• Contribution to risk of chronic disease by epigenetic programming

      van der Ven LTM; Dolle ME; Piersma AH; van Benthem J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-08-16)
      Epigenetische programmering is een fysiek mechanisme dat ervoor zorgt dat lichaamsfuncties goed zijn aangepast aan invloeden uit de omgeving. Het kan worden voorgesteld als schakelaars die de activiteit van celfuncties bepalen. Als het schakelbord van de cel van een kind tijdens de zwangerschap niet goed wordt ingesteld, kan dit later in het leven negatieve gevolgen hebben. De cel functioneert dan niet goed, oftewel gaat minder adequaat op de omgeving reageren. Zulke celverstoringen kunnen op verschillende manieren ontstaan, bijvoorbeeld door ongebalanceerde voeding, chemische verontreinigingen in voedsel, en tabaksrook. Epigenetische programmering kan zo het risico vergroten dat iemand een chronische ziekte ontwikkelt, zoals overgewicht, diabetes, hart- en vaatziekten, sommige allergieën en kanker. Uit literatuuronderzoek van het RIVM blijkt dat de verstoring van de epigenetische programmering een reëel fenomeen is. Hoe groot de bijdrage uit de omgeving op verstoringen is, is nog niet duidelijk. Wel kan dit gegeven de toename van de genoemde aandoeningen in de laatste jaren helpen verklaren. Er zijn technieken beschikbaar die gebruikt kunnen worden om de bijdrage van omgevingsfactoren aan verstoring van het epigenetisch programma te meten en in de literatuur worden hiervoor meerdere testmethoden beschreven. Het RIVM stelt voor om deze testmethoden nader uit te werken. Met goede testmethoden kunnen in de toekomst risico's van blootstellingen tijdens zwangerschappen beter worden ingeschat en gerichte beleidsadviezen worden opgesteld. Het belang van epigenetische programmering bleek voor het eerst bij kinderen van zwangere vrouwen die in de hongerwinter van de Tweede Wereldoorlog ondervoed waren. Deze kinderen bleken later in hun leven vaker te lijden aan chronische ziekten als diabetes dan leeftijdsgenoten die de ondervoeding niet hoefden te doorstaan. Een ander voorbeeld is een tijdens de zwangerschap doorgemaakte blootstelling aan een vocht- en vuilafstotend middel, waarna vaccinaties minder effectief bleken te zijn op het moment dat de kinderen de schoolleeftijd hebben bereikt.
    • Dietary sources of exposure to Bisphenol A in the Netherlands

      Boon PE; te Biesebeek JD; Brants H; Bouwmeester MC; Hessel EVS; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-04-09)
      Bisfenol A (BPA) is een chemische stof die wordt gebruikt om een transparant plastic te maken (polycarbonaat), dat onder andere wordt gebruikt in voedselverpakkingsmaterialen. Verder wordt BPA gebruikt in coatings om de kwaliteit van ingeblikt voedsel en dranken te beschermen (de witte laag aan de binnenkant van het blik). Onder andere via deze verpakkingen kan BPA in voedsel terechtkomen. Producten als kassabonnen, bouwmaterialen (verf en coatings) en medische hulpmiddelen kunnen ook BPA bevatten. <br> <br>Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat de totale hoeveelheid BPA die mensen in Nederland via het voedsel binnenkrijgen zeer beperkt is. Zelfs onder de meest ongunstige omstandigheden ligt de blootstelling nog 30 keer onder de huidige tolereerbare dagelijkse inname (TDI). Het onderzoek maakt ook duidelijk dat niet één voedselbron een grote bijdrage levert, maar alle voedselbronnen afzonderlijk hun eigen individuele 'kleine' bijdragen hebben. De focus in het RIVM-onderzoek is op voedselbronnen gelegd, omdat voedsel voor de gemiddelde consument de belangrijkste bron is van blootstelling aan BPA. <br> <br>Dit onderzoek volgt op eerder onderzoek van het RIVM (2016) waarin aandacht gevraagd werd voor nieuwe informatie over de TDI. De European Food Safety Authority (Europese voedselveiligheidsautoriteit, EFSA) is momenteel bezig met een nieuwe beoordeling van deze gezondheidsnorm. In afwachting van dit onderzoek vroeg het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het RIVM om te onderzoeken via welke bronnen mensen in Nederland het meest worden blootgesteld aan BPA en om welke hoeveelheden het daarbij gaat. <br>
    • Endocrine disrupting chemicals in the EU legal frameworks : Human health perspective

      Graven C; Dang Z; Piersma AH; Hakkert B; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-31)
      De Europese Commissie heeft concept criteria opgesteld waarmee kan worden bepaald of stoffen hormoonverstorend zijn. Het blijkt dat binnen de huidige wet- en regelgeving veelal de gegevens ontbreken om stoffen aan deze criteria te toetsen. Om aan te tonen of een stof hormoonverstorend is, moet hij een nadelig (of schadelijk) effect veroorzaken, zoals een verminderde vruchtbaarheid of mogelijke verstoring van het zich ontwikkelende zenuwstelsel. Vervolgens moet worden aangetoond dat het schadelijke effect een biologisch verklaarbaar gevolg is van een verstoring van het hormoonsysteem. Dit is doorgaans lastig aan te tonen. De regelgeving vereist informatie die aangeeft dat een stof veilig kan worden gebruikt. Deze informatie kan onder andere in de vorm van gestandaardiseerde dierproeven worden verkregen. De vereiste proefdierstudies zijn echter niet ontwikkeld om alle nadelige effecten als gevolg van hormoonverstoring aan te tonen. Deze studies zijn evenmin ontwikkeld om het achterliggende biologische mechanisme te achterhalen. De studie die op dit moment het beste in staat is om nadelige effecten als gevolg van een mogelijk hormonaal werkingsmechanisme op te pikken is de zogenoemde extended one generation-studie. Deze studie is echter nog lang niet in alle wettelijke kaders verplicht. Hetzelfde geldt voor gestandaardiseerde studies om het biologische werkingsmechanisme te testen. Om beter te kunnen beoordelen of een stof hormoonverstorend is op basis van de voorgestelde criteria pleit het RIVM ervoor om enkele dierproefstudies aan te passen en de extended one generation-studie te verplichten. Daarnaast wordt voorgesteld om de gestandaardiseerde studies naar werkingsmechanismen verplicht te stellen in de huidige regelgeving. Deze aanpassingen in de regelgeving zijn relatief eenvoudig uit te voeren en zijn belangrijk om stoffen met een hormoonverstorende werking op te sporen. Ook zijn nieuwe methoden voor studies nodig om de nog ontbrekende effecten en mechanismen relevant voor hormoonverstoring aan te tonen. Ten slotte is het belangrijk dat er een evenwichtige beoordelingsstrategie wordt ontwikkeld om te evalueren of informatie voldoet aan de voorgestelde criteria.
    • Exposure to genotoxic carcinogens at young age: experimental studies to assess children's susceptibility to mutagenic effects of environmental chemicals

      Luijten M; Hernandez LG; Zwart EP; van Steeg H; Bos PMJ; van Benthem J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-11)
      Jonge dieren lijken niet gevoeliger dan volwassen dieren voor schadelijke effecten van DNA-beschadigende stoffen Op heel jonge leeftijd kunnen proefdieren gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van chemische stoffen dan op volwassen leeftijd. Sommige stoffen veroorzaken in de jonge levensfase meer schade aan het DNA, maar dat is niet altijd het geval. Een hogere gevoeligheid op jonge leeftijd lijkt af te hangen van de manier waarop de stof het erfelijk materiaal beschadigt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Chemische stoffen kunnen op verschillende manieren veranderingen aan het erfelijk materiaal veroorzaken. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Eerder was een hogere gevoeligheid voor schadelijke effecten bij jonge proefdieren waargenomen in onderzoek van het RIVM naar benzo[a]pyreen. Deze stof, die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen, geeft meer schadelijke effecten op jonge leeftijd dan op volwassen leeftijd. Nadien is dit effect getoetst voor drie andere stoffen. Bij stoffen die op een andere manier DNA beschadigen, heeft leeftijd veel minder invloed. Bij de risicobeoordeling van chemische stoffen zal per stof beoordeeld moeten worden of de standaard veiligheidsfactor voldoende is of aanpassing behoeft.
    • Identifying strengths and weaknesses of current human health risk assessment : A workshop report

      Ezendam J; Bos PMJ; Luijten M; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-05-08)
      Al enkele jaren is er wereldwijd behoefte om de risicobeoordeling van chemische stoffen te vernieuwen. Het RIVM is verantwoordelijk voor de risicobeoordeling van chemische stoffen en is daarom betrokken bij deze vernieuwing. Om hieraan bij te kunnen dragen heeft het RIVM geïnventariseerd wat de sterke en zwakke punten zijn van het huidige systeem. Op die manier worden beperkingen en hiaten duidelijk, evenals de essentiële elementen die behouden moeten blijven. Uit deze inventarisatie blijkt dat er meer inzicht nodig is over de mate waarin mensen worden blootgesteld aan stoffen. Dit is nodig om de risico's voor mensen te kunnen schatten en de veiligheid van stoffen te kunnen waarborgen. Bovendien moet zo min mogelijk gebruik gemaakt worden van proefdieren, zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid van mensen. Een sterk punt van de huidige risicobeoordeling is dat een breed scala van schadelijke effecten vastgesteld wordt. Daarnaast maakt het systeem duidelijk bij welke dosis een stof schadelijke effecten veroorzaakt. Dit is belangrijke informatie om grenswaarden te bepalen. Verder biedt het huidige systeem de mogelijkheid om te schatten in welke mate mensen aan de desbetreffende stof zijn blootgesteld. Bruikbare gegevens over die blootstelling zijn echter niet altijd beschikbaar en dat is een van de zwakke punten van het huidige systeem. Andere zwakke punten zijn het gebruik van proefdieren en het ontbreken van geschikte methodieken voor complexe stoffen. Ook is niet zeker of het systeem álle nadelige effecten op de gezondheid afdekt en is er onvoldoende kennis over gevoelige groepen in de bevolking die mogelijk een hoger risico lopen.
    • Implementatie van 3V alternatieven voor ontwikkelingstoxiciteit in de regelgeving

      Hessel E; Theunissen P; Piersma A; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-20)
      Chemische stoffen en farmaceutische producten moeten wettelijk een strenge selectie doorstaan voordat zij op de markt mogen worden toegelaten. Bij de risicobeoordeling van stoffen voor schadelijke effecten op de vruchtbaarheid van de mens en de ontwikkeling van het ongeboren kind worden veel proefdieren gebruikt. Het RIVM heeft op twee manieren uitgezocht hoe de regelgeving zou kunnen worden aangepast, zodat er minder dierproeven nodig zijn, maar wel een nauwkeurige risicobeoordeling behouden blijft. De eerste manier betreft een nieuwe testrichtlijn (de Extended One Generation Reproductive Toxicity Study, EOGRTS) die de zogeheten twee-generatiestudie vervangt. Voorheen was het verplicht om bij twee generaties van dieren te toetsten of een stof een schadelijk effect heeft. In de voorgestelde testrichtlijn wordt bij één generatie uitgebreider en nauwkeuriger gemeten, zodat de tweede niet meer nodig is. Door met de EOGRTS te werken, neemt het proefdiergebruik met 40 procent af, én worden betrouwbaardere resultaten verkregen. Deze test is inmiddels wettelijk geïmplementeerd. Bij de tweede manier is in kaart gebracht of eventuele schadelijke effecten voor het embryo van nieuw te ontwikkelen geneesmiddelen in één in plaats van twee diersoorten (rat en konijn) kunnen worden getest. Hierdoor zou het benodigde aantal dierproeven voor dit onderdeel van de risicobeoordeling tot 50 procent kunnen verminderen. Voorlopige analyses wijzen erop dat de testresultaten in beide diersoorten niet veel verschillen. Het is echter nog te vroeg om uit te spreken welke van de twee diersoorten het beste kan worden ingezet. Ook kan niet uitgesloten worden dat het soms noodzakelijk blijft om in beide diersoorten te testen. Het RIVM gaat deze analyse in 2015 verder uitwerken. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is het 3V-principe (Verminderen, Verfijnen of Vervangen) in de Wet op de dierproeven geïmplementeerd. Met dit onderzoek draagt het RIVM eraan bij dat dit 3V- principe in de internationale wetgeving wordt geaccepteerd en doorgevoerd.
    • Internationale activiteiten gericht op het verminderen van LC50 testen voor het vaststellen van acute toxiciteit in vissen : International efforts to reduce the use of acute toxicity tests in fish

      Kienhuis A; Dang ZC; Ezendam J; Hakkert B; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-14)
      Om de veiligheid van stoffen voor het milieu te beoordelen is informatie nodig over de mate waarin stoffen giftig zijn. Deze informatie wordt gedeeltelijk via dierproeven verkregen, zoals in vissen. Om zo min mogelijk dierproeven in te hoeven zetten, wordt gezocht naar alternatieven. In dat verband heeft het RIVM in kaart gebracht welke internationale activiteiten zijn ondernomen om het proefdiergebruik te verminderen voor studies naar de acute giftigheid van chemische stoffen voor vissen. Op dit moment vinden de meeste activiteiten hiervoor plaats bij de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) die zorgt voor uniforme testrichtlijnen en bij ECHA (Europees Agentschap voor Chemische Stoffen) in het kader van de Europese stoffenwetgeving REACH. Bij de acute giftigheidstesten voor vissen wordt gezocht bij welke concentratie 50 procent van de vissen sterft (zogeheten LC50-methode). Deze testen zijn in principe verboden, omdat de dieren veel ongerief ondervinden. Ze worden alleen met ontheffing ingezet als er geen alternatieve methoden mogelijk zijn. Een van de alternatieven is om visembryo's voor deze test te gebruiken; een methode die is geaccepteerd door de OESO en onder bepaalde condities voor REACH mag worden gebruikt. Visembryo's worden tot vijf dagen na bevruchting niet als proefdier aangemerkt, omdat ze dan nog niet zelfstandig kunnen eten en geen pijn en ongerief kunnen ervaren. Implementatie van deze test in de wettelijke richtlijnen kan het proefdiergebruik verminderen. Het is niet mogelijk dierproeven hiermee volledig te vervangen, doordat het gebruik van vissenembryo's niet voor alle (klassen van) chemische stoffen geschikt is. De OESO schrijft nu nog meerdere concentraties voor in de test met volwassen vissen. Het aantal proefdieren kan ook worden verminderd door de huidige test uit te voeren met één concentratie van de stof. Hiervoor wordt bij de OESO momenteel een strategie ontwikkeld.
    • Post-marketing surveillance of chemicals: organisations and databases : Workshop report

      Bouwmeester M; van Drongelen A; Graven C; Hernandez L; Herremans J; de Kaste D; Razenberg L; Vandebriel R; Piersma A; VTS; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-18)
      The safety evaluation of chemicals is in general performed by the government, importer or manufacturer before marketing, and is based on (inter)national legislation. Less is known about the exact products in which chemicals are processed. Even though multiple institutions in the Netherlands are involved with various aspects of chemical safety after marketing, a concrete view on unforeseen effects is lacking. The RIVM aims to improve the system to gain better insight on these effects. Therefore, several stakeholders in this area were brought together to exchange ideas for a more intense exchange of information on signals of possible adverse health effects and on information about existing databases. Actively communication adverse health effects was the focus here, as currently producers are informed after an effect occurred. This report contains an overview of relevant databases, web addresses and contact information to facilitate exchange of information among relevant stakeholders in the field of post marketing surveillance of chemicals. Additionally, three concrete case studies were presented and discussed.
    • The potential of two models to screen for epigenome modifying effects of food contaminants : Studies in zebrafish embryos and mesenchymal stem cells

      van der Ven L; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-03-19)
      Tijdens de vroege ontwikkeling van de mens worden verschillende typen weefels en organen gevormd. De informatie hiervoor ligt in het DNA opgeslagen. Per weefseltype worden specifieke delen van het DNA afgelezen , en die afleesbaarheid wordt gereguleerd door de zogenoemde methylering van het DNA. Wetenschappers gaan er steeds meer van uit dat de omgeving van invloed is op de wijze waarop het DNA precies wordt afgelezen. Geopperd wordt dat de toename van chronische ziekten zoals kanker, diabetes en overgewicht zijn oorsprong kan hebben in een verkeerde inregeling van de methylering van het DNA tijdens de vroege ontwikkeling, bijvoorbeeld door chemische verontreiniging in voedsel. Om meer zicht te krijgen op deze processen is het van belang in kaart te brengen of en in welke mate chemische stoffen de methylering van het DNA beïnvloeden. Het RIVM heeft hiervoor een testmodel ontwikkeld in embryo's van de zebravis. Inderdaad zijn veranderingen in de DNA-methylering vastgesteld nadat de embryo's aan meerdere teststoffen zijn blootgesteld. Vervolgonderzoek moet bevestigen of deze veranderingen gekoppeld zijn aan bepaalde typen chemische stoffen. Ook moet nader worden onderzocht of de geconstateerde veranderingen in de methylering effecten op de gezondheid hebben. Halverwege 2015 worden de resultaten van dit vervolgonderzoek verwacht. Het zebravis-model blijkt dus toereikend te zijn om metingen in uit te voeren. Voor het onderzoek is ook een stamcelmodel getoetst maar dit bleek minder geschikt.
    • A quantitative approach to assess the risk of skin sensitization from hair dye ingredients : A case study using p-phenylenediamine (PPD)

      Ezendam J; Park M; Salverda-Nijhof JGW; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Methode om een veilige limiet voor allergie door haarverf vast te stellen Het gebruik van haarverf is in principe veilig. Wel bevat dit product stoffen die bij sommige mensen allergische reacties kunnen veroorzaken, zoals jeuk, roodheid en zwellingen van de huid. Zo reageert een klein percentage (0,2 tot 1 procent) van de consumenten op de stof p-phenylenediamine (PPD) in permanente haarverf. Haarverf-allergie kan in sommige gevallen ernstig zijn. Het RIVM heeft daarom geprobeerd te bepalen bij welke concentratie het gebruik van PPD niet meer zal leiden tot allergische reacties bij consumenten. Uit het onderzoek bleek dat het niet mogelijk was om deze veilige limiet te berekenen aangezien gegevens over de mate waarin de consument per verfbeurt aan PPD wordt blootgesteld ontbreken. De veiligheid van haarverf wordt gereguleerd in de Europese Cosmetica verordening. PPD is een belangrijk bestanddeel van haarverf om grijs haar goed te kunnen kleuren, maar is ook een erkend allergeen. PPD mag tot een maximum concentratie van 2 procent worden toegevoegd aan haarverf. Deze wettelijke limiet voorkomt echter niet dat sommige mensen een allergische reactie krijgen na gebruik van haarverf. Om een veilige limiet te kunnen bepalen is het nodig om de concentratie waarbij de stof de allergie veroorzaakt, de effectconcentratie, te weten. Er zijn voldoende gegevens over PPD beschikbaar om deze concentratie te bepalen. Daarnaast is het belangrijk om te bepalen in welke mate een consument wordt blootgesteld aan PPD bij het gebruik van haarverf. Als de hoeveelheid waaraan de consument blootstaat hoger is dan de effectconcentratie, kan een allergie ontstaan. Er zijn echter onvoldoende gegevens beschikbaar om de consumentenblootstelling met voldoende zekerheid vast te stellen. Eén van de redenen is dat de verf na een tijdje wordt uitgewassen en het onbekend is hoeveel PPD er in deze periode wordt opgenomen
    • Risico's van 3D-printen in een consumentenomgeving : Technieken, materialen en producten

      Olthof ED; Hendriks HS; van de Ven BM; Schuur AG; Pennings JLA; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-12)
      Steeds meer consumenten hebben thuis een 3D-printer staan. Ook kunnen consumenten producten laten printen bij gespecialiseerde bedrijven. Er worden vooral miniatuurfiguren en onderdelen van (technische) apparaten mee geprint, maar ook producten die in het dagelijks leven worden gebruikt, zoals telefoonhoesjes. Het RIVM heeft in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) onderzocht of er voor consumenten risico's kleven aan het gebruik van 3D-printers en de bijbehorende producten. Dat blijkt het geval te zijn, alleen is de omvang van het risico op basis van de beschikbare gegevens niet precies te duiden. Het risico is sterk afhankelijk van de mate waarin consumenten aan het materiaal of aan vrijgekomen stoffen worden blootgesteld. Bij 3D-printen worden meestal plastic draden omgesmolten en in laagjes tot het gewenste product gevormd. Technische risico's, bijvoorbeeld dat consumenten zich aan het warme apparaat of plastic branden, zijn door verantwoord gebruik gemakkelijk te beperken. Daarnaast ontstaan tijdens het printen dampen en kleine deeltjes die de gebruiker in kan ademen. Goed ventileren is belangrijk om dat te beperken. Verder kunnen consumenten aan chemische stoffen worden blootgesteld bij het gebruik van de geprinte producten. Dit kan via contact met de huid, zoals bij sieraden, en mond, bijvoorbeeld bij kinderspeelgoed of drinkbekers.
    • Risk assessment of substances in combined exposures (mixtures)

      Staal Y; van der Ven L; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-07-07)
      Bij de risicobeoordeling en regulering van chemische stoffen wordt uitsluitend rekening gehouden met de schadelijke effecten van afzonderlijke stoffen. In de praktijk wordt de mens echter blootgesteld aan talloze stoffen tegelijk ('mengsels'). Dit gebeurt vooral via voedsel, maar kan ook op andere manieren zoals door inademing of via de huid. Geringe, nog onschadelijke effecten van afzonderlijke stoffen kunnen schadelijk worden als ze bij elkaar worden opgeteld. Verschillende nationale en internationale regelgevende instanties, waaronder de Europese Commissie en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), hebben onderkend dat de risico's van deze gelijktijdige blootstelling aan verschillende stoffen moeten worden onderzocht. Het RIVM heeft daarom in kaart gebracht welke initiatieven de afgelopen jaren zijn ondernomen om methodieken te ontwikkelen die de mogelijke gezondheidsrisico's van mengsels weergeven. Eén daarvan is afkomstig van de Europese Voedsel Autoriteit (EFSA) waaraan het RIVM bijdraagt met modelberekeningen. De EFSA-methode bevat echter nog veel onzekerheden en is specifiek ontworpen voor effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen die via voedsel worden opgenomen. Het is vooralsnog onduidelijk of de methode ook geschikt is voor andere stofgroepen zoals allergenen, en stoffen die niet via voedsel, maar door de lucht of via de huid in het lichaam terechtkomen. Momenteel wordt onderzocht hoe deze EFSA-methode kan worden verfijnd door de bestaande gegevens over blootstelling aan en schadelijkheid van stoffen aan te vullen met nieuwe metingen die zijn gebaseerd op celkweekmodellen. RIVM voert dit onderzoek in samenwerking met internationale partners uit.
    • The sensitivity of young animals to benzo[a]pyrene-induced genotoxic stress

      Luijten M; Hernandez LG; Zwart EP; Bos PMJ; van Steeg H; van Benthem J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-08)
      Op heel jonge leeftijd zijn proefdieren gevoeliger voor de schadelijke effecten van de stof benzo[a]pyreen dan op volwassen leeftijd. Er ontstaat in de jonge levensfase meer schade aan het DNA. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Benzo[a]pyreen is een stof die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen. Het is een stof die veranderingen in het erfelijk materiaal kan veroorzaken en bij blootstellingen aan zeer hoge doses tot kanker kan leiden. Langdurige blootstelling op jonge leeftijd leidde niet tot een hoger aantal dieren met tumoren, maar wel tot tumoren in andere organen dan bij volwassen dieren. Momenteel wordt in aanvullende studies onderzocht of deze resultaten specifiek zijn voor benzo[a]pyreen of kenmerkend zijn voor DNAbeschadigende stoffen in het algemeen. Dat onderzoek zal uitwijzen of bij de risicobeoordeling van chemische stoffen meer rekening moeten worden gehouden met kinderen als risicogroep.
    • Stand van zaken LD50/LC50 testen : Verfijning, vermindering en vervanging van dierproeven en mogelijkheden tot interventies

      van der Ven L; Ezendam J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-17)
      Het RIVM heeft geïnventariseerd hoeveel proefdieren worden gebruikt voor testen die uitzoeken bij welke dosering of concentratie van een stof 50 procent van de dieren sterft (zogeheten LD50/LC50-testen). Deze testen zijn in principe verboden en worden alleen met ontheffing toegepast als er geen alternatieve methoden mogelijk zijn. De inventarisatie is op verzoek van de staatssecretaris van Economische Zaken gemaakt. Hieruit blijkt dat in Nederland jaarlijks voor dit type testen tussen de 570 en 1000 vissen gebruikt worden; in Nederland worden hiervoor geen andere diersoorten ingezet. Om in algemene zin het aantal dierproeven te verminderen is in de jaren zeventig van de vorige eeuw het zogeheten 3V-principe (Verminderen, Verfijnen of Vervangen) in de Wet op de dierproeven verankerd. Uit de RIVM-inventarisatie blijkt dat dit principe ook wordt ingezet bij de LD50/LC50-testen, maar het toepassen ervan is maatwerk en is nog niet voor alle chemische stoffen mogelijk. De test kan bijvoorbeeld zodanig worden ingericht dat minder vissen nodig zijn, of dat zieke dieren eerder uit de test worden gehaald. Daarnaast kan bestaande kennis over stoffen met een chemisch verwante structuur gebruikt worden om de schadelijkheid van een stof te bepalen, waardoor het niet nodig is om een dierproef uit te voeren. Een ander alternatief is een zogenoemde visembryo-test, waarbij de toxiciteit van een stof wordt bepaald met testen bij pas bevruchte viseieren. Embryo's vallen de eerste dagen niet onder de Wet op dierproeven. Dit laatste alternatief wordt nog niet praktijk gebracht omdat de visembryo-test nog niet in de Europese regelgeving voor chemische stoffen is opgenomen. Om de LD50/LC50-testen verder te verminderen is het belangrijk dat dit wel gebeurt. Het RIVM adviseert daarom om in overleg met de Nederlandse vertegenwoordigers in relevante Europese wettelijke kaders vast te stellen hoe en onder welke voorwaarden dit kan worden gerealiseerd. Bovendien is het belangrijk om te investeren in de ontwikkeling van een strategie waarin verschillende testen worden geïntegreerd, omdat dit de meest kansrijke manier is om de LD50/LC50-testen op termijn overbodig te maken.