• Achtergronden bij: Milieubalans 96

      Braat LC (eds); S-V (AVVCBSDWWECNHIMHIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZASC-DLO; SCP, 1996-10-01)
      Volgens de Wet Milieubeheer, waarin de Milieuplanbureaufunctie van het RIVM is geformaliseerd, wordt jaarlijks een Milieubalans opgesteld waarin de kwaliteit van het milieu wordt beschreven in relatie tot eerder gerealiseerd milieubeleid. In deze Milieubalans worden voor doelgroepen zoals landbouw, industrie, energievoorziening etc. de ontwikkelingen geanalyseerd in relatie tot veranderingen van emissieniveaus voor verschillende stoffen. De stand van zaken rond milieuthema's zoals klimaatverandering, verzuring, verspreiding etc. worden geanalyseerd en verder worden de effecten van de milieudruk op mens en ecosystemen aangegeven. Uit de resultaten blijkt dat voor de meeste stoffen ondanks de economische groei sprake is van een absolute daling in emissieniveau in de periode 1985-1995. Het beleid gericht op het treffen van technische maatregelen bij bedrijven was succesvol. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. De energie-intensiteit van de economie nam in 1995 toe. De energiebesparingen zijn voor een deel teniet gedaan door de ontwikkeling van het productievolume en de verschuiving naar meer energie-intensieve vormen van productie en consumptie. Door de groei van het energiegebruik is de CO2-emissie in 1995 toegenomen. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. Het huidige niveau van luchtverontreiniging in Nederland (stofdeeltjes en zomersmog) gaat gepaard met aantoonbare gezondheidseffecten. In steden nemen hinder en gezondheidseffecten toe, door een cumulatie van stressfactoren zoals geluid en stank, lokale luchtverontreiniging en het gebrek aan ruimte. Dit wetenschappelijk achtergronddocument waarin de conclusies uit de Milieubalans 96 nader uitgewerkt worden, is vooral bedoeld voor deskundigen en wetenschappelijk geinteresseerde lezers.
    • Achtergronden bij: Milieubalans 97

      S-V (AVVCBSDWWECNHIMHIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZASC-DLO; SCP, 1997-04-16)
      An Environmental Balance for the Netherlands is drawn up yearly in accordance with the Environmental Management Act to describe the quality of the environment related to the environmental policy realised.
    • Achtergronden bij: Milieubalans 95

      Kohsiek LHM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAVVCBSECNHIMHIKC-NLEI-DLORIKZRIZASC-DLOSCP, 1995-12-31)
      Volgens de wet Milieubeheer is de Milieubalans bedoeld om jaarlijks de actuele ontwikkeling van de milieukwaliteit te beschrijven in relatie tot het gevoerde milieubeleid en de ontwikkeling van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Met deze rapportage wordt een eventuele bijsturing van het milieubeleid in de richting van de geformuleerde doelstellingen mogelijk gemaakt. Als onderdeel van de Milieubalans brengt het RIVM deze achtergronddocumentatie uit. Hierin wordt de wetenschappelijke onderbouwing gegeven van de conclusies uit de Milieubalans 95.<br>
    • Agricultural practice and water quality in the Netherlands in the 1992-2002 period. Background information for the third EU Nitrate Directive Member States report

      Fraters B; Hotsma PH; Langenberg VT; van Leeuwen TC; Mol APA; Olsthoorn CSM; Schotten CGJ; Willems WJ; LDL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMEC-LNVRIKZLEIRIZACBS, 2004-06-28)
      Dit rapport levert de informatie die nodig is voor de derde landenrapportage die Nederland medio 2004 in het kader van de EU-Nitraatrichtlijn aan de Europese Commissie dient toe te zenden. Het rapport geeft een overzicht van de huidige landbouwpraktijk en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in Nederland, en laat tevens de ontwikkeling hiervan zien in met name de periode 1992-2002. Dit betreft een overzicht van de implementatie van de maatregelen uit de eerdere Actieprogramma's en gevolgen hiervan op de waterkwaliteitsontwikkeling tot nu toe. Verder geeft het een verwachting van de termijn waarop effecten van het derde Actieprogramma op de waterkwaliteit zichtbaar worden. Nederland is er in 1987 in geslaagd de stijgende tendens van nutrientenoverschotten in de landbouw om te buigen in een dalende tendens. Na de invoering van MINAS in 1998 vertoont het stikstofoverschot opnieuw een dalende tendens, na deze voor een periode van ongeveer zeven jaar stabiel waren geweest. In de rapportageperiode (1992-2002) is de waterkwaliteit verbeterd, zowel met betrekking tot de nitraatconcentraties als eutrofiering. Dit is het gevolg van de maatregelen die genomen zijn sinds 1987. Nitraatconcentraties in het diepe grondwater (> 30 m beneden maaiveld) nemen nog steeds toe als gevolg van de toename in het stikstofoverschot in de periode voor 1987. De verwachting is dat de waterkwaliteit zal in de volgende periode (2003-2006) verder zal verbeteren als gevolg van de maatregelen genomen in het tweede Actie Programma (1999-2003). Wat betreft de nitraatconcentraties in het diepe grondwater wordt verwacht dat de omkering van de stijgende tendens nog enig decennia kan duren.
    • Agricultural practice and water quality in the Netherlands in the 1992-2006 period

      Zwart MH; Hooijboer AEJ; Fraters B; Kotte M; Duin RNM; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterdienstLEICBSLNV-Dienst Regelingen, 2008-06-16)
      Als gevolg van de Europese Nitraatrichtlijn is het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw tussen 1992 en 2007 afgenomen met bijna 40 procent. Dit is een van de conclusies. Dit rapport geeft een overzicht van de ontwikkelingen in de waterkwaliteit ten opzichte van Nederlandse maatregelen in de landbouw om de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te verbeteren. Het nitraatgehalte in het grondwater onder landbouwpercelen is in de periode van 1992 tot 2007 sterk gedaald, vooral in de zandregio's. Daar daalde de gemiddelde concentratie van 140 mg/l naar 75 mg/l. Ook in de kleiregio's zijn de gehaltes gedaald en lagen ze in deze periode ruim onder de norm van 50 mg/l. In de veenregio's is altijd weinig nitraat in het grondwater aanwezig geweest. Sinds 1992 is de chlorofyl-a concentratie (een indicator voor mate waarin het water eutrofieert) in regionale oppervlaktewateren die door de landbouw worden beinvloed constant gedaald. De gemiddelde nitraatconcentratie in de winterperiode in het zoete oppervlaktewater vertoont een afname sinds 1998. Zowel nitraatgehaltes in, als de eutrofiering van het water neemt af. Het duurt echter enkele jaren voordat effecten van beleidsmaatregelen door boeren in de waterkwaliteit waarneembaar zijn. Verwacht wordt dat de effecten van de recente beleidsmaatregelen uit het huidige actieprogramma (2004-2009) pas over een aantal jaren te zien zullen zijn in de waterkwaliteit. Het is daarom te verwachten dat de waterkwaliteit pas in de periode 2010-2015 verder verbeterd.
    • Evaluatie duurzame gewasbescherming 2006: milieu

      van der Linden AMA; van Beelen P; van den Berg GA; de Boer M; van der Gaag DJ; Groenwold JG; Huijsmans JFM; Kalf DF; de Kool SAM; Kruijne R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraCBSCLMCMLKiwaPDPPOPRIRIZA, 2007-01-16)
      Het Nederlandse gewasbeschermingsbeleid heeft duurzame gewasbescherming tot doel. Om dit te bereiken zijn operationele doelen voor 2010 gesteld: 95% reductie in de milieubelasting van het oppervlaktewater en 95% vermindering van het aantal knelpunten in de drinkwatervoorziening, beide ten opzichte van 1998. Tussentijdse doelstellingen voor 2005 zijn respectievelijk 75% en 50%. De berekende vermindering van de milieubelasting van het oppervlaktewater als gevolg van drift is 86%. Verplichte driftreducerende maatregelen en, in mindere mate, het van de markt halen van een aantal stoffen leverden de belangrijkste bijdragen aan deze vermindering. Concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater lieten in het algemeen een dalende trend zien, maar nog steeds worden stoffen aangetroffen boven maximaal toelaatbare concentraties. Het aantal knelpunten in de drinkwatervoorziening daalde van 33 naar 27, waarmee de tussentijdse doelstelling niet werd gehaald. Hiervoor zijn gebruik buiten de landbouw en aanvoer vanuit het buitenland gedeeltelijk verantwoordelijk. Demonstratieprojecten geven aan dat een verdere vermindering van de milieubelasting mogelijk is. Daarvoor moeten gewasbeschermingsstrategieen en management op de bedrijven worden aangepast. Om dit te bereiken is een brede verspreiding van de opgedane kennis noodzakelijk.
    • Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-2010 : National Inventory Report 2012

      Coenen PWHG; van der Maas CWM; Zijlema PJ; Baas K; van den Berghe ACWM; te Biesebeek JD; Brandt AT; Geilenkirchen G; van der Hoek KW; te Molder R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNL AgencyCBSDutch Emission AuthorityPBLAlterra, 2012-04-28)
      In 2010 is de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2, methaan en lachgas met ongeveer 6 procent gestegen ten opzichte van de emissie in 2009. Deze stijging komt vooral door een hoger brandstofverbruik in de industrie en energiesector als gevolg van de destijds herstellende economie. Daarnaast is vanwege het winterweer gedurende de eerste en laatste maanden van 2010 meer brandstof gebruikt voor verwarming. De totale uitstoot van broeikasgas wordt uitgedrukt in CO2- equivalenten en bedroeg 210,1 Teragram (Megaton of miljard kilogram) in 2010. Dit is een afname van ongeveer 1,5 procent in vergelijking met de uitstoot van 213,3 Tg CO2-equivalenten in het Kyoto-basisjaar. Dit basisjaar, dat afhankelijk van het broeikas 1990 of 1995 is, dient als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen volgens het Kyoto Protocol uit 1997. De geleverde cijfers zijn exclusief de emissies die afkomstig zijn uit het soort landgebruik en de verandering daarin, zoals natuurontwikkeling of ontbossing (land use, land use change and forestry, LULUCF). De getallen inclusief deze bijdrage vertonen dezelfde trend. Nationale rapportageverplichting: Dit blijkt uit de jaarlijkse inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft opgesteld. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2012 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. Overige onderdelen inventarisatie: De inventarisatie bevat verder trendanalyses om ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2010 te verklaren, en een analyse van de onzekerheid in de emissiesgetallen. Daarnaast staat aangegeven welke (sleutel)bronnen het meest aan deze onzekerheid bijdragen. Ook biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van de onderdelen van het kwaliteitssysteem en de wijze waarop de Nederlandse Emissieregistratie de emissiecijfers heeft gevalideerd.
    • Indeling van diagnosen en verrichtingen en toepassing in nieuwe statistieken over ziekenhuisopnamen

      Slobbe LCJ; de Bruin A; Westert GP; Kardaun JWPF; Verweij GCG; Kardaun JWPF; Verweij GCG; VTV; PZO; CBS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCBS, 2004-10-27)
      Koppelen van opnamegegevens van ziekenhuizen aan de bevolkingsadministratie biedt nieuwe mogelijkheden voor wetenschappelijk onderzoek naar de epidemiologie van ziektes. Uit een proefbestand berekende incidenties blijken goed overeen te komen met literatuurwaarden, voor een brede groep aandoeningen. De koppeling maakt het ook mogelijk om op termijn het gebruik van ziekenhuiszorg uit te splitsen naar maatschappelijke doelgroepen. Deze studie is uitgevoerd in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek. Hoofddoel van de studie was de selectie van diagnoseindelingen, welke gebruikt zullen worden in nieuwe gezondheidsstatistieken. Tevens werd een methode ontwikkeld om gewenste uitkomstmaten voor ziekenhuiszorg te berekenen uit de beschikbare databestanden. Tenslotte zijn proefberekeningen uitgevoerd voor geselecteerde ziektes. De gebruikte data zijn afkomstig uit de 'Landelijke Medische Registratie'. Vrijwel alle Nederlandse ziekenhuizen leveren gegevens aan voor deze registratie. Drie diagnose-indelingen zijn geselecteerd voor rapportage, waarbij zowel op nationale als internationale bruikbaarheid is gelet. Het gaat om de volgende indelingen: (1) De diagnose- en verrichtingen indeling ontwikkeld in het Hospital Data Project. Deze is ontwikkeld door een brede projectgroep, met deelnemers uit 16 Europese landen, en met participatie van de Wereldgezondheidsorganisatie. (2) De lijst van belangrijke doodsoorzaken zoals gebruikt in de Nederlandse doodsoorzakenstatistiek. (3) De diagnose-indeling zoals gebruikt in het Nationaal Kompas Volksgezondheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.
    • Kosten van ziekten in Nederland 2005: zorg voor euro's-8

      Poos MJJC; Smit JM; Groen J; Kommer GJ; Slobbe LCJ; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCBS, 2008-07-15)
      De zorgkosten zijn tussen 2003 en 2005 jaarlijks met 3,9 procent gestegen. De stijging is minder groot dan tussen 1999 en 2003, toen de kosten met 9,7 procent per jaar toenamen. In 2005 werd in Nederland in totaal 68,5 miljard euro aan zorg en welzijn besteed, ofwel 13,5 procent van het bruto binnenlands product. Per inwoner is dit 4.200 euro. Van de kostenstijging is een kwart toe te schrijven aan prijsstijgingen en ongeveer een vijfde aan demografische groei, vooral door de gestegen levensverwachting. Ruim de helft is veroorzaakt door overige volumegroei, bijvoorbeeld doordat mensen een groter beroep op zorg doen, door intensievere zorg en door technologische vooruitgang. Opvallend is dat kosten tussen 2003 en 2005 voor mannen harder stijgen dan voor vrouwen, en uitgaven voor jongeren sterker groeien dan die voor ouderen. Boven de 75 jaar zijn de kosten per inwoner nauwelijks toegenomen, en voor een enkele leeftijdsgroep zelfs licht gedaald. De kostengroei in de ziekenhuiszorg is grotendeels toe te schrijven aan de groei van het aantal patienten. Dit komt mede doordat in ziekenhuizen de budgetplafonds zijn losgelaten, en niet zozeer door de invoering van de marktwerking. Van alle zorgkosten in 2005 is 14,2 miljard euro (21 procent) besteed aan psychische stoornissen en 5,5 miljard euro aan hart- en vaatziekten. Verstandelijke handicap (5,4 miljard euro) en dementie (3,2 miljard euro) zijn de duurste aandoeningen. De duurste sectoren zijn de ziekenhuiszorg (17,7 miljard euro) en de ouderenzorg (12,7 miljard euro).
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland, periode 1992-2010

      Baumann RA; Hooijboer AEJ; Vrijhoef A; Fraters B; Kotte M; Daatselaar CHG; Olsthoorn CSM; Bosma JN; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterdienstLEI Wageningen URCBSEconomische ZakenLandbouw en InnovatieDienst Regelingen, 2012-10-05)
      Het stikstofoverschot in de Nederlandse landbouw is tussen 1992 en 2010 met bijna 50 procent afgenomen. Dit is een gevolg van maatregelen die vanwege de Europese Nitraatrichtlijn in de Nederlandse landbouw zijn genomen, zoals minder mest gebruiken gedurende een kortere tijd van het jaar. Dit blijkt uit een inventarisatie van de ontwikkelingen in de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Waterdienst, LEI (onderdeel van Wageningen UR) en Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Nitraatconcentratie daalt Dankzij de uitvoering van de Europese Nitraatrichtlijn is ook de nitraatconcentratie in het water dat uitspoelt uit de 'wortelzone' van landbouwpercelen naar het grond- en oppervlaktewater sterk gedaald tussen 1992 en 2010. Vooral in de zandgebieden is dat het geval: in deze gebieden daalde de gemiddelde concentratie van 140 naar 60 milligram per liter. In de gebieden met kleigrond zijn de gemiddelde nitraatconcentraties in het uitspoelende water eveneens gedaald, naar 29 milligram per liter. In veengrond is altijd weinig nitraat in het uitspoelende water aanwezig (minder dan 10 milligram per liter). Dat komt doordat nitraat in veengronden snel afbreekt. Zoet oppervlaktewater In zoet oppervlaktewater schommelt de gemiddelde nitraatconcentratie sinds 2002 rond hetzelfde niveau (15 milligram per liter in 2008-2010). Desondanks is tussen 2004 en 2010 de chlorofyl-a-concentratie in de zomerperiode (een indicator voor eutrofiëring) in regionale zoete oppervlaktewateren die door de landbouw worden beïnvloed licht toegenomen. Waterkwaliteit blijft zich verbeteren Het is te verwachten dat de waterkwaliteit in Nederland in de komende jaren verder verbetert. Het duurt namelijk enkele jaren voordat de maatregelen uit het huidige actieprogramma (2010-2013), zoals aangescherpte gebruiksnormen voor mest, uitgedrukt in de hoeveelheid stikstof, zich vertalen naar een betere waterkwaliteit.
    • Lange-termijn bevolkingsscenario's voor Nederland

      Jong AH de; Hilderink HBM; LOK (CBS, 2004-02-13)
      Sinds een aantal decennia worden er voor Nederland door het CBS bevolkingsprognoses gemaakt. Deze prognoses geven de op dat moment, meest waarschijnlijke ontwikkeling weer. Er gaan echter veel onzekerheden gepaard met de manier waarop de toekomst van de Nederlandse bevolking zich gaat ontvouwen. Om deze onzekerheden in beeld te brengen, wordt er veelal gebruik gemaakt van scenario's. Aan de hand van een aantal dominante ontwikkelingsrichtingen, is in dit rapport beschreven hoe de omvang en structuur van de Nederlandse bevolking zullen veranderen volgens vier scenario's, te weten Global Economy, Strong Europe, Transatlantic Market, Regional Communities. Deze vier scenario's geven aan hoe, uitgaande van bepaalde economische en sociaal-culturele ontwikkelingen, de drie componenten van bevolkingsgroei (vruchtbaarheid, sterfte en migratie) zich de komende vijftig jaar zullen ontwikkelen. Hierbij wordt een relatie gelegd tussen de determinanten van de demografische componenten en de economische en sociaal-culturele ontwikkelingen. Voor vruchtbaarheid, uitgedrukt in het aantal kinderen per vrouw, zijn de belangrijkste determinanten: de opleidingsgraad van vrouwen, inkomen en kinderopvang. Voor sterfte, uitgedrukt in levensverwachting, zijn op de korte termijn vooral inkomen, leefstijl en toegang tot gezondheidszorg van belang, terwijl op langere termijn ook de verdere medisch technologische ontwikkelingen een belangrijk effect kunnen sorteren. Voor migratie, onderscheiden in immigratie en emigratiestromen, zijn zowel het migratiebeleid (met betrekking tot asielmigratie en gezinsmigratie) als de aantrekkelijkheid van de Nederlandse economie (arbeidsmarktontwikkelingen) belangrijke determinanten. De uitwerking van deze drie componenten (vruchtbaarheid, sterfte en migratie) voor de scenario's heeft geleid tot vier uiteenlopende demografische toekomstbeelden van Nederland. In het scenario met de hoogste bevolkingsgroei (Global Economy) stijgt de bevolking tot boven de 20 miljoen in 2050, met name als gevolg van hogere vruchtbaarheid en hoge migratie. Deze componenten zijn juist het laagst in het Regional Communities scenario hetgeen resulteert in een bevolking die piekt in 2030 en daarna afneemt tot ongeveer 15 miljoen in 2050. In alle scenario's is er sprake van een doorzettend proces van vergrijzing.
    • Milieubalans 2000. Het Nederlandse milieu verklaard

      MNV (AVVAlterraCBSCPBDWWECNHIMHKNMILEINLRRIKZRIZASCP, 2000-09-01)
      Abstract not available
    • Milieubalans 2001. Het Nederlandse milieu verklaard

      MNV (AVVAlterraCBSCPBDWWECNHIMHKNMILEINLRRIKZRIZASCP, 2001-09-01)
      Abstract not available
    • Milieubalans 2003. Het Nederlandse milieu verklaard

      Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM; MNP-NMD (AVVAlterraCBSCPBECNKNMILEINLRRIKZRIZARPBSCP, 2003-05-12)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. Tevens is dit de eerste Milieubalans die in mei wordt uitgebracht in plaats van in september rond Prinsjesdag. De reden hiervan is om aan te sluiten bij het jaarlijkse proces van beleidsverantwoording (VBTB) door de ministers aan de Tweede Kamer. De volgende hoofdstukken staan in deze milieubalans: Halen van doelen en inzet van middelen; Leefomgeving en verkeer; Landbouw en landelijk gebied; Klimaat; Nederland in de Europese Unie. De Milieubalans 2003 besteedt bijzondere aandacht aan het Nederlandse milieu(beleid) in Europese context. Meer dan 80% van het milieuen natuurbeleid in Nederland wordt door Brussel voorgeschreven. De uitvoering daarvan leidt soms tot conflicten met Nederlands beleid, zoals bij de Nitraatrichtlijn. Toch pakken gemeenschappelijke Europese milieuregels vaak gunstig uit. Nederland kan milieukosten besparen door goed en vroeg te kiezen welk beleid Nederland moet maken en welk de Europese Unie.
    • Milieubalans 2004. Het Nederlandse milieu verklaard

      Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM; MNP-NMD (AVVCBSCPBECNKNMINLRRIKZRIZARPBWUR, 2004-05-12)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau publiceert jaarlijks een Milieubalans. Dit boekt beschrijft de toestand van het milieu en de samenhang tussen de toestand van het milieu en het gevoerde beleid. De volgende hoofdstukken staan in deze Milieubalans: Milieu en maatschappij; Klimaatverandering; Verzuring en grootschalige luchtverontreiniging; Milieukwaliteit in het landelijk gebied; Kwaliteit van de leefomgeving; Externe integratie en decentralisatie van het milieubeleid (een tussenbalans). Als bijlage worden onder andere de emissies per thema per doelgroep gegeven. Het gevoerde milieubeleid is effectief gebleken; door technische maatregelen zijn de meeste emissies afgenomen ondanks economische groei. De meeste doelen worden in het huidige tempo echter niet gehaald. Om economische groei en vermindering van de milieudruk te blijven combineren, en tot herstel van collectieve waarden als stilte, natuur en landschap te komen, is een steeds grotere beleidsinspanning nodig. De Milieubalans 2004 besteedt bijzondere aandacht aan de spanning tussen de EU, het Rijk en het regionale milieubeleid. De implementatie van Europese richtlijnen in Nederland en de ingezette decentralisatie en integratie van het milieubeleid leidt tot spanningen, zowel in Nederland zelf als tussen Den Haag en Brussel. Er ligt op rijksniveau nog een uitdaging om een duidelijke strategie te formuleren over de interactie tussen het Rijk en de EU en over de invulling van de scharnierfunctie tussen de EU en de regio.
    • Milieubalans 96. Het Nederlandse milieu verklaard

      Braat LC (eds); S-V (AVVCBSDWWECNHIMHIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZASC-DLO; SCP, 1996-09-30)
      Volgens de Wet Milieubeheer, waarin de Milieuplanbureaufunctie van het RIVM is geformaliseerd, wordt jaarlijks een Milieubalans opgesteld waarin de kwaliteit van het milieu wordt beschreven in relatie tot eerder gerealiseerd milieubeleid. In deze Milieubalans worden voor doelgroepen zoals landbouw, industrie, energievoorziening etc. de ontwikkelingen geanalyseerd in relatie tot veranderingen van emissieniveaus voor verschillende stoffen. De stand van zaken rond milieuthema's zoals klimaatverandering, verzuring, verspreiding etc. worden geanalyseerd en verder worden de effecten van de milieudruk op mens en ecosystemen aangegeven. Uit de resultaten blijkt dat voor de meeste stoffen ondanks de economische groei sprake is van een absolute daling in emissieniveau in de periode 1985-1995. Het beleid gericht op het treffen van technische maatregelen bij bedrijven was succesvol. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. De energie-intensiteit van de economie nam in 1995 toe. De energiebesparingen zijn voor een deel teniet gedaan door de ontwikkeling van het productievolume en de verschuiving naar meer energie-intensieve vormen van productie en consumptie. Door de groei van het energiegebruik is de CO2-emissie in 1995 toegenomen. Ondanks de gerealiseerde emissiereducties worden de kwaliteitsnormen voor een groot aantal stoffen overschreden. Het huidige niveau van luchtverontreiniging in Nederland (stofdeeltjes en zomersmog ) gaat gepaard met aantoonbare gezondheidseffecten. In steden nemen hinder en gezondheidseffecten toe, door een cumulatie van stressfactoren zoals geluid en stank, lokale luchtverontreiniging en het gebrek aan ruimte.
    • National Environmental Outlook 2, 1990-2010

      Maas RJM; MNV; RIZA; DLO; CBS; RUL; RUG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRWS/RIZADGWLEI-DLOSC-DLOIBN-DLOIB-DLORIVO-DLOCBSDHVOliemans Punter &amp; PartnersRULRUG, 1992-12-31)
      Deze rapportage analyseert in hoeverre de maatregelen uit het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) en NMP-Plus toereikend zijn om de doelstellingen van die plannen voor 2000 en 2010 daadwerkelijk te halen. Bij deze analyse is rekening gehouden met de meest recente (natuur-) wetenschappelijke inzichten en toekomstverwachtingen op het gebied van bevolkingsgroei, economie, energiegebruik, verkeer en landbouw. NMP en NMP-Plus beogen een trendbreuk in ons milieugedrag. Zo moeten de meeste verontreinigingen in 2010 met 80-90% zijn gereduceerd. De verspilling van natuurlijke hulpbronnen moet vergaand worden verminderd. Uit de National Milieuverkenning 2 blijkt dat de tot medio 1991 aangekondigde maatregelen toereikend zouden zijn voor een emissievermindering van 50-60%. De vastgestelde maatregelen zijn niet voldoende om het gebruik van energie en grondstoffen te laten dalen. Om de gestelde milieudoelen in 2010 te kunnen bereiken zijn dus extra inspanningen nodig. Bij voortgaande materiele groei van productie en consumptie zullen voortdurend aanvullende maatregelen nodig zijn om te blijven binnen de randvoorwaarden die het milieu stelt. Deze maatregelen zullen steeds kostbaarder worden en kunnen, als binnen de beperkte tijd de technologische aanpassingsmogelijkheden uitgeput raken, nopen tot een fundamentele herziening van onze verwachtingen over de aard en omvang van de 'economische' groei.<br>
    • Nationale Milieuverkenning 2, 1990-2010

      Maas RJM; MNV; RIZA; DLO; CBS; RUL; RUG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRWS/RIZADGWLEI-DLOSC-DLOIBN-DLOIB-DLORIVO-DLOCBSDHVOliemans Punter &amp; PartnersRULRUG, 1991-12-31)
      Deze rapportage analyseert in hoeverre de maatregelen uit het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) en NMP-Plus toereikend zijn om de doelstellingen van die plannen voor 2000 en 2010 daadwerkelijk te halen. Bij deze analyse is rekening gehouden met de meest recente (natuur-) wetenschappelijke inzichten en toekomstverwachtingen op het gebied van bevolkingsgroei, economie, energiegebruik, verkeer en landbouw. NMP en NMP-Plus beogen een trendbreuk in ons milieugedrag. Zo moeten de meeste verontreinigingen in 2010 met 80-90% zijn gereduceerd. De verspilling van natuurlijke hulpbronnen moet vergaand worden verminderd. Uit de National Milieuverkenning 2 blijkt dat de tot medio 1991 aangekondigde maatregelen toereikend zouden zijn voor een emissievermindering van 50-60%. De vastgestelde maatregelen zijn niet voldoende om het gebruik van energie en grondstoffen te laten dalen. Om de gestelde milieudoelen in 2010 te kunnen bereiken zijn dus extra inspanningen nodig. Bij voortgaande materiele groei van productie en consumptie zullen voortdurend aanvullende maatregelen nodig zijn om te blijven binnen de randvoorwaarden die het milieu stelt. Deze maatregelen zullen steeds kostbaarder worden en kunnen, als binnen de beperkte tijd de technologische aanpassingsmogelijkheden uitgeput raken, nopen tot een fundamentele herziening van onze verwachtingen over de aard en omvang van de 'economische' groei.<br>
    • Nationale Milieuverkenning 4, 1997-2020

      Albers RAW (eds); MNV (AVVCBSCPBECNIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZARPDSC-DLOSCP, 1997-07-31)
      Dankzij het milieubeleid is in de afgelopen jaren een daling van de milieudruk bereikt. De thans voorgestelde en voorgenomen beleidsinspanningen zijn echter niet toereikend om de daling van de emissies in de decennia na 2000 vast te houden. De productie en consumpie nemen toe; de transport- en distributiefunctie en de intensieve landbouw blijven een substantiele rol spelen. Hierdoor zijn grote inspanningen nodig om de emissie van CO2 te verminderen en blijven de emissies NOx, NH3, fosfaat en stikstof hoger dan beoogd. Om bij de verwachte economische groei tot 2020 de beoogde emissiereducties te halen zijn technologische doorbraken noodzakelijk. De doelstellingen voor CO2 en NH3 zijn alleen bereikbaar met aanzienlijke inspanningen op het gebied van regelgeving, prijsmaatregelen en/of overheidsinvesteringen. Voor CO2 en NOx is internationale coordinatie essentieel. De belangrijkste zorgpunten voor de komende decennia vormen klimaatverandering, bescherming van de natuur, geluidhinder, luchtverontreiniging in steden en de kwaliteit van het drinkwater. Door vermesting, verdroging en bestrijdingsmiddelengebruik blijven in het landelijk gebied landbouw, natuur en grondwaterwinning met elkaar op gespannen voet staan. In het stedelijk gebied blijft het verkeer de gewenste kwaliteit van de woonomgeving aantasten, onder andere via emissies van schadelijke stoffen en geluidhinder. Een andere ruimtelijke ordening van activiteiten kan, in aanvulling op technische maatregelen, de milieukwaliteit lokaal verder verbeteren.
    • Nationale Milieuverkenning 5, 2000-2030

      MNV (AVVCBSCPBECNIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZARPDSC-DLOSCP, 2000-09-11)
      Abstract not available