieve milieu-aspecten vaker voor te komen in hogere inkomensgebieden dan in lagere inkomensgebieden. Daarnaast noemden Rotterdammers vuil op straat en hondenpoep als grootste milieuproblemen. Alle inkomenscategorieen ervoeren hinder, maar van verschillende, vaak locatiespecifieke bronnen. Gezien deze resultaten is het voor beleidsmakers van belang in hun beleid aandacht te besteden welke uitwerking deze heeft voor verschillende inkomensgroepen.
    • Gebiedenatlas 2003; Overzicht van provinciale en nationale gebiedsindelingen

      Schotten CGJ; Boersma WT; Kunst JD; Esbroek van MLP; LDL; RIM; IMP; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-03)
      This report gives an overview of maps that are used in the field of area specific policy. More then 100 provincial and national maps, consisting of over 150 digital datasets, were collected. The area specific policy maps are presented while the underlying provincial data as well as the meta-information and the digital datasets are available on the CD-ROM that is included. On the maps some overlay operations are performed to gain insight in the area in the Netherlands that is subject to one or more forms of area specific policy and to what extend the areas overlap. For the provincial policy maps also a cumulative map is presented showing to what extend the areas overlap.
    • Gebiedenatlas 2003; Overzicht van provinciale en nationale gebiedsindelingen

      Schotten CGJ; Boersma WT; Kunst JD; Esbroek MLP; LDL; RIM; IMP; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-03)
      De gebiedenatlas bevat ruim honderd kaarten en meer dan 150 achterliggende digitale bestanden die betrekking hebben op vormen van beleid die van belang zijn voor het gebiedsgericht beleid. Het betreft hier zowel provinciale als nationale beleidscategorieen. Alle beleidscategorieen zijn, in deze rapportage, landsdekkend op een kaart weergegeven. De bijbehorende meta-informatie en de achterliggende digitale datasets is op een CD-ROM opgenomen. Op de door de bronhouders beschikbaar gestelde gegevens zijn een aantal analyses uitgevoerd. Zo is voor alle provinciale beleidscategorieen aangegeven wat het oppervlak is van de betreffende categorie en in hoeverre de verschillende vormen van provinciaal beleid overlappen. Ter illustratie is ook een stapelkaart opgenomen waarop alle vormen van provinciaal beleid zijn opgeteld om inzichtelijk te maken in hoeverre de verschillende vormen van beleid ruimtelijk overlappen.<br>
    • De grondmarkt in gebruik; Een studie over de grondmarkt, ten behoeve van MNP-beleidsonderzoek en grondgebruiksmodellering

      Regt WJ de; RIM (2003-10-31)
      De grondmarkt bepaalt in belangrijke mate de ruimtelijke ontwikkelingen in Nederland, en heeft mede hierdoor ook gevolgen voor de leefomgeving, natuur en landschap. Het prijsverschil tussen stedelijke en landelijke grond is groot, waardoor er veel druk ontstaat op het planningsproces. Grondprijsstijgingen maken het moeilijker om natuur- en recreatieplannen te realiseren, vooral rond de grote steden. Uit een analyse van grondtransacties wordt geconcludeerd dat zowel de schaalvergroting als 'verhobbying' van landbouwgrond voor landschapsveranderingen zullen zorgen. Projectontwikkelaars en beleggers zijn vanwege de hoge winsten steeds actiever in het verwerven van grondposities en het exploiteren van bouwgrond, terwijl gemeenten over onvoldoende beleidsinstrumenten en capaciteit beschikken om aandacht voor de publieke leefomgeving te waarborgen. Met betrekking tot grondgebruiksmodellen, wijst deze studie op de noodzaak om het gedrag van grondmarktactoren te verwerken in de simulatieregels. De studie bevat aanbevelingen om het gebruik van het grondprijzenmechanisme van een van de modellen, de RuimteScanner, te verbeteren.
    • De grondmarkt in gebruik; Een studie over de grondmarkt, ten behoeve van MNP-beleidsonderzoek en grondgebruiksmodellering

      Regt WJ de; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-10-31)
      Land use developments are to a large extent determined by the functioning of the land market. Therefore the land market influences the living environment, nature and landscape. The price difference between urban and rural land is very high in Holland, which causes considerable pressure on the land use planning process. Land price increases hamper the realisation of nature and recreation plans, especially around urban areas. From an analysis of land transactions it is concluded that the increase in scale of farming businesses as well as the use of farmland for 'urban hobbies' will cause landscape changes. Real estate developers and investors are becoming more active in acquiring rural and urban fringe land, while municipalities may well lack policy instruments and capacity to motivate safeguarding of the physical environment. Regarding land use models, this study points to the need to incorporate land market behaviour in modelling rules. The study recommends some improvements for applying the Land Use Scanner pricing mechanism.
    • Milieu- en Natuureffecten Nota Ruimte

      Kuiper R; Niet de R (eds); RIM; Stichting DLO (2004-07-01)
      In april 2004 is de Nota Ruimte van het Ministerie van VROM verschenen. Deze nota bevat het nationaal ruimtelijk beleid tot aan 2030. Het ministerie van VROM heeft aan de vier planbureaus (CPB, SCP, RPB en MNP) gevraagd om te bepalen wat de effecten van deze nieuwe nota zijn. In de evaluatie-rapportage van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) worden de consequenties voor milieu, natuur, landschap en water beschreven. Een van de conclusies is dat bundeling van verstedelijking goed is voor natuur en bereikbaarheid. De Nota Ruimte beoogt de verstedelijking te bundelen rondom de grotere steden. Daarmee kunnen de gewenste stedelijke en groene woonmilieus gecreeerd worden, terwijl tegelijkertijd de aantasting van natuur en landschap beperkt blijft en voorzieningen bereikbaar blijven. Voor de Randstad geldt dat woningbouw buiten het Groene Hart de minste aantasting van milieu, natuur, landschap en water op leveren. De Nota Ruimte kiest echter ook voor verstedelijking die het Groene Hart niet ongemoeid laat.
    • Milieu- en Natuureffecten Nota Ruimte

      Kuiper R; Niet de R; RIM; Stichting DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-07-01)
      In april 2004 is de Nota Ruimte van het Ministerie van VROM verschenen. Deze nota bevat het nationaal ruimtelijk beleid tot aan 2030. Het ministerie van VROM heeft aan de vier planbureaus (CPB, SCP, RPB en MNP) gevraagd om te bepalen wat de effecten van deze nieuwe nota zijn. In de evaluatie-rapportage van het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) worden de consequenties voor milieu, natuur, landschap en water beschreven. Een van de conclusies is dat bundeling van verstedelijking goed is voor natuur en bereikbaarheid. De Nota Ruimte beoogt de verstedelijking te bundelen rondom de grotere steden. Daarmee kunnen de gewenste stedelijke en groene woonmilieus gecreeerd worden, terwijl tegelijkertijd de aantasting van natuur en landschap beperkt blijft en voorzieningen bereikbaar blijven. Voor de Randstad geldt dat woningbouw buiten het Groene Hart de minste aantasting van milieu, natuur, landschap en water op leveren. De Nota Ruimte kiest echter ook voor verstedelijking die het Groene Hart niet ongemoeid laat.
    • Optiedocument Verkeersemissies: effecten van maatregelen op verzuring en klimaatverandering

      Brink RMM van den; Hoen A; Kampman B; Kortmann R; Boon BH; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-08-30)
      To be able to meet policy goals like the NEC directive and the Kyoto agreement, the Dutch government will have to implement additional measures in the transport sector. In consultation with the transport sector, the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) made a list of options for reducing acidifying (e.g. NOx, VOC and SO2) and climate-changing emissions ( e.g. CO2) due to traffic and transport. The Ministry then commissioned the Environmental Assessment Agency of the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) to assess the emission effects and costs of these options. To accommodate the additional policy measures that will come into force before 2010 and the change in insights into emission factors since the last emission forecast, the Ministry also requested an update of the emission forecast for 2010. This report presents a rough assessment of the costs of and effects on emissions of 136 measures. It has been prepared for the use of policy-makers in selecting cost-effective options. One recommendation, however, is the advice to policy-makers to do a more accurate assessment before implementing these cost-effective options. Along with options to reduce polluting emissions, options to reduce noise emissions and improve local air quality were also assessed. The report concludes that pricing measures, in particular, could result in large emission reductions and be cost-effective too. Such measures are: 1) levying emission charges for inland ships and trucks, 2) changing the passenger car taxation regime along the lines of 'the more emitted, the more paid' and 3) road pricing. Large noise reductions can be realised by implementing silent road surfaces and imposing an excise duty on the purchase of 'noisy' tyres (to stimulate the use of 'quieter' ones). Moreover, these options are all technically and organisationally feasible.
    • Optiedocument Verkeersemissies: effecten van maatregelen op verzuring en klimaatverandering

      Brink RMM van den; Hoen A; Kampman B; Kortmann R; Boon BH; RIM (2004-08-30)
      De Nederlandse overheid moet de komende jaren extra milieumaatregelen nemen om aan internationale afspraken en verdragen zoals de NEC-richtlijn en het Kyoto-verdrag te kunnen voldoen. Het ministerie VROM heeft in overleg met de sector verkeer en vervoer een groslijst met 136 mogelijke opties opgesteld en aan het MNP-RIVM en het onderzoeks-bureau CE gevraagd de kosten, de effecten op emissies en de kosten-effectiviteit van deze opties uit te rekenen. Verder heeft VROM het MNP-RIVM verzocht om een actualisatie te doen van de in 2002 door het MNP-RIVM uitgevoerde Referentieraming 2010 voor de sector verkeer en vervoer. Dit omdat sindsdien politieke overeenstemming is bereikt over nieuw toekomstig beleid dat invloed heeft op de emissies in 2010. Een tweede reden om een actualisatie van de emissieraming uit te voeren zijn de recente inzichten dat de praktijkemissies van met name nieuwere vrachtauto's aanzienlijk hoger bleken te zijn. Bovendien speelde mee dat tot op heden gehanteerde definitie van 'Nederlandse emissies' niet conform de NEC-richtlijn was. Dit is in de nieuwe emissieraming gecorrigeerd. Het voorliggende optiedocument maakt het voor beleidsmakers mogelijk een selectie te maken van de meest kosten-effectieve opties. De eventueel gekozen opties moeten nog wel aan een nauwkeurigere kosten- en effectenanalyse worden onderworpen alvorens te worden geimplementeerd. Van alle opties is zover mogelijk de mate van emissiereductie geanalyseerd voor de stoffen: kooldioxide (CO2), stikstofoxiden (NOx), fijn stof (PM10), vluchtige organische stoffen (VOS) en zwaveldioxide (SO2). Daarnaast zijn enkele beleidsopties geanalyseerd om te komen tot verdere geluidreductie in verkeer en tot het halen van luchtkwaliteitseisen rond drukke wegen. Vooral prijsmaatregelen blijken vanuit oogpunt van emissiereductie effectief en hebben tevens een gunstige tot redelijke kosteneffectiviteit. Voorbeelden van dergelijke opties zijn: 1) heffingen doorvoeren op het gebruik van relatief vervuilende binnenschepen en vrachtwagens; 2) een 'cocktail' aan veranderingen doorvoeren in het belastingregime van personenauto's en in de brandstofaccijnzen op zodanige wijze dat de automobilist meer gaat betalen naarmate hij/zij keuzes maakt die het milieu meer vervuilen; 3) het invoeren van een kilometerheffing voor wegverkeer. Relatief hoge geluidsreducties kan de overheid bereiken door zo stil mogelijke wegdekken toe te passen en een heffing op te leggen aan het gebruik van lawaaiige banden (dan wel het gebruik van geluidarme banden te stimuleren). Deze opties zijn technisch en organisatorisch reeds haalbaar.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-25)
      This report documents an analysis of the environmental impacts of policy proposals taken up in the new Dutch National Transport Policy Document for improvement of accessibility and reliability of the main motorway network in the Netherlands. Major conclusions drawn from this analysis are that pricing policies proposed in the policy document effectively improve accessibility and reduce environmental impacts due to road traffic. The size of environmental benefits of the proposed kilometre charge, however, is determined by the final design of the policy measure. Furthermore, the policy document proposes secondary road expansion be state-funded if this would mean a contribution to reducing congestion on the main motorway network. However, before state-funding is decided, more research on the costs and benefits of secondary road network expansion is necessary, including the transfer of environmental and social problems from the main motorway network to the secondary road network. Furthermore, it would seem important to have local and regional authorities pay attention to noise hotspots in their transport policy development, since without additional measures, the number of noise hotspots along secondary roads will sharply increase. Finally, further research on giving priority to infrastructure projects within the proposed infrastructure investment in combination with pricing policies packages is recommended. Combinations of pricing and expanding existing infrastructure may reduce the need to construct new motorway links, reduce negative impacts on nature conservation areas and rural landscapes, and result in higher net economic benefits.
    • Quick scan milieu-effecten Nota Mobiliteit

      Geurs KT; Annema JA; Brink RMM van den; RIM (2004-11-25)
      Dit rapport beschrijft een quick scan van de milieu-effecten van beleidsvarianten uit de Nota Mobiliteit om de bereikbaarheid en betrouwbaarheid van het wegennet te verbeteren. De belangrijkste conclusies zijn als volgt. De twee prijsvarianten uit de Nota Mobiliteit leveren bereikbaarheidswinst op en in beperkte mate milieuwinst. De vormgeving van de variabilisatie-variant is van grote invloed op de uiteindelijke omvang van de milieuwinst. Daarnaast wil het rijk investeren in het onderliggende wegennet als dit een oplossing biedt voor bereikbaarheidsproblemen op snelwegen en als het kosteneffectief is. Het verdient aanbeveling om in de besluitvorming over investeringen in het onderliggende wegennet ook expliciet rekening te houden met de ruimtelijke, milieu en sociale effecten van deze investeringen om mogelijke afwenteling van problemen naar het onderliggend wegennet te voorkomen. In de uitwerking van de Nota Mobiliteit in de plannen van de decentrale overheden lijkt het verder van belang aandacht te besteden geluidsknelpunten. Het aantal geluidsknelpunten langs provinciale wegen neemt zonder aanvullende maatregelen fors toe. Tenslotte is nader onderzoek aan te bevelen naar de prioritering van bouwprojecten binnen de onderzochte investeringspakketten in combinatie met prijsbeleid. Goed gekozen combinaties van beprijzen en benutten kunnen de noodzaak tot aanleg van nieuwe traces mogelijk beperken, negatieve effecten op natuur/landschap beperken, en hogere netto maatschappelijke baten opleveren.
    • Quick Scan, Groen/Blauwe effecten woningbouwlocaties Deltametropool

      Kuiper R; Niet de R; Nijs de ACM; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-02-24)
      In consultation with the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM), the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP) has carried out a QuickScan of the nature, landscape and water-management effects of different urban housing options in the Delta Metropolis, the area in the west of the Netherlands dominated by the Rhine and Meuse River deltas, also known as the Randstad conurbation. The outcome of this Quick Scan, namely, that building locations (and especially the urban sprawl) in the Green Heart will have the most serious effects on the green (nature & landscape) and blue (water management) values, agrees with conclusions from a large number of earlier studies done in this field.
    • Quick Scan, Groen/Blauwe effecten woningbouwlocaties Deltametropool

      Kuiper R; de Niet R; de Nijs ACM; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-02-24)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau (MNP-RIVM) heeft in overleg met het Ministerie van VROM een Quick Scan verricht van de groen/ blauwe effecten van verschillende verstedelijkingsopties voor de Deltametropool. De conclusie stemt overeen met die uit de grote hoeveelheid studies die reeds eerder op dit terrein zijn verricht: bouwlocaties in het Groene Hart en verspreide verstedelijkingsvarianten leveren de meeste aantasting van groene en blauwe waarden op.