• Bodemkwaliteitskartering van de Nederlandse landbouwgronden

      Lagas P; Groot MSM; Koops R; Willems WJ; Lijzen JPA; Gan JBS; van der Velde EG; Booy H; Alkemade JRM; Heusinkveld HAG; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)Bilthoven; Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek (BLGG)Oosterbeek, 1996-02-29)
      In dit rapport wordt nagegaan in hoeverre bodemkwaliteitsverschillen tussen de 13 landbouwgebieden volgens het Landbouw Economisch Instituut (LEI) optreden en waar streefwaarden worden overschreden. Hierbij is gebruik gemaakt van bodemmonsters die op routine basis worden genomen ten behoeve van bodemvruchtbaarheidsonderzoek. Verschillende combinaties van grondsoort (zand, rivierklei, zeeklei, leem en veen) en bodemgebruik (grasland, bouwland, mais, boomgaarden en bloembollenteelt) zijn onderzocht op zware metalen en organische verbindingen. De resultaten van de zware metaalanalyses laten ondermeer zien dat in het westelijk weidegebied over het algemeen hogere cadmium-, koper-, lood-, zink-, kwik- en arseengehalten zijn gemeten dan in andere regio's van Nederland, hetgeen ondermeer een gevolg is van regionale verschillen in atmosferische depositie. Toetsing van de resultaten aan de streefwaarden laat zien dat streefwaarden worden overschreden in diverse regio's voor cadmium, lood, zink, koper en kwik. De resultaten van de analyses van organische verbindingen laten zien dat de gehalten aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) het hoogst zijn in de fruitteelt in het Rivierkleigebied ; het gemiddelde fluorantheengehalte bedraagt daar bijvoorbeeld 48 keer de streefwaarde. Voor lindaan wordt in alle monsters de streefwaarde overschreden. In het zuidelijk zandgebied werd een lindaangehalte gemeten 147 x hoger dan de streefwaarde. De resultaten van de calciumchloride-extracties laten zien dat cadmium van de onderzochte zware metalen het meest beschikbaar/mobiel (ca. 10% in zandgrond) is in de bodem. Voor zink is in zandgrond 3-9% beschikbaar. De percentages liggen lager voor koper (0,5%), nikkel (ca. 1%) en arseen (0,3%). Lood en chroom zijn in de bodem praktisch niet beschikbaar (lood: max. 0,07% en chroom: max. 0,04%). Een vergelijking tussen resultaten van een soortgelijk onderzoek dat in 1986 is uitgevoerd, levert geen aanwijzingen op over significante veranderingen in koper-, lood- en zinkgehalten in grasland en bouwland tussen 1986 en 1992. Voor cadmium zijn de gehalten voor grasland op klei en zand, in 1992 significant lager (afname ca. 40%) in vergelijking met meetresultaten uit 1986. Dit verschil kan niet worden toegeschreven aan een afname van de belasting van landbouwgrond, maar is voornamelijk het gevolg van steekproefverschillen. Ter verkrijging van een landelijk c.q. regionaal beeld van stofgehalten in de bodem is een onderzoek als dit aan te bevelen. Voor het detecteren van trends is een onderzoekopzet als het onderhavige niet geschikt.<br>
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; van Eekeren N; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenLouis Bolk InstituutDriebergenBedrijfslaboratorium voor grond- en gewasanalyseOosterbeekSectie BodemkwalitieitWageningen Universiteit, 2006-02-24)
      Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.