• Antigenic and molecular surveillance of influenza virus in the period 1993-1994

      Jong JC de; Verweij C; Bestebroer TM; Bijlsma K; Kleijne JAFW; Claas ECJ; Osterhaus ADME; Bartelds AIM; Loon AM van; VIR; et al. (1994-10-31)
      Het influenzavirus ondergaat frequente antigene veranderingen die jaarlijkse aanpassing van het influenzavaccin noodzakelijk maken. Voor dit doel coordineert de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een mondiaal netwerk van virologische laboratoria. In dit kader vormen de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en het RIVM tezamen het Nationaal Influenza Centrum (NIC) voor Nederland. De EUR verzamelt recente influenzavirustammen uit de Nederlandse diagnostische laboratoria, analyseert deze met serologische en moleculaire technieken, vergelijkt deze met referentiestammen en met de door de WHO voorgestelde vaccinstammen en zendt de stammen naar de WHO. Het RIVM voert in samenwerking met NIVEL een surveillance van respiratoire virusinfecties uit. De hieronder geisoleerde influenza-virusstammen worden eveneens onderzocht met serologische en moleculaire technieken en naar de WHO verzonden. Bovendien verzamelt en analyseert het RIVM influenzavirusstammen uit het buitenland en vergelijkt deze met de Nederlandse stammen. In de seizoenen 1993 (zuidelijk halfrond en de tropische landen) en 1993/94 (gematigde streken van het noordelijk halfrond) werden door het RIVM 207 influenzavirusstammen geanalyseeerd uit respectievelijk Singapore, Australie, Nieuw Zeeland, Hong Kong, Zuid-Afrika, Zweden, Noorwegen, Engeland, Frankrijk, Spanje en Nederland. Het betrof in 195 gevallen het subtype A(H3N2) en in 12 gevallen het type B. De H3N2-virusstammen behoorden alle tot de nieuwe groep varianten, waarvoor het A/Beijing/32/92-virus de referentiestam is. Deze groep circuleerde ook al op kleine schaal in de eerste helft van 1993 met ongeveer dezelfde antigene eigenschappen. De in 1993/94 in Nederland geisoleerde virusstammen waren serologisch gelijk aan die uit het buitenland. Ze konden in drie varianten worden onderverdeeld. De hoofdvariant maakte 95% van het totale stammen uit. Deze variant verschilde sterk van de hoofdvariant van de epidemie van 1991/92 en ontmoette, omdat de H3N2-epidemie van 1992/93 beperkt van omvang was geweest, slechts betrekkelijk weinig specifieke weerstand onder de bevolking. Dit droeg waarschijnlijk bij tot de hoge extra mortaliteit van circa 6200 gevallen die het Centraal Bureau voor de Statistiek voor Nederland in de laatste maanden van 1993 registreerde. Een andere factor hierbij zal zijn geweest dat de antigeenstructuur van het vaccinvirus A/Beijing/32/92 enige mate afweek van de bovengenoemde in Nederland en elders in 1993 en 1994 circulerende hoofdvariant van het H3N2-virus. Vermoedelijk heeft het vaccin daardoor in het seizoen 1993/94 geen optimale bescherming tegen influenza geboden.
    • Antigenic and molecular surveillance of influenza virus in the period 1994-1995

      Jong JC de; Bestebroer TM; Bijlsma K; Claas ECJ; Kleijne JAFW; Verweij C; Osterhaus ADME; Bartelds AIM; Loon AM van; VIR (1995-10-31)
      Het influenzavirus ondergaat frequente antigene veranderingen die jaarlijkse aanpassing van het influenzavaccin noodzakelijk maken. Voor dit doel coordineert de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) een mondiaal netwerk van virologische laboratoria. In dit kader vormen de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) en het RIVM tezamen het Nationaal Influenza Centrum (NIC) voor Nederland. De EUR verzamelt recente influenzavirusstammen uit de Nederlandse diagnostische laboratoria, analyseert deze met serologische en moleculaire technieken, vergelijkt deze met referentiestammen en met de door de WHO voorgestelde vaccinstammen en zendt de stammen naar de WHO. Het RIVM voert in samenwerking met NIVEL een surveillance van respiratoire virusinfecties uit. De hieronder geisoleerde influenzavirusstammen worden eveneens onderzocht met serologische en moleculaire technieken en naar de WHO verzonden. Bovendien verzamelt en analyseert het RIVM influenzavirusstammen uit het buitenland en vergelijkt deze met de Nederlandse stammen. In heel Europa behalve Zwitserland was de influenza-epidemie van 1994/95 laat en klein. Stammen van influenzavirus B, A(H3N2) en A(H1N1) circuleerden naast elkaar. Uit de seizoenen 1994 (zuidelijk halfrond), 1994/95 en 1995 werden 84 stammen van het type B, 82 van A(H3N2) en 16 van A(H1N1) onderzocht. De hoofdvariant van het B-virus uit 1994/95 verschilde in antigeen opzicht significant zowel van de hoofdvariant uit de vorige epidemie van 1992/93 als van de vaccinstam die in 1994/95 werd gebruikt. Noch de immuniteit verworven door infectie, noch die opgewekt door vaccinatie zullen derhalve optimale bescherming hebben geboden tegen infectie met type B in 1994/95. De voornaamste variant van het A(H3N2)-virus in 1994/95 evenwel verschilde in antigeen opzicht niet van die in de vorige epidemie van 1993/94, noch van de vaccinstam voor 1994/95. Zowel de natuurlijk verkregen immuniteit als de influenzavaccinatie zullen dus optimaal hebben beschermd tegen infectie met A(H3N2) virus in 1994/95. De A(H1N1) virusstammen uit 1994/95 weken evenmin af van die uit vorige jaren of van de in 1994/95 toegepaste vaccinstam. Bij vergelijking van de antigene eigenschappen en de RNA-nucleotidensequenties van de Nederlandse influenzavirusstammen van 1994/95 met die uit het buitenland werden geen verschillen van betekenis gevonden tussen deze twee groepen. In onze studie hebben wij onder de influenzavirusisolaten uit Oost-Azie uit 1995 geen nieuwe variant aangetroffen. In het licht van de gegevens gepresenteerd in dit rapport lijkt het advies van de WHO voor de vaccinsamenstelling voor 1995/96 adequaat.
    • Antigenic and molecular surveillance of influenza virus strains in the period 1990-1992

      Jong JC de; Bestebroer TM; Bijlsma K; Verweij C; VIR (1994-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Antigenic and molecular surveillance of influenza virus strains in the period 1992-1993

      Jong JC de; Bestebroer TM; Bijlsma K; Verweij C; VIR (1994-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Development of molecular methods for detection and epidemiological investigation of HIV-1, HIV-2, and HTLV-I/II infections

      Meijer A; Borleffs JCC; Roosendaal G; Loon AM van; VIR; AZU; Van Creveld Kliniek Utrecht (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      The work presented here was initiated to determine the possibilities of molecular methods for the detection and epidemiological investigation of HIV and HTLV infections. We present the results of a literature research and describe the development and partial evaluation of a new PCR method for the amplification of RNA and DNA sequences of the HIV-1 pol, env and gag, HIV-2 ltr and HTLV-I/II tax/rex genes. For the amplification of viral RNA, samples were treated with guanidium thiocyanate and sodium lauryl sarcosinate to disrupt the virus and to inactivate RNAses. Paramagnetic beads were used to extract the RNA, followed by solid-phase reverse transcription for cDNA synthesis. DNA or cDNA was amplified using a two-step PCR protocol in which the product from the first PCR was further amplified in a second PCR with nested primers combined with a touch-down temperature protocol to enhance sensitivity and specificity. A pilot study showed that in all peripheral blood mononuclear cell (PBMC) samples from seven HIV-1-infected individuals of CDC class II, proviral HIV-1 DNA was detected using three primer sets. HIV-1 RNA could be detected in the plasma from ten of fifteen HIV-1-infected individuals of CDC class II. Together with data from the literature, our results indicate that PCR methods are useful in the detection of HIV-1 infections and complementary to conventional methods such as enzyme immunoassays and Westernblot. They are especially useful when conventional methods do not allow a diagnosis to be made, for example in newborns of HIV-infected mothers, in monitoring of the viral load, and in patients with idiopathic CD4+ T-lymphocytopenia. Using the same method, we amplified HIV-2 and HTLV-I RNA and DNA sequences. However, clinical evaluation of these PCR methods must be conducted. This newly developed method may possibly be used in molecular epidemiological studies as we were able to directly sequence the product of the HIV-1 env np-PCR, the V3 variable region of the gp120 gene. However, molecular epidemiology must be conducted at the clonal level with more than one isolated part of the viral genome. For molecular epidemiological studies of HIV-1, for example, the variable regions V3, V4, and V5 of the gp120 gene together are useful targets. Promising methods for obtaining materials for PCR as well as serology with regard to epidemiology on the streets are the use of finger-prick blood spots on filter paper and saliva collection. Further studies are needed to determine the value of these methods in molecular epidemiological investigation.
    • Development of molecular methods for detection and epidemiological investigation of HIV-1, HIV-2, and HTLV-I/II infections

      Meijer A; Borleffs JCC; Roosendaal G; van Loon AM; VIR; AZU; Van Creveld Kliniek Utrecht (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Het onderzoek dat hier wordt gepresenteerd werd gestart om de mogelijkheden van moleculaire methoden voor detectie en epidemiologisch onderzoek van HIV en HTLV infecties te onderzoeken. We presenteren de resultaten van een literatuurstudie en beschrijven de ontwikkeling en gedeeltelijke evaluatie van een PCR methode voor de amplificatie van RNA en DNA sequenties van HIV-1 pol, env en gag, HIV-2 ltr en HTLV-I/II tax/rex genen. Voor de amplificatie van viraal RNA werden de monsters behandeld met guanidine thiocyanaat en natrium-lauryl-sarcosinaat om het virus kapot te maken en om RNAses te inactiveren. Paramagnetische bolletjes werden gebruikt om het RNA te extraheren gevolgd door solid-phase reverse-transcriptie voor cDNA synthese. Een twee-staps PCR protocol werd gebruikt voor de amplificatie van DNA of cDNA, waarbij het produkt van de eerste PCR verder wordt geamplificeerd in een tweede PCR met nested primers gecombineerd met een touch-down temperatuur protocol, om de gevoeligheid en specificiteit te verhogen. Een pilotstudie laat zien dat in alle perifere bloed mononucleaire cellen (PBMC) monsters van zeven HIV-1 geinfecteerde individuen uit CDC klasse II, proviraal HIV-1 detecteerbaar was gebruik makend van drie primersets. HIV-1 RNA was detecteerbaar in plasma van 10 van vijftien HIV-1 geinfecteerde individuen uit CDC klasse II. Samen met gegevens uit de literatuur geven onze resultaten een indicatie dat PCR methoden bruikbaar zijn voor detectie van HIV infecties als toegevoegde methode aan de conventionele methoden zoals de enzym-immunoassays en de westernblot. Ze zijn speciaal geschikt als met de conventionele methoden geen duidelijke diagnose gesteld kan worden, zoals bijvoorbeeld bij borelingen van HIV geInfecteerde moeders, bij het volgen van de hoeveelheid aanwezig virus en bij patienten met een idiopatische CD4+ T-lymfocytopenie. Met dezelfde methode zijn HIV-2 en HTLV-I RNA en DNA sequenties geamplificeerd. Echter, deze methoden moeten nog klinisch geevalueerd worden. Deze nieuw ontwikkelde methode is mogelijk bruikbaar voor moleculair epidemiologische studies omdat het produkt van de HIV-1 env np-PCR, het V3 variabele gebied van glycoproteine gp120 gen, direct te sequencen was. Echter, moleculaire epidemiologie moet uitgevoerd worden op het nivo van moleculaire kloons van het virus in meer dan een gebied van het virale genoom. Voor moleculair epidemiologische studies van HIV-1 zijn, bijvoorbeeld, de variabele gebieden V3, V4 en V5 van het gp120 gen geschikte kandidaten. Veelbelovende methoden om materialen voor PCR en serologie bij epidemiologische veldstudies te verkrijgen zijn het gebruik van vingerprik-bloed op filter papier en van speeksel afname. Verdere studies zijn nodig om de waarde van deze methoden in moleculair epidemiologisch onderzoek vast te stellen.<br>
    • Effects of ultraviolet-B exposure on the resistance to Listeria monocytogenes in the rat

      Goettsch W; Garssen J; de Klerk A; Herremans MMPT; Dortant P; de Gruijl FR; van Loveren H; LPI; VIR; UU (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Een Listeria monocytogenes infectiemodel in de rat werd gebruikt om de immuunsuppressieve activiteit van ultraviolet-B straling (UVB) te onderzoeken. Ratten werden dagelijks blootgesteld aan suberythemale hoeveelheden UVB straling gedurende 5 of 7 opeenvolgende dagen. Twee verschillende UV bronnen werden gebruikt ; de Kromayer lamp en de FS40 lamp. Na de UVB blootstelling werden de ratten subcutaan of intraveneus geinfecteerd met Listeria. UVB blootstelling leidde tot een toegenomen hoeveelheid bacterien in de milt 4 dagen na infectie. Daarnaast werd met behulp van specifieke lymfocyt- en overgevoeligheidstesten aangetoond dat UVB vooral de cellulaire immuniteit tegen Listeria verminderde 4 en 8 dagen na infectie. Ook werd de fagocyterende activiteit van perifere bloedmacrofagen door UVB straling verminderd. Deze studie gaf aan dat lage hoeveelheden van UVB straling een vertraging in de klaring van Listeria bacterien uit de milt kon veroorzaken. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een verminderde aspecifieke fagocytose van Listeria door macrofagen in combinatie met een verminderde activiteit van de specifieke cellulaire immuunrespons.<br>
    • Pilot-onderzoek voor het Pienter-project: Seroprevalenties voor bof, mazelen, rubella, kinkhoest, Toxoplasma gondii, Toxocara, T. spiralis en hepatitis A

      Melker HE de; Peet TE van der; Berbers WAM; Akker R van de; Knapen F van; Schellekens JFP; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE; LVO; VIR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Important information on the occurrence of infectious diseases can be derived from serosurveillance. In 1994 a pilot study for the PIENTER-project was carried out to investigate the feasibility of the establishment of a serum bank representatitive for the Dutch general population. As part of this pilot-study the seroprevalence was measured for mumps, measles, rubella, pertussis, Toxoplasmosis, Toxocara, T. spiralis and Hepatitis A in the 827 participants. The seroprevalences for mumps, measles and rubella was 97,6%, 98,2% and 97,6%, respectively. IgA-antibodies and/or IgG-antibodies against pertussis of at least 5 Units/ml were present for 61,3% and 35,6% of the participants. The seroprevalence for toxoplasma, toxocara and hepatitis A were 43%, 19% and 27,1%, respectively and increased with age. Only two participants had antibodies for T. spiralis. However, due to the small and non-representatitive sample in the pilot, it is impossible to make reliable conclusions. After the large scale nation-wide data collection that will be realised in 1995/1996 reliable seroprevalence estimates for the Dutch general population will become available.
    • Pilot-onderzoek voor het Pienter-project: Seroprevalenties voor bof, mazelen, rubella, kinkhoest, Toxoplasma gondii, Toxocara, T. spiralis en hepatitis A

      de Melker HE; van der Peet TE; Berbers WAM; van den Akker R; van Knapen F; Schellekens JFP; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE; LVO; VIR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Inleiding: Serosurveillance - onderzoek naar de aanwezigheid van specifieke antistoffen in de populatie - kan een belangrijke bijdrage leveren aan het inzicht in het voorkomen van infectieziekten. Met name ter bewaking van de immuniteit van de bevolking voor ziekten waartegen in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma wordt gevaccineerd is sero- oftewel immunosurveillance van belang. In 1994 is als voorloper op een landelijk onderzoek een pilot-onderzoek voor het PIENTER-project (Peiling Immunisatie Effect Nederland ter Evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma) uitgevoerd. In het kader van dit project wordt een serumbank opgericht van een aselecte steekproef van de Nederlandse bevolking. Methode: Uit de provincie Utrecht is een naar inwonertal gewogen steekproef van gemeenten getrokken. Uit bevolkingsregisters van Utrecht, Zeist, Amerongen en Woudenberg is een naar leeftijd gestratificeerde steekproef (0, 1-4, 5-9 t/m 75-79 jaar) getrokken van 510 personen (N=2040). Van 827 personen kon een bloedmonster worden afgenomen. Daarin zijn antistofbepalingen verricht voor bof, mazelen, rubella, kinkhoest, Toxoplasma, Toxocara, T. spiralis en hepatitis A. De specifieke seroprevalentie werd berekend voor leeftijd, geslacht, ervaren gezondheid, sociaal economische status, geboorteland en religie. Resultaten: Voor bof, mazelen en rubella bedroeg het percentage seronegatieven resp. 2,4%, 1,8% en 2,4%. Ruim de helft van het aantal personen zonder aantoonbare antistoffen was jonger dan een jaar. Voor mannen was het percentage seronegatieven zowel voor bof, mazelen als rubella iets hoger (bof 3,7% vs. 2,2% ; mazelen 3,4% vs. 1,5% ; rubella 3,7% vs. 2,0%). Voor personen met een geloof waarbij vaccinaties principieel worden afgewezen, antroposofen en personen die niet tot een dergelijk geloof behoorden, bedroegen het percentage seronegatieven voor bof resp. 3,1%, 15,0% en 2,5%, voor mazelen resp. 0.9%, 6,1% en 1,9% en voor rubella 7,0%, 2,4% en 0,0%. In Woudenberg was het percentage seronegatieven voor mazelen (3,4%) en rubella (4,2%) het hoogst, in Zeist en Woudenberg voor bof (4,0% en 3,7%) . Voor kinkhoest nam het percentage personen met IgA-antistoffen van tenminste 5 E/ml toe met de leeftijd van 0% voor nuljarigen tot 80% bij 75-79 jarigen. Circa 4% van personen jonger dan 5 jaar en 23,7% van de 5-9 jarigen had IgG-antistoffen van tenminste 5 E/ml. Voor oudere leeftijdsgroepen schommelde dit percentage tussen de 25% en 52%. Bij 43% werden antistoffen tegen toxoplasma aangetoond. Het percentage nam toe van 3,6% bij nuljarigen tot 87,4% bij 75-79 jarigen. Voor Toxocara bedroeg de seroprevalentie 19%. Bij personen jonger dan 10 jaar werd bij 10% of minder antistoffen tegen Toxocara gevonden ten opzichte van 39,4% bij 75-79 jarigen. Bij twee personen werden IgM-antistoffen tegen T. spiralis aangetoond ; beide personen hadden geen IgG-antistoffen. Het percentage personen met hepatitis A antistoffen bedroeg 27,3% ; 0% voor personen jonger dan 5 jaar ten opzichte van 71% voor 75-79 jarigen. De prevalentie voor personen die niet in Nederland waren geboren bedroeg 52,9% t.o.v. 26,0% personen in Nederland waren geboren. Beschouwing: Door de beperkte omvang van de pilot en niet-landelijke representativiteit zijn (met name voor subgroepen) nog geen betrouwbare seroprevalentie schattingen mogelijk. Na de uitvoering van het landelijke onderzoek dat eind 1995 van start gaat, zullen betrouwbare seroprevalentie schattingen beschikbaar zijn. Voorlopige resultaten duiden erop dat de algemene bevolking goed beschermd is ten aanzien van bof, mazelen en rubella. Toename van IgG- en IgA-antistoffen met de leeftijd duiden op circulatie van en natuurlijke infecties met Bordetella (para)pertussis. De seroprevalentie van toxoplasma (43%) en Toxocara (19%) antistoffen nemen toe met de leeftijd. Er lijkt geen sprake te zijn van een infectiedruk voor T. spiralis. De seroprevalentie voor hepatitis A bedroeg 27%. De daling van de incidentie van hepatitis A infecties na de Tweede wereldoorlog zijn in de leeftijdspecifieke seroprevalenties duidelijk zichtbaar.<br>
    • Prevalentie en risicofactoren van HIV-infectie onder druggebruikers in Rotterdam

      Wiessing LG; Toet J; Houweling H; Koedijk PM; Akker R van den; Sprenger MJW; CIE; GGD Rotterdam; VIR (GGD Rotterdam en Omstreken (GGD), 1995-09-30)
      DOEL Het vaststellen van de prevalentie van HIV-infectie en risicogedrag onder intraveneuze- (IVDs) en niet-intraveneuze-druggebruikers in Rotterdam. Het onderscheiden van subgroepen IVDs met een verhoogd risico op HIV-infectie. Het inschatten van het risico op verdere verspreiding van HIV. Het vaststellen van de bekendheid en het gebruik van preventie-activiteiten. METHODEN Tussen 6 september en 18 december 1994 is bij 701 druggebruikers (494 IVDs) in Rotterdam een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. Deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking (67%) en via werving 'op straat' (33%). In de methadonwerving werd ook een bloedmonster verzameld. Deelname was vrijwillig en anoniem. RESULTATEN Van de 492 geteste IVDs waren 57 seropositief (prevalentie 12%, 95%-betrouwbaarheidsinterval [BI] 9-14%), onder de 207 niet-IVDs werden drie infecties gevonden (1.5%, 95%BI 0-4%). Onafhankelijke risicofactoren voor een positieve serostatus onder IVDs waren een jongere leeftijd (<25jr OR=5.17 [1.27-21], 25-34 OR=1.89 [1.01-3.57], >34 OR=1), geboorteland (Nederland OR=1, Turkije, Marokko, Suriname, Antillen OR=0.12 [0.02-0.94], overig buitenland OR=1.54 [0.72-3.32]), gevangenisstraf (nooit OR=1, 1 keer OR=1.96 [0.61-6.28], >1 keer OR=3.40 [1.36-8.52]) en een langere spuitcarriere (0-2 jr OR=2.17 [0.65-7.27], 3-10 OR=1, >10 OR=3.05 [1.39-6.71]). Het aantal druggebruikers in Rotterdam wordt geschat op tenminste 3500 op jaarbasis, waarvan 2500 IVDs en 200 tot 300 geinfecteerden. Op basis van zelfgerapporteerde testuitslagen sinds 1991 blijken recent infecties te zijn voorgekomen. Een op de vijf actuele spuiters had in de laatste 6 maanden gebruikte spuiten of naalden van anderen geleend. Van alle IVDs had 9% een vaste seksuele relatie met een niet-intraveneuze druggebruiker en 14% met een niet-druggebruiker. Binnen de meeste vaste seksuele relaties (79%) werden nooit condooms gebruikt. Van de 325 actuele spuiters was 97% bekend met een of meer spuitomruillocaties, 95% had er ooit gebruik van gemaakt. Van alle deelnemers kende 94% een of meer condoomverstrekkingsplaatsen en had 58% daar ooit gebruik van gemaakt. CONCLUSIES De prevalentie van HIV-infecties in Rotterdam wordt geschat op 12% onder intraveneuze-druggebruikers en 1.5% onder niet-intraveneuze druggebruikers. Dit komt naar schatting overeen met 200 tot 300 seropositieve druggebruikers. Risicofactoren voor HIV-infectie onder IVDs zijn een jongere leeftijd, gevangenisstraf en een lange spuitcarriere. IVDs die in Turkijke, Marokko, Suriname of de Antillen zijn geboren zijn minder vaak seropositief. Nieuwe infecties komen onder IVDs nog steeds voor. Verspreiding naar niet-druggebruikers, met name vaste seksuele partners van IVDs, is aannemelijk. De bekendheid met en gebruik van spuitomruil en condoomverstrekking zijn hoog.
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (1995-01-31)
      Doel van het onderzoek was om inzicht te verkrijgen in de antigene en genetische variatie van het in Nederland en Curacao circulerende humane immunodeficientie virus type 1 (HIV-1). De genetische variatie tussen HIV-1 isolaten is aanzienlijk. De genetische variatie doet zich vooral voor op een vijftal gebieden van het deel van het virale genoom, dat codeert voor het externe envelop eiwit gp120 van HIV-1. Van deze vijf gebieden is het derde variabele domein (V3) gelegen tussen aminozuur-positities 269 en 331 van gp120 het meest uitvoerig bestudeerd. Van de Nederlandse serummonsters reageerde 54.8% specifiek tegen een van de peptiden p108, p109 of p110, welke representatief zijn voor het genotype B. Voor wat betreft de monsters afkomstig uit Curacao werd een vergelijkbaar resultaat gevonden, met dit verschil dat ten opzichte van de Nederlandse monsters een relatief hoge frequentie van serum reactiviteit tegen p110 werd gevonden. Op grond van de serologische reactiviteit in het V3 gebied kan worden geconcludeerd dat in de periode 1988 - 1990 in Nederland en Curacao subtype B HIV-1 varianten het meest prevalent waren. De V3-loop reactiviteit bleek vergelijkbaar met die gemeten in de Amsterdamse cohortstudies onder homoseksuele mannen en druggebruikers. De resultaten van de specifieke antistofreactiviteit werd in het algemeen bevestigd door de resultaten van het V3 sequentie-onderzoek, maar subtiele sequentieverschillen tussen de V3 loop reactiviteit en circulerend viraal V3 werden in een aantal gevallen aangetoond. Aanbevolen wordt in 1995 een tweede survey uit te voeren, te meer daar inmiddels meer bekend is over verschillende subtypen van HIV-1 en recent het zogeheten subtype O is beschreven.
    • V3-serotyping programme evaluated for HIV-1 variation in the Netherlands and Curacao

      Wolf F de; Akker R van den; Valk M; Bakker M; Goudsmit J; Loon AM van; VIR; UVA/HRL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      To obtain insight into the variation of the HIV-1 V3 neutralization domain of variants circulating in the Netherlands, 126 Dutch, 70 Curacao and 45 African serum samples from HIV-1 infected individuals were screened for antibody reactivity to a set of 16 to 17 mer synthetic peptides, representing the central part of the V3-loop of gp120 of HIV-1 variants circulating in the US, Europe and Africa. These peptides were used in an ELISA and antibody reactivity to the peptides was compared to the actual amino acid sequence of viral RNA circulating in a subset of the same serum samples. In conclusion, we found a relatively high genetic and antigenic homogeneity of the V3 gene of HIV infections in the Netherlands and Curacao during the years 1988-1990. Antibody reactivity to synthetic V3 peptides, as well as sequence analysis confirmed the prevalence of B subtype HIV-1 among the Dutch and Curacaon samples and the prevalence of A/D subtypes among the Tanzanian samples. Screening of HIV-1 positive serum samples for genetic typing by using a set of well defined synthetic V3 peptides appeared to be feasible. In combination with molecular analysis (V3 sequencing and/or hetroduplex mobility assay) of this method can be applied to obtain insight in changes in genetic and antigenic variation of HIV-1 in a population: changes within subtype B HIV-1 variants, as well as introduction of other (new) HIV-1 variants can this be surveyed. This is of importance to obtain insight in the (molecular) epidemiology of HIV-1 as well as with respect to the development and the eventual use of an HIV-1 vaccine.
    • Virologische NIVEL/RIVM-surveillance van respiratoire virusinfecties in het seizoen 1993/94

      Jong JC de; Bartelds AIM; Bestebroer TM; Bijlsma K; Verweij C; Verweij-Uijterwaal MW; Wermenbol AG; Loon AM van; VIR (1994-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Virologische NIVEL/RIVM-surveillance van respiratoire virusinfecties in het seizoen 1994/95

      Bestebroer TM; Bartelds AIM; Loon AM van; Boswijk H; Bijlsma K; Claas ECJ; Kleijne JAFW; Verweij C; Verweij-Uijterwaal MW; Wermenbol AG; et al. (1995-10-31)
      Sinds het seizoen 1992/93 sturen de NIVEL (Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg) peilstationartsen neus-/keelwatten op van door hen behandelde patienten met acute luchtwegklachten naar het RIVM. Aldaar worden deze monsters m.b.v. de kweek in celcultuur op virussen onderzocht. In het seizoen 1994/95 werden de monsters tevens m.b.v. de polymerase chain reactie (PCR) onderzocht op Mycoplasma pneumoniae, Chlamydia pneumoniae, rhinovirus, enterovirus, RS-virus, coronavirus OC43 en coronavirus 229E. Deze surveillance verschaft een beter inzicht in de etiologie en de incidenties van minder ernstig verlopende luchtweginfecties dan de virusisoleringen voor diagnostische doeleinden. In het seizoen 1994/95 stuurden de peilstationartsen 557 monsters van patienten met respiratoire aandoeningen naar het RIVM. In 189 (34%) werd een respiratoir virus en/of bacterie aangetoond. Influenza B-virus (9%) en rhinovirus (9%) waren de meest voorkomende verwekkers gevolgd door coronavirus OC43 (4%), influenza A-virus (3%), RS-virus (3%) en adenovirus (2%). In 8 (4%) van de positieve monsters werden twee verwekkers aangetoond. In 70 (37%) van de positieve monsters werd alleen m.b.v. de PCR een micro-organisme aangetoond. Worden deze resultaten vergeleken met die uit de diagnostische laboratoria, dan zijn de belangrijkste verschillen het relatief hogere aantal influenzavirus-isolaten en het relatief lagere aantal RS-virus-isolaten in het NIVEL/RIVM-surveillance netwerk. Tevens is influenza B-virus de meest voorkomende verwekker in het NIVEL/RIVM-surveillance netwerk in tegenstelling tot de diagnostische laboratoria, waar het type A(H3N2) domineerde. Van 68 PCR-positieve patienten werden 72 vervolgmonsters afgenomen na gemiddeld 24 dagen. Drie patienten bleken PCR-positief te blijven voor hetzelfde agens ; in twee gevallen betrof het Chlamydia pneumoniae. De klinische relevantie van de PCR lijkt daarom goed te zijn voor de onderzochte respiratoire virussen en voor Mycoplasma pneumoniae.