• Applications of EDGAR Emission Database for Global Atmospheric Research

      Olivier JGJ; Berdowski JJm; Peters JAHW; Bakker J; Visschedijk AJH; Bloos JPJ; LAE; NOP (TNO, 2002-07-26)
      Abstract niet beschikbaar
    • Applications of EDGAR Emission Database for Global Atmospheric Research

      Olivier JGJ; Berdowski JJm; Peters JAHW; Bakker J; Visschedijk AJH; Bloos JPJ; LAE; NOP (TNO, 2002-07-26)
      Abstract niet beschikbaar
    • Assessment of the level of sea salt in PM10 in the Netherlands : Yearly average and exceedance days

      Hoogerbrugge R; Nguyen PL; Wesseling J; Schaap M; Wichink Kruit RJ; Kamphuis V; Manders AMM; Weijers EP; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOECN, 2012-02-16)
      In de Europese luchtkwaliteit richtlijn staat dat natuurlijke bijdragen aan de concentraties van fijn stof (PM10) mogen worden afgetrokken van de totale hoeveelheid fijn stof. In 2005 is in dat verband in de Nederlandse Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit een methode voor de hoeveelheid zeezout vastgelegd. De 'zeezoutcorrectie' die daarmee werd bepaald, was echter te ruim en is nu bijgesteld. Dit blijkt uit een evaluatie van de methode door het RIVM, op basis van nieuwe meetgegevens over zeezout. Zeezout draagt bij aan de hoeveelheid fijnstofdeeltjes in de lucht. Lagere zeezoutconcentratie in Nederland: De nieuwe gegevens van de geschatte hoeveelheid zeezout in de lucht zijn gebaseerd op gemeten concentraties natrium. Dit is een betrouwbaardere bron dan de chlorideconcentraties waarop de huidige zeezoutregeling is gebaseerd. Recente metingen van natrium in fijn stof (PM10) geven aan dat de jaargemiddelde zeezoutconcentratie in Nederland bijna de helft lager is dan was geschat. Hierdoor kan de natuurlijke bijdrage eveneens lager worden ingeschat. De nieuwe schatting is gebaseerd op de referentiemethode voor de monsterneming van fijn stof (PM10) en voldoet aan de Europese eisen. Correcties voor zeezout aangepast: De wet stelt een maximum aan het aantal dagen waarop PM10 boven de norm van 50 microgram per kubieke meter mag komen (35 dagen). Vanwege de natuurlijke bijdragen valt een aantal dagen af. Voor zeezout mochten in heel Nederland zes dagen worden afgetrokken. Met de nieuwe methode is dit aantal overschrijdingsdagen voor zeezout lager. Bovendien kan dat aantal op basis van de nieuwe data worden gedifferentieerd naar verschillende regio's van Nederland. Zo verandert de correctie voor het aantal normoverschrijdingsdagen in gebieden langs de kust van zes naar vier dagen. In het binnenland gaat deze correctie van zes naar twee dagen. Naar verwachting zijn de beleidsmatige gevolgen van de voorgestelde methode gering. Zelfs zonder de zeezoutaftrek is op de Nederlandse meetpunten het aantal overschrijdingsdagen in 2010 namelijk niet overschreden. Voor 2011 worden, als gevolg van andere weersomstandigheden (droog voorjaar), wel overschrijdingen verwacht.
    • De depositie van verzurende stoffen op de Asselsche Heide

      Duyzer JH; Verhagen HLM; Erisman JW; LLO (TNO, 1989-03-01)
      Het doel van dit onderzoek is de jaargemiddelde belasting van de Asselsche Heide (met name de meetlokatie van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer uit het verzuringsonderzoek) door stikstof- en zwavelverbindingen via atmosferische depositie te schatten.
    • Dossier ozon 2011 : Een overzicht van de huidige stand van kennis over ozon op leefniveau in Nederland

      van Pul WAJ; Fischer PH; de Leeuw FAAM; Maas RJM; Mooibroek D; van Noije TPC; Roemer MGM; Sterkenburg A; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKoninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut KNMITNO, 2011-07-05)
      Ozon is een natuurlijke component in de atmosfeer, essentieel voor het leven op aarde. Maar ozonconcentraties veranderen onder invloed van menselijke activiteiten. Dat heeft diverse effecten op de mens en vegetatie, en ook op het klimaat. Dit Dossier Ozon 2011 beschrijft de wetenschappelijke kennis over niveaus van ozon op leefniveau en de effecten daarvan in Nederland. Het is niet aannemelijk dat de hoge ozonconcentraties (piekconcentraties) of het gemiddelde ozonniveau in Nederland de komende jaren veel zullen dalen. Ten aanzien van de pieken is er twijfel over de effectiviteit van de emissiereductie van ozonvormende stoffen. De directe broninvloed van Nederland zelf op de eigen ozonniveaus is beperkt. De belangrijkste component in de gemiddelde niveaus - de mondiale achtergrond - zal zonder aanvullend beleid alleen maar stijgen. Alleen Europese en mondiale afspraken helpen. Het belang van deze internationale focus wordt nog eens versterkt door de indirecte en directe effecten van ozon op het klimaat. Ten aanzien van de effecten verschuift de aandacht van ozonpieken naar chronische belasting, maar over de effecten bestaat veel onzekerheid. Als blijkt dat ozon ook bij lagere niveaus significante effecten heeft, zou dat reden kunnen zijn om ook in te zetten op een daling van de mondiale achtergrondconcentratie.
    • Dutch National Food Consumption Survey Young Children 2005/2006

      Ocke MC; van Rossum CTM; Fransen HP; Buurma EM; de Boer EJ; Brants HAM; Niekerk EM; van der Laan JD; Drijvers JJMM; Ghameshlou Z; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-02-20)
      Peuters en kleuters in Nederland eten te weinig groenten, fruit, vis en vezelrijke voedingsmiddelen. Bovendien bevat de voeding van kleuters te veel verzadigde vetzuren. De ongezonde voeding van deze generatie kinderen kan leiden tot overgewicht en op latere leeftijd tot chronische ziekten. Beleid is nodig om een gunstig lichaamsgewicht te bevorderen en om de consumptie van groenten, fruit, vis, vezelrijke producten en voedingsmiddelen met een goede vetzuursamenstelling te stimuleren. Een peiling onder kinderen van 2 tot en met 6 jaar laat zien dat het aandeel van vet, eiwitten en koolhydraten in hun voeding goed is. Wel is het type vet in de voeding van veel jonge kinderen ongunstig. Ze eten te weinig vis (rijk aan visvetzuren) en vooral de voeding van kleuters bevat te veel verzadigde vetzuren. Daarnaast zijn er weinig jonge kinderen die voldoende groenten eten. Voor fruit is het beeld iets gunstiger: een op de vier jonge kinderen eet de geadviseerde hoeveelheid. Verder is een op de zeven kinderen in mindere of meerdere mate te dik. Het lijkt erop dat zij dus meer energie binnenkrijgen dan verbruiken. Jonge kinderen krijgen van de meeste vitamines en mineralen voldoende binnen. Van vitamine D en foliumzuur is de inname echter laag. Slechts drie op de vijf peuters gebruikt een supplement met vitamine D. Vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van tekorten. Bovendien is nader onderzoek nodig naar de gevolgen van een hoge inname van zink, koper, retinol (een type vitamine A) en synthetisch foliumzuur bij een deel van de kinderen.
    • Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2010 : Informative Inventory Report 2012

      Jimmink BA; Coenen PWHG; Droge R; Geilenkirchen GP; Leekstra AJ; van der Maas CWM; te Molder RAB; Peek CJ; Vonk J; Wever D; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOPBL, 2012-03-29)
      Tussen 1990 en 2010 is in Nederland de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen gedaald. Het betreft de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS), koolmonoxide, ammoniak, fijn stof (PM10), zware metalen en persistente organische stoffen (POP's). Deze neerwaartse trend is vooral toe te schrijven aan de introductie van schonere auto's en brandstoffen, en aan emissiebeperkende maatregelen bij industriële sectoren. Dit blijkt uit de toelichting van het RIVM op de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen, het Informative Inventory Report (IIR) 2012. Deze cijfers worden jaarlijks onder regie van het RIVM geleverd aan de Verenigde Naties (UNECE) en de Europese Commissie. De emissiecijfers beslaan een reeks jaren, vanaf 1990 tot het meest recente jaar. Dit keer zijn ook de geografische verdelingen van de emissiecijfers gerapporteerd, waartoe Europese lidstaten elke vijf jaar zijn verplicht. Nieuwe inzichten in de emissies van motorfietsen en bromfietsen: Door de jaren heen resulteren nieuwe methoden om de emissies te berekenen in nauwkeurigere uitkomsten. De grootste verbetering heeft dit verslagjaar plaatsgevonden in de emissieberekening van bromfietsen en motorfietsen in Nederland. Deze emissies zijn berekend met een nieuw model dat beter rekening houdt met het motorvermogen en de leeftijd van de bromfietsen en motorfietsen. Het nieuwe model laat zien dat vooral oudere motorfietsen en bromfietsen meer fijn stof (PM10) uitstoten dan eerder werd verwacht. Ook de uitstoot van stikstofoxiden ligt iets hoger dan eerder werd berekend. Motoren en bromfietsen leveren echter maar een kleine bijdrage aan de totale uitstoot van stikstofoxiden en fijn stof van wegverkeer in Nederland. Oude bromfietsen blijken ook meer koolwaterstoffen uit te stoten dan eerder werd gedacht, maar nieuwe bromfietsen blijken juist wat schoner. Als gevolg hiervan dalen de emissies van koolwaterstoffen sneller dan eerder werd berekend: van 25 kiloton in 1990 tot 4 kiloton in 2010. Uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer hoger dan gedacht: Ook de uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer in Nederland is opnieuw berekend, en wel op basis van nieuwe inzichten in de uitstoot van zogenoemde Euro-IV vrachtauto's. Deze aanduiding verwijst naar de Europese wetgeving voor de uitstoot van schadelijke stoffen door vrachtauto's. Euro-IV vrachtauto's zijn tussen 2005 en 2008 verkocht in Nederland. Uit metingen blijkt dat de uitstoot van stikstofoxiden door deze vrachtauto's op snelwegen hoger is geweest dan eerder werd gedacht. Tegelijkertijd blijken er in Nederland iets minder Euro-IV vrachtauto's rond te rijden dan eerder werd verondersteld: door een subsidieregeling zijn er vanaf 2006 al schonere vrachtauto's verkocht die aan strengere normen voldeden (Euro-V). Toch is de uitstoot van stikstofoxiden door vrachtverkeer in 2010 nu circa 5 kiloton hoger dan eerder werd berekend. Daarnaast is nauwkeuriger inzicht verkregen in het aandeel van de diverse categorieën trucks in het totale Nederlandse vrachtwagenpark.
    • Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2011 : Netherlands Informative inventory report 2013

      Jimmink BA; ten Broeke HM; Coenen PWHG; Droge R; Geilenkirchen GP; Leekstra AJ; van der Maas CWM; te Molder RAB; Peek CJ; Vonk J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNONetherlands Environmental Assessment Agency PBL, 2013-03-18)
      Emissies Nederland in 2010 onder plafonds De Nederlandse uitstoot van stikstofoxiden (NOx) is in 2011 zodanig afgenomen dat het voor het eerst kwam onder het maximum dat de Europese Unie daaraan voor 2010 heeft gesteld. Hiermee voldoet Nederland aan alle vier de zogeheten nationale emissieplafonds (NEC). Voor ammoniak, zwaveldioxide en niet-methaan vluchtige organische stoffen (NMVOS) voldeed Nederland al in 2010 aan deze plafonds. Dit blijkt uit de toelichting van het RIVM op de Nederlandse emissiecijfers van grootschalige luchtverontreinigende stoffen, het Informative Inventory Report (IIR) 2013. Deze cijfers betreffen de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, NMVOS, koolmonoxide, ammoniak, fijn stof (PM10), zware metalen en persistente organische stoffen (POP's). De uitstoot van al deze stoffen is tussen 1990 en 2011 gedaald. Dit komt vooral door schonere auto's en brandstoffen en door emissiebeperkende maatregelen van industriële sectoren. Lagere uitstoot van schadelijke stoffen door oude personenauto's Door de jaren heen resulteren nieuwe methoden om de emissies te berekenen in nauwkeurigere uitkomsten. Zo blijkt onder andere uit dit verslagjaar dat de emissieberekening voor personenauto's in Nederland is verbeterd. Daaruit volgt dat de uitstoot van schadelijke stoffen door benzineauto's zonder katalysator lager is dan werd verondersteld. Dat komt vooral doordat deze auto's gemiddeld op jaarbasis minder kilometers rijden dan eerder werd gedacht. Het CBS heeft afgelopen jaar de gereden kilometers van personenauto's nauwkeuriger in beeld gebracht door ze specifieker dan voorheen uit te splitsen naar leeftijd en brandstoftype. Tussen 2005 en 2010 valt hierdoor de totale uitstoot van stikstofoxiden door personenauto's, zowel diesel als benzine, circa 15 procent lager uit dan vorig jaar was berekend. De uitstoot van NMVOS is dit jaar zelfs 25 procent lager berekend. Jonge dieselauto's vervuilender dan gedachtDe uitstoot van stikstofoxiden door zogeheten Euro-5 dieselauto's blijkt hoger dan eerder werd aangenomen; in 2010 circa 6 procent. De Euro-5 aanduiding verwijst naar de Europese wetgeving voor de uitstoot van schadelijke stoffen door personenauto's en bestelauto's. Volgens deze wetgeving zou de stikstofoxidenuitstoot door dieselauto's met 28 procent moeten dalen ten opzichte van de Euro-4-norm. Euro-5 personenauto's zijn in 2008 op de Nederlandse markt gekomen, waarna TNO in 2012 van enkele Euro-5 auto's de emissies heeft gemeten. Hieruit blijkt dat de uitstoot van stikstofoxiden flink hoger ligt dan de Europese emissienormen voor deze auto's; de mate waarin hangt af van het rijgedrag (optrekken en remmen in steden of doorrijden op de snelweg). Auto's blijken in de praktijk minder zuinig te rijden dan tijdens condities waaronder fabrikanten testen. De stikstofoxidenuitstoot van Euro-5 dieselauto's is daarmee gemiddeld zelfs hoger dan de norm voor Euro-4 auto's.
    • Establishment of the Pesticide Information and Support Centre - PPA04/SK/6/8. Completion report

      Peijnenburg W; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCTBTNOSEPTA, 2007-12-07)
    • The Euro emission standards for cars and trucks in relation to NO2 limit value exceedances in the Netherlands

      Velders GJM; Wesseling J; Geilenkirchen GP; Ligterink NE; L&E; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPBLTNO, 2013-12-18)
      Aantal overschrijdingen NO2-grenswaarde deels gevolg van tegenvallende verkeersemissies Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw gelden zogeheten Euro-normen voor personenauto's en vrachtwagens om de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verminderen. Uit nationaal en internationaal onderzoek is gebleken dat de feitelijke emissie van stikstofoxiden (NOx) door verkeer minder daalt dan volgens de Euro-normen voor auto's werd verwacht. De grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) in de buitenlucht wordt in 2015 in Nederland volgens de huidige berekeningen op circa 150 locaties overschreden. Er zouden in 2015 vrijwel geen overschrijdingen zijn als de feitelijke uitlaatemissies van personenauto's en vrachtwagens zo sterk zouden zijn gedaald als volgens de Euro-normen de bedoeling was. De onzekerheid in de schatting van het aantal locaties is overigens groot omdat honderden locaties net onder of net boven de grenswaarde liggen. Dit onderzoek is uitgevoerd door het RIVM, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en TNO. De Euro-normen zijn belangrijke instrumenten in Europa om de concentraties stikstofdioxide onder de grenswaarde te brengen. Ze zijn door de jaren heen steeds strenger geworden. Om te controleren of de uitlaatgassen van auto's voldoen aan Euro emissie-eisen, worden ze onder laboratoriumomstandigheden getest. De afgelopen jaren is gebleken dat personenauto's en vrachtwagens rijdend op diesel in de praktijk meestal veel meer stikstofoxiden uitstoten dan op basis van de laboratoriumtests werd verwacht. Dit effect heeft ook invloed op de totale uitstoot van stikstofoxiden in Nederland. Volgens de verwachte emissies zou de totale stikstofoxidenuitstoot van het wegverkeer in 2015 in Nederland ongeveer 50 miljoen kilogram zijn. Op basis van de feitelijke emissies wordt dat getal 50 procent hoger geschat, ongeveer 74 miljoen kilogram.
    • Evaluation of PCB fluxes in the environment

      Annema JA; Beurskens JEM; Bodar CWM; Baart AC; Bakker DJ; Berdowski JJM; van Duijvenbooden W; Klein AE; Liem AKD; van der Linden AMA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 1995-04-30)
      Sinds het begin van de jaren zeventig heeft de (internationale) overheid een aantal stringente maatregelen genomen om de risico's van polychloorbifenylen (PCB's) in het milieu te verminderen. Een belangrijke vraag is of deze maatregelen tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het voorliggende rapport geeft voor Nederland een overzicht van de belangrijkste PCB-stromen in het (abiotische) milieu gedurende de periode 1980-1993. Voorts is een tweetal scenario's doorgerekend voor de PCB-stromen in het jaar 2000, respectievelijk met en zonder aanvullende beleidsmaatregelen. De bronnen van PCB-emissies in Nederland en de omringende landen zijn uitgebreid geinventariseerd. In de periode 1980-1990 zijn de emissies van PCB's naar lucht, water en bodem sterk gedaald. De aanvoer van PCB's in Nederland is momenteel vooral afkomstig uit het buitenland. Het gaat dan om grensoverschrijdende instroom via de grote rivieren en via atmosferische depositie. De PCB-concentraties in de grote rivieren zijn eveneens duidelijk afgenomen in de periode 1980-1990. Opvallend is echter dat deze daling zich niet heeft doorgezet. Sinds 1989 fluctueren de PCB-gehalten in de rijkswateren rond een nagenoeg constant niveau. Dit niveau bevindt zich boven de huidige grenswaarde voor PCB's. Eenzelfde patroon is zichtbaar voor de Nederlandse kustwateren. De schaarse meetgegevens voor de landbodem laten zien dat de streefwaarde voor PCB's waarschijnlijk niet op grote schaal wordt overschreden. De verwachting is dat met het thans gevoerde beleid de belangrijkste PCB-stromen verder zullen afnemen in de periode 1990-2000. Een versnelde sanering zou mogelijk zijn door het treffen van aanvullende maatregelen in het buitenland. Voor het terugdringen van de PCB-emissies naar lucht zou men zich hierbij kunnen richten op het (ongewenst) vrijkomen van deze stoffen bij diverse industriele processen. Waterbodemsanering in bovenstroomse gebieden kan de PCB-instroom via de grote rivieren verminderen. Omdat een aanzienlijk deel van de PCB's uit de grote rivieren uiteindelijk in de Noordzee terecht komt, heeft zo'n bovenstroomse waterbodemsanering ook invloed op de Nederlandse aanvoer van PCB's naar het mariene ecosysteem. Een verdere aanscherping van de beleidsmaatregelen in Nederland, zoals een versnelde inzameling van TL-armaturen en condensatoren, zal nauwelijks invloed hebben op het beeld voor het jaar 2000. Dit vanwege het relatief geringe aandeel van deze bronnen op de totale PCB-stromen. Het voorliggende rapport heeft de PCB-stromen in het abiotische milieu in kaart gebracht. De belangrijke vraag of de thans waargenomen PCB-concentraties in Nederland risicovol zijn voor mens of ecosystemen is daarmee echter nog niet beantwoord. Een nadere risicoschatting dient dan ook een belangrijke vervolg-stap te zijn op dit project. Dit sluit direct aan bij het beleidsvoornemen in Nederland om op basis van nieuwe inzichten in de milieuchemie en toxicologie van PCB's, de milieukwaliteitseisen voor deze groep van stoffen te her-evalueren.<br>
    • Exposure informed testing under REACH

      Vermeire TG; Bakker J; Bessems JGM; van de Bovenkamp M; Dang Z; van Engelen JGM; Gunnarsdottir S; Hagens WI; Links I; Marquart H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-09-26)
      De mate waarin mensen blootstaan aan chemicalien kan het aantal testen met proefdieren beinvloeden dat nodig is om de veiligheid van een stof te beoordelen. Dit betekent dat bepaalde onderzoeken niet nodig zijn als mensen of organismen in het milieu niet of nauwelijks aan een stof staan blootgesteld (Exposure Based Waiving, EBW). Hierdoor zijn minder proefdieren nodig. Bij relatief hoge blootstellingen kunnen juist extra testen met proefdieren nodig zijn (Exposure Based Triggering, EBT). Goede kennis van deze blootstelling via modellering of meting is hiervoor onontbeerlijk, zowel voor EBW als EBT. Dit geldt voor alle relevante stadia in de levenscyclus van een stof, van productie tot de afvalfase. Alleen dan kan gezegd worden of een blootstelling niet of juist wel relevant is. Het gaat om blootstelling van de mens, direct via consumentenproducten of op de werkplek of indirect via het milieu, en om blootstelling van organismen in het milieu. Het RIVM en TNO hebben onderzocht hoe dit onderdeel van teststrategieen kan worden aangewend om proefdiergebruik te verminderen. Het rapport is een deelproduct van het Europese Zesde Kaderproject OSIRIS (Optimized Strategies for Risk Assessment of Industrial Chemicals through Integration of Non-Test and Test Information). Doel van dit project is om teststrategieen te ontwikkelen voor toepassing onder REACH die het proefdiergebruik kunnen verminderen. De nieuwe Europese Verordening voor registratie, beoordeling, autorisatie en beperkingen voor chemische stoffen (REACH) verplicht de industrie om een registratiedossier voor haar stoffen in te dienen. De verplichte testen zijn in REACH vastgelegd en afhankelijk van de hoeveelheid stof die op de markt komt. Onder bepaalde voorwaarden, zoals de mate van blootstelling, kan hiervan worden afgeweken.
    • Gezondheidsbevordering en preventie in het onderwijs. Stand van zaken, effectiviteit en ervaringen van GGD'en en scholen

      Bos V; Jongh DM de; Paulussen TGWM; CGL; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2010-04-15)
      Gezondheidsbevordering en preventie op scholen loont. Er zijn gezondheidsbevorderende programma's voor scholen die ertoe leiden dat scholieren gezonder gedrag vertonen, op school beter presteren en minder vaak vroegtijdig school verlaten. Maatregelen hebben meer effect als scholen ze structureel uitvoeren en als de maatregelen integraal zijn opgezet. Ongeveer 60 procent van de GGD'en ondersteunt scholen om deze structurele en integrale gezondheidsbevordering en preventie planmatig aan te pakken. Dit blijkt uit een studie van TNO en het RIVM in opdracht van het ministerie van VWS. Hierin worden ook enkele aanbevelingen gedaan om gezondheidsbevordering in het onderwijs te versterken. De belangrijkste zijn: sluit goed aan bij de concrete vragen die een school heeft, versterk de vaardigheden van gezondheidsbevorderende professionals, ondersteun scholen en professionals praktisch bij de aanpak en uitvoering van de maatregelen, en vergroot het draagvlak voor de maatregelen in het gehele onderwijsveld. GGD'en en scholen zijn positief over planmatig werken omdat het helpt om gezondheidsbevordering gemakkelijker in het schoolbeleid en de dagelijkse activiteiten op te nemen. Wel hebben professionals behoefte aan praktische handvaten om de maatregelen stapsgewijs te kunnen uitvoeren. TNO heeft in internationale literatuur de effecten onderzocht van gezondheidsbevordering in het onderwijs op de leefstijl, schoolprestaties en -uitval van leerlingen. Het RIVM onderzocht de stand van zaken rond planmatige gezondheidsbevordering in het basis- en voorgezet onderwijs in Nederland.
    • Greenhouse Gas Emissions in the Netherlands 1990-2009 : National Inventory Report 2011

      van der Maas CWM; Coenen PWHG; Zijlema PJ; Baas K; van den Berghe G; te Biesebeek JD; Brandt AT; Geilenkirchen G; van der Hoek KW; te Molder R; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNONL AgencyStatistics Netherlands CBSDutch Emission AuthorityNetherlands Environmental Assessment Agency, 2011-07-01)
      In 2009 is de totale broeikasgasemissie van Nederland met ongeveer 3 procent gedaald ten opzichte van de emissie in 2008. Deze daling komt vooral door een lagere industriële productie als gevolg van de economische crisis. De totale broeikasgasemissie in 2009 bedraagt 198,9 Teragram (Megaton of miljard kilogram) CO2-equivalenten. Ten opzichte van het basisjaar 1990 (213,2 Tg CO2- equivalenten) is dit een afname van bijna 7 procent. Beide getallen zijn exclusief de emissies afkomstig uit het soort landgebruik en de verandering daarin, zoals natuurontwikkeling of ontbossing. (land use, land use change and forestry, LULUCF). Dit blijkt uit een inventarisatie van broeikasgasemissies die het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) heeft opgesteld. Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2011 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto Protocol en van het Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie. De inventarisatie bevat verder trendanalyses voor de emissies van broeikasgassen in de periode 1990-2009, een analyse van belangrijkste emissiebronnen (sleutelbronnen) evenals de onzekerheid in hun emissies. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren. Ten slotte bevat het een overzicht van het kwaliteitssysteem en de validatie van de emissiecijfers door de Nederlandse Emissieregistratie.
    • Handleiding bij het CAR-programma versie 1.0

      Eerens HC; Sliggers CJ; Baars HP; Huygen C; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOVROMRIVM, 1988-01-31)
      Betreft model voor de verspreiding van luchtverontreiniging.<br>
    • Impact of increasing the blend ratio of biodiesel on engine emissions associated toxicity : A quick scan by RIVM and TNO

      Gerlofs-Nijland ME; Vercruijsse W; Cassee FR; Janssen P; Kadijk G; Kooter IM; Verbeek RP; Zyl PS; Jedynska AD; Koornneef GP; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2014-06-06)
      Er zijn geen sterke aanwijzingen dat het bijmengen van FAME ("Fatty Acid Methyl Ester") biodiesel tot 7 vol%1 en HVO ("Hydrotreated Vegetable Oil") biodiesel tot 30 vol% zal leiden tot significante toename van schadelijke uitstoot van het wegverkeer. Deze conclusie is gebaseerd op de beperkte toxicologische gegevens die suggereren dat er slechts kleine of verwaarloosbare veranderingen optreden in het toxiciteitsprofiel als gevolg van het bijmengen van biodiesel. Het gebruik van biodiesel/petroleum dieselmengsels kunnen worden toegepast om de Nederlandse doelstelling voor duurzame energiebronnen te halen. De gevolgen voor de gezondheid door veranderingen in de samenstelling van de motoruitstoot is onzeker. Om het potentiële effect van het verhogen van de mengverhouding van FAME en HVO biodiesel op de menselijke gezondheid te onderzoeken, is in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu onderzocht wat de veranderingen van de toxiciteit van de uitstoot zal zijn. De beoordeling is gebaseerd op literatuurstudies van zowel gemeten schadelijke componenten als toxicologische studies. Vanwege technische beperkingen van personenvoertuigen met een roetfilter zal het percentage FAME biodiesel zeer waarschijnlijk niet meer dan 7 vol% kunnen worden. Hogere percentages biodiesel tot 30 vol % kunnen met HVO biodiesel worden bereikt. De beperkte emissie- en toxicologische gegevens leveren geen sterke argumenten om een aanzienlijke verhoging van de toxiciteit van de uitstoot bij een mengsel tot 7 vol% FAME biodiesel te verwachten. Onderzoeken met HVO zijn zeer schaars. De verwachting is dat HVO mengsels tot 30 vol% minder toxische uitstoot veroorzaken vanwege de structurele overeenkomsten in de koolwaterstoffen en de hogere zuiverheid ten opzichte van op aardolie gebaseerde diesel. Deze aanname moet worden bevestigd door toxicologische studies. Bovendien zijn de gevolgen voor de toxiciteit van uitstoot van voertuigen bij hogere biodiesel blend percentages ( > 30 vol%) momenteel niet duidelijk, noch kan een kritisch percentage worden geïdentificeerd waarbij de giftigheid van de uitstoot zijn maximum bereikt. Daarnaast wordt voorspeld dat de motoruitstoot de komende jaren fors zal afnemen als gevolg van de meest recente emissiewetgeving. Slechts een klein percentage van de daling zal het resultaat van de vervanging van aardolie diesel voor biobrandstof zijn. Al met al, suggereren de beschikbare gegevens dat het niet waarschijnlijk is dat de hoeveelheid schadelijke emissies aanzienlijk zal toenemen door het mengen van lage percentages van deze twee soorten biodiesel, hoewel dit wordt omgeven door onzekerheid vanwege ontbrekende gegevens.
    • A model for comparing occupational health and safety

      Uijt de Haag PAM; Bellamy LJ; Burdorf A; Heederik DJJ; Manuel HJ; Papazoglou IA; Portengen L; Pronk A; Tielemans E; CEV ; VTV ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOIRASErasmus Universiteit EURWhite Queen b.v., 2011-02-15)
      Werknemers kunnen op hun werk blootgesteld worden aan verschillende risico's, zoals blootstelling aan schadelijke stoffen, fysieke belasting en ongevallen. De risico's van deze verschillende blootstellingen worden tot nu toe onafhankelijk van elkaar berekend en beoordeeld. Het blijkt haalbaar een model te ontwikkelen dat deze verschillende risico's op gelijke wijze berekent en daarmee vergelijkbaar maakt. Dit blijkt uit deze haalbaarheidsstudie van het RIVM in samenwerking met een consortium van deskundigen van de Universiteit Utrecht - IRAS, TNO - Kwaliteit van Leven, Erasmus Universiteit Rotterdam, White Queen B.V. en Y. Papazoglou in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In de haalbaarheidsstudie is voor enkele beroepen in de bouwnijverheid een model ontwikkeld waarmee verschillende blootstellingen vergeleken kunnen worden. Het model berekent de ziektelast van het optreden van silicose en longkanker (ten gevolge van de blootstelling aan silica), lage rugklachten (ten gevolge van het tillen van zware lasten) en sterfte en letsel (ten gevolge van ongevallen). Als maat is de DALY gebruikt, waarmee de verschillende ziektes vergelijkbaar zijn gemaakt. De werking van het model is zo gedemonstreerd voor enkele beroepen en enkele ziektes. De eerste berekeningen met een pilotversie van het OHIA-model laten zien dat voor drie van de vier geselecteerde beroepen de ziektelast, uitgedrukt in DALY, ten gevolge van blootstelling aan silica een orde van grootte groter is dan de ziektelast ten gevolge van het tillen van zware voorwerpen en arbeidsgerelateerde incidenten, terwijl voor de timmerman de bijdragen van de drie blootstellingen vergelijkbaar zijn. Uit het model volgt ook dat de dynamiek van de verschillende blootstellingen heel anders is: het optreden van rugklachten en ongevallen gebeurt alleen tijdens het werkzame leven, terwijl bijvoorbeeld longkanker ten gevolge van silica-blootstelling voor een belangrijk deel pas na het werkzame leven gebeurt. Ook blijkt dat belangrijke informatie nog ontbreekt, en er nog grote onzekerheden zijn. Uit de haalbaarheidsstudie blijkt dat het mogelijk is te komen tot een geintegreerd model voor arbeidsveiligheid en -gezondheid. Hiermee is een perspectief ontwikkeld voor een model waarmee inzicht wordt verkregen in de sectoren en arbeidsomstandigheden die leiden tot de grootste ziektelast en waar de grootste verbeteringen mogelijk zijn. Hiermee kan de beleidsinzet beter worden geprioriteerd en verbeterprogramma's gerichter worden ingezet. De studie geeft ook inzicht in welke modelverbeteringen nog nodig zijn om te komen tot een praktisch toepasbaar model.
    • Nader verkennend onderzoek ultrafijnstof rond Schiphol

      Bezemer A; Wesseling J; Cassee F; Fischer P; Fokkens P; Houthuijs D; Jimmink B; de Leeuw F; Kos G; Weijers E; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMECNTNOESC, 2015-09-24)
      Rond Schiphol zijn de concentraties ultrafijnstof verhoogd als gevolg van de luchtvaart. Direct buiten het luchthaventerrein is de gemiddelde bijdrage van luchtvaartactiviteiten vergelijkbaar met de bijdrage van wegverkeer in straten in binnenstedelijk gebied. Naarmate de afstand tot het luchthaventerrein toeneemt, neemt de concentratie ultrafijnstof af: op zo'n vijftien kilometer van de luchthaven is de bijdrage van de luchtvaart nog circa 20 procent van de bijdrage direct naast het luchthaventerrein. Ultrafijnstof is het bestanddeel van fijnstof met de allerkleinste afmeting: kleiner dan 0,1 micrometer. In het algemeen wordt aangenomen dat ultrafijnstof schadelijk is. De wetenschappelijke kennis hierover is nog beperkt. Of, en zo ja in welke mate, in de omgeving van Schiphol sprake is van extra gezondheidseffecten als gevolg van de blootstelling aan ultrafijnstof kan op basis van de huidige inzichten niet worden bepaald. Dit blijkt uit verkennend onderzoek dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is uitgevoerd. Ultrafijnstof komt zowel van nature in de lucht als door menselijk handelen voor. Vooral door het stoken van hout, verbranden van afval en het gebruik van fossiele brandstoffen in voertuigen voegt de mens ultrafijnstof toe. In het voorjaar van 2015 is voor dit onderzoek de hoeveelheid ultrafijnstof in de omgeving van Schiphol gemeten door een samenwerkingsverband van vier kennisorganisaties. Ultrafijnstof is in dat gebied voornamelijk afkomstig van wegverkeer, vliegtuigen en overige voertuigen op en rond het luchthaventerrein. Uit de beperkte gegevens die in de wetenschappelijke literatuur beschikbaar zijn, blijken de hoeveelheden ultrafijnstof rond Schiphol vergelijkbaar met die bij andere internationale luchthavens. De meetresultaten zijn met behulp van modelberekeningen vertaald naar een kaart van een groter gebied om Schiphol heen (circa twintig bij dertig kilometer). In het grootste deel van dit gebied zijn andere bronnen van fijnstof dan de luchtvaart, vooral wegverkeer, bepalend voor de totale hoeveelheid ultrafijnstof in de lucht. De meetgegevens laten zien dat er een extra bijdrage is, afkomstig van het vliegverkeer rond Schiphol en de activiteiten op de luchthaven.
    • Nanotechnologie in perspectief: samenvatting. Risico's voor mens en milieu

      van Zijverden M; Sips AJAM; SEC; SIR; BMT; GBO; MGO; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-09-23)
      Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.
    • Nanotechnology in perspective. Risks to man and the environment

      van Zijverden M; Sips AJAM; GBO; MMG; LER; SEC; SIR; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOVWAWUR, 2009-08-28)
      Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.