• Evaluation of the presentativeness of the Dutch air quality monitoring stations : The National, Amsterdam, Noord-Holland, Rijnmond-area, Limburg and Noord-Brabant networks

      Nguyen PL; Stefess G; de Jonge D; Snijder A; Hermans PMJA; van Loon S; Hoogerbrugge R; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD AmsterdamDCMRProvince of LimburgProvince of Noord-Brabant, 2013-08-08)
      Nederlandse meetstations voor de luchtkwaliteit van diverse Meetnetten Luchtkwaliteit worden onderverdeeld in bepaalde categorieën: regionale, stadsachtergrond- en straatstation. Dit onderscheid is nodig om de meetresultaten te kunnen interpreteren en wordt gemaakt op basis van de omgeving van de stations. Deze 'classificatie' klopt bij de overgrote meerderheid van de meetstations, zo blijkt uit onderzoek van het RIVM. In sommige gevallen gaat de classificatie door lokale omstandigheden niet op voor alle gemeten stoffen. Als er bijvoorbeeld een boerderij in de buurt van een achtergrondstation is komen te staan, kunnen de meeste stoffen overeenkomen met de achtergrondwaarden maar kan de ammoniakconcentratie hoog zijn. Deze informatie is nodig bij het vergelijken van luchtkwaliteitsmodellen met de meetresultaten. In het onderzoek is ook vastgesteld welke stations van andere meetnetten dan het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) voor landelijke doeleinden zijn te gebruiken, zoals voor de grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN). Vooral bij stikstofdioxide (NO2) was het verschil tussen de stationstypen duidelijk terug te zien in de gemeten waarden. Tegelijkertijd gaven gelijksoortige stations door heel Nederland vergelijkbare concentraties stikstof aan. Bij PM10 (fijn stof) was het onderscheid tussen de achtergrond- en verkeerstations minder duidelijk. De invloed van verkeer op de hoeveelheid fijn stof is minder groot. Bij sommige stations was wel de invloed van industriebronnen duidelijk terug te zien in de gemeten PM10-waarden. Voor dit onderzoek zijn data gebruikt van alle LML-stations, die in beheer zijn van het RIVM. Daarnaast zijn gegevens gebruikt die de meetnetten van de GGD Amsterdam, de Milieudienst Rijnmond (DCMR), de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg beschikbaar hebben gesteld. De omgeving van de stations is beoordeeld op basis van foto's en landkaarten van deze locaties
    • Meetstrategie roet

      Beijk R; Hoogerbrugge R; Stefess G; Wesseling J; de Jonge D; van den Elshout S; ILG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD AmsterdamDCMR, 2014-07-11)
      Roet is een belangrijke indicator voor de effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid. Roetconcentraties maken de schadelijke effecten van luchtverontreiniging duidelijker zichtbaar dan wanneer die effecten alleen op de totale hoeveelheid fijn stof worden gebaseerd. De instrumenten die nu worden gebruikt om zwarte rook te meten zijn verouderd en de resultaten zijn minder geschikt om de blootstelling mee te bepalen. Daarom heeft het RIVM - op verzoek van I&M - een meetstrategie opgesteld om de roetconcentraties in Nederland te monitoren. Het voorgestelde roetmeetnet bevat 26 meetpunten, verspreid over het land. Het meetnet maakt gebruik van 13 bestaande meetpunten van respectievelijk DCMR (7) en de GGD-Amsterdam (6). Daaraan worden 13 bestaande stations van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit gekoppeld. Om de data goed te kunnen vergelijken, wordt dezelfde meetapparatuur gebruikt. De roetuitstoot is vooral relevant in de directe omgeving van wegen met veel verkeer. Verkeer stoot namelijk relatief veel roet uit. Prognoses en scenario's over de uitstoot van roet laten een sterke afname door verkeer zien. Alleen met metingen is echter met vast te stellen of en in hoeverre deze reductie, en de bijbehorende gezondheidswinst, de komende 5 tot 10 jaar daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Het meetnet is zodanig opgezet dat de blootstellig van de bevolking aan roet nauwkeurig kan worden bepaald. De metingen worden gekoppeld aan rekenmodellen voor optimale koppeling van emissies en blootstelling. De meetstrategie is opgesteld in opdracht van het ministerie van IenM, in samenwerking met DCMR en GGD Amsterdam.
    • Op weg naar een protocol voor het waarderen van maatregelen in een kwantitatieve risicoanalyse

      Uijt de Haag PAM; Mahesh S; Heezen PAM; Wolting AG; Reinders JEA; Ham JM; Vijgen L; CEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNODCMR, 2009-03-27)
      De risico's van de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen voor de externe veiligheid worden in Nederland bepaald aan de hand van kwantitatieve risicoanalyses. De huidige rekenmethodiek voor deze risicoanalyse voorziet niet in een protocol om verschillende veiligheidsmaatregelen te kunnen waarderen. In dit rapport is een protocol ontwikkeld waarmee veiligheidsmaatregelen op een eenduidige, transparante en robuuste wijze kunnen worden gewaardeerd en vervolgens vertaald kunnen worden naar de kwantitatieve risicoanalyse. Het protocol is verder uitgewerkt aan de hand van een voorbeeldsysteem, namelijk de opslag van lpg onder druk in bollen. Daarbij is nagegaan in hoeverre de vereiste informatie momenteel beschikbaar en bruikbaar is voor toepassing van het protocol. De volgende relevante elementen zijn beschouwd: stand der techniek van technische voorzieningen, waardering van organisatorische voorzieningen (veiligheidsbeheerssysteem) en mogelijke faaloorzaken. Uit het onderzoek komt, voor zover betrokken op het voorbeeldsysteem, het volgende naar voren. Er is een duidelijk inzicht in de stand der techniek en die is de afgelopen decennia niet wezenlijk veranderd. De onderzochte opslagen in Nederland zijn conform de richtlijn Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 18 voorzien van technische veiligheidsvoorzieningen. De invloed van organisatorische voorzieningen kunnen vooralsnog niet op een eenduidige en transparante wijze worden beoordeeld. Hiervoor is aanvullend onderzoek nodig. Er kan vooralsnog geen betrouwbare inschatting worden gemaakt van de relatieve bijdragen van de verschillende faaloorzaken. Daarom is het momenteel niet mogelijk de invloed van een maatregel op een betrouwbare wijze te vertalen naar een reductie in de faalkans. Het Centrum Externe Veiligheid heeft dit onderzoek uitgevoerd in samenwerking met DCMR Milieudienst Rijnmond en de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek TNO. Er zijn verschillende aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek met als doel de toepasbaarheid van het protocol te verhogen.
    • Overzicht van onderzoek naar correctiefactoren voor automatische PM10 metingen in Nederland

      de Jonge D; van der Meulen A; van den Elshout S; van der Laan J; Kummu P; Visser J; Weijers E; van Loon J; Severijnen M; MEV-LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDCMRGGD AmsterdamProvincie Noord-BrabantProvincie Limburg, 2006-01-31)
      PM10 metingen zijn niet eenvoudig. De automatische meetapparatuur die wordt toegepast om de concentratie PM10 in de buitenlucht te bepalen, geeft een onderschatting ten opzichte van de gravimetrische referentiemethode volgens NEN EN 12341. Dit heeft te maken met de aanwezigheid van vluchtige componenten in fijn stof. Dit rapport bevat een overzicht van de onderzoeken naar de correctiefactoren voor automatische PM10 metingen door DCMR, GGD Amsterdam, Provincie Noord-Brabant, Provincie Limburg en het RIVM in de afgelopen jaren.Om de kwaliteit, en vergelijkbaarheid, van de verschillende factoren te verbeteren is het van belang de verschillende onderzoeken die op dit gebied binnen Nederland worden uitgevoerd verder te harmoniseren.
    • Trends in PM10 en NO2 concentraties in Nederland tot en met 2010 : Gezamenlijke trendanalyse van RIVM, DCMR, GGD Amsterdam

      Hoogerbrugge R; Nguyen PL; Wesseling JP; Snijder A; Stokkermans Y; van der Zee S; Visser J; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDCMRGGD Amsterdam, 2012-06-12)
      De concentraties fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) in de lucht in Nederland zijn tussen 1993 en 2010 gemiddeld gestaag gedaald. Dit blijkt uit de eerste gezamenlijke trendanalyse van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit en de meetnetten van de GGD Amsterdam en de DCMR Milieudienst Rijnmond. Hiervoor zijn de gemeten concentraties van de drie meetnetten gecombineerd en geanalyseerd gedurende drie perioden: van 1993 tot en met 2010, van 1999 tot en met 2010 en van 2004 tot en met 2010. Fijn stof: Voor PM10 daalt de concentratie sinds 1993 met gemiddeld 0,7 microgram per kubieke meter per jaar. In 2010 is op geen van de meetlocaties de grenswaarde voor het jaar- en daggemiddelde overschreden. Volgens deze trend is de verwachting dat in de toekomst op de meetlocaties wordt voldaan aan de Europese grenswaarden. Uitzonderingen zijn jaren waarin zich ongunstige weersomstandigheden voordoen voor de fijnstofconcentraties in de lucht. Dat er geen gemeten overschrijdingen zijn, betekent echter niet automatisch dat lokaal overal in Nederland aan de grenswaarden zal worden voldaan. Met behulp van berekeningen, zoals die worden uitgevoerd in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), wordt op veel meer locaties dan het beperkte aantal meetlocaties een toetsing aan de grenswaarde uitgevoerd. Stikstofdioxide: Ook voor de concentratie stikstofdioxide is in de gehele onderzochte periode een gestage daling zichtbaar. Stikstofdioxide is een deel van de concentratie stikstofoxiden (NOX), die bestaat uit de som van NO en NO2. Deze concentratie stikstofdioxide (NO2) is minder afgenomen dan de gemeten concentratie stikstofoxiden (NOX). Waarschijnlijk komt dit doordat de fractie NO2 in de uitstoot van het wegverkeer is toegenomen. Als de trend in de gemeten concentraties met dezelfde snelheid doorgaat, is niet zeker of in 2015 op alle plaatsen aan de grenswaarde voor stikstofdioxide wordt voldaan. Daarvoor is een sterkere afname nodig dan tot nog toe is opgetreden.