• CO2-reduction in new housing estates: a workshop as a building block

      Hoorn TMM van; Slob AFL; Vermeulen WJV; Waals JFM van der; NOP (TNO-STBDelftUtrecht UniversityUtrecht, 2001-11-23)
      Abstract niet beschikbaar
    • Experiences with a dialogue process between policy makers and global modellers

      Daalen CE van; Thissen WAH; Berk MM; NOP (Delft Unversity of TechnologyFaculty of TechnologyPolicy and ManagementDelftThe Netherlands, 1998-12-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • PCDitch, een model voor eutrofiering en vegetatie-ontwikkeling in sloten

      Janse JH; Puijenbroek PJTM van; LWD; RIZA (Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA)Delft, 1997-09-30)
      Overmatige bemesting van landbouwpercelen belast poldersloten op een dusdanige wijze dat er een omslag kan optreden van helder water, met ondergedoken waterplanten, naar een volledige kroosbedekking, die aeroob leven verstoort en de biodiversiteit ernstig vermindert. PCDitch is een functioneel model van een sloot. Het beschrijft dynamisch de nutrientenhuishouding in water, sediment en vegetatie, en de competitie tussen verschillende vegetatiegroepen. PCDitch is gekalibreerd op de proefsloten van de Sinderhoeve, met gebruik van gegevens van de Landbouw-Universiteit Wageningen en het DLO-StaringCentrum. De waargenomen dominantie van ondergedoken planten bij lage, en kroos bij hoge belasting , werd door het model bevredigend gesimuleerd. Ook is het model toegepast op de sloten in Noord-Holland, gebruikmakend van veldgegevens van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier. Tenslotte wordt een methode gepresenteerd, die een relatie legt tussen de nutrientenbelasting en de dominante vegetatiegroep. Het model voorspelt het bestaan van een 'kritische belasting' of 'kritische concentratie' in het toevoerende water, waarboven kroosdominantie te verwachten is. De kritische belasting hangt af van grondsoort, verblijftijd en waterdiepte. De afgeleide dosis-effect-curven hebben in dit stadium een voorlopig karakter.
    • Reductie van blootstelling aan omgevingstabaksrook in de horeca door ventilatie en luchtreiniging

      Gids WF de; Opperhuizen A; TOX (TNO BouwDelft, 2004-06-11)
      Naar aanleiding van het beleid van de rijksoverheid om het tabaksgebruik te verminderen en de niet-roker te beschermen (bijvoorbeeld door het creeren van rookvrije werkplekken) is de vraag ontstaan in welke mate ventilatie en luchtzuivering kunnen bijdragen aan vermindering van de blootstelling aan omgevingstabaksrook in de horeca. In de horeca worden ventilatie technieken gebruikt die zijn gebaseerd op menging en verdunning (raam- en muurventilatoren bijvoorbeeld). Met optimale ventilatie (verdringing met de juiste volumestromen in plaats van mengventilatie en fysieke scheiding) en luchtreiniging is in principe een aanzienlijke reductie van de blootstelling aan omgevingstabaksrook te bewerkstelligen. De huidige praktijk in de horeca is daar erg ver van verwijderd. Met vigerende ventilatietechnieken in de horeca zijn reducties van de blootstelling tot maximaal enkele tientallen procenten te bereiken als optimaal gebruik gemaakt gaat worden van de ventilatie-eisen die in het Bouwbesluit zijn beschreven. Inadequaat gebruik van geavanceerd ventilatie- en luchtreinigingstechnieken vormt een serieuze bedreiging voor de optimaal te bereiken reductie van de blootstelling aan omgevingstabaksrook. Een veilig niveau van blootstelling aan omgevingstabaksrook is niet aan te geven op basis van beschikbare literatuur. Volledige reductie van het gezondheidsrisico door ventilatie zal dan ook niet mogelijk zijn. Aangezien precieze blootstelling-effect-relaties niet bekend zijn voor omgevingstabaksrook, is niet te kwantificeren in welke mate reductie van het gezondheidsrisico daadwerkelijk bereikt kan worden door reductie van de blootstelling.
    • Report on the seminar "Performing aquatic toxicity tests with poorly soluble substances"

      Hooftman R; Vaal MA; Herremans J; ECO (Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO)Delft, 1996-03-31)
      Dit rapport bevat de lezingen, conclusies en aanbevelingen van het seminar "Performing aquatic toxicity tests with poorly soluble substances", gehouden op 17 maart 1995 te Bilthoven. De grote internationale belangstelling voor het seminar gaf aan dat er dringend behoefte is aan richtlijnen en afstemming tussen regulerende instanties, industrie en contractlaboratoria bij de classificatie en risicobeoordeling van chemicalien die slecht in water oplosbaar zijn. De problemen doen zich met name voor bij de uitvoering van aquatische toxiciteitsexperimenten en bij de interpretatie van de resultaten van deze experimenten, omdat huidige richtlijnen niet blijken te voldoen voor deze stoffen. Doel van het seminar was het uitwisselen van informatie over de technische aspecten van de uitvoering van ecotoxicologische testen met slecht in water oplosbare stoffen en over problemen die zich voordoen bij de interpretatie van zulke gegevens ten behoeve van het beleid. De presentaties door vertegenwoordigers van overheid, contractlaboratoria en universiteiten, betroffen: toepassing van fysisch-chemische en ecotoxicologische testen voor de risico-beoordeling van slecht oplosbare stoffen ; het gebruik van aquatische toxiciteitsgegevens ten behoeve van de classificatie en risicobeoordeling ; de oplosbaarheid van 'moeilijke' stoffen ; de biologische beschikbaarheid van slecht oplosbare stoffen in aquatische toxiciteitsexperimenten ; praktische aspecten bij het vaststellen van de ecotoxiciteit van slecht oplosbare stoffen. Testen uitgevoerd met testconcentraties boven de wateroplosbaarheid of met een grote hoeveelheid oplosmiddel leveren resultaten die, gezien de biologische beschikbaarheid en het oplossingsproces, de werkelijke toxiciteit waarschijnlijk onderschatten. Voor risico-beoordelingsprocedures zijn testen met effecten boven de wateroplosbaarheidsgrens niet bruikbaar en kan om aanvullende testen worden gevraagd. Voor classificatie-doeleinden zou het afkeuren van zulke testen echter leiden tot de ongewenste situatie dat de stof niet wordt geclassificeerd. Voorgesteld wordt om in deze situaties de effecten van de stof te classificeren op het niveau van de oplosbaarheidsgrens van de stof. Geconcludeerd werd dat, gezien de grote hoeveelheid slecht oplosbare stoffen die voor regelgeving wordt aangemeld, aanvullende richtlijnen voor het uitvoeren van toxiciteitstesten (zoals de bereiding en analyse van testconcentraties) en voor de interpretatie van de testresultaten (zoals effectniveau's boven de oplosbaarheidsgrens) gewenst zijn.
    • Ultraviolet Dose Maps of Europe ; A Remote Sensing/GIS Application for Public Health and Environmental Studies

      Bordewijk JA; de Woerd HJ; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMBeleids Commissie voor Remote Sensing (BCRS)Delft, 1996-12-31)
      In een proefproject werden remote sensinggegevens van de atmosfeer gebruikt ten behoeve van een studie naar de effecten van veranderingen in de hoeveelheid ultraviolette straling (UV) aan het aardoppervlak en de daaruit resulterende extra risico's voor mens en milieu. Het gepresenteerde model berekent de maandgemiddelde hoeveelheid UV als functie van de ozonkolomdikte, bewolkingsgraad en hoogte boven zeeniveau met hoge ruimtelijke resolutie. De kennis over de verandering in de hoeveelheid UV vormt de basis voor een studie naar veranderingen in risico's van UV blootstelling.<br>