• Rapportage resultaten luchtonderzoek Amsterdamseweg 38 e.o. te Arnhem

      Kliest JJG; Ammers H van; Fortezza F; Bos HP; IEM; LLO; gemeente Arnhem/Dienst Milieu en Openbare Werken (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-08-31)
      In een aantal woningen rond een terrein dat gelegen is tussen de Amsterdamseweg, de Brantsenstraat, de Bouriciusstraat en de Sweerts de Landasstraat te Arnhem komt een relatief hoge concentratie van met name perchlooretheen (per) en in mindere mate trichlooretheen (tri) voor. Oorzaak van de verontreiniging van de binnenlucht is een verontreiniging van de bodem met per- en trichlooretheen op het aangrenzende terrein. Ook na beveiligingsmaatregelen, waaronder isolatie van de onderzijde van de kruipruimtevloeren bleken de concentraties nog steeds verhoogd. Het doel van dit onderzoek was om meer inzicht te geven in de wijze waarop de verontreiniging van de kruip- en woonruimten vanuit de bodem tot stand komt. Dit gegeven is van belang om vast te stellen op welke wijze de bijdrage van de bodemverontreiniging aan de verontreiniging van de binnenlucht effectief kan worden tegengegaan. Dit rapport heeft betrekking op twee in dit kader uitgevoerde deelonderzoeken. Het eerste deelonderzoek betrof een onderzoek in zes woningen op de lokatie, waarbij in vijf tot zes ruimten van de woning de concentraties van ondermeer perchlooretheen en trichlooretheen is gemeten. Tevens heeft orienterend onderzoek plaatsgevonden in een aantal kelders en kruipruimten naar de mogelijke bronnen voor de verhoogde concentraties in deze ruimten. Daarnaast is gepoogd om door middel van een tracermethode inzicht te verkrijgen in het patroon van luchtverplaatsingen in de woningen, om op deze wijze de bijdrage van de kruipruimtelucht aan de lucht in de woning te kunnen kwantificeren. Het traceronderzoek is echter als gevolg van redenen van analytische aard, mislukt. Bij het tweede deelonderzoek zijn indicatieve metingen uitgevoerd van de concentratie aan per- en trichlooretheen in de kruip- en woonruimten van 28 woningen. Doel hiervan was om te bepalen in welke woningen vervolgonderzoek zinvol moest worden geacht. Uit de resultaten van het eerste deelonderzoek blijkt dat het aannemelijk is, dat de kruipruimten nog steeds een belangrijke en wellicht zelfs de belangrijkste bron voor de in de verblijfsruimten optredende concentraties van perchlooretheen vormen. De isolerende maatregelen in kruipruimten blijken geen meetbaar effect te hebben gesorteerd op de concentratieniveaus van perchlooretheen. Hoewel dit op grond van de uitgevoerde metingen niet kan worden bewezen lijkt het het meest waarschijnlijk, dat de concentraties in de kruipruimten vooral tot stand komen door een convectieve flux van perchlooretheen langs de afdichtingsranden van het isolatiemateriaal. De belangrijkste conclusie uit deelonderzoek 2 is dat er duidelijk te onderscheiden zones blijken te zijn met woningen die wel en woningen die niet een sterk verhoogd concentratieniveau in de kruipruimte kennen. Tussen de genoemde zones blijken scherpe grenzen te kunnen worden getrokken.