• Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2012-2014) en trend (1992-2014) : Resultaten van de monitoring voor de Nitraatrichtlijn

      Fraters B; Hooijboer AEJ; Vrijhoef A; Claessens J; Kotte MC; Rijs GBJ; Denneman AIM; van Bruggen C; Daatselaar CHG; Begeman HAL; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijkswaterstaat Water Verkeer en LeefomgevingCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS)LEI Wageningen URRijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2016-07-06)
      Stikstof en fosfaat zijn essentiële stoffen in mest die landbouwbedrijven gebruiken om de productie te bevorderen. Teveel stikstof en fosfaat is echter schadelijk. Het verschil tussen de aan- en afvoer van stikstof naar en van landbouwbedrijven in Nederland, het zogeheten stikstofoverschot, is tussen 1992 en 2014 gehalveerd. Het fosfaatoverschot is nagenoeg verdwenen. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven zijn gedaald en de kwaliteit van het oppervlaktewater is verbeterd. Ten opzichte van de vorige monitoringronde (2008-2011) zijn de verbeteringen in de waterkwaliteit echter beperkt. De nutriëntenconcentraties zullen naar verwachting wel blijven dalen, maar de gewenste situatie zal in het grondwater niet overal worden bereikt. Ook zal de kwaliteit van het oppervlaktewater veelal onvoldoende blijven. Dit blijkt uit een inventarisatie van de gronden oppervlaktewaterkwaliteit en de landbouwpraktijk. Waterkwaliteit 2012-2014 De verbeteringen in de waterkwaliteit zijn een gevolg van maatregelen die in Nederland vanwege de Europese Nitraatrichtlijn zijn genomen. Een voorbeeld daarvan is het voorschrift om minder mest te gebruiken. De nitraatconcentraties in het water op landbouwbedrijven in de Klei- en Veenregio zijn van 2012 tot en met 2014 op de meeste plaatsen lager dan de norm (50 mg/l). In de Zandregio geldt dit voor iets meer dan de helft van de bedrijven en in de Lössregio voor minder dan de helft. De nitraatconcentraties in regionale oppervlaktewateren die vooral vanuit landbouwgebieden worden gevoed, zijn bijna altijd lager dan de norm. In de oppervlaktewateren die zijn aangewezen voor de Europese Kaderrichtlijn Water, wordt deze norm niet overschreden. Desondanks veroorzaken nitraat, andere stikstofverbindingen en fosfaat ongewenste milieueffecten in het merendeel van de oppervlaktewateren. De norm voor nitraat, die is ingevoerd om het drinkwater te beschermen, blijkt niet voldoende om deze effecten te voorkomen. De stikstof- en de fosforconcentraties in de zomer, die grote invloed hebben op de flora en fauna in het oppervlaktewater (ecologische waterkwaliteit), zijn sinds begin jaren negentig gedaald. Het RIVM heeft de inventarisatie uitgevoerd met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS/WVL), LEI Wageningen Universiteit en Research Centrum (WUR) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). De rapportage hiervan is een vierjaarlijkse Europese verplichting.
    • Milieucompendium 1999. Het milieu in cijfers

      MNV (Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-09-01)
      The first Environmental Data Compendium 1999 is published as a book and on the Internet. The Compendium gives a complete set of information with respect to the state of the Environment in the Netherlands. This Compendium is produced bij National Institute of Public health and the Environment (RIVM) and Statistics Netherlands (CBS).
    • Mineralen beter geregeld. Evaluatie van de werking van de Meststoffenwet 1998-2003

      MNP RIVM; LDL (AlterraWageningen URLandbouw Economisch InstituutWageningen UR (LEI)Plant Research InternationalWageningen URRijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA)Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)Wageningen Universiteit - BedrijfseconomieBureau HeffingenNederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)Nutrienten Management Instituut (NMI)Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), 2004-04-27)
      Binnen de huidige nationale en Europese context wijzen de resultaten van deze evaluatie uit dat het Nederlandse Mestbeleid in een beslissende fase is gekomen. De hoge concentraties van nitraat in grondwater zijn aanzienlijk gedaald, maar blijven in uitspoelingsgevoelige gronden boven de Europese doelstelling van 50 mg/l. De bodembelasting met stikstof zal daar nog met tientallen kg per hectare omlaag moeten voordat de doelen zijn gehaald. De landbouw heeft weliswaar de bodembelasting met fosfaat vanaf 1997 met 30% omlaag gebracht, maar de ophoping van fosfaat in de bodem gaat door. Hierdoor is de fosfaatbelasting van sloten en beken door de landbouw niet afgenomen. De MINAS-verliesnormen, de beleidsdoelen, zijn in hoge mate bereikt, evenwichtsbemesting echter nog niet. Het stelsel van Dierrechten was effectief omdat de grotere en vitale intensieve veehouderijbedrijven hun mestproductie hierdoor niet konden laten groeien. Het Europese Hof heeft zich in oktober 2003 tegen MINAS uitgesproken. Inmiddels heeft het kabinet besloten om MAO in 2005 en MINAS in 2006 af te schaffen. Nederland zal in 2008, wanneer het derde Actieprogramma voor implementatie van de Europese Nitraatrichtlijn afloopt, het nitraatprobleem moeten hebben opgelost. Doorrekening van een beleidsvariant met een gebruiksnorm van 105 kg/ha fosfaat op grasland en 85 kg/ha op bouwland, en gebruiksnormen voor stikstof van 170 kg/ha op bouwland en 250 kg/ha op grasland, laat zien dat in 2030 op ongeveer 20% van het landbouwareaal, niet wordt voldaan aan de 50 mg/l nitraatdoelstelling.Ook brengen deze varianten de fosfaatophoping niet tot stilstand en ontstaat een landelijk mestoverschot van 4-14 miljoen kg fosfaat.
    • Natuurgraadmeters voor de behoudoptiek

      Brink BJE ten; Strien A van; Hinsberg A van; Reijnen MJSM; Wiertz J; Alkemade JRM; Dobben HF van; Higler LWG; Koolstra BJH; Ligtvoet W; et al. (AlterraCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS)Bureau ESMBureau DHV, 2001-01-18)
      In het rapport zijn vier complementaire graadmeters uitgewerkt waarmee het nationale beleid gericht op natuurbehoud kan worden ondersteund in producten van het Natuur- en Milieuplanbureau: De Natuurwaarde geeft een beeld van hoe de natuur er als geheel voorstaat in natuurlijk, agrarisch en stedelijk gebied, het "ecologisch kapitaal". De Soortgroep Trend Index en de Rode Lijst Indicator geven aanvullende informatie op het niveau van soorten. Zij geven een beeld van respectievelijk de trend van soortgroepen sinds 1950 en van de mate waarin soorten in Nederland dreigen uit te sterven. De EHS-doelrealisatie graadmeter geeft een beeld van de realisatie van de doelen voor de Ecologische Hoofdstructuur. Deze graadmeters zijn relevant voor zowel de signalerings-, evaluatie- als verkenningsfunctie van het Natuur- en Milieuplanbureau. De graadmeters zijn bepaald op grond van de natuur- en milieubeleidwensen. Daarnaast is met operationele eisen rekening gehouden. Voor de rijks- en regionale watersystemen zullen bovengenoemde graadmeters nader vorm worden gegeven met het RIZA en het RIKZ, in aansluiting op de Europese Kaderrichtlijn Water.
    • Risicofactoren En GezondheidsEvaluatie Nederlandse Bevolking, een Onderzoek Op GGD'en (Regenboog-project); jaarverslag 1999

      Viet AL; van Gils HWV; van den Hof S; Elvers LH; Seidell JC; van den Berg J; van Veldhuizen H; CZE; CIE; LIS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS)GGD Nederland, 2001-09-21)
      Het Regenboog-project is een samenwerkingsverband tussen het RIVM, CBS en GGD Nederland en GGD'en. Het doel van het Regenboogproject is een beeld te krijgen van de gezondheidssituatie van de Nederlandse bevolking op het gebied van chronische en infectieziekten. Een aselecte steekproef wordt getrokken door het CBS. Bij deze personen wordt thuis de gezondheidsenquete afgenomen. Vervolgens wordt gevraagd om deel te nemen aan een aanvullend lichamelijk onderzoek op de GGD. Hierop reageert 60,9% positief. Het onderzoek op de GGD bestaat uit het invullen van een vragenlijst over infectieziekten, meting van bloeddruk, lengte, gewicht en middel-heupomtrek. Tot slot wordt er een gewrichtsfunctietest en 4 buisjes bloed afgenomen. Van de geinterviewde personen komt uiteindelijk 30,0 % op de GGD voor het lichamelijk onderzoek. De prevalentie van hypertensie is voor mannen 19% en vrouwen 16%. De prevalentie van overgewicht neemt toe met de leeftijd. De schatting van overgewicht blijkt sterk te verschillen tussen gerapporteerde en gemeten lengte en gewicht. Met name bij vrouwen is dit verschil duidelijk aanwezig. De onderzochte groep blijkt een bruikbare afspiegeling van de Nederlandse bevolking.<br>