• Activities and Comments of the Dutch WHO Collaborating Centre for the ICIDH, Interim Report

      Halbertsma JMA; Heerkens YF; Hirs WM; de Kleijn-de Vrankrijker MW; van Ravensberg CD; ten Napel HMS; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMBureau Ten NapelNederlands Paramedisch InstituutTNO-Preventie en Gezondheid, 1998-09-10)
      Deze informatie is vervallen. Zie: http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf<br> <br>De Internationale classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps (ICIDH, Zoetermeer 19932) zal worden herzien door de Wereldgezondheidsorganisatie en haar Callaborating Centres voor de ICIDH. Het Nederlandse Centrum is in 1989 opgericht. Het heeft een tussentijds verslag opgesteld over het voorstel voor een nieuwe ICIDH dat in juli 1997 is uitgegeven om te worden beproefd. Het opnieuw structureren van de classificatie en het opnieuw bewoorden van haar klassen wordt in een nieuwe titel weergegeven: Internationale classificatie van stoornissen, activiteiten en participatie. Het voorstel en het tussentijds verslag zullen in Nederland in twee vergaderingen worden besproken. Een definitief verslag zal begin 1999 verschijnen.<br>
    • Advies Kosten van Ziektenstudie : Inhoudelijke en technische aanpassing

      Slobbe LCJ; Kommer GJ; Polder JJ; Post NAM; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-09-30)
      Dit advies beoogt de gebruikswaarde van de Kosten van Ziektenstudie te vergroten voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor andere gebruikers zoals kennisinstituten, universiteiten of zorgkoepels. Met sleutelgebruikers van de studie is daarom de toekomstige opzet ervan verkend. Daarbij zijn zowel de opzet van de huidige studie als kansrijke mogelijkheden voor uitbreiding en vernieuwing aan bod gekomen. Op grond van deze gesprekken zijn opties voor de toekomstige opzet en ontwikkeling van de Kosten van Ziektenstudie geformuleerd. Voor enkele opties is aanvullend onderzoek gedaan door middel van data-analyse en literatuuronderzoek. Op grond van deze opties zijn aanbevelingen geformuleerd voor de ontwikkeling van de studie die middels dit advies worden voorgelegd aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het gaat daarbij om aanbevelingen voor zowel technische aanpassing als inhoudelijke ontwikkeling.
    • Afleverpunten van geneesmiddelen; een onderzoek naar ruimtelijke spreiding in Nederland

      Veen AA van der; Boven PF van; Stokx LJ; VTV (1997-12-31)
      Het rapport behandelt de ruimtelijke spreiding van afleverpunten voor achtereenvolgens zelfzorg- en receptgeneesmiddelen. De typen afleverpunten zijn zowel afzonderlijk als in hun onderlinge samenhang bestudeerd. Uitgangspunten bij de analyses zijn de, in de huidige regelgeving en jurisprudentie, gehanteerde normen ten aanzien van locatie en bereikbaarheid van voorzieningen. Het niveau van geneesmiddelenvoorziening wordt uitgedrukt in termen van verzorgingsgebieden en omvang van verzorgde populaties.
    • Ambulances binnen bereik. Analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland

      Kommer GJ; Veen AA van der; Botter WF; Tan I; VTV (Adviesbureau W.F. Botter, 2003-01-16)
      Het rapport Ambulances binnen bereik beschrijft de resultaten van een landelijk onderzoek naar de geografische spreiding van standplaatsen en de beschikbaarheid (capaciteit) van ambulances. Knelpunten in de spreiding en beschikbaarheid uiten zich in het aantal keren dat een ambulance niet binnen de norm van 15 minuten na melding op de plaats van bestemming arriveert. In een tweetal scenario's worden mogelijkheden verkend hoe door uitbreiding en verplaatsing van standplaatsen en verandering van beschikbaarheid knelpunten in de voorziening van ambulancezorg voor een deel kunnen worden opgelost. In 2001 vond bij 8,2% (27.800) van het aantal spoedritten een overschrijding van de norm plaats. Hoogstens 20% van de overschrijdingen waarvoor de rijtijd kon worden bepaald, is het gevolg van ongunstige spreiding van ambulancestandplaatsen. Hoe groot het effect van wijzigingen in de aard en omvang van beschikbare ambulancecapaciteit zal zijn op het aantal overschrijdingen is niet te zeggen. Daarvoor ontbreekt in de rittenregistraties van ambulances informatie over de toedracht van overschrijdingen. Om dezelfde reden kunnen de onderzoekers evenmin kwantificeren in hoeverre overschrijdingen worden bepaald door nog andere factoren zoals de invloed van langere opstarttijden bij piketdiensten en overmachtsituaties zoals verkeersopstoppingen en -omleidingen, extreme weersopstandigheden of materiaalpech. Om overschrijdingen en maatregelen in de toekomst beter te kunnen evalueren doen de onderzoekers de aanbeveling om de kwaliteit van de rittenregistraties en de registratiewijze in de ambulancezorg te verhogen.
    • Ambulances binnen bereik. Analyse van de spreiding en beschikbaarheid van de ambulancezorg in Nederland

      Kommer GJ; Veen AA van der; Botter WF; Tan I; Adviesbureau W.F. Botter; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-01-16)
      In the Dutch emergency care in 2001 about 8.2% of the ambulance services exceeded the standard 15 minutes response time, or 13 minutes actual travel time. This report identifies possibilities for improved availability of ambulance services. Two scenarios were developed explore ways of increasing this coverage. In the first scenario, ambulance posts are added to the present set. In the second scenario a number of existing posts are moved to more optimal positions whereafter posts were added. At present, a theoretical 93% of the Dutch population can be reached within 13 minutes driving time from the existing 195 ambulance posts. In the first scenario this coverage is improved to 95% by adding 15 posts; 97% coverage is achieved with a total 235 posts. In the second scenario, we show that by moving 50 posts the coverage can already be increased to almost 95%. The capacity model determined that, compared to the current situation, the capacity needed to meet the demand for ambulances ranges from 10% less in the minimum variant to 9% more in the maximum variant. An improved spatial coverage can be accomplished by adding new and/or relocating current posts. This improved distribution will solve the response-time failures for 21% at the most, however. Furthermore, increasing the capacity of ambulances in selected regions may contribute to a further decrease in response-time failures. If ambulance services would make more use of 'mobile availability', the number of failures could decrease even more. Yet, mobile availability is not an option for all regions. The quality of the currently available data on Dutch ambulance performance limits the interpretation of our modelling results. Although the model provides directions for solving the distribution problems, the data and methods do not allow to draw detailed conclusions on allocation or reallocation of ambulances.
    • Analyse van seksuele netwerken

      van Zessen G; Kretzschmar MEE; Reinking DP; Brouwers H; Jager JC; VTV; NISSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch Onderzoek NISSORijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIVM, 1994-08-31)
      Dit rapport is een verslag van een samenwerkingsproject van RIVM en NISSO. Gebaseerd op surveys over seksueel gedrag in Nederland is een wiskundig model uitgewerkt om de mogelijke verspreiding van AIDS en andere seksueel overdraagbare aandoeningen (SOAs) en de preventie te onderzoeken. De resultaten van deze onderzoeken zijn reeds verschenen in een reeks publikaties. Deze publikaties zijn in dit rapport bijeengebracht.<br>
    • Arbeidsomstandigheden en ziektelast - Een haalbaarheidsstudie

      Hoeymans N; Eysink PED; Hollander AEM de; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-11-04)
      Workers enjoy better health than non-workers, but work can also cause health loss. Burden of disease assessments are used to give us an impression of health loss caused by working conditions. This assessment model approach, corresponding to the burden of disease estimates used in the model of the Public Health Status and Forecasts, represents a new approach in occupational health. This model has as its starting point occupational diseases and not the potentially health-threatening factors associated with working conditions - common in occupational health. Disease burden estimates can answer such questions as how bad a particular working condition is compared to other health risks, how much of this disease burden is preventable and what measures are the most profitable. This report describes a framework to estimate the occupational burden of disease. Using examples of back pain, hearing impairment, stress-related illnesses and complaints of arm, neck and shoulder, we illustrate the possibilities and impossibilities offered by occupational burden of disease estimates. Of these four complaints, hearing impairment is responsible for most of the health loss. In theory, then, most health benefits can be gained by the prevention of a hearing impairment. Disease burden calculations require a lot of data, if they are to be meaningful. However, as seen in our examples, part of the information is still seen to be lacking, e.g. data on the prevalence of some occupational diseases and exposure to working conditions. This feasibility study, commissioned by the Ministry of Social Affairs and Employment, shows that calculations on the occupational burden of disease are not only possible, but also useful, provided that extra investments are made.
    • Arbeidsomstandigheden en ziektelast - Een haalbaarheidsstudie

      Hoeymans N; Eysink PED; de Hollander AEM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-11-04)
      Werknemers hebben een betere gezondheid dan mensen die niet werken, maar werken kan ook gezondheidsverlies veroorzaken. Ziektelastberekeningen geven een indruk van het gezondheidsverlies door arbeidsomstandigheden. Dit is een nieuwe aanpak in de arbeidshygiene en sluit aan bij het model van de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV). Dit model gaat uit van arbeidsgerelateerde aandoeningen en niet, zoals gebruikelijk in de arbeidshygiene, van de mogelijk gezondheidsbedreigende factoren in de arbeidssituatie. Met ziektelastberekeningen kunnen vragen worden beantwoord als: hoe erg is deze arbeidsomstandigheid in vergelijking met andere gezondheidsrisico's? hoeveel van deze ziektelast kan worden voorkomen? en welke maatregelen leveren de meeste gezondheidswinst op? Dit rapport beschrijft een raamwerk voor het berekenen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden. Aan de hand van rugklachten, gehoorstoornissen, stressgerelateerde klachten en klachten van arm, nek en schouder illustreren we de (on)mogelijkheden van berekeningen van de ziektelast van arbeidsgebonden aandoeningen. Van deze vier aandoeningen veroorzaakt slechthorendheid bijvoorbeeld het meeste gezondheidsverlies. Bij slechthorendheid is dus in theorie de meeste gezondheidswinst te behalen. Deze haalbaarheidsstudie, die op verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd, laat zien dat berekeningen van de ziektelast van arbeidsomstandigheden via het VTV-model niet alleen bruikbaar maar ook mogelijk zijn, mits extra investeringen worden gedaan.
    • Artrose in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie en etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Bruin KM de; VTV (1994-12-31)
      Chronische ziekten komen steeds frequenter in onze samenleving voor. Dit is deels toe te schrijven aan een verschuiving van acute ziekten naar chronische ziekten, maar ook de toenemende vergrijzing speelt hierbij een rol. Door de snelle toename van wetenschappelijke kennis van chronische ziekten ontstaat bij het beleid een groeiende behoefte aan actuele overzichten over de ontwikkelingen in kennis van chronische ziekten. In het rapport dat voor u ligt is de stand van zaken weergegeven met betrekking tot de etiologie, determinanten en mogelijkheden voor preventie van artrose door middel van interventie op leefstijlfactoren. Er wordt zowel aandacht besteed aan mogelijkheden voor primaire, secundaire en tertiaire preventie. Artrose, ook wel ten onrechte gewrichtsslijtage genoemd, is de meest voorkomende aandoening van het bewegingsapparaat. Artrose komt vooral voor bij ouderen en dan vooral bij vrouwen. Ondanks de verschillende pogingen om criteria op te stellen voor de diagnose van artrose is er op dit moment nog geen criterium dat door het merendeel van de medische wereld wordt geaccepteerd. De diagnose van artrose wordt gesteld aan de hand van klachten van de patient, lichamelijk onderzoek, laboratoriumonderzoek en rontgenfoto's. De etiologie van artrose is nog grotendeels onbekend. Verschillende hypotheses zijn geopperd. De op dit moment meest geaccepteerde hypothese stelt dat het proces waardoor artrose ontstaat begint in het kraakbeen. Het beloop van artrose, behalve bij artrose van de heup, is onvoorspelbaar en kan sterk varieren in ernst. Van de leefstijlfactoren worden vooral lichamelijke activiteit en roken in verband gebracht met het ontstaan en/of beloop van artrose. Roken lijkt het risico op het ontstaan van artrose te verlagen. De resultaten van de verschillende onderzoeken zijn echter niet eenduidig. Tevens is er nog geen mogelijk verklarend mechanisme voor de relatie tussen roken en artrose. Lichamelijke activiteit heeft zowel een effect op het ontstaan als op het beloop, al lopen deze effecten in verschillende richting. Er zijn hypotheses dat lichamelijke activiteit het risico op het ontstaan van artrose verhoogt. Er komen echter steeds meer aanwijzingen dat regelmatig hardlopen het risico op het ontstaan van artrose niet verhoogt. Lichamelijke activiteit onder deskundige begeleiding heeft een gunstig effect op het beloop. Het doel is beperkingen te voorkomen. De effectiviteit van interventies gericht op lichaamsbeweging is echter nog niet bewezen. In het algemeen is kennis over de etiologie en het beloop van artrose nog onvoldoende. Stimulering van onderzoek hiernaar kan mogelijkheden voor zowel primaire, secundaire als tertiaire preventie dichterbij brengen. Voor primaire preventie van artrose door interventie op leefstijlfactoren is bevordering van 'verstandig' bewegen, beginnend in het basisonderwijs, een aangrijpingspunt. Bij secundaire preventie is vooral alerte symptoomherkenning van belang omdat dan functiebeperkingen nog zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen. Screening is nog niet mogelijk. In het niet-medicamenteuze deel van de behandeling is fysiotherapie een belangrijk onderdeel. De effectiviteit is echter nog weinig in interventieonderzoeken bestudeerd, evenmin als de soort, duur en intensiteit van de oefeningen. Ook de mogelijkheden voor groepsoefentherapie zijn nog onvoldoende onderzocht. Stimulering van dit onderzoek wordt aanbevolen.
    • Artrose in Nederland. Ontwikkelingen in de kennis van de epidemiologie en etiologie en mogelijkheden voor preventie

      Bruin KM de; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      This document reviews the latest state of knowledge concerning the etiology, determinants and possibilities for prevention by intervention on life-style factors for arthrosis. Both primary, secondary and tertiary prevention are covered. Arthrosis is the most prevalent disease of the musculoskeletal system. It is most common in the elderly and especially in women. The diagnosis is based on complaints, physical examination, laboratory results and X-ray photos. Symptoms are pain, stiffness and limitation in movement, but not everybody has these symptoms. The etiology of arthrosis is not very well known. There are several hypotheses. The most accepted hypothesis states that the process of arthrosis begins in the cartilage. Knowledge on the course of arthrosis is also limited. The life-style factors physical activity and smoking are related to the occurrence and/or course of arthrosis. Smoking seems to decrease the risk of the occurrence of arthrosis. The results of the studies are still inconsistent. Studies about the relation between physical activity and arthrosis looked at effects on the occurrence as well as on the course. It was thought that 'normal' physical activity increases the risk of arthrosis. There becomes more and more evidence that this is not true. Physical activity in the form of physiotherapy is used in the treatment of arthrosis, because it helps to keep the joints flexible. There is not much known about the etiology and course of arthrosis. Research on these subject should be stimulated. Primary prevention through intervention on life style factors is not very promising. At the moment early detection is most important in secondary prevention. Screening is not yet possible. Physiotherapy is very important in the treatment. Studies on the effectiveness of physiotherapy and possibilities for therapy in groups should be stimulated.
    • Beleidsafhankelijke determinanten van enkele belangrijke gezondheidsproblemen en bijbehorende beleidsactoren

      Lucht F van der; Jansen J; VTV (1999-06-14)
      Om inzicht te geven in welke beleidsdisciplines betrokken zijn bij gezondheidsrelevant beleid is - uitgaande van een vijftal belangrijke gezondheidsproblemen (kanker, CARA, hart- en vaatziekten, ongevallen en psychische aandoeningen) - geanalyseerd welke beleidssectoren een rol kunnen spelen bij de beinvloeding van de determinanten van deze gezondheidsproblemen. Het identificeren van de diverse betrokken beleidssectoren moet ondersteuning geven bij het vormgeven van het facetbeleid op het ministerie van VWS. Uit de analyses blijkt dat een zeer groot aantal beleidssectoren (60) de mogelijkheid heeft de determinanten van de eerder genoemde gezondheidsproblemen te beinvloeden. Daarnaast blijkt dat bijna alle ministeries (9) een potentiele betrokkenheid hebben.In het tweede deel van de studie is getracht tot prioritering voor facetbeleid te komen. Daarbij is voor een van de beschreven aandoeningen CARA, gekeken voor welke determinanten de potentieel te behalen gezondheidswinst door interventies het grootst is. Twee determinanten komen naar voren die prioriteit zouden kunnen krijgen bij facetbeleid, te weten roken en allergenen in het binnenmilieu. Geconcludeerd wordt dat voor facetbeleid zeer veel beleidssectoren en departementen van belang zijn. Bij een juiste prioritering is het mogelijk een aanzienlijke gezondheidswinst te boeken en kunnen behoorlijke kosten voor de gezondheidszorg worden bespaard. Naast te behalen gezondheidswinst kan bij de prioritering gelet worden op (nog) onbenutte mogelijkheden voor interdepartementale samenwerking en concordantie van belangen.
    • Beleidsafhankelijke determinanten van enkele belangrijke gezondheidsproblemen en bijbehorende beleidsactoren

      Lucht F van der; Jansen J; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      The exploratory study reported on here investigated the possibilities offered by intersectoral (health) policy. The study consisted of two parts. First, a broad description was given of determinants of five health problems (cancer, Chronic non specific lung disease (CNSLD), heart disease, injury due to accidents and psychiatric disorders), and of related actors in policy-making identified. Second, the determinants of one of the diseases were assessed in more depth to give insight into opportunities for prioritzing based on potential health benefits. In the first part, the analyses show that there are many departments within several ministeries that could contribute to an intersectoral (health) policy. Some ministeries have a special connection to one particular determinant of health: e.g. Agriculture, Nature Management and Fisheries has opportunities in the field of nutrition, while there are also ministries that can be of importance for a broad range of determinants: e.g. Education, Culture and Science can play an important role in health education. The Ministry of Finance is also involved in many determinants as a consequence of its (tax)instruments for price policy. The same could be said for ministries involved in control and supervision (Justice and Internal Affairs). In the second part of the study, priority-setting for intersectoral policy based on potential health benefits is described by analysing, in particular, the determinants of CNSLD. Because the desired data and evidence is often lacking, it has proven very difficult to set priorities for intersectoral policy using potential health benefits of interventions on the important risk factors. Still, smoking and allergens in the indoor environment can be put forward as the determinants of CNSLD with the most potential health gain. In conclusion, there are many opportunities for intersectoral policy, making prioritizing desirable. Next to potential health benefits priorities can be set on measures that are not yet in use and on measures that coincide with the targets of other ministries.
    • Benodigde isolatiecapaciteit in ziekenhuizen

      Busch MCM; Hoogenveen RT; Luijben AHP; Schouten JSAG; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-01)
      This report describes the study done by the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM), by order of the Health Care Inspectorate (IGZ), of the capacity of isolation wards required in hospitals in the Netherlands. To determine the required isolation capacity, a model was developed. From various secondary sources data were collected on persons who in 1998 were placed in isolation or who because of their diagnosis should have placed in isolation. Because of uncertainties in the available data two extreme scenarios were calculated. They show that the required capacity ranges between 100 and 150 isolation rooms for a prompt accommodation of all patients who must be nursed in isolation. With an estimated available capacity of 700 isolation rooms in Dutch hospitals, it can be concluded that there is definitely no under-capacity. The outcomes of the model do not support the availability problems as experienced in practice by hospitals and repatriation organizations. than capacity. It could well be that when needed the single rooms equipped for isolation are occupied by patients who do not necessarily need to be nursed in isolation (e.g. seriously ill patients or private patients). If so, flexibility and effort are required to clear the room instantaneously and to prepare it for isolation. Shortage of staff and reluctance to admit patients from abroad may be other reasons for the experienced insufficiency of available isolation capacity. It is recommended for each hospital to register in a uniform way all actual cases of isolation thus to get insight into the use of isolation rooms per hospital and for the hole nation. From now on repatriation organizations should register all requests for transfer to a Dutch hospital (not just the requests met), thus to get a more complete picture of the need for isolation capacity.
    • Benodigde isolatiecapaciteit in ziekenhuizen

      Busch MCM; Hoogenveen RT; Luijben AHP; Schouten JSAG; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-01)
      Dit rapport beschrijft het onderzoek naar het benodigde aantal eenpersoonskamers in Nederlandse ziekenhuizen voor patienten die vanwege een besmettingsgevaar voor personeel en andere patienten geisoleerd verpleegd moeten worden. Voor het bepalen van de benodigde capaciteit is een model ontwikkeld. Uit verschillende secundaire bronnen zijn gegevens verzameld over personen die in 1998 geisoleerd zijn of, gezien hun diagnose, geisoleerd hadden moeten worden. Vanwege onzekerheden in de beschikbare gegevens zijn twee extreme scenario's berekend. Hieruit blijkt dat er tussen de 100 en 150 isolatieplaatsen nodig zijn om alle patienten die geisoleerd verpleegd moeten worden direct te kunnen plaatsen. Bij een geschatte beschikbare capaciteit van 700 isolatiekamers in Nederlandse ziekenhuizen moet geconcludeerd worden dat er geen sprake is van ondercapaciteit. De uitkomsten van het model leveren geen onderbouwing voor de in de praktijk door ziekenhuizen en repatrieringsorganisaties ervaren problemen met de beschikbaarheid van isolatieplaatsen. De bevindingen geven aanleiding te veronderstellen dat er eerder sprake is van een logistiek probleem dan van een capaciteitsprobleem. Mogelijk staan de voor isolatie geschikte eenpersoonskamers op het moment dat er behoefte bestaat aan isolatie niet leeg. Deze kamers kunnen in gebruik zijn door een patient die niet geisoleerd verpleegd hoeft te worden (ernstig zieke patient of klasse patient). Het vereist dan de nodige flexibiliteit en inzet om de ruimte snel vrij te maken en in te richten voor isolatie. Personeelsgebrek en terughoudendheid bij overname van patienten uit het buitenland zijn andere mogelijke verklarende factoren voor de in de praktijk ervaren tekorten aan isolatiecapaciteit. Aanbevolen wordt per ziekenhuis een uniforme registratie bij te houden van plaatsgevonden isolaties zodat er zicht ontstaat op het gebruik van isolatiekamers per ziekenhuis en landelijk. Repatrieringsorganisaties zouden voortaan alle aanvragen voor overplaatsing naar een Nederlands ziekenhuis moeten registreren (dus niet alleen de gehonoreerde aanvragen), zodat een completer beeld ontstaat van de behoefte aan isolatiecapaciteit.<br>
    • Berekeningen van de ziektelast in Nederland. Achtergronddocument bij VTV-1997 deel III, hoofdstuk 7

      Melse JM; Kramers PGN; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-08-05)
      Dit rapport bestaat uit twee delen. Deel A is een vrijwel integrale weergave van de tekst van hoofdstuk 7 uit VTV-1997 III: Gezondheid en levensverwachting gewogen. In dit hoofdstuk is een schatting gemaakt van de ziektelast in Nederland voor de in VTV-1997 geselecteerde aandoeningen , op basis van elders berekende wegingsfactoren voor ziekte en de gegevens over prevalentie, incidentie en verloren levensjaren die voor VTV-1997 verzameld zijn. De ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability-Adjusted Life Years), die een optelling zijn van ziektejaar-equivalenten en verloren levensjaren. De ziektejaar-equivalenten worden berekend als de prevalentie maal een wegingsfactor voor de ernst van de aandoening. Een opvallend resultaat was dat de hart- en vaatziekten en kankers verantwoordelijk waren voor het grootste deel van de verloren levensjaren, terwijl de psychische aandoeningen en de lichamelijke chronische aandoeningen juist het grootste deel van de ziektejaarequivalenten voor hun rekening namen. In de beschouwing worden de belangrijkste onzekerheden en problemen van deze benadering besproken. Deel B bevat de berekeningen van de ziektejaar-equivalenten en DALY's per aandoening, gerangschikt naar ICD-hoofdgroep.<br>
    • Beweging en veiligheid in de wijk - Handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken'

      Alleman TA; Storm I; Penris MJE; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-04-26)
      In many Dutch municipalities new residential areas are emerging or old ones are being regenerated. The residential area plays an important role in stimulating physical activity and healthy practices. Fundamental aspects of the residential area in this regard are the possibilities offered for physical activity, and the social and physical safety of the area itself. These aspects are, in fact, closely linked: safe traffic and social safety promote physical activity, while a safe area is inviting to pedestrians and cyclists. To stimulate physical activity as a part of the daily routine, the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has developed and validated a manual 'to enhance physical activity and safety' in the municipality of Voorhout. The manual employs a step-by-step approach to designing a residential area promoting physical activity and safety; it also includes fifty recommendations for setting up such a residential area. The manual aims at Dutch municipalities who want to place priority on the physical activity and safety of their inhabitants in their consideration of new construction and restructuring plans. Such a manual will help municipalities in their renovation or regeneration plans to realize residential areas that are both safe and accommodating in the provision of physical activity.
    • Beweging en veiligheid in de wijk - Handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken'

      Alleman TA; Storm I; Penris MJE; VTV (2005-04-26)
      In veel gemeenten in Nederland ontstaan nieuwe wijken of worden oude wijken opnieuw ingericht. De inrichting van de wijk (ofwel woonomgeving) heeft in belangrijke mate invloed op de gezondheid en het gezondheidsgedrag van de inwoners, bijvoorbeeld op het gebied van de mogelijkheden voor bewegen of de sociale en fysieke veiligheid. Deze twee hangen nauw samen: in een verkeers- en sociaal veilige woonomgeving zullen mensen meer geneigd zijn te gaan bewegen. Een veilige woonomgeving nodigt uit tot fietsen en lopen; en actief bezig zijn is het gemakkelijkst vol te houden als het past binnen een dagelijkse routine. Dat maakt dat de inrichting van de wijk belangrijke aangrijpingspunten biedt voor gezondheidsbevordering. Door het RIVM is in de gemeente Voorhout een handleiding ontwikkeld en getoetst waarmee gemeenten een bewegingsbevorderende en veilige inrichting van wijken kunnen realiseren. De handleiding 'bewegingsbevorderende en veilige wijken' geeft stapsgewijs aan hoe een bewegingsbevorderende en veilige woonwijk kan ontstaan en geeft 50 aanbevelingen voor het inrichten van wijken. Deze handleiding is bestemd voor alle gemeenten in Nederland die in nieuwbouw- en herstructureringsplannen aandacht willen besteden aan het stimuleren van lichamelijke activiteit en veiligheid van de inwoners.
    • Brancherapport Preventie &apos;98-&apos;01

      Rutz SI; Overberg RI; Witte KE; Jansen J; van Oers JAM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-11)
      Het 'Brancherapport Preventie '98-'01' maakt deel uit van het 'Brancherapport Volksgezondheid' dat bestaat uit de deelrapporten 'Preventie', 'Cure', 'Care', 'GGZ-MZ' en 'Welzijn en Sport'. Op verzoek van het ministerie van VWS heeft het RIVM in samenwerking met organisaties uit het preventieveld het deelrapport preventie opgesteld. Doel van het 'Brancherapport Preventie' is aan de hand van feiten en cijfers een beeld te geven over de ontwikkelingen in de preventiesector in het afgelopen jaar en de drie jaren ervoor (1998-2001). Alle brancherapporten zijn vergelijkbaar opgebouwd en geven informatie over vraag, aanbod, gebruik/capaciteit, financiering en kwaliteit van activiteiten op het betreffende terrein. De informatie is daarmee beter toegankelijk en op hoofdlijnen tussen sectoren vergelijkbaar. De brancherapporten '98-'01 zijn samen met de Zorgnota en de begroting in november 2002 aan de Tweede Kamer aangeboden om hen te informeren over de stand van zaken in de verschillende sectoren. Het 'Brancherapport Preventie' bevat brede, feitelijke en objectieve informatie over de preventiesector en is hierdoor ook voor partijen in het veld bruikbaar bij ontwikkeling en uitvoering van beleid. In de toekomst zullen de brancherapporten tegelijkertijd met andere verantwoordingsdocumenten van VWS uitkomen. Het eerstvolgende 'Brancherapport Preventie' zal uitkomen in mei 2004.<br>
    • Brancherapport Volksgezondheid. Deelrapport Preventie. Een eerste proeve

      Rutz SI; Busch MCM; Jansen J; Stokx LJ; Ruwaard D; VTV (2001-10-12)
      Hoeveel mensen roken er? Hoeveel artsen zijn er werkzaam bij arbo-diensten? Welke activiteiten over veilig vrijen bieden GGD'en aan? Hoeveel vrouwen laten jaarlijks een borstfoto maken? Hoeveel kinderen zijn ingeent tegen DKTP? Hoeveel geld is beschikbaar voor voorlichtingscampagnes over roken? Wat zijn de kosten van het grieppreventieprogramma? Wat is het effect van screening op Familiaire Hypercholesterolemie? Het deelrapport Preventie dient dit soort vragen te beantwoorden die gaan over vraag naar en aanbod, gebruik, financiering en kwaliteit van preventieactiviteiten. Het RIVM heeft het rapport opgesteld op verzoek van het ministerie van VWS en heeft daarbij samengewerkt met diverse organisaties uit het preventieveld. Het preventierapport maakt deel uit van het brancherapport Volksgezondheid, dat het doel heeft achtergrondinformatie te bieden in de vorm van feiten en cijfers bij de Zorgnota, begroting en het Jaarbeeld Zorg. In deze eerste versie van de brancherapporten worden nog weinig feiten en cijfers daadwerkelijk gepresenteerd. Wel zijn het terrein en de bijbehorende organisatorische context beschreven, is aangegeven welke gegevens in de toekomstige brancherapporten kunnen worden verwacht en zijn (verwachte) knelpunten in de informatievoorziening gesignaleerd. Naast het deelrapport Preventie bestaat het brancherapport Volksgezondheid uit drie andere deelrapporten die rapporteren over de volgende deelterreinen: cure, care en geestelijke gezondheidszorg en maatschappelijke zorg.
    • Care for health. The 2006 Dutch Public Health Status and Forecasts Report

      de Hollander AEM; Hoeymans N; Melse JM; van Oers JAM; Polder JJ; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-07-17)
      Zorg voor gezondheid, de vierde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) brengt opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid, preventie en zorg in Nederland. De Nederlander is weer wat gezonder geworden, maar het kan nog beter. Zo zijn ongezond gedrag en overgewicht, vooral bij de jeugd, een bron van zorg voor de gezondheid in de toekomst. Ook worden binnen Nederland grote verschillen in gezondheid en gezondheidsrisico's aangetroffen tussen regio's of buurten. Gezondheidsachterstanden hangen vaak samen met sociaal-economische achterstanden en andere ongunstige kenmerken van de leefomgeving. Preventie zal zich daarom niet alleen op het individu moeten richten, maar evenzeer op de sociale en ruimtelijke aspecten van de omgeving. Ook andere sectoren zoals onderwijs, ruimtelijke ordening en sociaal-economisch beleid moeten waar mogelijk betrokken worden bij het gezonder maken van Nederland en zijn inwoners. De uitgaven voor zorg zijn de afgelopen jaren flink gestegen, maar de gezondheidszorg heeft in de achterliggende decennia ook veel bijgedragen aan een langer leven in goede gezondheid. En die betere gezondheid betekent ook meer zelfredzaamheid, meer deelname aan de samenleving en uiteindelijk minder beroep op langdurige zorg. Toch is nog winst te boeken op het terrein van patientveiligheid, ketenzorg en vooral ook effectieve preventie en zorg. De informatie in de VTV is van belang voor de beleidsontwikkeling bij VWS, maar is ook waardevol voor andere ministeries, lagere overheden, partijen in het zorgveld en instellingen voor onderwijs en wetenschap.