• Surveillance van HIV-infectie onder injecterende druggebruikers in Nederland: meting Eindhoven/Helmond/'s Hertogenbosch 1999

      Berns MPH; Snijders BM; Rozendaal CM; Hoek AFM; Laar MJW van de; CIE (GGD EindhovenGGD HelmondGGD 's HertogenboschNovadic, 2000-06-29)
      Tussen 3 maart en 15 april 1999 werden bij 132 IDs (Infecterende Druggebruikers) uit Eindhoven, Helmond en 's Hertogenbosch een speekselmonster en een vragenlijst naar risicogedrag afgenomen. De deelnemers werden geworven via de methadonverstrekking in de drie steden. Van de 130 IDs waren zes deelnemers HIV-positief (prevalentie 4,6%; 95% betrouwbaarheidsinterval 1,7 - 9,7). Van de 85 actuele spuiters had 17% in de laatste zes maanden een gebruikte spuit of naald van een ander geleend, vergelijkbaar met metingen in andere steden. Vierentwintig procent had een spuit of naald uitgeleend, relatief veel vergeleken met andere metingen. Spuitattributen (gebruikt watje, lepel, filter of spoelwater) werden door 47% gedeeld. 37% van de IDs had in de laatste zes maanden een vaste seksuele partner gehad. Bij 19% van deze IDs was dat geen druggebruiker, bij 17% een niet-injecterende druggebruiker. Met de vaste seksuele partner werd in 88% van de contacten niet altijd een condoom gebruikt. Met losse partners en met klanten werden vaker condooms gebruikt (niet altijd condooms gebruikt: 61%, resp. 17%). De prevalentie van HIV onder IDs in Eindhoven, Helmond en 's Hertogenbosch is 5%. Het lenen van gebruikte spuiten/naalden is vergelijkbaar met de metingen in de andere steden, het uitlenen is meer dan in andere steden.Het condoomgebruik in vaste seksuele contacten is laag en vergelijkbaar met dat in de metingen in de andere steden. Door de lage HIV-prevalentie wordt het risico op verspreiding van HIV naar niet-IDs of de rest van de algemene bevolking laag ingeschat.