• Achtergronden bij: Milieubalans 95

      Kohsiek LHM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAVVCBSECNHIMHIKC-NLEI-DLORIKZRIZASC-DLOSCP, 1995-12-31)
      Volgens de wet Milieubeheer is de Milieubalans bedoeld om jaarlijks de actuele ontwikkeling van de milieukwaliteit te beschrijven in relatie tot het gevoerde milieubeleid en de ontwikkeling van de verschillende maatschappelijke activiteiten. Met deze rapportage wordt een eventuele bijsturing van het milieubeleid in de richting van de geformuleerde doelstellingen mogelijk gemaakt. Als onderdeel van de Milieubalans brengt het RIVM deze achtergronddocumentatie uit. Hierin wordt de wetenschappelijke onderbouwing gegeven van de conclusies uit de Milieubalans 95.<br>
    • National Environmental Outlook 2, 1990-2010

      Maas RJM; MNV; RIZA; DLO; CBS; RUL; RUG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRWS/RIZADGWLEI-DLOSC-DLOIBN-DLOIB-DLORIVO-DLOCBSDHVOliemans Punter &amp; PartnersRULRUG, 1992-12-31)
      Deze rapportage analyseert in hoeverre de maatregelen uit het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) en NMP-Plus toereikend zijn om de doelstellingen van die plannen voor 2000 en 2010 daadwerkelijk te halen. Bij deze analyse is rekening gehouden met de meest recente (natuur-) wetenschappelijke inzichten en toekomstverwachtingen op het gebied van bevolkingsgroei, economie, energiegebruik, verkeer en landbouw. NMP en NMP-Plus beogen een trendbreuk in ons milieugedrag. Zo moeten de meeste verontreinigingen in 2010 met 80-90% zijn gereduceerd. De verspilling van natuurlijke hulpbronnen moet vergaand worden verminderd. Uit de National Milieuverkenning 2 blijkt dat de tot medio 1991 aangekondigde maatregelen toereikend zouden zijn voor een emissievermindering van 50-60%. De vastgestelde maatregelen zijn niet voldoende om het gebruik van energie en grondstoffen te laten dalen. Om de gestelde milieudoelen in 2010 te kunnen bereiken zijn dus extra inspanningen nodig. Bij voortgaande materiele groei van productie en consumptie zullen voortdurend aanvullende maatregelen nodig zijn om te blijven binnen de randvoorwaarden die het milieu stelt. Deze maatregelen zullen steeds kostbaarder worden en kunnen, als binnen de beperkte tijd de technologische aanpassingsmogelijkheden uitgeput raken, nopen tot een fundamentele herziening van onze verwachtingen over de aard en omvang van de 'economische' groei.<br>
    • Nationale Milieuverkenning 2, 1990-2010

      Maas RJM; MNV; RIZA; DLO; CBS; RUL; RUG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRWS/RIZADGWLEI-DLOSC-DLOIBN-DLOIB-DLORIVO-DLOCBSDHVOliemans Punter &amp; PartnersRULRUG, 1991-12-31)
      Deze rapportage analyseert in hoeverre de maatregelen uit het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) en NMP-Plus toereikend zijn om de doelstellingen van die plannen voor 2000 en 2010 daadwerkelijk te halen. Bij deze analyse is rekening gehouden met de meest recente (natuur-) wetenschappelijke inzichten en toekomstverwachtingen op het gebied van bevolkingsgroei, economie, energiegebruik, verkeer en landbouw. NMP en NMP-Plus beogen een trendbreuk in ons milieugedrag. Zo moeten de meeste verontreinigingen in 2010 met 80-90% zijn gereduceerd. De verspilling van natuurlijke hulpbronnen moet vergaand worden verminderd. Uit de National Milieuverkenning 2 blijkt dat de tot medio 1991 aangekondigde maatregelen toereikend zouden zijn voor een emissievermindering van 50-60%. De vastgestelde maatregelen zijn niet voldoende om het gebruik van energie en grondstoffen te laten dalen. Om de gestelde milieudoelen in 2010 te kunnen bereiken zijn dus extra inspanningen nodig. Bij voortgaande materiele groei van productie en consumptie zullen voortdurend aanvullende maatregelen nodig zijn om te blijven binnen de randvoorwaarden die het milieu stelt. Deze maatregelen zullen steeds kostbaarder worden en kunnen, als binnen de beperkte tijd de technologische aanpassingsmogelijkheden uitgeput raken, nopen tot een fundamentele herziening van onze verwachtingen over de aard en omvang van de 'economische' groei.<br>
    • Nationale Milieuverkenning 4, 1997-2020

      Albers RAW (eds); MNV (AVVCBSCPBECNIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZARPDSC-DLOSCP, 1997-07-31)
      Dankzij het milieubeleid is in de afgelopen jaren een daling van de milieudruk bereikt. De thans voorgestelde en voorgenomen beleidsinspanningen zijn echter niet toereikend om de daling van de emissies in de decennia na 2000 vast te houden. De productie en consumpie nemen toe; de transport- en distributiefunctie en de intensieve landbouw blijven een substantiele rol spelen. Hierdoor zijn grote inspanningen nodig om de emissie van CO2 te verminderen en blijven de emissies NOx, NH3, fosfaat en stikstof hoger dan beoogd. Om bij de verwachte economische groei tot 2020 de beoogde emissiereducties te halen zijn technologische doorbraken noodzakelijk. De doelstellingen voor CO2 en NH3 zijn alleen bereikbaar met aanzienlijke inspanningen op het gebied van regelgeving, prijsmaatregelen en/of overheidsinvesteringen. Voor CO2 en NOx is internationale coordinatie essentieel. De belangrijkste zorgpunten voor de komende decennia vormen klimaatverandering, bescherming van de natuur, geluidhinder, luchtverontreiniging in steden en de kwaliteit van het drinkwater. Door vermesting, verdroging en bestrijdingsmiddelengebruik blijven in het landelijk gebied landbouw, natuur en grondwaterwinning met elkaar op gespannen voet staan. In het stedelijk gebied blijft het verkeer de gewenste kwaliteit van de woonomgeving aantasten, onder andere via emissies van schadelijke stoffen en geluidhinder. Een andere ruimtelijke ordening van activiteiten kan, in aanvulling op technische maatregelen, de milieukwaliteit lokaal verder verbeteren.
    • Nationale Milieuverkenning 5, 2000-2030

      MNV (AVVCBSCPBECNIKC-NKNMILEI-DLONLRRIKZRIZARPDSC-DLOSCP, 2000-09-11)
      Abstract not available
    • Natuurverkenning 97

      Maas RJM; MNV; IKC-N; IBN-DLO; SC-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMIKC-NIBN-DLOSC-DLO, 1997-07-31)
      De natuur in Nederland gaat kwantitatief - wat betreft het totale areaal - weer vooruit, kwalitatief- wat betreft de soortenrijkdom - echter nog niet. Het Nederlandse landschap vervlakt; grootschalige openheid en streekeigen kenmerken verdwijnen. De toekomstige kwaliteit van de Nederlandse natuur wordt sterk bepaald door de realiseerbaarheid van grote eenheden aaneengesloten natuur, de milieukwaliteit en de inzet van beheersmaatregelen. Van de beoogde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) wordt verwacht dat de soortenrijkdom (biodiversiteit) zal toenemen. Bij de uitvoering blijkt het hoge ambitieniveau van een samenhangend netwerk, bestaande uit grote eenheden natuur, niet volledig te worden gerealiseerd. Door te blijven streven naar een meer geconcentreerde invulling in grotere eenheden kan men de uiteindelijk te bereiken natuurkwaliteit alsnog verhogen. De regionale ontwikkeling van de landbouw (schaalvergroting en intensivering), de voorgaande verstedelijking en de vooralsnog hoge milieudruk blijven belangrijke risicofactoren. Vooral in Zuid- en Oost-Nederland blijft de milieukwaliteit onvoldoende om de natuurdoelen te realiseren. Om de natuurdoelstellingen te halen zal daarom de depositie van met name ammoniak verminderd moeten worden, de ruimtelijke ligging van natuur- en emissiegebieden beter op elkaar afgestemd moeten worden, of zal onvermijdelijk verlies van natuurkwaliteit gecompenseerd moeten worden door kwantitatieve (areaal) of kwalitatieve verbetering in gebieden elders.<br>
    • Een Normstellingsmethode voor (stikstof)depositie op natuurlijke vegetaties in Nederland. Een uitwerking van de Natuurplanner voor natuurdoeltypen

      Hinsberg A van; Kros J; LBG; SC-DLO (SC-DLO, 1999-02-18)
      Verzuring, vermesting en verdroging behoren tot de belangrijke bedreigingen van de natuurlijke en half-natuurlijke ecosystemen in Nederland. Om de gezamenlijke effecten van deze bedreigingen op de landelijke natuur te evalueren is, in een samenwerkingsverband tussen het RIVM en het SC-DLO, het multistressmodel SMART/MOVE ontwikkeld. In het kader van het Stikstof Onderzoek Programma (STOP) is het modelinstrumentarium uitgebreid met een module voor normstelling voor verzurende en eutrofierende depositie. Met de methode kunnen kritische stikstofdepositieniveaus voor gestelde beleidsdoeleinden berekend en in kaart gebracht worden. Er wordt rekening gehouden met ruimtelijke variatie in bodem, vegetatie en hydrologie. De methode is tevens bruikbaar om kritische niveaus voor zure depositie, of afzonderlijke componenten daarvan, te berekenen. Naast de validatie van verschillende tussenresultaten, zijn enkele eerste uitkomsten getoetst aan gangbare critical loads zoals empirisch vastgesteld en/of berekend met het Simple Mass Balance model. Voordeel van de nieuwe methode is de eenduidige berekeningswijze en de hogere detaillering ten aanzien van het aantal te beschouwen ecosystemen. De tussenresultaten van normstellingsmodule kunnen daarnaast ook gebruikt worden voor verschillende validatiedoeleinden en modelverbeteringen (d.m.v. kalibratie van de kansfuncties uit MOVE en verbeteringen aan de aansluiting tussen SMART en MOVE). Met behulp van de berekende kritische milieugrenzen (in termen van bodem-pH, grondwaterstand en stikstofbeschikbaarheid) kunnen ook streefbeelden voor de realisatie van geplande natuurdoeltypen worden afgeleid