• Actualisering energie- en CO2-ramingen voor het jaar 2000

      Honig E; Albers RAW; Koopmans C; Groot W; Hilten O van; Beeldman M; LAE; MTV; CPB; ECN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Centraal Planbureau (CPB)Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), 1995-10-31)
      Dit rapport bevat geactualiseerde ramingen van de Nederlandse CO2-emissie en het energiegebruik in het jaar 2000, opgesteld door RIVM, CPB en ECN op verzoek van de ministeries van VROM en EZ. De ramingen zijn gebaseerd op twee (partieel) verlengde economische scenario's van het CPB. Het 'Behoedzame' scenario kent voor de periode 1990-2000 een gemiddelde BBP-groei van 1,8% ; in het 'Gunstige' scenario is dat 2,3%. Deze cijfers liggen dicht bij het groeicijfer dat enkele jaren geleden werd verondersteld in het NMP2 en de Vervolgnota Energiebesparing (1,9%). De economische groei verschilt per energiegebruikssector ; per saldo wordt het energiegebruik echter niet of nauwelijks beinvloed door de veranderingen in de sectorstructuur. Ook dit komt overeen met de scenario's die aan het NMP2 en de Vervolgnota Energiebesparing ten grondslag liggen. In het Behoedzame scenario daalt de reele olieprijs tussen 1996 en 2000 met ruim twee dollar per vat ; in het Gunstige scenario stijgt de olieprijs in die periode met ruim drie dollar per vat. Deze 'prijspaden' liggen lager dan in de eerdere scenario's. De energiebesparing in de periode 1990-2000 wordt geraamd op gemiddeld 1,2 (Behoedzaam) a 1,3% (Gunstig) per jaar. Deze uitkomsten op basis van actuele inzichten liggen onder het beleidsdoel van de Vervolgnota Energiebesparing en het NMP2: 1,7%. In de brief van de minister van Economische Zaken over het energiebesparingsbeleid aan de Tweede Kamer (de 'reparatiebrief') is aangegeven dat het thans vastgestelde beleid voldoende zou moeten zijn om een besparing van 1,6% per jaar te realiseren. De besparingen waren in de periode 1990-1994 1,1% per jaar. Sectoren met relatief lage besparingen in de periode 1990-2000 zijn de petro- en kunstmestchemie, de basismetaal, de bouwnijverheid en de transportsector. Relatief hoge besparingen van ruim 2% per jaar worden gerealiseerd in de overige chemie en de energiesector. Al deze besparingscijfers zijn berekend inclusief de efficiency-verbetering door de opkomst van decentrale warmte-kracht-koppeling. Groei en besparingen resulteren in een gemiddelde groei van het binnenlands energiegebruik met 0,7 (Behoedzaam) a 0,9% (Gunstig) per jaar. Bij het bepalen van deze ramingen hebben de drie instituten inschattingen gemaakt van de effectiviteit van beleidsmaatregelen. Bijvoorbeeld van de meerjarenafspraken over energiebesparing met landbouw en industrie wordt in Behoedzaam verwacht dat zij niet steeds volledig effectief zullen zijn. Bij de chemie zal naar verwachting ongeveer 90% van de afgesproken energiebesparing worden gerealiseerd ; bij de basismetaal 0 tot 50% ; bij de landbouw ongeveer 60%. Bij de overige industrie ligt dit percentage tussen 75 en 100%. Bij het doorrekenen van het mobiliteitsbeleid is uitgegaan van een niet volledige uitvoering van de beleidsvoornemens. Dit is gedaan op basis van ervaringen tot dusverre, en van onderzoek over de te verwachten toekomstige mate van uitvoering van het overheidsbeleid. De relatief hoge besparingen in de energiesector worden voor een groot deel bereikt door de uitvoering van het warmteplan. De inzet van duurzame energiebronnen blijft, met name bij windenergie en warmtepompen, achter bij de doelstellingen. Dit leidt tot een groter gebruik van fossiele brandstoffen dan de beleidsdoelen aangeven. De verdeling van het energiegebruik over de verschillende fossiele brandstoffen komt ongeveer overeen met de eerdere verwachtingen. Op basis van het verbruik per brandstof kan worden berekend dat de totale potentiele Nederlandse CO2-emissie tussen 1990 en 2000 met 3,5% (Behoedzaam) a 6,3% (Gunstig) toeneemt. De groei ten opzichte van 1989/1990 bedraagt 4,6% (Behoedzaam) a 7,5% (Gunstig). Dit wijkt af van het beleidsdoel van het NMP2: een daling van de potentiele emissie met 3 a 5% ten opzichte van 1989/1990. Naast de potentiele emissie is ook de zogenaamde actuele emissie berekend ; deze is gebaseerd op internationaal overeengekomen definities. De actuele CO2-emissie groeit tussen 1990 en 2000 met 3,4% (Behoedzaam) a 6,2% (Gunstig). Ten opzichte van 1989/1990 groeit deze emissie met 4,3% (Behoedzaam) a 7,1% (Gunstig).
    • Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen: trends en dilemma's

      Berg Jeths A van den; Peters-Volleberg GWM; VTV; LGM (Centraal Planbureau (CPB)Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), 2002-04-17)
      Het themarapport maakt deel uit van de reeks Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2002 (VTV-2002) van het RIVM. Het gaat over twee complexe terreinen van onze gezondheidzorg: geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, en de rol die betrokken partijen hierbij spelen. De producenten bepalen in hoge mate de prijzen, ondanks maatregelen van overheid en verzekeraars. Geneesmiddelenproducenten geven veel geld uit aan promotie. Dit maakt artsen juist minder prijsgevoelig. Bij medische hulpmiddelen hebben artsen onvoldoende informatie om doelmatig te kunnen voorschrijven. Bij de patient bepalen naast de gezondheidstoestand ook de algemene houding en culturele achtergrond het gebruik van geneesmiddelen. Bij medische hulpmiddelen zijn behalve de medische noodzaak ook inspraak en gebruiksgemak van belang. Verwacht wordt dat zonder nieuwe beleidsmaatregelen de kosten van geneesmiddelen in de komende jaren met 11% zullen stijgen en van medische hulpmiddelen met 7%. Dit komt zowel door volume- als prijsstijgingen. De volumestijgingen zijn onder meer het gevolg van demografische, sociaal-culturele en medisch-technologische ontwikkelingen, een analyse is in het rapport opgenomen.
    • Reductie van broeikasgassen in 2020. Een verkenning naar mogelijkheden voor beleid en effecten op milieu en economie

      Harmelink MGM; Drissen E; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN)Centraal Planbureau (CPB), 1999-01-28)
      In de Vervolgnota Klimaatverandering is aangekondigd dat er een verkenning zal worden uitgevoerd naar de mogelijkheden om in Nederland een reductie van de broeikasgassen van 1% a 2% per jaar te realiseren in de periode 2000-2020. Deze studie, uitgevoerd door ECN, RIVM en CPB, verkent de mogelijkheden om de emissies van broeikasgassen met 2% per jaar te reduceren. Hierbij ligt de nadruk op het verkennen van de mogelijkheden voor het voeren van nationaal CO2-beleid. Hiervoor zijn twee beleidspakketten (sturing en markt) uitgewerkt. De pakketten zijn beoordeeld op hun effecten op milieu en economie tegen de achtergrond van het Global Competion scenario uit de Lange termijn verkenning van het CPB. De belangrijkste conclusies zijn dat 1) voor het bereiken van vergaande CO2-reducties opties als het importeren van biomassa en de opslag van CO2 nodig zijn, 2) de macroeconomische gevolgen van een forse intensivering van het klimaatbeleid beperkt zijn en 3) de beleidspakketten tegelijkertijd tot een daling van de emissies van NOx, SO2, PM10 en VOS leiden