• Evaluatie van gebruik van surveillancegegevens binnen de PREZIES-ziekenhuizen

      Haas R de; Mintjes AJ; Geubbels ELPE; Berg JMJ van den; Boer AS de; CIE (CBO, 1998-04-30)
      Doel was de evaluatie van het gebruik van de surveillanceresultaten in de aan het project 'Preventie van Ziekenhuisinfecties door surveillance' (PREZIES) deelnemende ziekenhuizen. Methode: een vragenlijstonderzoek naar verspreiding en gebruik van de surveillanceresultaten, invloed op beleid en/of besluitvorming op het gebied van infectiepreventie, interventiemaatregelen en tevredenheid met het project. In totaal werden 48 contactpersonen aangeschreven. De respons was 79%. De resultaten van de eigen surveillance werden in vrijwel alle gevallen verspreid naar de specialisten en naar de infectiecommissie en in de meeste gevallen ook naar de verpleegafdelingen en naar de directie. De vergelijking met de andere PREZIES-ziekenhuizen werd ook in vrijwel alle gevallen verspreid naar de infectiecommissie en naar de specialisten en in mindere mate naar verpleegafdelingen en directie. De rapportage werd in de helft van de ziekenhuizen gebruikt om voorlichting te geven en droeg volgens de contactpersonen in alle ziekenhuizen bij tot grotere bewustwording op het gebied van infectiepreventie. In bijna de helft van de ziekenhuizen leidden de resultaten tot een interventiemaatregel. Een aantal contactpersonen gaf aan dat de maatregel vermindering van POWI tot gevolg had. In vrij veel ziekenhuizen was de tijd na het invoeren van een interventiemaatregel te kort om het effect te kunnen beoordelen. In meer dan de helft van de ziekenhuizen heeft de surveillance het beleid en /of besluitvorming op het gebied van infectiepreventie ondersteund. Vierentachtig procent van de ziekenhuizen waren tevreden met het PREZIES-project in de huidige vorm en 89% wil deelname aan de landelijke surveillance continueren.
    • Inventarisatie van surveillance na ontslag in het PREZIES-project

      de Haas R; Mintjes-de Groot AJ; Geubbels ELPE; van den Berg JMJ; de Boer AS; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCBO, 1998-04-30)
      Doel was om na een inventarisatie van methoden voor Surveillance Na Ontslag (SNO) in de aan het PREZIES-project deelnemende ziekenhuizen en in het buitenland te komen tot een aanbeveling voor een gestandaardiseerde methode van SNO. Methodes waren telefonische interviews over de uitvoering van SNO in de deelnemende ziekenhuizen en literatuurstudie naar methoden van SNO in het buitenland. Twintig ziekenhuizen namen deel aan de inventarisatie (respons 95%), waarbij de validiteit, efficientie en haalbaarheid van de methode werden beoordeeld. De preferente methode van SNO lijkt een actief surveillancesysteem in de poliklinische setting waarbij de controlerend specialist schriftelijk vastlegt of de patient wel of geen POWI heeft. Een goed alternatief is onderzoek van de dossiers van polikliniekpatienten. Poliklinische controle rond 30 dagen na de operatie heeft de voorkeur. POWI die ontstaan binnen 30 dagen na de operatie worden gerelateerd aan de operatie, behalve bij operaties met implantaten. Dan is die periode een jaar.<br>
    • PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Deelcomponent postoperatieve wondinfecties II, 1997-1998

      Geubbels ELPE; Dieten HEM van; Mintjes-de Groot AJ; Boer AS de; Kalmeijer D; Berg JMJ van den; CIE (CBO, 1999-03-01)
      De resultaten van de eerste twee surveillance-jaren voor postoperatieve wondinfecties in het PREZIES-project worden beschreven. Infectiepercentages worden gegeven voor 52 afzonderlijke ingrepen. Het effect van surveillance na ontslag wordt beschreven en voor 10 ingrepen worden de infectiepercentages gepresenteerd onderverdeeld naar wel/geen surveillance na ontslag. Multivariate analyse van het relatief belang van risicofactoren voor wondinfectie en surveillance na ontslag wordt beschreven voor reconstructies van de aorta, femoro-poplitale/-tibiale bypasses, appendectomien, mamma-amputaties, keizersnedes, totale heup operaties, vervangingen van totale heupen, knieprotheses, operaties aan femurfractuur en vervangingen van de femurkop. Verder wordt het optreden van wondinfectie beschreven in relatie tot gesoleerde micro-organismen
    • PREZIES: PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Surveillance. Component Lage luchtweginfecties bij beademing, pilot 2003

      van der Kooi TII; van den Hof S; Wille JC; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCBO, 2005-01-27)
      De surveillance van beademing-gerelateerde pneumonieen volgens het protocol van het samenwerkingsverband PREventie van ZIEkenhuisinfecties door Preventie (PREZIES) is met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen. Dit is de conclusie van de drie maanden durende pilotstudie voor de surveillance van 'Beademing-gerelateerde lage luchtweginfecties', waaraan drie ziekenhuizen meededen. Het doel van deze pilotstudie was te achterhalen in hoeverre de gehanteerde criteria en definities helder en bruikbaar waren en of de dataverzameling wat betreft tijdsinvestering haalbaar was. Het protocol is geevalueerd door respectievelijk telefonische interviews met de betrokken ziekenhuishygienisten, een validatiebezoek, data-analyse, een bijeenkomst met deelnemers waar de resultaten werden besproken en de beoordeling van het gewijzigde protocol door experts. De surveillance volgens het protocol verliep goed volgens de ziekenhuishygienisten. De criteria voor bronchitis werden echter niet specifiek gevonden en tevens vond men bronchitis klinisch minder van belang. Bronchitis is daarom niet als uitkomst in het definitieve protocol opgenomen. Non-invasieve beademing en sterfte kunnen volgens dit protocol optioneel geregistreerd worden. Verder werd het protocol op kleine punten aangepast. De instroom, 35 patienten in totaal, was lager dan verwacht. De incidentie bedroeg 5 /1000 beademingsdagen voor zowel pneumonie als bronchitis. Dit is lager dan de pneumonie-incidentie van 24 /1000 beademingsdagen die in een eerdere PREZIES-surveillance, uitgevoerd in 21 ziekenhuizen, gemeten werd. Om met enige betrouwbaarheid inzicht te kunnen krijgen in de incidentie van beademing-gerelateerde pneumonie is het advies dat er per ziekenhuis minstens 100 patienten in de surveillance worden opgenomen. Hiermee is de module 'Beademing-gerelateerde pneumonieen' met name geschikt voor 'grotere' ziekenhuizen.