• Analysis of the impact of the Kyoto Protocol on the export revenues of OPEC member states and on the oil import requirements of non-Annex I countries

      Linden NH van der; Linde C van der; Lako P; Rooijen SNM van; NOP (Netherlands Energy Research Foundation (ECN)PettenNetherlands Institute of International Relations ClingendaelDen Haag, 2000-08-14)
      Abstract niet beschikbaar
    • Climate Options for the Long-term (COOL) - Nationale Dialoog

      Hisschemoller M; Kerkhof M van de; Annema JA; Folkert R; Kok M; Spakman J; Faaij A; Treffers DJ; Jager D de; Jeeninga J; et al. (Free University of AmsterdamInstitute for Environmental StudiesUniversity of UtrechtEcofysUtrechtECNPettenSpanjersberg & PEDen Haag, 2002-12-23)
      Abstract niet beschikbaar
    • Economie, energie en milieu. Een verkenning tot 2010

      MNV (Centraal Planbureau CPBDen Haag, 2002-03-27)
      Abstract not available
    • Gevoeligheidsanalyse berekening ammoniakemissie. Effect van variatie in penetratiegraden en emissiefactoren op de ammoniakemissie

      Leneman H; Oudendag DA; Hoek KW van der; Janssen PHM; LAE; LEI-DLO; Den Haag (LEI-DLODen Haag, 1997-12-31)
      Bij de berekening van de ammoniakemissie uit de landbouw spelen emissiefactoren en penetratiegraden van staltypen, mestaanwendingsmethoden, enz. een belangrijke rol. In deze studie is nagegaan wat het kwantitatieve effect is van onzekerheden rond emissiefactoren en penetratiegraden op de totale ammoniakemissie. Deze effecten zijn bestudeerd voor zowel Nederland als geheel, alswel voor Friesland (met veel melkveehouderij) en Noord-Brabant (met relatief veel intensieve veehouderij). De uitkomsten laten zien dat op nationaal niveau de emissiefactor voor mestaanwending op bouwland en grasland de belangrijkste bepalende factor is. Daaropvolgend in belangrijkheid is de emissiefactor voor melkveestallen, zowel nationaal als op provinciaal niveau.
    • Jaarrapportage surveillance respiratoire infectieziekten 2010 : Projectgroep respiratoire infecties

      Brandsema PS; Dijkstra F; van Gageldonk-Lafeber AB; Snijders BEP; Meijer A; van der Hoek W; EPI ; EMI ; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVELBronopsporings eenheid Legionella pneunomie (CIb/BEL)Streeklaboratorium HaarlemErasmus MCafdeling virologieRotterdamKNCV TuberculosefondsDen Haag, 2011-10-18)
      Luchtweginfecties zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijke ziektelast onder de algemene bevolking en thuis opgelopen longontsteking is een belangrijke oorzaak van ziekenhuisopname en sterfte. Dit surveillancerapport beschrijft de ontwikkelingen in luchtweginfecties in 2010 en het influenzaseizoen van 2010/2011. Het jaar 2010 verliep voor wat betreft luchtweginfecties een stuk rustiger dan het jaar 2009, toen de influenza pandemie ('Mexicaanse griep') en de piek van de uitzonderlijk grote Q-koorts epidemie samenvielen. De pandemie is officieel voorbij en het eerste griepseizoen (2010/2011) na de pandemie verliep mild. Q-koorts lijkt ook op zijn retour met een veel lager aantal meldingen van acute Q-koorts in 2010 dan in 2009. Wel wordt de komende jaren een toename verwacht van chronische Q-koorts, een relatief zeldzaam maar ernstig ziektebeeld. In 2010 was er een aanzienlijke toename in het aantal meldingen van legionellose in vergelijking met 2009 en 2008. De oorzaken van deze toename zijn nog niet bekend en worden door het CIb nader onderzocht. De stijging van het aantal nieuwe tuberculose patiënten in 2009 was een trendbreuk met de jaren ervoor, toen het aantal nieuwe patiënten juist steeds verder afnam. Echter, de stijging heeft zich in 2010 niet voortgezet.
    • Meetprogramma 'kwaliteit bovenste grondwater landbouwbedrijven'; resultaten tweede bemonstering 1993

      van Swinderen EC; Fraters B; Vissenberg HA; de Haan T; de Hoop DW; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMhet Landbouw Economisch Instituut van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (LEI-DLO)Den Haag, 1996-09-30)
      In maart 1992 is een driejarig meetprogramma gestart voor de kwaliteitsmeting van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven in het zandgebied. Naast het bepalen van de huidige toestand is dit programma ook bedoeld om relaties te vinden tussen de grondwaterkwaliteit en het bodemgebruik (waaronder het gebruik van meststoffen). Het meetprogramma is een proefproject dat moet leiden tot de inrichting van een meetnet voor de kwaliteitsmonitoring van het bovenste grondwater onder landbouwbedrijven. De opzet van het meetprogramma is primair gericht op uitspraken kunnen doen over de kwaliteit van het bovenste grondwater op bedrijfsniveau. Het project wordt uitgevoerd door het RIVM in samenwerking met het LEI-DLO in opdracht van de ministeries van VROM en LNV. Dit tweede rapport doet verslag van de resultaten van het onderzoek in 1993 op circa 100 landbouwbedrijven in het zandgebied. Het betreft 4 categorieen veehouderijbedrijven en de akkerbouwbedrijven in de veenkolonien. De resultaten uit 1993 worden vergeleken met de resultaten van 1992. Met de bemonsterde bedrijven wordt een representatief beeld gegeven van de kwaliteit van het bovenste grondwater in ongeveer 62% van het areaal cultuurgrond in de zandgebieden van Nederland.<br>
    • Milieukwaliteit en nutrientenbelasting : Achtergrondrapport milieukwaliteit van de Evaluatie Meststoffenwet 2007

      Klijne A de; Hooijboer AEJ; Bakker DJ; Schoumans OF; Ham A van den; LVM (RIZALelystadAlterraWageningenLandbouw Economisch InstituutDen Haag, 2007-10-29)
      Door het mestbeleid zijn de stikstof- en fosfaatoverschotten op landbouwbedrijven in Nederland tot 2001 afgenomen. Vanaf 2001 stabiliseren de overschotten. De kwaliteit van de bodem is gelijk gebleven of verslechterd. De kwaliteit van het grondwater is tot 2002 verbeterd, daarna globaal gelijk gebleven. De kwaliteit van oppervlaktewater is verbeterd, al is het voor de periode na 2001 niet duidelijk wat hiervan de reden is. Doordat meer meststoffen (stikstof en fosfaat) worden toegediend dan voor gewasgroei nodig is, ontstaan overschotten. Hierdoor wordt het milieu belast. Het RIVM heeft de invloed van deze overschotten op de kwaliteit van bodem, grond- en oppervlaktewater nabij landbouwbedrijven onderzocht. In het mestbeleid is tot op heden sprake van een fosfaatoverschot op de bodem. Hierdoor is de fosfaatverzadingsgraad van landbouwgronden de afgelopen jaren verder toegenomen. Inmiddels is meer dan 56 procent van de landbouwgronden verzadigd met fosfaat. De Europese norm voor nitraat in het grondwater op landbouwbedrijven wordt nog niet overal gehaald. In klei- en veengebieden is de gemiddelde nitraatconcentratie lager dan de Europese norm. In zand- en lossgebieden wordt deze norm gemiddeld nog overschreden. De concentraties stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater blijven dalen, al neemt de daling ten opzichte van eerdere jaren wel af. Meer dan de helft van de locaties (57 procent) in regionale wateren voldoet aan de norm (Maximaal Toelaatbaar Risico) voor fosfaat. Circa 34 procent van de locaties voldoet aan deze norm voor stikstof.
    • Resultaten Meetprogramma Kwaliteit Bovenste Grondwater Landbouwbedrijven in het zandgebied (MKBGL-zand) 1992 - 1995

      Fraters B; Vissenberg HA; Boumans LJM; de Haan T; de Hoop DW; LBG; LEI-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouw Economisch Instituut (LEI-DLO)Den Haag, 1997-12-31)
      Het rapport bevat de meetresultaten van het vierjarig meetprogramma gestart in 1992 met als doel de kwaliteit van het bovenste grondwater op landbouwbedrijven in het zandgebied in beeld te brengen. Aanvullend is een multiple- regressie uitgevoerd, waarbij gebruik gemaakt is van de gegevens uit het LEI-Bedrijven Informatienet. Dit om een relatie te vinden tussen bedrijfsvoering en grondwaterkwaliteit. Het programma is een samenwerkingsproject tussen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouweconomisch Instituut (LEI-DLO). De bovenste meter van het grondwater, voorkomend binnen 5 meter beneden maaiveld, is bemonsterd op 99 bedrijven en geanalyseerd op chloride, nitraat, ammonium , kalium, opgeloste organische stof en ortho- en totaal-fosfaat. De landbouwbedrijven - 80 veehouderijbedrijven en 19 akkerbouwbedrijven - zijn gelegen in de zandgebieden. De gemiddelde nutrientenbelasting van de bodem is gedurende de meetperiode niet gewijzigd. De grondwaterkwaliteit was als gevolg van de toegenomen neerslag in de periode 1992-1995 aan sterke wijzigingen onderhevig. De nitraat- en chlorideconcentratie halveerden, terwijl de fosfaatconcentratie verdubbelde. De kalium- en ammoniumconcentratie daalden slechts licht. De voor neerslageffecten gecorrigeerde gemiddelde nitraatconcentratie in het bovenste grondwatyer onder landbouwbedrijven in het zandgebied bedraagt 158 mg.l-1. Dit is meer dan driemaal zo hoog als de grenswaarde van 50 mg.l-1. Meer dan 95% van de bedrijven in het zandgebied heeft een bedrijfsgemiddelde (gecorrigeerde) nitraatconcentratie die hoger is dan de grenswaarde. Er is een relatie gevonden tussen de grondwaterkwaliteit op de veehouderijbedrijven (nitraat en kalium) en het nutrientenoverschot, het percentage van het areaal onder mais en de grondwatertrap. Voor akkerbouwbedrijven kon geen relatie worden afgeleid, omdat het aantal bedrijven te klein was.<br>