• De bodemkwaliteit in Nederland in 2006-2010 en de verandering ten opzichte van 1993-1997 : Resultaten van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit

      Wattel-Koekkoek EJW; van Vliet ME; Boumans LJM; Ferreira J; Spijker J; van Leeuwen TC; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouw Economisch Instituut LEI, 2013-01-15)
      Tussen 2006 en 2010 is de bodemkwaliteit van Nederland gemeten in de derde meetronde van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). Hierbij zijn 200 locaties bemonsterd: 10 combinaties van grondsoort en landgebruik (=categorie), en per categorie 20 locaties. Huidige bodemkwaliteit Conform de eerste doelstelling is de bodemkwaliteit van de tien categorieën geïnventariseerd en zijn die met elkaar vergeleken. De zandgronden onder bos hebben de laagste zuurgraad en hoogste aluminiumconcentratie van alle categorieën. De zandgronden onder landbouw hebben een hogere zuurgraad, waarschijnlijk door bekalking. Zoals verwacht bevatten kleigronden een groter aandeel van deeltjes die kleiner zijn dan twee micrometer, en hebben veengronden een hoger organisch stofgehalte dan zandgronden. Klei- en veengronden hebben significant hogere gehalten ijzer, mangaan en zware metalen dan zandgronden. Insecticiden als lindaan en dieldrin zijn vooral aangetroffen in gronden onder akkerbouw. Hoewel deze gewasbeschermingsmiddelen uit de handel zijn, kunnen er nog steeds resten van worden aangetroffen. Veranderingen in bodemkwaliteit tussen eerste en derde ronde Conform de tweede doelstelling zijn per categorie veranderingen tussen de eerste (1993-1997) en derde meetronde (2006-2010) in kaart gebracht. Daaruit blijkt onder andere dat vooral bij zandgronden onder bos de bodem -en grondwaterkwaliteit is veranderd. Deze gronden zijn significant minder zuur geworden. Ook zijn nitraat, sulfaat, chloride, aluminium, calcium, magnesium, natrium en strontium in grondwater afgenomen. Dit komt waarschijnlijk doordat de er minder verzurende en vermestende stoffen via de lucht worden afgezet, een positief gevolg van het emissiebeleid. Lange termijnanalyses tonen bij elke categorie meerdere significante stijgingen en dalingen van stoffen in de bodem. Veranderingen in bemonsteringslocaties en in de werkwijze kunnen deze trendanalyse echter hebben verstoord. Zo is tussen de meetronden 10 tot 20 procent van de locaties waarop de monsters worden genomen, gewijzigd. Daarnaast veranderden soms in de loop van de jaren de procedures in de laboratoria, vooral die voor zware metalen. Hierdoor was het niet mogelijk de oorspronkelijke strategie van het LMB, namelijk om op gezette tijden dezelfde locaties te monitoren volgens vaste monstername- en analyseprocedures, te realiseren. Het meetnet is minder gevoelig gebleken om veranderingen in bodemkwaliteit te signaleren dan bij de start was berekend. Aanbevelingen Het is raadzaam om de doelstellingen van het LMB te heroverwegen, ook omdat de zware metaalconcentraties dankzij beleidsmaatregelen inmiddels minder grote veranderingen vertonen dan bij de start van het LMB. Aanbevolen wordt om het meetnet hoofdzakelijk in te zetten om de huidige kwaliteit van de bodem te bepalen en daarbij het effect van landgebruik te onderzoeken aan de hand van bodembelastinggegevens van het Landbouw Economisch Instituut (LEI).
    • Gewasbescherming en de balans van milieu en economie : Berekeningen bij de 2e Nota Duurzame gewasbescherming

      Buurma J; Smit B; Leendertse P; Vlaar L; van der Linden T; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouw Economisch Instituut LEICentrum voor Landbouw en Milieu CLM, 2012-03-09)
    • Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie : Resultaten meetjaar 2008 in het derogatiemeetnet

      Zwart MH; Daatselaar CHG; Boumans LJM; Doornewaard GJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouw Economisch Instituut LEI, 2010-08-13)
      Dit rapport geeft een overzicht van de bemestingspraktijk in 2008 en de waterkwaliteit in 2008 en 2009 op graslandbedrijven in Nederland die meer dierlijke mest mogen gebruiken dan in Europese regelgeving is aangegeven (derogatie). De gegevens uit dit onderzoek kunnen worden gebruikt om de gevolgen voor de waterkwaliteit te bepalen. De waterkwaliteit gemeten in 2008 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2007, het tweede jaar dat de derogatie in de praktijk werd toegepast. De waterkwaliteit gemeten in 2009 geeft de gevolgen weer van de landbouwpraktijk in 2008. De Europese Nitraatrichtlijn verplicht lidstaten het gebruik van dierlijke mest te beperken tot een bepaald maximum. Een lidstaat kan de Europese Commissie vragen om onder voorwaarden van deze beperking af te wijken. Nederland heeft in december 2005 toestemming gekregen om van 2006 tot en met 2013 af te mogen wijken van de gestelde norm. Een van de voorwaarden is dat de Nederlandse overheid een monitoringnetwerk inricht en aan de Commissie jaarlijks rapporteert over de resultaten daarvan. Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Landbouw Economisch Instituut (LEI) hebben in 2006 voor Nederland een monitoringnetwerk opgezet. Dit zogenoemde derogatiemeetnet meet de gevolgen voor de landbouwpraktijk en de waterkwaliteit als landbouwbedrijven afwijken van de Europese gebruiksnorm voor dierlijke mest. Het meetnet omvat driehonderd graslandbedrijven. Het derogatiemeetnet is een onderdeel van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM). Van 284 graslandbedrijven is zowel de bedrijfsvoering als de waterkwaliteit gemonitord. Van iets minder dan driehonderd bedrijven is gerapporteerd doordat sommige achteraf geen derogatie toepasten of kregen en door bedrijfswisselingen in het meetnet.
    • Minas en Milieu. Balans en Verkenning

      Milieu- en Natuurplanbureau RIVM; LAE (AlterraCentraal Bureau voor de Statistiek CBSLandbouw Economisch Instituut LEIPlant Research InternationalPraktijkonderzoek Plant en OmgevingPraktijkonderzoek VeehouderijRijksinstituut voor Kust en Zee RIKZRijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling RIZA, 2002-05-30)
      Abstract not available
    • Natuurbalans 2001

      MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNatuurplanbureauAlterraResearch Instituut voor de Groene RuimteLandbouw Economisch Instituut LEI, 2001-11-01)
      The Environmental Balance describes trends in the state of the environment and the effectiveness of the policies pursued. It also evaluates the degree to which the stated goals of environmental policy have been achieved. In a number of cases the expected developments over the next four years are presented to allow a better assessment of trends.<br>