• Description of the DEPAC module : Dry deposition modelling with DEPAC_GCN2010

      van Zanten MC; Sauter FJ; Wichink Kruit RJ; van Jaarsveld JA; van Pul WAJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBL, 2010-10-05)
      Droge depositie is het proces waarbij een stof uit de lucht op de bodem en vegetatie terecht komt. Metingen van het depositieproces zijn omslachtig en duur, daarom wordt de droge depositie met behulp van modellen berekend. Als gevolg van nieuwe inzichten in het droge depositieproces van ammoniak heeft het RIVM de modellering ervan verbeterd. Het rapport beschrijft gedetailleerd de aangepaste softwaremodule (DEPAC) waarmee het droge depositieproces van ammoniak wordt berekend. Droge depositie beïnvloedt de concentratie van de stof in de lucht en is een belangrijke bron van stoffen voor het ontvangende oppervlak. Zo is het van groot belang inzicht te krijgen in de hoeveelheid droge depositie van stikstof op natuurgebieden. Als teveel stikstof deponeert op natuurgebieden, neemt de soortenrijkdom af. Dat komt doordat stikstofminnende planten, zoals grassen en bramen, kwetsbare soorten verdringen. Droge depositie van ammoniak vormt de grootste bijdrage aan de totale stikstofdepositie. Ammoniak komt voornamelijk in de atmosfeer terecht als mest in stallen verdampt of over het land wordt uitgereden. De vorige modelversie verwaarloosde de ammoniakconcentratie in de vegetatie en de bodem. De huidige versie veronderstelt dat er ammoniak in de vegetatie, wateroppervlakken en de bodem aanwezig is. De vegetatie neemt daarom niet alleen ammoniak op, maar geeft - onder bepaalde atmosferische omstandigheden - ook ammoniak af aan de lucht. Verder is in de software de beschrijving van zonlichtinval in bossen verbeterd, evenals het jaarlijkse verloop van het bladoppervlak van de vegetatie.
    • Developments in monitoring the effectiveness of EU Nitrates Directive Action Programmes : Result of the second MonNO3 workshop, 10-11 June 2009

      Fraters D; Kovar K; Grant R; Thorling L; Reijs JW; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLNational Environmental Research InstituteAarhus UniversityLEI Wageningen UR, 2011-07-13)
      Lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om de waterkwaliteit en de effecten van hun mestbeleid daarop te monitoren en hierover te rapporteren aan de Europese Commissie. Uit een internationale workshop blijkt dat landen hun monitoringsverplichting verschillend invullen doordat voorschriften ontbreken. Een andere bevinding is dat de meeste landen de afgelopen zes jaren hebben geïnvesteerd in een uitbreiding van de monitoring van de waterkwaliteit. Deze uitbreiding kwam voort uit een discussie tussen de lidstaten en de Commissie over de wijze waarop het mestbeleid moet worden vormgegeven. Lidstaten proberen hun standpunten hierover te onderbouwen met aanvullende monitoring. Een andere reden voor een uitgebreidere monitoring is dat lidstaten die pas recentelijk bij de Unie zijn aangesloten, hun monitoringssysteem moeten aanpassen aan de richtlijnen. Het RIVM heeft de workshop in 2009 met het Deense Milieuonderzoeksinstituut (DMU), de Geologische Dienst voor Denemarken en Groenland (GEUS) en het LEI, onderdeel van Wageningen UR, georganiseerd. Aan deze tweede MonNO3- workshop namen twaalf landen uit Noordwest- en Midden-Europa deel. De workshop richtte zich vooral op de ontwikkelingen sinds 2003, het jaar dat de eerste MonNO3 workshop heeft plaatsgevonden. De tweede workshop heeft, net als de eerste, eraan bijgedragen dat landen kennis en informatie over het monitoren van effecten van het mestbeleid uitwisselen. De workshop stimuleerde bijvoorbeeld de discussie over voor- en nadelen van gebruikte benaderingen van de waterkwaliteitsmonitoring. Daarnaast was er aandacht voor het gebruik van de monitoringgegevens voor andere doeleinden dan de waterkwaliteitsmonitoring, bijvoorbeeld om maatregelen voor het mestbeleid te onderbouwen. Ten slotte stonden de deelnemers stil bij verbeteringen en uitbreidingen van meetnetten.
    • Fijn stof van antropogene bronnen : Een literatuurstudie naar samenstelling en verspreiding

      van der Ree J; Morgenstern PP; Dusseldorp A; MGO ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLGGD'en, 2010-12-30)
      Het merendeel van de concentratie fijn stof in de lucht is afkomstig van menselijk handelen, zoals wegverkeer, zeeschepen en veehouderij. Uit verkennend literatuuronderzoek van het RIVM blijkt dat de bijdrage van deze zogeheten antropogene bronnen aan de fijnstofconcentratie in de omgeving grofweg tot maximaal enkele kilometers is te identificeren. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de GGD'en, omdat de gegevens over de bijdrage van antropogene bronnen aan de lokale fijnstofconcentratie schaars zijn. De GGD'en kunnen de kennis als achtergrondinformatie gebruiken voor hun adviestaak aan burgers en beleidsmakers. Daarnaast blijkt dat de samenstelling en deeltjesgrootte per bron verschillen, waardoor ook de mate waarin een eventuele blootstelling schadelijk is voor de gezondheid varieert. Hierdoor is het niet mogelijk de gezondheidseffecten van fijn stof die in stedelijke omgevingen zijn aangetoond (met verkeer als belangrijke bron) te vertalen naar effecten van het fijn stof van de onderzochte bronnen. Wel kan worden gesteld dat kleinere deeltjes, deeltjes afkomstig van verbrandingsprocessen en deeltjes met metalen die in water oplosbaar zijn het meest schadelijk zijn. Het RIVM heeft de volgende bronnen onderzocht: scheepvaart, voedingsmiddelenindustrie (diervoeder en meel), op- en overslagbedrijven, intensieve veehouderij, metaalindustrie, raffinaderijen en bouwplaatsen. Deze bronnen zijn geselecteerd vanwege hun relatief grote bijdrage aan de totale fijnstofemissie in Nederland en vanwege de vele vragen die hierover worden gesteld aan GGD'en.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2011

      Velders GJM; Aben JMM; Jimmink BA; van der Swaluw E; de Vries WJ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBL, 2011-05-26)
      Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS. Het RIVM presenteert de nieuwe kaarten waarin de concentraties van zeven luchtverontreinigende stoffen in Nederland staan weergegeven. Tevens worden nieuwe kaarten gepresenteerd van de mate waarin vermestende stoffen op de grond neerslaan. Deze kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland. Ze worden gebruikt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). De kaarten hebben een wettelijke status en gelden als toetssteen voor ruimtelijke ordeningsplannen. Ze zijn gemaakt op basis van metingen en modelberekeningen voor de periode 2010-2030. De kaarten zijn online beschikbaar via www.rivm.nl/gcn. In dit achtergrondrapport staat beschreven hoe de kaarten zijn gemaakt en wat er is veranderd ten opzichte van het rapport uit 2010. De concentratie- (GCN) en depositiekaarten (GDN) zijn gebaseerd op een raming van de economische groei en het nationale en Europese milieubeleid. De concentratiekaarten van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) verschillen op een beperkt aantal locaties met die uit de rapportage van 2010. In de buurt van drukke vaarwegen voor de binnenvaart zijn de concentraties stikstofdioxiden iets lager dan vorig jaar is ingeschat, terwijl de fijnstofconcentraties in de buurt van de havens hoger zijn. Een belangrijk verschil ten opzichte van vorig jaar is de lagere hoeveelheid stikstofdioxide die dieselpersonenauto's uitstoten. Hierdoor is het aantal locaties in Nederland waar in 2015 de grenswaarde voor de concentratie van stikstofdioxide mogelijk wordt overschreden naar verwachting wat lager dan vorig jaar werd geschat. Het aantal locaties in Nederland waar in 2011 de grenswaarde voor de concentratie van fijn stof (PM10) mogelijk wordt overschreden, zal ongeveer hetzelfde zijn als de schattingen uit het voorgaande jaar.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2012

      Velders GJM; Aben JMM; Jimmink BA; Geilenkirchen GP; van der Swaluw E; de Vries WJ; Wesseling J; van Zanten MC; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBL, 2012-06-14)
      Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS: Het RIVM presenteert de nieuwe kaarten waarin de concentraties van acht luchtverontreinigende stoffen (onder andere stikstofdioxide en fijn stof) in Nederland tot 2030 staan weergegeven. Hetzelfde geldt voor de mate waarin stikstof op de bodem neerslaat. Deze kaarten worden jaarlijks gemaakt en geven een beeld van de luchtkwaliteit en de neerslag van stikstof op de bodem in Nederland. Ze worden gebruikt in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) van de ministeries van Infrastructuur en Milieu (I&M) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). De kaarten hebben een wettelijke status en gelden als toetssteen voor ruimtelijke ordeningsplannen. Ze zijn gemaakt op basis van metingen en modelberekeningen. Overeenkomsten en verschillen met vorige rapportage: De concentratiekaarten van stikstofdioxide (NO2) verschillen slechts weinig met die uit de rapportage van 2011. De concentraties van fijn stof (PM10) zijn voor 2011 iets hoger dan voor 2010. Wel dalen de verwachte concentraties voor 2015 iets meer ten opzichte van de vorige rapportage als gevolg van verbeterde modelberekeningen. Het aantal locaties in Nederland waar mogelijk de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden, verschilt naar verwachting slechts beperkt van de inschattingen van vorig jaar. Elementair koolstof: Nieuw in deze rapportage zijn concentratiekaarten van elementair koolstof (EC; roet). Koolstof komt vrij bij allerlei verbrandingsprocessen. Het vermoeden bestaat dat de concentraties koolstof een duidelijkere graadmeter zijn voor de gezondheidsrisico's van de lokale bijdrage van vooral verkeersemissies aan luchtluchtverontreiniging dan die van stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5). Aangezien er nog weinig ervaring is met het modelleren en meten van elementair koolstof, zijn de kaarten indicatief. De concentraties kunnen daarom het best worden gebruikt om de relatieve effecten van maatregelen op de gezondheid te vergelijken. Aandachtspunten volgende rapportage: In de kaarten zijn nog niet de gevolgen verwerkt van de nieuwste verplichtingen uit mei 2012 om emissies te reduceren vanuit het herziene Gothenburg Protocol van de Verenigde Naties. Voor de meeste stoffen zijn de nieuwe emissieplafonds voor 2020 voor de Nederland omringende landen hoger dan de waarden die voor dit onderzoek zijn gebruikt. De gevolgen daarvan zullen bij de samenstelling van de kaarten van volgend jaar (rapportage 2013) worden meegenomen. De gebruikte scenario's bevatten evenmin de effecten van de geplande snelheidsverhogingen op snelwegen van het kabinet.
    • Leaching of plant protection products to field ditches in the Netherlands : Development of a PEARL drain pipe scenario for arable land

      Tiktak A; Boesten JJTI; Hendriks RFA; van der Linden AMA; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLAlterraWageningen UR, 2012-12-27)
      In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk geen rekening gehouden met belasting van het oppervlaktewater via drainagesystemen in de bodem van landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met Wageningen UR een scenario ontwikkeld waarin wel rekening wordt gehouden met deze drainage. Dat is nodig om de toelatingsbeoordeling beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. Drainage via scheuren in kleigronden Drainage vindt vooral plaats via scheuren in kleigronden. Dergelijke scheuren ontstaan als de bodem uitdroogt en vervolgens krimpt. Het Nederlandse model PEARL, dat in de Nederlandse toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt, hield nog geen rekening met drainage via scheuren. Het model is daarom uitgebreid met een module om stroming via kleischeuren te berekenen. Het nieuwe model is getoetst aan metingen. Hierbij bleek het model de stroming via kleischeuren goed te berekenen. Stofeigenschappen blijven belangrijk Net als in de oude versie van het model is de drainage van gewasbeschermingsmiddelen afhankelijk van de eigenschappen van het middel. Stoffen die langzaam afbreken en stoffen die slecht binden aan de bodem spoelen het meest uit. Omdat bij stroming via kleischeuren de bodem gepasseerd wordt, is de afhankelijkheid van stofeigenschappen in het nieuwe model echter minder groot.
    • Scenarios for exposure of aquatic organisms to plant protection products in the Netherlands : Part 1: Field crops and downward spraying

      Tiktak A; Adriaanse PI; Boesten JJTI; van Griethuysen C; ter Horst MMS; Linders JBJH; van der Linden AMA; van de Zande JC; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLctgbAlterraWageningen URPlant Research InternationalWageningen UR, 2012-12-27)
      In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk alleen rekening gehouden met de mate waarin deze stoffen het oppervlaktewater bereiken via de verwaaide nevel van de gewasbeschermingsmiddelen (drift). Deze nevel ontstaat nadat de middelen over het land zijn gespoten. Hoewel dit de belangrijkste 'route' is, blijken twee andere routes ook van belang: via de atmosfeer en via de drainagesystemen in de bodem van de landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR en het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) deze twee routes aan de blootstellingsscenario's toegevoegd. Specifiek gaat het hierbij om neerwaartse bespuiting in veldgewassen (akkerbouw, bloembollen en vollegrondsgroenteteelt). Grote hoeveelheid oppervlaktewater in Nederland Deze aanpassing is onderdeel van een herziening van de Nederlandse methode om risico's van gewasbeschermingsmiddelen te berekenen. Dat is nodig om de methode beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. De specifiek Nederlandse omstandigheden zoals de ruime hoeveelheden oppervlaktewater en de eigen driftcijfers blijven gehandhaafd. Kenmerkend voor het nieuwe scenario is dat er sprake is van een lage stroomsnelheid in het Nederlandse slootwater, waardoor stoffen relatief lang in het water blijven. Uitgangspunten Een van de uitgangspunten van het voorstel is de beleidskeuze dat de berekende maximale concentratie van een stof in negentig procent van de sloten onder de norm ligt. In de berekeningsprocedure wordt ook uitgegaan van belasting van het oppervlaktewater door gebruik op alle naastliggende percelen. Driftreducerende maatregelen blijven belangrijk Momenteel zijn telers van veldgewassen verplicht maatregelen door te voeren om de drift langs sloten met minimaal 50 procent te verminderen. Voorbeeldberekeningen met vier stoffen laten zien dat dergelijke driftreducerende technieken belangrijk blijven. In sommige gevallen kunnen aanvullende maatregelen de hoeveelheid drift namelijk nog verder omlaag brengen.